Chapter 29 of 43 · 3984 words · ~20 min read

Part 29

Terwijl de anderen door het vergeefsche zoeken gerustgesteld waren, was dit met Winnetou niet het geval, want hij stond na eenigen tijd weer op en begon opnieuw den naasten omtrek te onderzoeken. Het duurde wel een uur, voor hij terugkwam.

—Er is geen mensch,—zeide hij. Sam Hawkins moet zich dus wel hebben vergist.

Ondanks deze woorden, zette hij in plaats van twee, vier wachten uit en beval hun zeer opmerkzaam rond te zien en van tijd tot tijd om de legerplaats heen te patrouilleeren. Daarna legden wij ons te slapen.

Ik sliep echter niet gerust, ik werd dikwijls wakker en had korte, benauwde droomen, waarin Santer en zijn metgezellen de hoofdrollen speelden. Dit was een natuurlijk gevolg van de ontmoeting, welke wij met hem gehad hadden, maar toen ik ’s morgens opstond, had ik een voorgevoel alsof ons iets onaangenaams wachtte.

Na het ontbijt, dat uit vleesch en een mengsel van meel en water bestond, begaf Intschu Tschuna zich met zijn kinderen op weg. Ik vroeg verlof hen een eind weegs te mogen vergezellen. Opdat zij overtuigd konden zijn, dat ik dit niet deed om den weg naar de plaats waar het goud zich bevond te leeren kennen, vertelde ik hun ook, dat ik de gedachte aan Santer maar niet uit mijn hoofd kon zetten. Ik wist zelf niet waarom, maar ik was overtuigd, zonder daartoe eenigen grond te hebben, dat deze schurk met zijn lieden was teruggekeerd. Dit kon evenwel het gevolg zijn van mijn droomen.

—Mijn broeder behoeft zich over ons niet ongerust te maken—antwoordde Winnetou.—Om hem gerust te stellen, zal ik nog eens zien of ik ook sporen kan vinden, wij weten dat mijn jonge broeder niet naar geld verlangt, maar als hij ook slechts maar een klein eindje met ons meeging, zou hij de plaats raden waar het goud ligt en dan zou hij zeker de koorts krijgen, welke de bleekgezichten niet verlaat, voor zij naar lichaam en geest te gronde zijn gegaan. Wij verzoeken hem dus niet uit wantrouwen, maar enkel uit liefde en voorzichtigheid niet met ons te gaan.

Daarmee moest ik tevreden zijn. Hij zag nog eens nauwkeurig rond, maar toen hij ook nu weer niets vond, gingen zij heen. Uit het feit, dat zij liepen en niet reden, maakte ik op dat de plaats waar zij heen wilden, niet heel ver af lag.

Ik ging in het gras liggen, stak mijn pijp aan en maakte een praatje met Sam, Dick en Will, alles maar, om mijn bezorgdheid van mij af te zetten. Maar ik had geen rust, ik stond spoedig weer op: er was iets in mij, dat mij steeds voortdreef. Daarom nam ik eindelijk mijn geweer, misschien zou ik het een of ander stuk wild ontdekken, dat mijn gedachten kon afleiden. Intschu Tschuna was den zuidkant opgegaan, daarom ging ik noordwaarts, opdat het niet den schijn zou hebben, dat ik op verboden wegen wilde gaan. Toen ik zoo ongeveer een kwartier had geloopen, zag ik een spoor, dat door drie personen moest zijn gemaakt, welke mocassins droegen. Ik onderscheidde twee groote, twee kleinere en twee zeer kleine voetsporen, welke nog maar kort geleden konden zijn gemaakt. Zij moesten die van Intschu Tschuna, Winnetou en Nscho-Tschi zijn. Zij waren dus eerst zuidelijk gegaan, natuurlijk om ons te misleiden, maar waren daarna omgekeerd.

Mocht ik verder gaan? Neen. Het was immers mogelijk, dat zij mij zagen, hoogst waarschijnlijk zouden zij op hun terugweg, mijn spoor herkennen en ik wilde volstrekt niet, dat zij zouden denken, dat ik hen had willen volgen. Ik wilde echter ook niet dadelijk weer naar de legerplaats terugkeeren en daarom liep ik in oostelijke richting verder.

Reeds na korten tijd, moest ik weer stilhouden, want ik stuitte opnieuw op een spoor. Dit was gemaakt door vier mannen, die laarzen droegen en dadelijk dacht ik aan Santer. Het spoor leidde in de richting waarin de beide hoofdmannen waren gegaan en scheen te komen uit een niet ver gelegen kreupelboschje. Ik richtte mijn schreden daarheen.

Het was, zooals ik had vermoed; het spoor kwam uit dit boschje en toen ik verder daarin doordrong, vond ik de vier paarden die aan Santer en zijn kameraden toebehoorden. Het was duidelijk aan den grond te zien, dat de vier kerels hier den nacht hadden doorgebracht. Zij waren dus toch omgekeerd! Waarom—Natuurlijk om ons! Sam Hawkins had zich dus gisteravond niet vergist en werkelijk twee oogen gezien, maar door zijn verkeerd optreden, den spion verjaagd, nog voor dat het schot was afgegaan. Wij waren dus beluisterd geworden. Santer was in onze buurt en wachtte slechts het oogenblik af, dat degeen, dien hij wilde vangen zich van de anderen afzonderde. Maar deze plaats was immers ver van onze legerplaats verwijderd? Hoe kon hij ons van hier uit gadeslaan?

Ik bezag nauwkeurig de boomen. Midden in het kreupelboschje, stonden eenige hooge eiken, welke gemakkelijk te beklimmen waren. De stam van den eene, was hier en daar beschadigd. Men was dus in den boom geklommen en van deze hoogte kon men zeker, al was het niet de legerplaats zelf, dan toch een ieder die deze verliet zeer goed zien. Welke gedachten bestormden mij toen ik dat zag! Waarover hadden wij gisteravond gesproken, op het oogenblik dat Sam de oogen meende te zien? Hierover, dat Intschu Tschuna met zijn kinderen den volgenden dag wilde heengaan, om goud te halen. Dat moest de luisteraar hebben gehoord! Vanmorgen in de vroegte was hij stellig in den boom geklauterd en had de drie personen voorbij zien komen. Toen was hij hen met zijn drie makkers gevolgd.

Winnetou was dus in gevaar; hij en zijn vader en Nscho-Tschi! Ik moest weg, zoo snel mogelijk en de roovers zien in te halen. Ik gunde mij niet den tijd naar de legerplaats terug te keeren, maar maakte een der paarden los, geleidde het naar het open veld, sprong er op en galoppeerde op hun eigen spoor, dat zich spoedig vereenigde met dat der opperhoofden, de schelmen na.

Daarbij zocht ik te raden, waar, ingeval ik het spoor mocht verliezen, de plaats waar het goud lag, gezocht moest worden. Winnetou had gesproken over een berg die Nuggets-Hill werd genoemd. Nuggets zijn goudklompjes, welke men in verschillende grootten vindt. Hill beteekent heuvel of berg, Nuggets-Hill wil dus zeggen Klompjesberg. De plaats lag dus hoog. Ik overzag de streek, door welke ik reed. Noordwaarts van mij lagen eenige aanzienlijke met bosch begroeide hoogten. Een van deze moest de Nuggetsberg zijn, dat stond bij mij op dit oogenblik vast.

De oude knol, waarop ik zat liep mij lang niet vlug genoeg. Ik trok dus in het voorbijrijden een tak van een boom en dreef hem daarmee aan. Hij deed wat hij kon en spoedig zag ik dan ook de bergen voor mij. Het spoor voerde tusschen twee hoogten door, maar ik kon het weldra niet meer terugvinden, daar het water van de bergen veel steengruis had meegevoerd. Ik steeg evenwel niet af, want het sprak vanzelf dat zij, die ik zocht hier verder het dal waren ingegaan.

Weldra zag ik een zijkloof, welke eveneens een steenachtigen bodem had. Nu was het de vraag of de opperhoofden links of rechts waren gegaan. Ik sprong uit den zadel, onderzocht den bodem en vond het spoor; het voerde naar links in den kloof. Ik steeg weer te paard en volgde het, maar weldra deelde zich deze kloof en moest ik opnieuw afstijgen. Het was te voorzien, dat dit nog wel meer zou kunnen gebeuren en dan zou het paard mij maar in mijn bewegingen belemmeren. Ik bond het dier dus aan een boom vast en ging te voet verder, nauwkeurig oplettend waarheen het spoor voerde.

Ik kwam nu in een nauwe rotsachtige spleet, waarin zich op dit oogenblik geen water bevond. De angst dreef mij voort en benam mij langzamerhand den adem. Op een hoogte gekomen moest ik een oogenblik blijven staan om te bekomen, toen liep ik verder tot het spoor mij plotseling linksaf naar het bosch leidde. Ik liep zoo hard ik kon tusschen de boomen door. Zij stonden eerst dicht bij elkaar, later op eenigen afstand tot het eensklaps lichter om mij heen werd en ik begreep een open plek voor mij te hebben. Nog had ik dezen niet bereikt of ik hoorde verscheidene schoten vallen. Eenige oogenblikken daarna weerklonk een kreet welke mij als een mes door de ziel sneed, het was de doodskreet der Apachen. Nu liep ik niet, maar ik vloog voort in groote sprongen als een roofdier dat zich op zijn prooi wil werpen. Wederom een schot en nog één, dit was het dubbelloopsgeweer van Winnetou, ik kende den knal. God zij dank! Hij leefde nog! Ik had nog maar enkele schreden te doen, weldra had ik de open plek bereikt en bleef onder den laatsten boom staan, want wat ik zag, deed mijn voeten aan den grond vastnagelen.

De plek was niet groot. Bijna in het midden daarvan lagen Intschu Tschuna en zijn dochter. Of zij nog leefden kon ik zoo dadelijk niet zien. Niet ver van hen af, lag Winnetou achter een klein rotsblok, bezig zijn geweer opnieuw te laden. Links van mij stonden twee kerels met aangelegd geweer gereed te schieten, zoodra Winnetou zich maar eenigszins bloot gaf. Rechts van mij sloop een derde voorzichtig tusschen de boomen door om Winnetou in den rug te kunnen aanvallen. De vierde lag juist voor mij dood door het hoofd geschoten.

De twee waren voor ’t oogenblik gevaarlijker voor Winnetou, dan de derde. Ik nam mijn berendooder en schoot hen beiden neer, toen sprong ik zonder mij tijd te gunnen, mijn geweer opnieuw te laden op den derde toe. Hij had mijn schoten gehoord en zich omgekeerd, zag mij komen, legde op mij aan en schoot. Ik sprong ter zijde; de kogel vloog mij voorbij. Hij zag dat zijn spel verloren was en vluchtte. Ik snelde hem na, want ik had gezien dat het Santer was. Evenwel de afstand tusschen hem en mij was te groot en in het bosch kon ik hem moeielijk vinden. Ik keerde dus terug, vooral ook, omdat ik begreep dat Winnetou mijn hulp noodig zou hebben.

Toen ik wederom op de open plek terugkwam, knielde hij naast zijn vader en zuster, angstig onderzoekend of er nog leven in hen was. Hij zag mij aankomen en stond even op. Nooit zal ik de uitdrukking zijner oogen vergeten. Ik las daarin een bijna aan waanzin grenzende woede en smart.

—Mijn broeder ziet wat er gebeurd is. Nscho-Tschi, de schoonste en beste der Apachenvrouwen zal niet naar de steden der bleekgezichten gaan; zij leeft nog wel, maar zij zal de oogen niet weer openen.

Ik was niet in staat een woord te spreken. Wat zou ik ook zeggen! Ik had immers gezien wat er gebeurd was. Vader en dochter lagen naast elkaar, Intschu Tschuna midden door het hoofd geschoten, Nscho-Tschi in de borst getroffen. De eerste was dadelijk dood geweest, het meisje evenwel ademde nog, zwaar rochelend, terwijl de bronskleur van haar gelaat steeds matter en matter werd. De volle wangen vielen in en een doodelijke bleekheid verspreidde zich over de mij zoo dierbare trekken. Nu bewoog zij zich even. Langzaam wendde zij het hoofd naar den kant, waar haar vader lag en opende de oogen. Zij zag Intschu Tschuna badende in zijn bloed, schrok en scheen langzaam tot bewustzijn te komen. Zij legde de hand op haar hart, voelde het warme bloed uit de wonde vloeien en slaakte een diepen zucht.

—Nscho-Tschi, mijn lieve, mijn eenige zuster!—klaagde Winnetou op een toon, welke niet is weer te geven.

Zij scheen hem te hooren, want zij sloeg even de oogen naar hem op.

—Winnetou.... mijn.... broeder! fluisterde zij.—Wreek.... wreek.... mij!

Toen gleed haar blik van hem op mij en een gelukkige, maar spoedig wegstervende glimlach speelde om haar lippen.

—Old-Shatterhand!.... stamelde zij.—Gij.... zijt.... hier! Nu.... sterf ik.... zoo....

Meer hoorden wij niet want de dood sloot haar voor altijd den mond. Het was of mijn hart zou bersten; ik moest lucht hebben, sprong op en stiet een luiden kreet van smart uit, welke door de bergen werd weerkaatst.

Winnetou stond ook op, langzaam alsof hij door loodzware gewichten werd neergedrukt. Hij sloeg beide armen om mij heen en zeide:

—Nu zijn zij dood! Het grootste, het edelste opperhoofd der Apachen en Nscho-Tschi, mijn zuster, die aan u haar hart had gegeven. Zij stierf met uw naam op de lippen. Vergeet dat niet, vergeet dat nooit, mijn beste broeder!

—Nooit, nooit zal ik het vergeten!—riep ik. Toen kreeg zijn gezicht een andere uitdrukking en zijn stem klonk vol en plechtig, toen hij vroeg:

—Hebt gij gehoord wat haar laatste bede aan mij was?

—Ja.

—Wraak! ik moet haar wreken en ik zal haar wreken, zooals nog nooit een moord gewroken is. Weet gij, wie de moordenaars waren. Gij hebt hen gezien. Het waren bleekgezichten, wien wij niets hadden misdaan. Zoo is het steeds geweest en zoo zal het altijd blijven tot de laatste roode man vermoord is geworden. Wij wilden naar de steden der bleekgezichten gaan, Nscho-Tschi wilde worden als een blanke vrouw, want zij had u lief en hoopte uw hart te winnen, wanneer zij zich eenmaal de zeden en gewoonten der blanken had eigengemaakt. Zij heeft met haar leven daarvoor moeten boeten. Of wij u ook haten en of wij u liefhebben, ’t is alles hetzelfde, overal waar een bleekgezicht den voet zet brengt hij ons verderf. Er zal een klaaglied klinken door alle stammen der Apachen en er zal zich een gehuil van woede en wraak verheffen, overal, waar zich leden van onzen stam bevinden. De oogen van alle Apachen zijn gericht op Winnetou om te zien, hoe hij den dood van zijn vader en zijn zuster zal wreken. Mijn broeder Old-Shatterhand mag hooren wat ik hier bij deze beide dooden zweer! Ik zweer bij den Grooten Geest en bij al mijn dappere voorvaderen, die in de eeuwige jachtvelden verzameld zijn, dat ik van dit oogenblik af elk bleekgezicht dat ik ontmoet met het geweer, dat aan de hand mijns vaders is ontvallen, zal doodschieten of— —

—Halt!—viel ik hem huiverend in de rede, want ik wist dat het hem onverbiddelijke ernst was met deze woorden.—Halt! Mijn broeder Winnetou mag nu niet zweren!

—Waarom nu niet!—vroeg hij bijna toornig.

—Een eed moet worden uitgesproken in een volkomen kalme gemoedsstemming.

—Oef! Mijn stemming is op dit oogenblik zoo kalm als het graf waarin ik deze beide dooden neer zal leggen. Evenals het graf mijn dierbaren nooit zal teruggeven, evenmin zal ik ooit een woord van hetgeen ik heb gesproken, terug....

—Niet verder—viel ik hem nogmaals in de rede.

—Wil Old-Shatterhand mij verhinderen mijn plicht te doen? Moeten de oude wijven mij in ’t gezicht spuwen en moet ik uit mijn volk worden verbannen, omdat ik niet den moed bezit te wreken, wat vandaag is geschied?

—Het zij verre van mij, dit te verlangen, ook wil ik de moordenaars straffen. Drie van hen zijn reeds gevallen, de vierde is ontvlucht, maar hij zal ons niet ontkomen.

—Hij zal ons niet ontkomen!—herhaalde hij.—Maar ik heb niet alleen met hem te doen. Hij heeft gehandeld als zoon van dat blanke ras, dat ons ten verderve wil brengen, maar ik roep dit geheele ras ter verantwoording, ik, Winnetou nu de eerste en opperste van alle stammen der Apachen!

Hij stond trotsch en met opgerichten hoofde voor mij, een man, die ondanks zijn jeugd, zich koning voelde over al de zijnen! Ja, hij was er de man naar te doen wat hij wilde. Hem zou het zeker gelukt zijn de krijgers van alle roode natiën te verzamelen om met de blanken een reuzenstrijd te beginnen, een wanhopigen strijd, waarvan het einde niet twijfelachtig kon zijn, maar die honderdduizenden offers zou vragen. Nu op dit oogenblik, zou worden beslist of deze strijd zou worden begonnen.

Ik nam zijn hand en zeide:

—Gij moet en zult doen wat gij wilt, maar luister naar mijn bede, welke misschien mijn laatste zal zijn, dan zult gij nooit meer de stem van uw blanken broeder hooren. Hier ligt Nscho-Tschi. Gij zelf hebt gezegd, dat zij mij heeft liefgehad en met mijn naam op de lippen is gestorven. Ook u had zij lief, mij als vriend en u als broeder en gij hebt haar wederkeerig uw liefde geschonken. Bij deze onze liefde smeek ik u, spreek den eed dien gij wilt doen, nu niet uit, maar eerst dan, wanneer het graf zich boven het hoofd van de edelste dochter der Apachen zal hebben gesloten!

Hij zag mij ernstig, bijna somber aan en sloeg den blik neer. Ik zag dat zijn trekken zachter werden en toen hij eindelijk zijn oog weer opsloeg, zeide hij:

—Mijn broeder Old-Shatterhand heeft een groote macht over de harten van allen met wie hij omgaat. Nscho-Tschi zou zijn verzoek zeker inwilligen en daarom zal ik het ook doen. Eerst dan, wanneer mijn oog deze beide dooden niet meer ziet, zal worden beslist of de Mississippi en zijn zijrivieren zullen worden gekleurd met het bloed der blanke en roode volkeren. Howgh!

God zij dank! Het was mij althans voorloopig gelukt een groot onheil af te wenden. Ik drukte hem dankend de hand en sprak:

—Mijn broeder zal nu inzien dat het niet mijn bedoeling is genade te vragen voor den schuldige, hij heeft een strenge straf verdiend. Wij moeten zorgen, dat hij niet ontkomt. Winnetou mag zeggen wat ik in dit opzicht moet doen!

—Mijn voeten zijn gebonden!—zeide hij, nu weer op somberen toon.—De gebruiken mijns volks gebieden mij, bij deze dooden die mij zoo na verwant zijn, te blijven tot zij begraven zijn. Eerst dan mag ik wraak nemen.

—En wanneer zal de begrafenis plaats hebben?

—Dat zal ik met mijn krijgers overleggen. Of wij begraven hen hier op de plaats, waar zij gestorven zijn, òf wij brengen hen naar het Pueblo. Maar zelfs al zullen zij hier hun laatste rustplaats vinden, moeten er nog verscheidene dagen voorbijgaan voor alles gereed is, voor de begrafenis van zulk een groot opperhoofd.

—Maar dan zal de moordenaar ons zeker ontkomen.

—Neen. Want al kan Winnetou zelf hem niet achtervolgen, anderen kunnen dit in zijn plaats doen. Mijn broeder moet mij vertellen hoe hij eigenlijk hier is gekomen.

Nu het iets zakelijks betrof, was hij zoo kalm mogelijk. Ik vertelde hem in ’t kort wat hij weten wilde. Er volgde eenigen tijd van stilte en nu was het, alsof wij een zwaren zucht hoorden welke van de plaats kwam waar de beide struikroovers lagen. Den een was mijn kogel door het hart gegaan, maar de andere was, evenals Nscho-Tschi in de borst getroffen, hij leefde nog en kwam op dit oogenblik weer bij. Hij staarde ons aan en mompelde eenige woorden, welke ik niet kon verstaan. Ik boog mij over hem heen en riep hem toe:

—Man, kom tot u zelf. Weet gij, wie hier bij u staat?

Hij deed moeite na te denken, zijn oog werd ook werkelijk helderder en ik hoorde hem zachtjes vragen:

—Waar.... waar is.... Santer?

—Ontvlucht,—antwoordde ik, want ik kon het niet over mijn hart verkrijgen tegenover een stervende te liegen.

—Waar.... heen?

—Dat weet ik niet, maar ik hoop dit van u te vernemen. Uw andere metgezellen zijn dood, ook gij hebt slechts nog maar eenige seconden te leven, gij zult aan den rand des grafs niet meer durven liegen. Waar komt Santer vandaan?

—Weet.... het.... niet.

—Heet hij werkelijk Santer?

—Heeft.... vele.... vele namen.

—Wat is hij eigenlijk?

—Weet ook.... niet.

—Hebt gij bekenden hier in de buurt, misschien in een of ander fort?

—Neen.

—Waar wildet gij heengaan?

—Nergens heen. Waar maar geld-buit.

—Dus waart gij roovers en dieven van beroep! Verschrikkelijk! Hoe kwam gij op het denkbeeld, de beide Apachen met het meisje te overvallen?

—Nug.... nuggets!

—Maar gij wist immers niets van deze nuggets?

—Wilden naar.... naar....

Hij hield even op, het viel hem zwaar te antwoorden. Ik raadde evenwel wat hij wilde zeggen en vroeg:

—Hadt gij vernomen dat deze Apachen naar het Oosten wilden gaan en hebt gij daaruit afgeleid, dat zij goud bij zich hadden?

Hij knikte.

—Gij naamt u dus voor hen te overvallen, daar gij echter wel wist dat wij voorzichtig zouden zijn en u in ’t oog zouden houden, reedt gij eerst een eind weg en keerdet later om, toen gij meendet dat wij ons niet meer ongerust over u zouden maken?

Hij knikte wederom.

—Toen zijt gij omgekeerd en ons nagereden. Hadt gij ons den vorigen avond beluisterd?

—Ja.... Santer.

Dus Santer zelf was het geweest!—Heeft hij u verteld, wat hij bij ons had gehoord?

—Apachen.... Nuggets.... hill.... nuggets halen.... vroeg...

—Juist zooals ik had vermoed. Toen hebt gij u in het bosch verscholen en ons van daar gadegeslagen? Gij wildet de plaats weten van waar de Apachen het goud haalden?

Hij had de oogen gesloten en antwoordde niet.

—Of wildet ge hem alleen bij hun terugkomst overvallen om....

Nu evenwel viel Winnetou mij in de rede.

—Mijn broeder behoeft niet verder te vragen, want dit bleekgezicht zal niet meer antwoorden, hij is dood. Deze blanke honden wilden ons geheim leeren kennen, maar het is hun niet gelukt. Wij waren reeds op den terugweg, toen zij ons ontmoetten. Zij verscholen zich in het kreupelhout en schoten van daar op ons. Intschu Tschuna en mijn zuster vielen getroffen neer, een andere kogel raakte alleen mijn mouw. Ik schoot op een der kerels, die evenwel juist achter een boom kroop, daarom trof ik hem niet, maar mijn tweede kogel deed den andere vallen. Daarop zocht ik een schuilplaats achter deze steenen, maar ik zou mijn leven niet hebben kunnen redden, wanneer Old-Shatterhand niet op het juiste oogenblik was gekomen. Twee der roovers bedreigden mij van dezen kant en een derde sloop om mij heen om mij in den rug aan te vallen, zijn kogel had mij moeten treffen. Toen evenwel hoorde ik de kogels van Old-Shatterhand’s berendooder en ik was gered. Nu weet mijn broeder alles en zal ik hem vertellen, hoe hij het aan moet leggen, Santer te vangen.

—Moet ik die taak op mij nemen?

—Ja, Old-Shatterhand moet het doen, hij zal het spoor van den vluchteling zeker vinden.

—Misschien wel, maar er zal daarmee veel tijd verloren gaan.

—Neen, mijn broeder behoeft niet lang te zoeken, want het spoor zal zeker leiden naar zijn paarden, zonder welke hij niet veel kan beginnen. Daar, waar hij met zijn lieden den nacht heeft doorgebracht, is gras en Old-Shatterhand kan dus gemakkelijk zien, in welke richting hij is gegaan.

—En dan?

—Dan neemt mijn broeder tien krijgers mee, om hem te achtervolgen en gevangen te nemen. De andere twintig krijgers zendt hij hierheen opdat zij met mij den doodszang kunnen aanheffen.

—Het zal geschieden en ik hoop, dat ik het vertrouwen dat mijn broeder in mij stelt, niet zal beschamen.

—Ik weet dat Old-Shatterhand zal handelen, zooals ik zelf zou hebben gehandeld! Howgh!

Hij stak mij de hand toe, ik drukte dien hartelijk, boog mij nog eenmaal over de dooden en ging heen. Aan den rand van het bosch keerde ik mij nog eenmaal om. Winnetou bedekte juist de hoofden der gestorvenen en begon op somberen klagenden toon den bij den roodhuiden gebruikelijken lijkzang aan te heffen. Mijn hart was vol, overvol. Maar ik moest handelen en snelde dus terug op den weg, dien ik daar straks gekomen was.

Ik was van plan te doen, wat Winnetou mij gezegd had. Toen ik evenwel den reeds vroeger genoemden kant van den berg had bereikt, dacht ik een oogenblik na.

Santer zou voor alles trachten, zoo spoedig mogelijk uit onze nabijheid te komen, dat deed hij niet, wanneer hij eerst naar zijn legerplaats liep. Dit zou hij enkel doen om een paard machtig te worden. Maar als hij nu eens het dier had gevonden, waarop ik gereden had. Hij moest ook dezen weg langs zijn gekomen en dan had hij stellig het paard gezien.