Chapter 21 of 43 · 3986 words · ~20 min read

Part 21

Deze kleine zonderlinge kerel wist zelfs nog grappen te maken over den wanhopigen toestand, waarin wij ons bevonden. Zijn vroolijkheid duurde echter slechts een oogenblik, want de beraadslaging was ten einde, de krijgslieden die daaraan hadden deelgenomen, gingen terug naar hun plaatsen en Intschu Tschuna begon met luider stem:

—Hoort gij krijgers der Apachen en Kiowa’s wat over deze vier gevangen bleekgezichten besloten is. In den raad der Ouden is reeds vooruit afgesproken, dat wij hen in het water zouden jagen, dan met elkander zouden laten vechten en hen eindelijk zouden laten verbranden. Old-Shatterhand, de jongste van hen heeft echter woorden gesproken, die niet geheel van waarheid zijn ontbloot. Het schijnt toch dat zij het niet zoo kwaad hebben gemeend als wij dachten, maar desniettemin hebben zij den dood verdiend, doch is ons oorspronkelijk besluit veranderd en willen wij nu den Grooten Geest laten beslissen.

Hij hield eenige oogenblikken stil om de spanning onder zijn toehoorders te vermeerderen. Sam maakte van deze pauze gebruik om de volgende opmerking ten beste te geven:

—Drommels, dat wordt interessant, hoogst interessant. Begrijpt gij wat hij wil?

—Ik vermoed het,—antwoordde ik.

—Wat dan?

—Een tweegevecht, een zoogenaamd Godsoordeel. Heb ik ’t niet geraden?

—Ja, in elk geval een tweegevecht. Maar tusschen wie? ’k Ben erg nieuwsgierig, dit te hooren.

Nu ging de hoofdman voort:

—Het bleekgezicht, dat Old-Shatterhand wordt genoemd, schijnt de voornaamste van hen te zijn, de beslissing zal dus in zijn hand worden gelegd. En onder de Apachen ben ik de hoogste in rang, ik Intschu Tschuna.

—Wel voor den drommel. Gij en hij—fluisterde Sam opgewonden.

—Oef, oef, oef!—klonk het bewonderend door de rijen der roodhuiden.

Zij schenen verbaasd te staan dat hun aanvoerder zelf met mij wilde strijden, hij had zich gemakkelijk aan dit gevaar kunnen onttrekken en een ander daarmee kunnen belasten.

De aanvoerder vervolgde:

—Intschu Tschuna en Winnetou zijn in hun eer gekrenkt geworden, doordat slechts één vuistslag van den blanken man voldoende was, om hen bezwijmd te doen neervallen. Zij moeten deze vlek op hun naam uitwisschen, door met den blanke te vechten. Winnetou moet zich terugtrekken, want ik ben ouder en de eerste aanvoerder der Apachen. Hij is het daarover met mij eens en ik zal tegelijk met mijzelf, ook hem in zijn eer herstellen, door Old-Shatterhand te dooden.

Hij wachtte wederom eenige oogenblikken.

—Gij kunt er u op verheugen, sir!—zeide Sam.—Gij zult in elk geval een beteren dood hebben dan wij. Gij hebt den kerel willen sparen en nu kan hij u het levenslicht uitdooven.

—Dat zullen wij eerst eens afwachten!

—Niet noodig, sir, ik weet het vooruit. Denkt gij dat gij gelijke wapens krijgt?

—Neen, dat stel ik mij niet voor!

—De kansen worden bij dergelijke gelegenheden zóó gesteld, dat de blanke altijd verloren is. Gebeurt dat een enkelen keer niet, dan is dit een uitzondering, welke den regel bevestigt. Luister verder.

Intschu Tschuna ging nu voort:

—Wij zullen Old-Shatterhand de boeien afnemen en hem in het water der rivier laten gaan, hij moet over de rivier zwemmen, maar krijgt geen wapenen. Ik volg hem en neem alleen de tomahawk mee. Bereikt Old-Shatterhand den oever en komt hij levend tot aan den ceder, welke daarginds op de zandvlakte staat, dan is hij gered en zijn ook zijn makkers vrij, zij kunnen gaan waarheen zij willen. Dood ik hem evenwel voor hij den ceder bereikt, dan zijn ook zij ten doode opgeschreven, maar zullen niet gemarteld en verbrand, alleen doodgeschoten worden. Alle aanwezige krijgers mogen getuigen dat zij mijn woorden gehoord en begrepen hebben en daarmee instemmen.

—Howgh!—luidde het eenstemmig antwoord.

Men kan begrijpen dat wij zeer in spanning waren, ik wel niet zoo erg als Sam, Dick en Will. De eerste zeide:

—Dat hebben de kerels slim uitgedacht. Omdat gij de sterkste zijt moet gij zwemmen. Laat u dat niet wijsmaken! Omdat gij een nieuweling zijt, dat is de reden. Mij, mij, moesten zij te water laten gaan! Ik zou hun eens laten zien, hoe Sam Hawkins als een forel door het water schiet. Maar gij! Bedenk dat ons leven van u afhangt. Als gij ’t verliest en wij moeten sterven, dan zeg ik nooit meer een woord tegen u, daar kunt ge op rekenen!

—Wees maar niet bezorgd, beste Sam!—antwoordde ik.—Ik zal doen wat ik kan. Ik geloof dat de roodhuiden geen slechte keus hebben gedaan; ja, ik ben overtuigd dat ik u gemakkelijker zal redden dan gij ons!

—Ik wil het hopen! Dus, het gaat op leven en dood. Gij moet Intschu Tschuna niet sparen, doe dat in ’s hemelsnaam niet.

—Ik zal eens zien.

—Er valt niets te zien. Als gij hem spaart, zijt gij verloren en wij met u. Gij vertrouwt zeker alweer op uw vuist.

—Ja.

—Doe dat niet, het zal niet tot een gevecht komen.

—Zeker, het komt er toe.

—Neen dat geloof ik niet.

—Hoe wil hij mij dan dooden?

—Met de tomahawk natuurlijk. Gij weet toch wel, dat men die niet alleen bij ’t handgevecht gebruikt, maar ’t is ook een vreeselijk wapen in de verte; men werpt er mee en deze roodhuiden zijn daarin zoo geoefend, dat zij iemand op honderd pas afstands, het topje van een opgeheven vinger afsnijden. Intschu Tschuna zal niet met de bijl op u loshakken, maar hem u achterna werpen en u met den eersten worp dooden. Geloof mij, al zijt ge nog zulk een uitstekende zwemmer, gij komt niet aan den anderen oever, want onder ’t zwemmen werpt hij u de tomahawk naar het hoofd of naar den nek. Dan helpt al uw kunst en al uw sterkte u geen zier!

—Dat weet ik, beste Sam. Maar evengoed weet ik, dat in sommige gevallen een vingerhoed list meer doet, dan een vat lichaamskracht.

—List? Waar haalt gij nu de noodige list vandaan? Ik zeg u, de oude Sam Hawkins staat bekend als een schrandere kerel, maar met al zijn schranderheid zou hij niet weten, hoe hij dat aan moest leggen. Wat helpt nu alle list tegen een goed geslingerde tomahawk!

—Meer dan ge denkt, Sam!

—Hoe kan dat?

—Gij zult het zien, of liever, gij zult het niet zien, maar ik wil u wel zeggen dat ik bijna zeker ben, dat mijn plan zal gelukken.

—Gij zegt dit maar, om ons moed in te spreken!

—Neen.

—Om ons te troosten, zeker, Maar wat geeft ons een troost, welke het volgende oogenblik niets waard blijkt te zijn?

—Wees toch gerust. Ik heb een goed, een zeer goed overlegd plan.

—Een plan? dat ook nog, gij kunt geen ander plan hebben, dan over de rivier te zwemmen en dan treft u de tomahawk.

—Neen, let op! Wanneer ik verdrink zijn wij gered!

—Verdrink... gered! sir, gij weet niet wat gij zegt!

—Ik weet, wat ik wil! Let goed op, ik herhaal het: als ik verdrink, hebben wij niets meer te vreezen.

Ik sprak deze woorden snel en haastig, want nu traden de drie aanvoerders op ons toe en Intschu Tschuna zeide:

—Wij maken Old-Shatterhand nu los, maar hij behoeft zich niet te verbeelden dat hij kan vluchten: er zouden dadelijk honderd vervolgers achter hem zijn.

—Ik denk er ook niet aan!—antwoordde ik,—zelfs al kon ik ontkomen, dan zou het toch slecht van mij zijn, mijn makkers in den steek te laten.

Ik werd losgemaakt en zwaaide even met mijn armen, om te beproeven of ik ze goed kon bewegen. Toen zeide ik:

—Het is een groote eer voor mij, met den beroemden hoofdman der Apachen op leven en dood te mogen strijden, maar voor hem is het geen eer.

—Waarom niet?

—Omdat ik geen partij voor hem ben. Ik heb nu en dan eens een bad genomen in een beek en dan geprobeerd eens onder te duiken. Maar in zulk een breede, diepe rivier ben ik nooit geweest.

—Oef, oef dat spijt mij. Ik en Winnetou, zijn de beste zwemmers van onzen stam, wat beteekent dus een overwinning op zulk een slechten zwemmer!

—En gij zijt gewapend, en ik niet! Ik ga dus den dood tegemoet en mijn kameraden bereiden zich ook voor om te sterven. Maar toch zou ik wel eens willen weten, hoe ik mij dezen strijd moet voorstellen. Wie moet het eerst te water gaan?

—Gij.

—En gij volgt mij dadelijk?

—Ja.

—En wanneer valt gij mij met de tomahawk aan?

—Als mij dat in den zin komt,—antwoordde hij met een trotsch en minachtend lachje.

—Dat kan dus ook in ’t water gebeuren?

—Ja.

Ik deed, alsof ik hoe langer hoe onrustiger en meer terneergeslagen werd en vroeg verder:

—Dus gij moogt mij dooden. Ik u ook?

Hij zette een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond:—arme worm, waar denkt gij aan, deze vraag is immers al te gek,—maar hij antwoordde:

—Het is zwemmen en vechten op leven en dood; gij kunt mij dus ook dooden, want alleen, wanneer u dit gelukt, zult gij den ceder bereiken.

—En zal uw dood niet op mij gewroken worden?

—Neen. Dood ik u, dan bereikt gij uw doel niet en uw makkers moeten sterven; dood gij mij, dan bereikt gij den ceder en gij zijt van dat oogenblik vrij. Vooruit!

Hij keerde zich om en ik trok mijn jachtrok en laarzen uit. Wat ik in den gordel en in mijn zakken had, legde ik er naast.

Nu hoorde ik Sam klagen:—Dat zal wat geven, sir, dat zal wat geven. Als gij uw gezicht eens kondet zien, sir, en dan dien toon van uw stem, ik sta doodsangsten om u uit.

Ik kon hem niet antwoorden, daar de drie aanvoerders dichtbij ons stonden, maar ik wist wel, waarom ik zoo stumperachtig deed. Ik wilde Intschu Tschuna minder op zijn hoede doen zijn om hem, zoo te zeggen in den val te lokken.

—Nog één vraag!—verzocht ik, voor ik hem volgde.—Krijgen wij onze eigendommen terug, ingeval wij vrijkomen?

Hij lachte kort en ongeduldig, want hij vond deze vraag al heel dom en antwoordde:

—Ja, zeker die krijgt gij.

—Alles?

—Alles.

—Ook de paarden en de geweren.

—Alles, dat heb ik immers gezegd!—stoof hij op.—Hebt gij dan geen ooren? Een padde wil met een adelaar een wedstrijd in ’t vliegen aangaan en vraagt hem, wat zij zal krijgen, indien zij ’t wint! Als gij even dom zijt in ’t zwemmen als in ’t vragen, spijt het mij dat ik u geen oude vrouw tot tegenpartij heb gegeven.

Wij gingen langs den cirkel van toeschouwers naar den oever. Ik kwam dicht langs Nscho-Tschi voorbij en ving van haar een blik op met welken zij afscheid van mij nam, voor ’t leven. De Indianen volgden ons en zetten zich toen in groepen aan den oever neer, om op hun gemak te genieten van het schouwspel, dat hun wachtte.

Het spreekt vanzelf, dat ik mij in een groot gevaar bevond. Al zwom ik ook recht, scheef of zigzag over de rivier, ik was toch verloren, de tomahawk van den aanvoerder zou mij altijd treffen. Er was slechts één kans op redding, ik moest duiken en gelukkig was ik daarin niet zulk een stumper, als Intschu Tschuna dacht. Maar het duiken alleen was niet genoeg. Ik moest weer boven water komen, om adem te scheppen en stelde dan mijn hoofd bloot aan den worp van de tomahawk. Neen, ik mocht in ’t geheel niet weer aan de oppervlakte komen, zoolang ik in ’t gezicht der roodhuiden was. Hoe zou ik dit evenwel aanvangen? Ik nam de oevers aan weerskanten nauwkeurig op en zag tot mijn voldoening dat het terrein mij voor de uitvoering mijner plannen gunstig was.

Wij bevonden ons, zooals reeds gezegd is, op de geheele vrije zandvlakte, maar een eind voorbij het midden daarvan. Het verder stroomopwaarts liggende gedeelte was slechts honderd schreden van mij verwijderd en nog verder naar boven, maakte de rivier een kromming, welke mij verhinderde haar verder met het oog te volgen. Stroomafwaarts lag het einde der zandvlakte, wel vierhonderd pas van mij af. Wanneer ik in ’t water sprong en men mij niet weer zag opduiken, moest men wel denken dat ik verdronken was en zou men naar mijn lijk gaan zoeken, dat natuurlijk stroomafwaarts zou drijven; mijn redding lag dus in de tegenovergestelde richting. Daar zag ik dichtbij een plaats, waar de oever door den stroom was afgebrokkeld; hij hing een weinig voorover en daaronder was een holte, welke uitstekend geschikt was om mij een oogenblik tot schuilplaats te dienen. Verder naar boven lag allerlei aangespoeld houtwerk, dat ik tot hetzelfde doel kon gebruiken. Het was nu echter geraden te doen, alsof ik bang was.

Intschu Tschuna ontkleedde zich tot op de dunne Indiaansche broek, stak de tomahawk in den gordel en zeide:

—Wij kunnen beginnen. Spring er in!

—Mag ik eerst niet probeeren, hoe diep het hier is?—vroeg ik op angstigen toon.

Een verachtelijk lachje gleed over zijn gelaat, terwijl hij om een lans riep. Men bracht mij die en stak haar in ’t water.

Zij bereikte den bodem niet. Dit was mij zeer welkom, maar ik deed, alsof ik nog angstiger werd dan ik reeds was, hurkte aan den oever neer, wiesch mij het voorhoofd als iemand die bang is een beroerte in het water te zullen krijgen, door zich niet eerst vooraf af te koelen. Er ging een algemeen gebrom van geringschatting op, ik had dus mijn doel bereikt. Bovendien hoorde ik Sam roepen:

—Om Gods wil, kom toch weer hier! ik kan het niet langer aanzien. ’t Is beter dan zij ons doodmartelen, dan zulk een beeld van jammer voor oogen te hebben.

Onwillekeurig kwam mij in de gedachte, wat Nscho-Tschi wel van mij zou denken. Ik keerde mij om. Uit Tangua’s gelaat sprak haat en hoon. Winnetou had de bovenlip opgetrokken, zoodat men zijn tanden kon zien, hij was woedend, dat hij mij ooit een oogenblik zijn medelijden had betoond en zijn zuster hield de oogen neergeslagen, zij wilde mij niet eens meer aanzien.

—Ik ben gereed,—zeide Intschu Tschuna tot mij.—Waarom aarzelt gij? Er in, zeg ik u!

—Moet het werkelijk gebeuren?—vroeg ik.—Kan het niet anders?

Er weerklonk een luid gelach en boven alles uit hoorde ik Tangua’s stem roepen:

—Laat dien kikvorsch vrij! Schenk hem het leven. Op zulk een lafaard mag geen krijgsman zijn hand leggen!

En met donderende stem schreeuwde Intschu Tschuna mij toe:

—Er in of ik breek u dadelijk den nek met de tomahawk!

Toen deed ik, alsof ik vreeselijk verschrikt was, ging aan den kant van de rivier zitten, stak eerst de voeten en toen langzaam de beenen in het water als wilde ik er mij zachtjes in laten glijden.

—Er in!—schreeuwde Intschu Tschuna nogmaals en meteen gaf hij mij een flinken schop in den rug. Dit had ik juist gewild. Ik sloeg als hulpeloos de armen uit, gilde van angst en plofte in het water. In ’t volgend oogenblik evenwel was het uit met deze comedie. Ik voelde den grond onder mij, nam een wending en zwom, natuurlijk onder water, stroomopwaarts, dicht langs den oever.

Dadelijk daarop hoorde ik boven en achter mij gedruisch. Intschu Tschuna was mij nagesprongen, zooals ik later vernam, was het zijn plan geweest mij een voorsprong te geven en mij dan naar den tegenovergestelden oever te drijven, waar hij mij met de bijl wilde neerslaan. Tengevolge van mijn lafheid had hij dit plan opgegeven en was mij dadelijk gevolgd om mij, zoodra ik het hoofd omhoog stak, den doodelijken slag te geven. Met zulk een lafaard moesten korte wetten worden gemaakt.

Ik bereikte de plek waar de afgebrokkelde oever over het water heenhing en dook even op, maar zoo, dat het hoofd alleen tot den mond te voorschijn kwam. Niemand kon mij zien, dan alleen de hoofdman, doordien deze ook in ’t water was. Tot mijn geluk evenwel zag hij juist den anderen kant uit. Ik haalde snel en diep adem en dook weer onder om verder te zwemmen. Weldra kwam ik bij het aangespoelde hout en wederom haalde ik even adem, ja ik was hier zoo goed verborgen, dat ik het zelfs wagen kon, even om mij heen te zien. Ik zag den hoofdman op het water liggen, als een roofdier, dat gereed is zijn prooi te grijpen. Nu had ik nog het laatste, maar ook het langste eind voor mij, tot daar waar het bosch begon en struiken over het water heengingen. Ook dit eind legde ik gelukkig af en door deze struiken geheel verborgen, klom ik den oever op.

Ik moest natuurlijk de zooeven genoemde kromming trachten te bereiken om vandaar naar den tegenoverliggenden oever te zwemmen, en dit geschiedde het snelst, door daarheen te loopen. Eerst echter zag ik door de boomen heen naar degenen, die ik zoo om den tuin had geleid. De Apachen stonden roepend en met de armen zwaaiend aan den oever en ik zag den hoofdman nog altijd op mij wachtend, heen en weer zwemmen, hoewel ik onmogelijk zoolang levend onder water had kunnen blijven. Of Sam Hawkins ook dacht aan mijn woorden: als ik verdrink, zijn wij gered?

Nu liep ik zoo snel mogelijk door het bosch verder, tot ik de kromming van de rivier achter mij had, ging ik hier weer te water en kwam welgemoed aan de overkant. Dit was nu ’t gevolg van mijn aanstellerij en van ’t feit, dat zij mij voor zulk een slechten zwemmer hadden gehouden.

Onbegrijpelijk was het werkelijk, dat zij zich door deze list hadden laten beetnemen, want tot nu toe, had ik hun niet de minste reden gegeven om mij voor een lafaard te houden.

Ik liep terug tot ik weer aan de zandvlakte kwam, welke zich hier aan dezen kant voortzette. Achter de boomen verborgen, zag ik tot mijn groot genoegen, dat verscheidene roodhuiden in het water waren gesprongen en met lansen naar den verdronken Old-Shatterhand zochten. Ik had nu op mijn gemak naar den ceder kunnen loopen en dan was het pleit beslist geweest, ik deed dit echter niet, want ik wilde mijn overwinning niet enkel te danken hebben aan list, maar Intschu Tschuna meteen een les geven en hem dwingen mij erkentelijk te zijn.

Hij zwom nog steeds zoekend op en neer, ’t scheen hem geen oogenblik in te vallen naar den anderen oever te zien. Ik liet mij dus weer in ’t water glijden, ging op den rug liggen, zoodat slechts mijn neus en mond boven het water uitkwamen en liet mij langzaam voortdrijven. Geen mensch merkte mij op. Toen ik evenwel dicht bij hem was, dook ik onder, zwom een stuk verder, kwam eensklaps hoven en riep, in het water rechtopstaande, met luider stem:

—Sam Hawkins, Sam Hawkins, wij hebben overwonnen! Overwonnen!

Het leek wel of ik op een ondiepe plaats stond. De roodhuiden hoorden mij en zagen om zich heen. Een verschrikkelijk gehuil volgde! Het was of duizend duivels waren losgelaten en om het hardst brulden. Wie zoo iets ook maar eens in zijn leven heeft gehoord, vergeet het nooit weer. Nauwelijks had Intschu Tschuna mij gezien of hij kwam met snelle slagen op mij toegezwommen. Ik mocht hem niet te dicht bij mij laten komen en klom dus weer op den tegenoverliggende oever. Hier bleef ik staan.

—Weg, verder weg, sir!—schreeuwde Sam mij toe,—maak toch, dat gij aan den ceder komt!

Niemand kon mij dit beletten, Intschu Tschuna evenmin als iemand anders, maar ik wilde hem, zooals reeds gezegd een lesje geven en verwijderde mij dus niet van dit punt, vóór hij nog ongeveer veertig pas van mij af was. Toen liep ik zoo snel ik kon op den boom toe. Was ik nog in ’t water geweest, dan had de hoofdman mij ongetwijfeld met de tomahawk kunnen treffen, maar nu was ik overtuigd, dat hij zich niet van dit wapen kon bedienen voor hij zelf den oever had bereikt. De boom stond driehonderd pas verder. Toen ik de helft van dezen afstand had afgelegd, bleef ik weer staan en zag om. Juist op dit oogenblik klom de hoofdman aan wal. Hij liep in de val, welke ik hem had gesteld. Inhalen kon hij mij niet meer, maar zijn werpbijl zou mij kunnen bereiken. Hij nam deze uit zijn gordel en snelde op mij toe. Nog steeds bleef ik staan, maar toen hij dicht bij mij was, maakte ik een beweging, alsof ik wilde vluchten. Dit was echter slechts een schijnbeweging. Ik redeneerde bij mij zelf aldus: als ik kalm blijf staan, zal hij de bijl niet werpen, want hij weet, dat ik dan kan uitwijken en hij behoudt de kans om mij in te halen. Hij zal alleen met de bijl naar mij werpen, wanneer ik op den loop ga en hem den rug toekeer. Daarom nam ik schijnbaar de vlucht, maar in ernst, deed ik hoogstens twintig schreden en bleef toen mij plotseling omkeerend, staan.

Juist. Hij had om beter te kunnen werpen een oogenblik zijn vaart gestuit en zwaaide de bijl boven het hoofd. Juist, toen ik stilstond slingerde hij haar naar mij toe. Ik week twee, drie sprongen ter zijde uit, de bijl vloog mij voorbij en kwam in het zand terecht.

Dat had ik juist gewild. Ik snelde er heen, raapte de bijl op en ging toen, in plaats van naar den boom, met kalmen tred den hoofdman tegemoet. Hij schreeuwde van woede, maar ik zwaaide met de tomahawk en riep dreigend:

—Halt, Intschu Tschuna, gij hebt u wederom in Old-Shatterhand vergist. Wilt gij uw eigen bijl in het hoofd hebben?

Hij bleef even stilstaan en schreeuwde:

—Hond, hoe zijt gij mij toch in ’t water ontkomen? Heeft de booze geest u opnieuw geholpen?

—Geloof dat toch niet! Als hier sprake is van een Geest, dan is het de goede Manitou, die mij heeft bijgestaan.

Ik zag bij deze woorden dat zijn oogen als onder een heimelijk genomen besluit flikkerden en ging waarschuwend voort:

—Gij wilt mij verrassen, mij aanvallen, ik zie het aan u! Doe het niet want het zou uw dood zijn. U zal niets geschieden, want ik gevoel wezenlijk vriendschap voor u, maar wanneer gij mij aanvalt, moet ik mij wel verweren. Gij weet, dat ik zelfs zonder wapenen sterker ben dan gij en nu heb ik bovendien nog uw tomahawk. Wees dus verstandig en....

Ik kon niet verder spreken. Hij kon zijn woede niet langer beheerschen en de handen als klauwen naar mij uitstekend, kwam hij op mij toe. Reeds meende hij mij te hebben, maar snel bukte ik mij en het geweld van den stoot, waarmee hij mij op den grond had willen werpen, deed hem zelf vallen. Dadelijk was ik bij hem, zette hem de linkerknie op den eenen en de rechter op den anderen arm, greep hem met de linkerhand bij den nek, zwaaide de tomahawk en riep:

—Intschu Tschuna, vraagt gij om genade?

—Neen.

—Dan splijt ik u den kop.

—Dood mij dan, hond!—hijgde hij onder vergeefsche pogingen om los te komen.

—Neen, gij zijt Winnetou’s vader en zult leven, maar vooreerst moet ik u onschadelijk maken, gij dwingt mij daartoe.

Ik sloeg hem met de vlakke zijde van de bijl tegen het hoofd.... een rochelend geluid, zijn ledematen verstijfden zich. Van het punt, waar de roodhuiden stonden, moest het wel den schijn hebben, alsof ik hem doodsloeg.

Er volgde een gehuil nog vreeselijker dan zooeven. Ik bond de armen van den overwonnene met zijn eigen gordel stevig aan het lichaam vast, droeg hem tot aan den ceder en legde hem daar neer. Dit moest ik wel doen, want volgens onze afspraak moest ik den ceder hebben bereikt. Toen evenwel liet ik hem liggen en snelde terug naar den oever, want ik zag, dat vele roodhuiden te water waren gegaan met Winnetou aan het hoofd. Dit zou, indien zij niet van plan waren woord te houden, gevaarlijk kunnen worden voor mijn kameraden en voor mijzelf. Daarom riep ik aan den oever gekomen, hun toe:

—Terug, gij allen! De hoofdman leeft, ik heb hem niets gedaan, maar, wanneer gij hier komt, sla ik hem dood. Alleen Winnetou kan hier komen, ik moet hem spreken!