Part 33
Ik schrok letterlijk over de wijze van spreken. Dat waren woorden, welke ik nooit had gehoord en nog veel minder kan opschrijven. Ieder woord, dat ik hier door stippen aangeef, was een vloek. En daarbij zag hij ons aan, als verwachtte hij dat wij er verrukt over zouden zijn. Het tegendeel was waar, ik had een gevoel, alsof ik telkens een slag tegen mijn hoofd kreeg. Nooit heb ik zulke godslasterlijke uitdrukkingen kunnen verdragen en dikwijls is de straf daarvoor meer nabij dan men denkt.
Nu wist ik nauwkeurig wie hij was, beter dan Hammerdull het mij had kunnen zeggen. Men had in mijn tegenwoordigheid dikwijls over dezen man gesproken, dien ieder aan zijn vreeselijk vloeken herkende. Ja, hij was een prairiejager, maar een van de allergemeenste soort. Hij was tot elke lage daad in staat, de strop had reeds meermalen boven zijn hoofd gezweefd en in zijn haat tegen het roode ras, overtrof hij alle anderen. Men vertelde van hem dingen, waarbij de haren te berge rezen. Daarbij kwam nog dat hij om het andere woord vloekte, zoodat zelfs de ruwste menschen niets met hem te doen wilden hebben. Hij was tot nu toe onbegrijpelijker wijze vrijgeloopen van alle straffen en van de wraak der Indianen, hoewel ieder die hem kende, het er over eens was, dat hij als een wild dier diende te worden afgemaakt. Tengevolge van zijn buitengewone magerheid en de afschuwelijke gewoonte, om in elken volzin eenige vloeken te lasschen, had men hem den naam gegeven van Old-Cursing-Dry (de erge vloeker), maar het was bekend dat ieder die het waagde hem met dien naam aan te spreken, zijn leven op het spel zette.
—Welnu, zijt gij misschien stom, heeren?—vroeg hij toen hij geen antwoord kreeg,—ik meende toch, dat gij beiden wel kondt spreken.
Winnetou zat met neergeslagen wenkbrauwen te kijken. Wanneer hij had kunnen spreken, zou hij het enkel met het mes hebben kunnen doen. Daarom nam ik het op mij te antwoorden en zeide:
—Zeg het mij of ik mij niet vergis, als ik u voor Old-Cursing-Dry houd!
Hij was ook gaan zitten, sprong nu echter oogenblikkelijk op, trok zijn mes en schreeuwde:
—Wie.... wat.... wie ben ik?.... hoe noemt gij mij? Zal ik u dit in uw.... lijf stooten. Ik verzeker u, dat ik het zal doen als gij mij niet oogenblikkelijk om pardon vraagt.
—Zwijg!—viel ik hem in de rede, terwijl ik mijn revolver te voorschijn haalde en op hem richtte.—Bij de geringste beweging met het mes zit mijn kogel u in den kop! Old-Shatterhand is er de man niet naar om zich zoo gemakkelijk te laten neersteken als gij wel meent. Zie, ook Winnetou heeft reeds zijn revolver op u gericht. Gij zijt hier bij lieden aangeland, die korte wetten maken, mijn vinger is aan den trekker, zeg mij dus kort en bondig of gij Old-Cursing-Dry zijt, of niet!
Zijn oogen fonkelden van woede, maar hij zag in, dat hij tegenover ons aan het kortste einde zou trekken, stak zijn mes dus weer in de gordel, ging zitten en zeide schijnbaar kalm:
—Ik heet Fletcher, hoe mij andere.... schurken willen noemen, dat gaat mij en u niets aan!
—Oho! het is ons volstrekt niet onverschillig, in welk gezelschap wij ons bevinden. Dick Hammerdull, wist gij wel, dat deze man Old-Cursing-Dry is?
—Neen, antwoordde Dick verlegen.
—Hoelang is hij reeds in uw gezelschap?
—Een week ongeveer. Denkt gij dit ook niet, Piet Holbers, oude coon?
—Als gij denkt, Dick, dat het zoolang is, zal het wel zoo zijn,—antwoordde Holbers.
—Waar of niet, dat is ’t zelfde, maar het is juist een week, niet langer en niet korter.
—Dan moet het u toch wel zijn opgevallen, dat hij verbazend vloekte!
—Vloekte? Ja, ik heb wel eens gedacht dat hij zich wel wat anders kon uitdrukken, maar dat hij Old-Cursing-Dry is, dat wist ik toch niet.
—Nu, dan zal ik maar niet verder over hem spreken, maar als gij het geweten hadt en gij hadt hem dan hier gebracht, dan zou ik u anders hebben ontvangen. In onze tegenwoordigheid moet er op fatsoenlijken toon worden gesproken; wij dulden geen gevloek en wien dat niet aanstaat, kan maken, dat hij wegkomt. En nu hierover basta! Wij hebben noodzakelijker dingen te bespreken. Wij verwachtten u met nog acht man, zijn deze ook in de handen der Pa-Utes gevallen?
—Ja.
—Wanneer?
—Gisteravond.
—Waar?
—Aan den Rio San Juan.
—Op welke wijze?
—Op welke wijze, dat is ’t zelfde, ik weet het trouwens niet.
—Dat begrijp ik niet. Gij moet toch weten wat er gebeurd is.
—Dat zou waar zijn als het in onze tegenwoordigheid was gebeurd, Mr. Shatterhand.
—Zoo, zijt gij er niet bij geweest?
—Neen, wij waren uitgegaan om vleesch te halen en daar wij niet spoedig wild ontdekten, waren wij wat ver van de legerplaats afgedwaald. Toen wij terugkeerden was het reeds donker en wij zouden den Pa-Utes in de armen zijn gereden, als Mr. Fletcher ons niet tegemoet was gekomen, om ons te waarschuwen.
—Verder. Waart gij te paard?
—Ja, want wij wilden op de antilopenjacht.
—Was Fletcher ook te paard?
—Natuurlijk! Toen wij hem hadden aangetroffen, verborgen wij de paarden, slopen terug naar de legerplaats, welke intusschen door de Pa-Utes in beslag was genomen. Het gelukte ons, zóó dicht bij te komen dat wij onze acht kameraden konden zien: zij lagen gebonden tusschen de roodhuiden in.
—Was er geen een gedood?
—Neen, niet eens gewond.
—Hm, zonderling. Hebt gij dan geen schoten gehoord?
—Neen, wij waren te ver van de legerplaats.
—Waren er geen sporen van voorafgeganen strijd?
—Twee Indianen lagen dood bij het vuur.
—Dat is nog veel zonderlinger. Hebt gij afgeluisterd wat er werd gesproken?
—Afgeluisterd of niet, dat is ’t zelfde, er werd geen woord gesproken. Wij hadden ons bovendien reeds te ver gewaagd en moesten zien in veiligheid te komen. Daarom zochten wij onze paarden weer op en reden weg.
—Waarheen?
—Natuurlijk hierheen, want er bleef ons niets anders over dan u op te zoeken en dan met behulp van de Navajos de gevangenen trachten te bevrijden. Daarom stel ik u voor dadelijk naar de Agua Grande op te trekken.
—Geduld! viel ik hem in de rede,—wij zijn nog lang niet zoo ver. Wij moeten alles goed overwegen voor wij een besluit nemen. Vertel mij eerst eens: wie heeft deze beide Indianen gedood? Weet gij dat misschien, Mr. Fletcher?
—Laat mij er buiten!—antwoordde deze ruw.—Wat gaan mij die roode schurken aan?
—Gaan u de blanke gevangenen ook niets aan?
—Als er niet een zoon en een neef van mij bij waren mochten ze voor mijn part naar de hel loopen.
—Luister eens, gij moet op een anderen toon spreken, anders jagen wij u weg en moet ge maar zien hoe gij uw bloedverwanten terugkrijgt! Wij willen u helpen maar eischen van u dat gij de volle waarheid zegt. Dus gij weet niet, op welke wijze de Indianen om het leven zijn gekomen?
—Neen.
—Vertel mij dan, hoe de overval in zijn werk ging.
—Ook dat kan ik u niet zeggen, want ik was er niet bij.
—Waart gij ook al niet in de legerplaats? Waar waart gij dan?
—Om vleesch te halen.
—Waart gij dan met de anderen op de jacht?
—Neen, maar zij bleven mij te lang weg en daarom reed ik ook heen. Toen ik tegen schemeravond terugkeerde, hoorde ik het krijgsgehuil der roodhuiden in de legerplaats, welke overvallen was geworden. Ik kon niet anders doen dan Mr. Hammerdull en Mr. Holbers tegemoet rijden en hen waarschuwen. Dit is alles, wat ik van die.... geschiedenis weet.
—Hoe sterk waren de Pa-Utes ongeveer?
—Ongeveer driehonderd man. Als wij maar half zooveel Navajos kunnen krijgen, maak ik mij sterk, deze.... schurken, het leven uit het.... lijf te jagen, zoodat....
—Zwijg!—voerde hem de Apache tegemoet, die tot nu toe geen woord had gesproken,—gij hebt de beide Pa-Utes gedood!
—Neen, ik niet.
—Gij liegt. Gij zijt de moordenaar!
De beide mannen zagen elkaar een oogenblik diep in de oogen. De bronzen gelaatstrekken van Winnetou waren koud en trotsch als die van een koning, terwijl op Fletcher’s gezicht de onbeteugelde hartstocht stond te lezen. Hij kon evenwel niet langer dan enkele seconden den blik van den Apache verdragen, hij moest de oogen neerslaan, hief echter den vinger als tot een eed op en riep:
—Ik mag blind en verpletterd worden, als ik de moordenaar ben! Dat is genoeg, laat mij nu met rust met uw.... roode duivels!
Een huivering voer mij door de leden. Ook ik hield hem voor den moordenaar, zonder het evenwel te zeggen. De mond weigerde mij den dienst, maar Winnetou stond op en zeide op profetischen toon:
—Dit godslasterende bleekgezicht heeft zooeven reeds bij onze eerste ontmoeting het geheele roode ras, dus al mijn broeders en ook mij vervloekt. Winnetou heeft gezwegen, want hij weet dat de goede Manitou den vloek des boozen in zegen kan veranderen. Nu evenwel heeft de vloeker de goede Manitou zelf gelasterd en hem tot wraak opgeroepen, hij heeft den Almachtige gewed om het licht zijner oogen en de onkwetsbaarheid zijner ledematen. De groote Manitou weet evengoed als Winnetou en Old-Shatterhand dat Fletcher de moordenaar is. Hij zal hem te zijner tijd richten! Howgh!
De Apache ging na deze woorden weer zitten en geen van ons was het mogelijk dadelijk iets te zeggen. Fletcher evenwel sprong op en herhaalde zijn lasterlijke woorden op een toon, welke mij woedend maakte. Ik ging dan ook op hem toe, hief de vuist op en zeide:
—Zwijg oogenblikkelijk man, of ik sla u neer als een ondier, welks dood voor anderen een zegen is! Ook ik wil niets met u te maken hebben. Wat er ook moge gebeuren, van ons hebt ge geen hulp te verwachten!
Nu boog hij het hoofd, maar zeide toch nog halfluid:
—Laat mij dan maar alleen! Ik heb u niet noodig, het is enkel om de gevangenen te doen. Dat is dus de hulp die men kan verwachten van zulke beroemde prairiemannen, als gij heet te zijn. Wel bedankt!
—Gij hebt niet te danken, want gij hebt niets van ons te eischen. Wat de gevangenen evenwel betreft, wij zullen voor hen doen, wat in ons vermogen is. Wanneer redding mogelijk is, zullen zij gered worden.
—Maar dan moeten wij ons haasten!—verzocht Dick Hammerdull.—Gij zult wel inzien, dat wij geen minuut moeten verliezen, Mr. Shatterhand. Denkt gij ook niet, Piet Holbers, oude Coon?
—Hm!—bromde de gevraagde,—als ik het goed heb, kunnen wij niets beters doen, dan alles over te laten aan Mr. Winnetou en Mr. Shatterhand. Zij zijn verstandiger dan gij, beste Dick, van mij maar gezwegen!
—Dan was het beter geweest, dat gij maar in ’t geheel niets had gezegd! Zulk een oude Coon als gij zijt, moet eigenlijk nooit den mond opendoen!
—Well! Als gij dat zoo vindt, moet gij mij voortaan maar niets vragen, dan heb ik geen aanleiding om te spreken.
Dit ging natuurlijk alles in gekheid, want de beide vrienden hadden nooit in ernst twist met elkaar. Hammerdull moest ons nu de plaats waar de legerplaats geweest was, nauwkeurig beschrijven. Hij deed dit en voegde er nog bij:
—Waarschijnlijk zullen wij de roodhuiden daar niet meer aantreffen, ik ben eerder van meening dat zij achter ons zijn en ons willen vervolgen, daarom ben ik er voor dat wij zoo spoedig mogelijk verder rijden.
—Gij dwaalt, Dick,—antwoordde ik.—Gij wordt niet achtervolgd. Als de Pa-Utes wisten dat gij drie ontkomen waart, waren zij reeds lang hier geweest. Zij zijn in de stellige meening alle blanken die er waren, gevangengenomen te hebben.
—Maar ons spoor! Daaruit hebben zij toch kunnen afleiden, dat wij op de jacht en dus niet daar waren, toen de overval plaats had.
—De overval geschiedde gisteravond na het invallen der duisternis en vanmorgen waren uw sporen reeds zoo onduidelijk, dat niet meer was te onderscheiden of zij voor of na de overrompeling van de legerplaats waren gemaakt. En uw kameraden zullen, wanneer men hen ondervraagt, zich wel wachten, u, van wie hun redding afhangt, te verraden. Daarbij komt nog, dat de Pa-Utes zich op het oorlogspad bevinden en dus de beide lijken niet met zich kunnen voeren. Men zal de dooden op de plaats zelf begraven. Hoewel zij genoodzaakt zijn, de daarbij gebruikelijke ceremoniën wat te bekorten, zullen zij toch niet voor morgenmiddag gereed zijn en dus niet eerder opbreken. Bovendien zullen zij niet zooveel haast maken, daar zij toch moeten wachten op de terugkomst der beide verkenners, van wie zij niet weten dat zij in de handen der Navajos zijn gevallen. Ziet ge dus wel in, dat wij tijd genoeg hebben.
—Tijd of niet, dat is ’t zelfde, ik zal mij evenwel naar uw wil voegen, omdat gij werkelijk verstandiger zijt dan Piet Holbers, die oude Coon! Dat heeft hij zooeven zelf gezegd.
—Om van u maar niet te spreken, beste Dick,—voegde Holbers er komisch ernstig aan toe.
—Wees toch stil! Gij hebt immers gezegd, dat gij niet meer wilt spreken. Wat denkt gij dus nu te doen, Mr. Shatterhand?
—Dat moet Winnetou beslissen. Ik heb u opheldering omtrent alles gegeven, hij zal de verdere leiding op zich nemen.
Winnetou en ik kenden elkaar, zooals zelden twee menschen elkaar kennen. In oogenblikken dat het er niet op aan kwam een besluit te nemen was het dikwijls alsof wij beiden slechts één ziel en één gedachte hadden. Wat een van ons beiden uitsprak dat had de ander vooraf reeds in stilte overlegd. Zoo was het ook nu weer. De Apache zag mij uitvorschend aan en toen ik knikte, wendde hij zich tot den Navajo die ons had vergezeld en tot nu toe zwijgend toeschouwer was geweest. Wanneer opperhoofden samen spreken, zal geen gewoon krijgsman het wagen iets in het midden te brengen.
—Kent mijn jonge, roode broeder den donkeren canon bij de San-Juanrivier?—vroeg Winnetou hem.
De gevraagde knikte zwijgend en eerbiedig. Toen ging het opperhoofd voort:
—Aan beide zijden van dezen canon voeren smalle paden naar beneden, die slechts bekend zijn aan de krijgers der Navajos.
–Nitsas-Kar, het dappere opperhoofd moet zijn krijgers naar dezen canon leiden, de eene helft geheel naar het benedeneinde, de andere helft naar het boveneinde, maar slechts zoover, dat zij niet gezien kunnen worden. Wij moeten de Pa-Utes in den canon zien te lokken. Eerst wanneer zij daarin geheel zijn binnengedrongen, mag de bovenste schaar tot aan het water gaan en zich laten zien. Dan zijn de Pa-Utes door de beide afdeelingen ingesloten en moeten zich overgeven, willen zij zich niet tot den laatsten man laten neerschieten, want zij bevinden zich tusschen de hooge, gladde wanden van den canon, waar zij zich niet kunnen verbergen, terwijl de krijgers der Navajos veilig zijn voor hun kogels en zich kunnen verschuilen achter de rotsblokken, die beneden en boven in de kloof liggen. Heeft mijn broeder mij begrepen?
Wederom dezelfde zwijgende hoofdknik.
—Dan mag hij dadelijk zijn paard zadelen en wegrijden!
Eenige oogenblikken later galoppeerde de Navajo weg, zonder een enkel woord te hebben gesproken. Toen stegen ook wij te paard en reden naar de San Juan, wier oevers Winnetou en ik nauwkeurig kenden. En ware dit niet het geval geweest, dan hadden wij in Hammerdull en Holbers betrouwbare gidsen gevonden. Geen woord van wat wij gesproken hadden, was aan Fletcher ontgaan, maar wij noodigden hem niet uit mee te gaan en deden integendeel alsof hij voor ons niet bestond. Evenwel toen wij ons op weg begaven, kwam hij langzaam achter ons aan. Wij hadden liever gewild, dat hij achtergebleven was.
Winnetou was evenals ik, volkomen overtuigd dat de Pa-Utes zich nog bevonden op dezelfde plaats waar zij de blanken hadden overvallen. Wij waren evenwel toch zoo voorzichtig, niet regelrecht daarheen te gaan. Zij wilden immers naar de Navajos, van waar wij kwamen en het was in elk geval onmogelijk, dat zij eerder opbraken dan wij dachten of nog eens weer verkenners uitzonden, die ons konden zien; wij hielden dus meer rechts, dat wil zeggen, oostelijk aan en reden, toen wij den volgenden dag tegen den morgen op de hoogte van de legerplaats waren aangekomen, eerst nog een stuk verder en bogen toen naar links om ten einde de plaats van den oostkant, in plaats van den westkant te bereiken. Het stond bij ons vast, dat de roodhuiden van deze zijde geen vijanden verwachtten. Toch moesten wij nog voorzichtig zijn, want er waren zooveel personen die voedsel noodig hadden en het was dus wel mogelijk dat enkelen van hen op jacht waren gegaan en in de nabijheid rondzwierven.
We bereikten de rivier op een veel verder stroomopwaarts gelegen plaats en sloegen ons leger op bij een open plek, door dicht struikgewas omgeven. Nu was het zaak te weten te komen, hoe het met de Pa-Utes en hun gevangenen stond, maar dit zou niet gemakkelijk gaan. Ik bood mij aan, die taak op mij te nemen, maar daar Winnetou er op stond dit zelf te doen, moest ik mij wel naar zijn wil voegen. Toen hij zich verwijderd had, zorgden wij allereerst voor onze eigen veiligheid door de sporen, welke wij in de nabijheid hadden gemaakt, zooveel mogelijk uit te wisschen.
Daarna dienden wij Old-Cursing-Dry eens onderhanden te nemen. Ik had wel is waar niet weer met hem willen spreken, maar dit plan moest worden opgegeven, indien het beter was voor onze veiligheid. Hij was ons tot hiertoe gevolgd, had zijn paard evenals wij de onze, vastgebonden en was op eenigen afstand van ons in het gras gaan liggen. Niemand van ons had nog een woord met hem gewisseld en men zag het hem aan, dat hij zeer verbitterd was op ons allen en de gedachte aan wraak hem niet vreemd was. Hadden zijn zoon en zijn neef zich niet onder de gevangenen bevonden, zou hij zeker slecht genoeg geweest zijn, om ons aan de Indianen te verraden.
Geheel zeker van hem waren wij in geen geval; wie kon weten, welke booze gedachten en plannen er in hem omgingen? Daarom achtte ik het geraden mijn stilzwijgen te verbreken. Ik moest zelf met hem spreken, want mijn woorden maakten in elk geval meer indruk op hem, dan die van Dick Hammerdull en Piet Holbers. Ik ging dus naar hem toe en vroeg:
—Gij zijt ons sinds gisteren gevolgd, Mr. Fletcher, zonder dat wij u dit gevraagd hebben. Het schijnt dat gij van plan zijt ook verder met ons te gaan, is dat zoo?
—Dat gaat u geen duivel aan!—antwoordde hij.
—Mij dunkt, dat ons dat zeer veel aangaat en ik verzoek u dus, sir, een anderen toon tegen mij aan te slaan. Ik ben niet gewend lompheden aan te hooren, zonder deze op dezelfde wijze te beantwoorden! Gij hebt gezien en gehoord dat wij niets van u wilden weten en nu gij ons tot hiertoe gevolgd zijt, dulden wij dit alleen, zoolang gij ons geen schade kunt doen.
—Schade?—riep hij.—Aan u is niets te bederven!
Nauwelijks had hij dit gezegd of ik rukte een vrij dikken tak van een naastbijzijnden boom, stroopte er de bladeren af en gaf hem een flinken slag, dwars over zijn gezicht.
—Ziezoo, wie niet hooren wil, moet voelen. Ik zal u wel leeren, beleefd te zijn.
Hij uitte een kreet van woede, sprong op en trok zijn revolver, maar nog eer hij den loop op mij kon richten, gaf ik hem een slag op den arm dat hij dien moest laten zakken, toen sloeg ik hem met de vuist zóó tegen den slaap dat hij als een blok op den grond viel. In een oogwenk stond de dikke Hammerdull naast mij en terwijl zijn gezicht glom van vreugde, zeide hij:
—Heigh-day: Eindelijk ziet men eens weer die fameusen slag van u. Dank u sir! De kerel heeft het verdiend. Zullen wij hem een beetje vastbinden, opdat hij geen dwaasheden begaat als hij wakker wordt?
—Ja, beste Dick, doe hem maar eenige riemen om de armen en beenen!
—Kom dan hier, Piet Holbers, oude Coon! Wij zullen dien Old-Cursing-Dry eens met wat mooie lintjes opsieren of vindt gij ’t niet goed?
Piet kwam behaaglijk lachend nader en antwoordde op zijn gewone laconieke wijze:
—Als gij denkt dat dit noodig is, dan zal ik u wel helpen, beste Dick!
—Noodig of niet noodig, dat is ’t zelfde, we zullen het in elk geval maar doen.
Zij bonden hem niet alleen handen en voeten maar bevestigden hem bovendien met een stevig touw aan een boomstam, zoodat het hem niet mogelijk zou zijn zich stilletjes weg te rollen. Toen zij met hun werk gereed waren, wreef Dick de vette handjes en zeide vergenoegd:
—Dat is bij u toch een ander leven, sir! Wij zijn nu een maand onderweg, zonder dat er iets bijzonders is gebeurd, nauwelijks evenwel hebben wij u ontmoet of wij zitten midden in de avonturen.
—En de overval van eergisteren dan? Was dat dan geen avontuur?—vroeg ik.
—Voor ons niet, want wij waren er niet bij. In een week beleeft men bij u meer dan bij ons in een jaar, dat is algemeen bekend. Nu hebben wij den ouden Fletcher gebonden en kunnen dus aan wat anders denken. Wat denkt gij van een vischdiner? Ons gedroogd vleesch is bijna op.
—Hebt gij hengels?
—Wat een vraag. Dick Hammerdull en Piet Holbers geen hengels! ’t Is maar de vraag of er in den Rio San-Juan wel visschen zijn. Of willen wij bloedegels vangen en braden, Piet Holbers, oude Coon?
—Hm, als gij denkt, dat zij even vet zijn als gij, Dick Hammerdull, dan heb ik er niets tegen. Visch heb ik echter liever, want dat is mijn lievelingsgerecht, terwijl ik juist vandaag niet erg veel zin in bloedegels heb.
Dit was een lang verhaal, zooals men zelden van Piet Holbers hoorde, maar er was nu ook sprake van zijn lievelingsgerecht. Ik kon hem gelukkig uit ervaring verzekeren, dat zij een goede vangst zouden hebben en zoo kropen zij met hun hengels naar den oever, waar zij zich voorzichtig verscholen, om niet door een toevallig rondzwervenden Pa-Ute, opgemerkt te worden. Ik evenwel ging languit in het gras liggen en sloot de oogen, ofschoon ik niet moe was. Van slaap was dan ook geen sprake.
De prairiejager pleegt, wanneer hij ligt, ook zonder dat hij slaapt, veel de oogen dicht te hebben, omdat hij dan scherper kan hooren.
Er kon nauwelijks een uur zijn voorbijgegaan, toen de hengelaars terugkwamen. Zij hadden reeds zooveel gevangen dat wij voor den middag en den avond genoeg hadden. Jammer genoeg konden wij geen vuur aanmaken, voor Winnetou terug zou zijn, want wij wisten niet of wij dit konden doen, zonder gevaar te loopen te worden ontdekt. Een Indiaansche neus ruikt den rook van het vuur reeds van verre, maar nog verder den geur van vleesch, onverschillig of het van visch of wildbraad is.
De tijd ging voorbij. Het werd middag en de beide vrienden werden ongerust over den Apache. Ik maakte hen opmerkzaam op den grooten afstand van hier naar de legerplaats en op de moeielijkheid om op klaarlichten dag onopgemerkt vooruit te komen. Old-Cursing-Dry was reeds lang uit zijn verdooving ontwaakt, maar hield de oogen gesloten en bewoog zich niet.
Eindelijk, eindelijk hoorden wij eenig geritsel in de boomen en Winnetou kwam terug. Zijn gezicht was strak als gewoonlijk, maar ik kende hem beter dan ieder ander en wist, dat hij goede tijding bracht. Hij gaf ons dit te kennen op zijn eigenaardige wijze, want zonder een woord te zeggen, zocht hij droog gras en dorre rijsjes bijeen, legde ze op een kleinen hoop, kreeg zijn vuursteenen uit den zak en maakte het vuur aan. Dick Hammerdull zette een vergenoegd gezicht, duwde Piel Holbers even met de ellebogen aan en zeide:
—Wel het schijnt alles in orde te zijn en wij kunnen kalm onze vischjes braden. Wat zegt gij er wel van, Piet Holbers, oude Coon?
—Als gij denkt, dat ik mij verheug op den heerlijken maaltijd, dan kondt gij wel eens gelijk hebben, oude Dick—luidde het antwoord.