Part 42
Hij meende slechts den haan te kunnen overhalen, maar hij had zich in Winnetou vergist, want deze dook naar beneden, om onder de kano te komen en deze om te werpen. Gelukte hem dit, dan kon Santer zijn geweer niet gebruiken en het moest tot een tweegevecht komen, waarbij de handige Apache overwinnaar zou blijven. Santer zag dit in en snel legde hij de buks neer en greep weer naar de riemen. Het was hoog tijd, want juist had hij de boot in beweging, of Winnetou dook op, op de plek, waar zooeven de kano had gelegen. Santer deed eenige krachtige riemslagen en schreeuwde zijn woedende vijand toe:
—Hebt gij mij, hond? Ik bewaar den kogel voor een volgende gelegenheid!
Winnetou deed alle moeite om hem in te halen, maar tevergeefs. Geen zwemmer, zelfs niet de beste, kan een boot inhalen, welke door een roeier met den stroom wordt voortgedreven.
Dit geheele tooneel had zich in den tijd van nauwelijks een halve minuut afgespeeld en toch verschenen reeds, juist toen Santer weer in den nevel verdween, eenige Apachen, die de luide kreten en het schot hadden gehoord en van het eiland waren gekomen om ons hulp te verleenen. Ik riep hen toe, mij te helpen om Pida naar het eiland te brengen. Toen wij dit hadden bereikt en de Kiowa in het gras lag, gebood Winnetou:
—Mijn roode broeders moeten zich onmiddellijk gereedmaken! Santer is zooeven in een kano de rivier afgeroeid, wij moeten hem achterna.
Hij was zóó opgewonden, als ik hem nog nooit had gezien.
—Ja, wij moeten hem achterna, onmiddellijk achterna,—stemde ik hem toe.—Maar wat zal er dan gebeuren, met Sam Hawkins en met onze beide gevangenen?
—Die laat ik aan u over.
—Moet ik dus hier blijven?
—Ja. Ik moet Santer, den moordenaar van mijn vader en van mijn zuster hebben, gij echter zijt verplicht Sam Hawkins, die uw makker is, te bevrijden, wij moeten dus scheiden.
—Voor hoelang?
Hij dacht een oogenblik na en zeide toen:
—Wanneer wij elkander zullen weerzien, dat weet ik niet. Des menschen wil is ondergeschikt aan dien van den Grooten Geest. Ik meende langer bij mijn broeder Shatterhand te kunnen blijven, maar Manitou heeft het anders beschikt. Weet gij, waarom Santer is weggegaan?
—Ik vermoed het. Wij zijn niet in de ons gestelde val geloopen en men heeft u gisteren gezien. Men weet dus, dat wij hier zijn en niet zullen rusten voor wij Santer hebben gevat en Hawkins hebben bevrijd. Nu is Santer bang geworden en heeft hij zich uit de voeten gemaakt.
—Ja, maar het kan ook anders zijn. De zoon van het opperhoofd is verdwenen en dit brengen de Kiowa’s natuurlijk is verband met ons verschijnen, zij zullen wel vermoeden dat hij in onze handen is gevallen. Tangua is daarover zeer vertoornd en heeft zijn woede willen koelen aan Santer, die aan alles schuld is en heeft dezen daarom weggejaagd.
—Dat kan ook zijn, Santer heeft vermoedelijk moeten hooren, dat de Kiowa’s hem niet langer in hun midden dulden.
—Maar waarom is hij te water gevlucht en heeft hij zijn paard in den steek gelaten?
—Uit vrees voor ons. Hij vreesde ons hier te zullen ontmoeten, en wanneer dit niet geschiedde, konden wij zijn spoor ontdekken en volgen. Daarom zal hij zijn paard wel voor een kano hebben verruild. Hij kon niet vermoeden dat wij ons hier op dit eiland bevonden en hem zouden zien. Nu hij ons heeft gezien, begrijpt hij dat wij hem zullen achtervolgen en hij zal vlug oproeien om ons te ontkomen. Denkt gij, dat gij hem te paard kunt inhalen?
—Het zal moeilijk zijn, maar niet onmogelijk, wij moeten de krommingen van de rivier zien af te snijden.
—Dat gaat niet. Ik moet mijn broeder Winnetou wel opmerkzaam maken, dat dit een groote fout zou zijn.
—Waarom?
—Omdat Santer licht op de gedachte kan komen, zijn vlucht te land voort te zetten, aangezien voor hem de kans om te ontkomen dan grooter is. Daar gij evenwel niet kunt weten, aan welken kant van de rivier hij in dit geval wil landen, zal het wel het beste zijn, uw krijgers te verdeelen en langs de beide oevers van de Red-River te rijden.
—Mijn broeder heeft gelijk, wij zullen doen wat hij gezegd heeft.
—Gij moet evenwel nauwkeurig opletten, opdat de plaats, waar hij aan wal stapt u niet ontga. Ook moet gij de krommingen niet afsnijden, want daar de rivier slangvormig loopt, zou, terwijl de eene afdeeling van u een bocht afsneed, de andere een des te grooteren omweg moeten maken. Op deze wijze zoudt gij te veel van elkander afkomen.
—Het is zooals mijn broeder zegt en wij zijn dus gedwongen alle krommingen van de rivier te volgen. Wij mogen nu geen minuut meer verliezen.
—Hoe gaarne zou ik met u gaan, maar het is mijn plicht voor Sam Hawkins te zorgen, ik mag hem hier niet alleen laten.
—Ik zal nooit iets van u verlangen, dat in strijd is met uw plicht. Gij moogt niet meegaan, maar wanneer de Groote Geest het wil, zullen wij elkander binnen enkele dagen weerzien.
—Waar?
—Wanneer gij van hier rijdt, wend u dan naar de plaats waar de rivier samenvloeit met den Rio Bosco de Natchitoches. Aan den linkeroever van deze vereenigde rivieren zult gij een mijner krijgers vinden, indien een ontmoeting tusschen ons mogelijk is.
—En als ik geen krijger aantref?
—Dan ben ik nog achter Santer aan en weet niet, waarheen hij gevlucht is. Ik kan u dus dan ook niet laten weten, waar gij mij kunt vinden. Reis in dit geval met uw drie kameraden naar St. Louis naar de bleekgezichten, die een weg willen bouwen voor het ijzeren ros. Ik verzoek u echter tot ons terug te keeren, zoodra de goede Manitou het u veroorlooft. Gij zijt steeds welkom in het Pueblo aan den Rio-Pecos en mocht ik er niet zijn, dan zult gij daar vernemen, waar ik ben [6].
Gedurende dit gesprek hadden de Apachen zich gereedgemaakt voor den tocht. Winnetou gaf Dick Stone en Will Parker de hand, toen wendde hij zich weer tot mij:
—Mijn broeder weet, hoe welgemoed wij waren, toen wij onzen rit begonnen, den rit, dien Intschu Tschuna en Nscho-Tschi het leven heeft gekost. Als gij eenmaal tot ons terugkeert, zult gij niet meer de stem hooren van de schoonste dochter der Apachen, die in plaats van naar de steden der bleekgezichten, naar het land der afgestorvenen is gegaan. Ik hoop, dat ik u daar beneden aan den mond van den Rio-Posco, tijding kan geven, mocht dit evenwel niet het geval zijn, blijf dan niet al te lang in de steden van het oosten, maar keer spoedig tot mij terug. Gij weet, wie gij mij moet vergoeden. Wilt gij mij beloven, spoedig te komen, mijn beste, beste broeder Charley?
—Ik beloof het u. Mijn hart gaat met u. Gij weet welke beloften ik den stervenden Kleki-Petra heb gegeven en ik zal die belofte houden.
—Dan leide de goede Manitou uw schreden en bescherme u op al uw wegen. Howgh!
Hij omarmde mij, gaf zijn lieden een kort bevel en besteeg zijn paard. De Apachen verdeelden zich, de eene helft bleef op den rechteroever, de andere helft zwom naar den linker onder aanvoering van Winnetou, die stellig niet rusten zou, alvorens hij Santer voor zijn misdaden had doen boeten.
Stone en Parker zagen, dat ik weemoedig gestemd was. De eerste zeide daarom, op zijn gewonen trouwhartigen toon:
—Trek het u niet te zeer aan, sir! Wij zullen de Apachen spoedig terugzien. Wij kunnen hem immers narijden, zoodra wij Sam hebben bevrijd. Laat ons daarom niet te lang wachten, met de uitlevering der gevangenen. Hoe denkt gij dat aan te leggen?
—Laat mij eerst eens hooren, wat gij er van denkt, beste Dick. Gij hebt meer ervaring dan ik.
Hij streelde, gevleid door deze woorden, zijn baard en antwoordde:
—Ik houd het voor het eenvoudigste, den gevangenen Kiowa nu dadelijk naar Tangua te zenden en hem de boodschap mee te geven, waar zich de zoon van het opperhoofd bevindt en onder welke voorwaarden hij vrij zal zijn. Wat zegt gij er van, Will?
—Hm!—bromde Parker,—nog nooit hebt gij zoo iets doms gezegd.
—Dom? Voor den drommel, waarom dom?
—Wel, als wij zeggen, waar wij zijn, stuurt Tangua zijn krijgers hierheen en deze nemen ons Pida af, zonder dat wij Sam ervoor terugkrijgen. Ik zou het anders aanleggen.
—En hoe dan?
—Wij verlaten dit eiland en begeven ons naar de prairie, waar wij vrij om ons heen kunnen zien. Dan zenden wij den Kiowa naar het dorp en stellen de voorwaarde, dat er slechts twee krijgers mogen komen, om ons Sam te brengen, waarvoor zij dan Pida mogen meenemen. Komen er meer, dan zien wij hen van verre aankomen en kunnen hen met onze geweren opwachten. Vindt ge niet, dat dit het beste zal zijn, sir?
—Ik zou nog liever in het geheel geen bode zenden,—antwoordde ik.
—Geen bode? Maar hoe zal Tangua dan te weten komen, dat zijn zoon....
—Hij komt het te weten,—viel ik hem in de rede.
—Door wien?
—Door mij.
—Door u? Wilt gij dan zelf naar het dorp gaan?
—Ja.
—Doe dat niet, sir! Dat is te gevaarlijk, men zou u dadelijk gevangennemen.
—Dat geloof ik niet.
—Zeker, zeker.
—Dan zou Pida immers verloren zijn. Ik heb geen lust mijn gevangene als bode weg te zenden en daardoor mijn gijzelaar te verliezen.
—Dat is wel waar, maar waarom wilt gij nu juist naar het dorp; ik kan het toch ook doen.
—Ik wil gaarne gelooven, dat gij er wel den moed toe hebt, maar ik acht het beter, zelf met Tangua te spreken.
—Bedenk echter, hoe woedend hij op u is. Als ik bij hem kom, neemt hij onze voorwaarden misschien eerder aan, dan wanneer hij zich ergert aan uw tegenwoordigheid.
—Juist daarom wil ik zelf gaan. Hij moet zich ergeren, hij moet woedend worden, omdat ik het durf wagen tot hem te komen, zonder dat hij mij iets durft te doen. Als ik iemand anders zend, denkt hij misschien dat ik bang voor hem ben en zulk een verdenking wil ik niet op mij laden.
—Ga dan uw gang maar, sir! Waar zullen wij intusschen blijven? Hier op het eiland? Of zullen wij een andere, betere plaats opzoeken?
—Er is geen betere.
—Goed dan. Maar wee onzen gevangene, als u iets overkomt. Wij zouden in dit geval geen medelijden met hem hebben. Wanneer wilt gij gaan?
—Vanavond.
—Eerst vanavond? Is dat niet te laat? Als alles goed gaat, kon de uitwisseling reeds vanmiddag gebeurd zijn en wij konden dan Winnetou achterna rijden.
—Dan zullen de Kiowa’s ons allen te zamen achtervolgen en vermoorden.
—Denkt gij dat?
—Ja, Tangua zal ons gaarne Sam willen geven, als hij daarvoor zijn zoon terugkrijgt, maar wanneer hij dezen eenmaal heeft, zal hij alle moeite doen, om zich op ons te wreken. De uitwisseling der gevangenen moet des avonds geschieden, dan rijden wij weg, om gedurende den nacht een eind vooruit te komen. Het is bovendien beter tot aan den avond te wachten, opdat de angst voor het leven van zijn zoon, des te grooter zal zijn.
—Dat is waar. Maar als men ons voor dien tijd hier ontdekt, Mr. Shatterhand?
—Dan is het nog niet zoo erg.
—Er zal natuurlijk naar Pida gezocht worden en zoo zullen de roodhuiden misschien ook op het eiland komen.
—Op het eiland niet, maar waarschijnlijk zult gij hen wel aan den oever zien. Zij moeten dan Winnetou’s spoor ontdekken en zullen meenen dat wij met Pida weggetrokken zijn. Dat zal Tangua nog meer zorg geven. Luister!
Men vernam den klank van menschelijke stemmen. De nevel begon op te trekken en wij konden den oever zien. Daar stonden verscheidene Kiowa’s, die elkander luide hun verwondering te kennen gaven, voor de paardesporen, welke zij zooeven hadden ontdekt, toen evenwel verdwenen zij haastig, zonder een blik naar het eiland te hebben geworpen.
—Zij zijn weg, zij schijnen haast te hebben—zeide Dick Stone.
—Zij zijn natuurlijk naar het dorp om Tangua hun ontdekking mede te deelen. Hij zal wel dadelijk een troep ruiters zenden, om dit spoor te volgen.
Deze voorspelling bevestigde zich ongeveer twee uur later. Een troep ruiters verscheen aan den oever, zocht het spoor en volgde dit in galop. Dat deze Kiowa’s Winnetou zouden inhalen, was niet wel mogelijk, daar deze minstens even snel zouden rijden. Het spreekt vanzelf, dat wij drieën zacht hadden gesproken; de gevangenen hoefden niet te hooren, wat wij tot elkander zeiden. Zij hadden ook niet gezien, wat aan den oever was voorgevallen, want zij lagen gebonden achter de struiken in het gras.
Den geheelen voormiddag scheen de zon en terwijl wij door haar warme stralen onze natte kleederen wat lieten opdrogen, strekten wij ons behaaglijk in het gras uit, om tot aan den avond kalm uit te rusten. Tegen den middag zagen wij een voorwerp de rivier komen afdrijven. Het was een kano en wel die, met welke ik Pida had ontvoerd, zij was dus uit de Salt-Fork in de Red-River gedreven en kwam waarschijnlijk nu pas voorbij het eiland, omdat zij nu en dan aan de overhangende struiken was blijven hangen. Toen zij binnen mijn bereik was, haalde ik haar op het eiland, om er ’s avonds gebruik van te kunnen maken, wanneer ik naar het dorp zou gaan.
Zoodra het donker was geworden, schoof ik de boot weer in het water en roeide den stroom op, Stone en Parker gaven mij hun beste wenschen mede. Ik zeide hun, dat zij zich niet over mij ongerust behoefden te maken, wanneer ik den volgenden morgen nog niet teruggekeerd zou zijn.
Het roeien tegen den stroom ging zeer langzaam, zoodat ik eerst na verloop van een uur uit de Red-River in de Salt-Fork kwam. Toen ik dicht bij het dorp was, roeide ik naar den oever en bond de kano aan een boom vast.
Ik zag weder zooals gisteren de vuren branden, de mannen er omheen zitten, de vrouwen af en aan loopen. Ik had gedacht, dat het dorp vandaag scherp zou zijn bewaakt, maar ik zag, dat dit niet het geval was. De Kiowa’s hadden de sporen der Apachen gevonden, hen krijgers nagezonden en waanden zich dus veilig.
Tangua zat ook heden voor zijn tent, maar had nu alleen zijn beide jongste zonen bij zich. Hij hield het hoofd gebogen en staarde somber in het vuur.
Ik bevond mij nu op den linkeroever van de Salt-Fork, op welken het dorp lag en sloop achter de andere tenten om, tot ik voor die van het opperhoofd kwam. Er was geen mensch in de nabijheid die mij kon zien. Nu ging ik op den grond liggen en kroop naar de achterzijde van de tent. Daar aangekomen, hoorde ik den diepen, eentonigen klaagzang van het opperhoofd, hij treurde op Indiaansche wijze over het verlies van zijn lievelingszoon. Nu kroop ik om de tent heen, naar de andere zijde, richtte mij op en stond plotseling naast hem.
—Waarom zingt Tangua klaagliederen? Een dapper krijgsman mag nooit een klacht laten hooren, het jammeren is goed voor oude vrouwen.
Het is onmogelijk te zeggen, hoe mijn verschijnen hem deed schrikken. Hij wilde spreken, maar kon geen woorden vinden, hij wilde opstaan, maar moest wegens zijn verbrijzelde knieën blijven zitten. Met wijd opengespalkte oogen zag hij mij aan, als een spook en stamelde eindelijk:
—Old.... Old.... Shat.... Shat.... oef, oef, oef!.... hoe komt.... waar zijt.... gij zijt nog hier.... nog niet weg?
—Zooals gij ziet, ben ik nog hier. Ik ben gekomen om met u te spreken.
—Old-Shatterhand!—bracht hij eindelijk met moeite uit.
Toen zijn beide knapen dit woord hoorden, vluchtten zij in de tent.
—Old-Shatterhand!—herhaalde het opperhoofd nog steeds onder den indruk van den eersten schrik, toen evenwel nam zijn gezicht een uitdrukking van woede aan en hij schreeuwde het een of andere bevel dat ik evenwel niet kon verstaan, omdat hij zich van zijn dialect bediende.
Een oogenblik daarna verhief zich in het dorp een gehuil van woede, alsof de aarde onder mijn voeten beefde en alle krijgers, die in het dorp waren, kwamen met messen zwaaiend op ons toegeloopen. Nu trok ik ook mijn mes en schreeuwde Tangua in het oor:
—Moet Pida worden doodgestoken? Hij zendt mij tot u!
Ondanks het gehuil verstond hij mijn woorden en onmiddellijk hief hij de hand op. Er volgde een stilte, de Kiowa’s vormden een kring rondom ons. Naar de blikken te oordeelen, met welke zij mij schenen te willen verslinden, kwam ik niet levend uit dezen kring. Ik zette mij naast Tangua neer, zag hem kalm in het strakke gezicht en zeide:
—Er heerscht een doodelijke vijandschap tusschen mij en Tangua; dat is niet mijn schuld, maar het laat mij ook geheel koud, want het is mij onverschillig of ik met mijn vrienden, één der krijgers of zijn geheelen stam ten verderve breng. Dat ik niet bang voor hem ben, bewijs ik door mij geheel alleen te midden in zijn dorp te begeven. Ik wil evenwel kort zijn: Pida bevindt zich in onze handen en wordt aan een boom opgehangen, wanneer ik niet op een bepaalden tijd terug ben.
Geen woord, geen beweging der om ons heen staande roodhuiden verried den indruk, welken deze woorden maakten. De oogen van het opperhoofd fonkelden van woede, dat hij mij niets kon doen, zonder het leven van zijn zoon in gevaar te brengen.
Knarsetandend stamelde hij:
—Hoe.... hoe.... hoe is hij in uw handen geraakt?
—Ik was gisteren daarginds op het eiland, toen hij met Sam Hawkins sprak en heb hem neergeveld en meegenomen.
—Oef! Old-Shatterhand is de lieveling van den boozen geest, die hem ook wederom heeft beschermd. Waar is mijn zoon?
—Op een veilige plaats, die gij nu nog niet moogt weten, maar die hij u later zelf wel zal zeggen. Uit deze mijn laatste woorden, ziet ge wel, dat het niet mijn plan is, Pida te dooden. Wij hebben ook nog een anderen Kiowa bij ons, die wij gevangen namen, ik haalde hem uit een doornstruik, waarin hij zat om ons te beluisteren. Hij zal met uw zoon vrij zijn, als gij mij Sam Hawkins daarvoor in de plaats geeft.
—Oef! Dien kunt gij krijgen. Breng mij maar eerst Pida en den anderen Kiowa.
—Brengen? Ik denk er niet aan! Ik ken Tangua en weet, dat hij niet te vertrouwen is. Ik geef twee voor een, dat is ten minste billijk genoeg. Daarom eisch ik evenwel, dat gij mij niets in den weg legt.
—Bewijs mij eerst, dat Pida werkelijk bij u is!
—Bewijzen? Hoe komt gij er bij? Old-Shatterhand is geen Tangua! Laat mij eerst Sam Hawkins zien. Hij zal niet meer op het eiland zijn, daar acht gij hem niet meer veilig. Ik moet hem spreken.
—Wat wilt gij met hem bespreken?
—Ik moet uit zijn eigen mond hooren, hoe hij het hier bij u heeft gehad. Daarna zullen wij het overige regelen.
—Ik moet eerst met mijn oudste krijgers overleggen. Ga naar de volgende tent, zoo aanstonds zult gij hooren wat wij denken te doen.
—Goed! Maak het echter kort, want wanneer ik niet op den bepaalden tijd terug ben, wordt Pida opgehangen.
Opgehangen te worden is de smadelijkste dood voor een roodhuid! Men kan zich dus voorstellen, hoe woedend Tangua was! Ik ging naar de volgende tent en zette mij neer, natuurlijk hier eveneens door krijgers omgeven. Tangua riep zijn raadslieden bijeen en overlegde met hen.
Na eenigen tijd zond het opperhoofd een bode weg, deze verdween in een tent en haalde daaruit mijn kleine Sam. Ik sprong op en liep hem tegemoet. Toen hij mij zag, riep hij jubelend:
—Heigh-day, Old-Shatterhand! Ik heb altijd wel gezegd, dat gij zoudt komen! Wilt gij uw ouden Sam wel weer terug hebben, beste kameraad?
Hij stak mij zijn gebonden handen toe, om mij te begroeten.
—Ja,—antwoordde ik,—de greenhorn is gekomen, om u te bewijzen, dat gij de grootste meester in het besluipen zijt. Men mag zeggen wat men wil, gij loopt altijd den verkeerden kant uit!
—Spaar die verwijten voor later, mijn teergeliefde sir en vertel mij liever of mijn Mary nog bestaat.
—Zij is bij ons.
—En Liddy?
—Dat geweer? Ja, dat hebben wij ook gered.
—Dan is alles in orde, als ik mij niet vergis; kom laat ons maken, dat wij wegkomen, het wordt hier werkelijk vervelend.
—Geduld, beste Sam. Gij doet alsof het slechts kinderspel is, hier te komen en u te bevrijden!
—Dat is het ook, kinderspel, voor u natuurlijk. Ik zou wel eens willen weten, wat gij niet voor elkaar kreeg. Gij zoudt mij van de maan afhalen als ik het in mijn hoofd kreeg naar boven te loopen, hihihihi!
—Lach maar! Het is een bewijs, dat gij het hier niet al te slecht hebt gehad.
—Slecht? Goed heb ik het gehad, buitengewoon goed! Iedere Kiowa had mij op zijn eigen manier lief, zij hebben mij geliefkoosd en gevoed en als ik wilde gaan slapen, behoefde ik niet eens te gaan liggen, want ik lag altijd op mijn rug.
—Heeft men u alles afgenomen?
—Zeker. Mijn zakken zijn leeg.
—Gij krijgt alles terug, als het er althans nog is.
Ik liet nu het opperhoofd weten dat ik niet langer durfde blijven, wilde het leven van zijn zoon geen gevaar loopen en nu volgde een kort gesprek, waarvan het gevolg was, dat ik mijn zin kreeg. Vier gewapende krijgers zouden Sam en mij begeleiden en onze beide gevangenen mee terugnemen. Mochten ons heimelijk meer Kiowa’s volgen dan dreigde ik met Pida’s dood.
Eigenlijk was het van hun kant een weinig gewaagd mij Sam mee te geven; ik had immers den vier, ons begeleidenden krijgers een poets kunnen bakken, maar men sloeg geloof aan mijn woorden en men heeft Old-Shatterhand naderhand ook steeds geloofd. Waar wij naar toe wilden roeien, zeide ik natuurlijk niet. Toen Sam zijn handen weer vrij had, zwaaide hij met zijn korte armen in de lucht en riep:
—Vrij, weer vrij! Dat kan ik nooit vergeten, sir! En nooit zal ik weer naar links loopen, als uw beenen naar rechts willen gaan!
Toen wij gereed waren, heen te gaan, hoorden wij hier en daar een gemompel van toorn en woede. De Indianen ergerden zich, dat zij den gevangene en vooral mij, moesten laten gaan en Tangua wierp mij nog toe:
—Gij zijt veilig, tot aan de terugkomst van mijn zoon, maar dan zal de geheele stam u achtervolgen, wij zullen uw spoor wel vinden en u vatten al zoudt gij ook door de lucht wegrijden!
Ik achtte het onnoodig een antwoord te geven op deze bedreiging en bracht Sam en de vier Kiowa’s naar de rivier, waar wij twee aan twee, ik natuurlijk met Sam, in een kano stapten. De Indianen huilden en brulden, totdat wij geheel uit het gezicht waren.
Terwijl ik stuurde, moest ik Sam vertellen, wat er sedert zijn gevangenneming was voorgevallen. Hij betreurde het, dat Winnetou afscheid van ons had moeten nemen, maar was wel eenigszins bevreesd geweest, voor de verwijten, welke hem van Winnetou’s zijde wachtten.
Wij kwamen, ondanks de duisternis, gelukkig op het eiland aan en werden door Dick en Will met luid gejubel ontvangen.
Wij leverden de beide gevangenen uit, die ons geen enkel woord tot afscheid toevoegden en wachtten tot wij de riemslagen van de terugkeerende kano’s niet meer koorden. Toen bestegen wij onze paarden en reden naar den linkeroever der rivier. Wij moesten in dezen nacht een eind vooruit zien te komen, het was dus maar goed, dat Sam de streek tamelijk goed kende. Hij zat recht op in den zadel, balde dreigend de vuist en zeide, wijzend naar den kant, waar de roodhuiden gelegerd waren:
—Nu steken zij de hoofden weer bij elkaar om te beraadslagen hoe zij ons weer in de handen zullen krijgen. Sam Hawkins is evenwel niet weer zoo dom, in een gat te kruipen, waaruit een greenhorn hem moet halen. Mij krijgt geen Kiowa weer, als ik mij niet vergis!
En nu het vervolg, lezers?