Chapter 3 of 43 · 3969 words · ~20 min read

Part 3

Mijn collega’s waren echte Yankees, die in mij den „greenhorn”, den onervaren Duitscher zagen. Zij wilden veel geld verdienen zonder er naar te vragen, of zij hun taak ook werkelijk naar behooren vervulden. Ik was als eerlijk man een doorn in hun oog, maar ik stoorde mij niet aan hen en deed, wat ik mijn plicht achtte. Reeds heel spoedig had ik opgemerkt, dat hun kennis niet heel groot was, zij lieten mij het moeielijkste werk doen en namen het zelf zoo gemakkelijk mogelijk op. Ik had daar niets tegen, want ik wist, dat men van werken beter wordt.

Mr. Bancroft, de hoofdingenieur, was de knapste van allen, jammer genoeg bleek het, dat hij duchtig de brandewijnflesch kon aanspreken. Sedert er eenige vaatjes van dit nat uit Santa-Fé waren meegebracht, hield hij zich daarmee meer bezig, dan met zijn meetinstrumenten. Het kwam wel voor, dat hij dagen aaneen dronken was en Rigss, Marcy en Wheeler, de drie opzichters, die met mij dezen snaps hadden moeten betalen, dronken, om niet aan het kortste eind te komen, met hem mee. Men kan dus denken dat deze heeren ook niet altijd in staat waren hun werk te doen. Daar ik nooit een droppel nam werkte ik alleen, terwijl zij afwisselend zich bedronken, of hun roes uitsliepen. Wheeler was nog de beste, want hij zag ten minste in, dat ik alles voor hem deed zonder daartoe verplicht te zijn. Dat het werk onder deze omstandigheden weinig vorderde, zal ieder kunnen begrijpen.

Het overige gezelschap liet niet minder te wenschen over. Wij hadden bij onze aankomst aan de sectie twaalf op ons wachtende prairiejagers gevonden. Ik, als nieuweling, koesterde in den eersten tijd, diepen eerbied voor hen, maar ik zag maar al te spoedig in, dat ik met lieden van zeer weinig zedelijk gehalte te doen had. Zij moesten ons beschermen en ons bij het werk behulpzaam zijn. Gelukkig kwam volle drie maanden lang niets voor, dat mij aanleiding kon geven, mij onder deze twijfelachtige bescherming te stellen en wat hun hulp bij het werk betreft, zoo kon ik met volle recht beweren, dat hier de twaalf grootste luiaards van de Vereenigde Staten bijeen waren gekomen. Hoe treurig moest het dus onder zulke omstandigheden, met tucht en orde gesteld zijn!

Bancroft was in naam het hoofd, hij deed ook, alsof hij dit was, gaf bevelen, maar niemand gehoorzaamde. Als hij iets zeide, lachte men hem uit, dan vloekte hij, zooals ik zelden een mensch heb hooren vloeken en ging naar het brandewijnvat om een kleine belooning voor deze inspanning. Rigss, Marcy en Wheeler deden niet veel anders. Ik had dus alle reden om de teugels in handen te nemen en ik deed dit ook, maar zoo, dat men het niet bemerkte. Zulk een jong en onervaren mensch kon door zulke lieden onmogelijk voor vol worden aangezien. Indien ik eens beproefd had op gebiedenden toon te spreken zou ik natuurlijk uitgelachen zijn geworden. Neen, ik moest voorzichtig te werk gaan, en hen met een zacht lijntje leiden, zoodat zij, denkende hun eigen zin te doen, per slot van rekening den mijnen volgden. Ik werd door deze half wilde, moeilijk te regeeren prairiejagers wel tienmaal daags een „greenhorn” genoemd, maar daaraan stoorde ik mij niet meer en werd er zelfs niet eens kregelig onder.

Hierbij had ik een voortreffelijke steun aan Sam Hawkins en zijn makkers, Dick Stone en Willy Parker. Deze drie mannen waren door en door eerlijk en bovendien wat ik den kleinen Sam bij onze eerste ontmoeting niet had aangezien, ervaren, verstandige, dappere jagers, wier namen een goeden klank hadden. Zij bemoeiden zich enkel met mij en lieten de anderen links liggen, evenwel zoo, dat deze zich niet beleedigd konden gevoelen. Vooral Sam Hawkins verstond de kunst, om, ondanks zijn dwaze eigenaardigheden, aan de anderen eerbied in te boezemen, en meestal wanneer hij op half strengen, half gekscherenden toon iets doorzette, geschiedde dit om mij behulpzaam te zijn in ’t geen ik wilde, dat gebeuren zou.

Er was tusschen hem en mij een soort van verhouding geboren geworden, die ik het beste met den naam van suzereiniteit, zou kunnen betitelen. Hij had mij onder bescherming genomen, en wel als iemand, wien men niet behoeft te vragen, of hem dit welgevallig is. Ik was een „greenhorn” en hij een ervaren prairiejager, wiens woorden en daden voor mij onfeilbaar dienden te zijn. Hij gaf mij zoo dikwijls zich daartoe de tijd en gelegenheid aanbood, theoretisch en practisch onderricht in alles, wat men in de Far-West moet weten en kennen, en wanneer ik heden ten dage moet erkennen, dat ik aan Winnetou’s zijde de hoogeschool doormaakte, zoo moet ik zeggen, dat Sam Hawkins mijn eerste onderwijzer is geweest. Hij maakte zelfs eigenhandig een lasso voor mij gereed en stond mij toe, mij in het werpen op zijn persoon en zijn paard te oefenen. Toen ik het daarmede zoover had gebracht, dat de strop bij iederen worp het doel greep, verheugde hij zich hartelijk met mij en riep:

—Mooi zoo, jongeheer, zoo gaat het goed. Maar trek u niet te veel aan van mijn goedkeuring. Een schoolmeester moet zelfs den domsten leerling zoo nu en dan eens een prijsje geven. Ik heb reeds menig jongmensch deze kunst geleerd en allen hebben het veel spoediger beetgehad, dan gij, maar wanneer gij u zoo vlijtig oefent, bestaat er kans, dat men u na zes of acht jaar, geen „greenhorn” meer behoeft te noemen. Tot zoolang moogt gij u troosten, met het spreekwoord, dat Hans wel eens door zijn domheid voortkomt.

Hij zeide dit met den grootsten ernst en ik hoorde het ook met denzelfden ernst aan, hoewel ik zeer goed wist, dat hij het anders meende.

Van al zijn lessen waren mij de practische het aangenaamste, want mijn eigen werk nam mij zoo in beslag, dat ik, wanneer Sam Hawkins er niet geweest was, er niet den tijd zou hebben afgenomen om mij nog te oefenen in de vaardigheden, die noodzakelijk zijn voor een goed prairiejager. Trouwens, wij deden deze oefeningen in ’t geheim en gingen steeds op zulk een afstand van de legerplaats, dat men ons niet kon zien. Sam was daarop gesteld en toen ik hem eens naar de reden vroeg, antwoordde hij:

—Dat gebeurt alleen om u, sir. Gij hebt zoo weinig aanleg, dat ik mij tot in mijn ziel zou schamen, als die kerels het zagen. Nu weet ge het, hihihihi! Steek die in je zak!

Het gevolg daarvan was, dat het geheele gezelschap mij, wat betreft hanteering der wapenen en lichamelijke kracht, voor een nul aanzag, wat mij echter niet in het minste hinderde. Niettegenstaande alle zooeven genoemde feiten, waren wij eindelijk toch zoover gekomen, dat wij de aansluiting aan de volgende sectie, na verloop van een week tegemoet konden zien. Om dit mee te deelen, moest een bode worden afgezonden. Bancroft verklaarde, dat hij deze boodschap zelf wilde brengen en een der jagers als gids wilde medenemen. Het was niet de eerste keer, dat er een boodschap moest worden gedaan; wij hadden, zoowel met de sectie voor als achter ons, steeds de gemeenschap onderhouden; daarvan wist ik dan ook, dat de ingenieur, die over de sectie vóór ons het bevel had, een flinke man was.

Het was op een Zondag, dat Bancroft den tocht wilde gaan aanvaarden. Hij vond het echter noodig eerst een afscheidsdronk aan te bieden. Ik alleen werd daarbij niet uitgenoodigd en Hawkins, Stone en Parker gaven aan de hun gedane uitnoodiging geen gevolg. Zooals ik wel gedacht had, hield men niet op met drinken voor Bancroft niet meer op de beenen kon staan en ook de anderen niet minder dronken waren dan hij. Van den voorgenomen tocht kon voorloopig niets komen. De kerels deden wat zij in dezen toestand altijd deden; zij gingen onder de boomen liggen om hun roes uit te slapen.

Wat nu te doen? De boodschap moest gedaan worden, en deze kerels zouden in elk geval niet voor laat in den middag wakker worden. Het was het beste, dat ik den tocht ondernam, maar kon ik wel weg? Ik wist zeker, dat er tot aan mijn terugkomst, die minstens vier dagen zou duren, van werken geen sprake zou zijn. Terwijl ik met Sam Hawkins stond te overleggen, wees deze met de hand naar het westen en zeide:

—’t Is niet noodig, sir, dat gij gaat, gij kunt de boodschap meegeven aan die twee, die daarginds aankomen.

Toen ik in de aangeduide richting keek, zag ik twee ruiters die snel naderden. Het waren blanken en in den eenen herkende ik den ouden scout (spoorzoeker), die reeds meermalen als boodschapper tusschen ons en de andere secties dienst had gedaan.

Naast hem reed een jonge man, die niet als prairiejager was gekleed, en dien ik niet kende. Ik ging hen tegemoet en toen ik hen bereikt had, hielden zij de paarden in en vroeg de jonge onbekende naar mijn naam. Ik zeide hem dien, hij zag mij met een vriendelijken blik aan en begon:

—Zoo, zijt gij de jonge Duitscher, die hier al het werk doet, terwijl de anderen op hun rug liggen? Ik zal u ook mijn naam zeggen, sir, ik heet White.

Dit was de naam van den ingenieur der westelijk aan ons grenzende sectie, aan wien de boodschap moest worden gericht. Er moest een bepaalde reden voor zijn, dat hij persoonlijk hier kwam. Hij steeg van zijn paard, stak mij de hand toe en liet zijn oog gaan over onze legerplaats. Toen hij de slapenden onder de boomen gewaar werd, gleed een veelbeteekenend, maar geenszins vriendelijk lachje over zijn gezicht.

—Zijn zij dronken?—vroeg hij.

Ik knikte toestemmend.

—Allen?

—Ja. Mr. Bancroft wilde naar u toe, en gaf eerst een klein afscheidsfeestje. Ik zal hem wekken en...

—Halt!—viel hij mij in de rede.—Laat hen slapen! Ik ben blij, dat ik met u kan spreken, zonder dat zij het hooren. Laat ons een weinig ter zijde gaan. Wie zijn de drie mannen, die daar bij u stonden?

—Sam Hawkins, Willy Parker en Dick Stone, onze drie vertrouwbare gidsen.

—Ah, Hawkins, de kleine zonderling, een flinke kerel, ’k heb wel van hem gehoord. Die drie mogen wel met ons gaan.

Ik wenkte hen en zeide intusschen tot Mr. White:

—Gij komt zelf hier, Mr. White, is er iets bijzonders aan de hand?

—Niets, dan dat ik zelf hier eens poolshoogte wilde nemen en met u, juist met u, wilde spreken. Wij zijn met onze sectie gereed, gij nog niet met de uwe.

—Dat komt van de moeilijkheden van het terrein, en ik wil...

—Ik weet het wel, ik weet het wel!—viel hij mij in de rede.—Ik weet helaas alles! Als gij niet werk voor drie hadt gedaan, stond Mr. Bancroft nog daar, waar hij moest beginnen.

—Dat is volstrekt het geval niet, mr. White. Ik weet niet, wie u verteld heeft, dat ik alleen vlijtig zou zijn geweest en het is mijn plicht—

—Zwijg, sir, er zijn telkens boden tusschen u en ons heen en weer gereden, en ik heb hen uitgehoord, zonder dat zij ’t merkten. Het is zeer edelmoedig van u, dat gij deze dronkaards in bescherming neemt, maar ik wil de waarheid weten. En daar ik zie en hoor, dat gij te eerlijk zijt, om haar mij te zeggen, zal ik het maar aan Sam Hawkins vragen. Laat ons gaan zitten!

Wij waren naar onze tent gegaan. Hij ging in ’t gras voor de tent zitten en noodigde ons uit ’t zelfde te doen. Toen wij goed en wel gezeten waren, begon hij Sam Hawkins, Stone en Parker uit te vragen. Zij vertelden hem alles, zonder een enkel woord te veel te zeggen, maar toch wierp ik zoo nu en dan een woordje in ’t midden, om mijn collega’s te verschoonen of te verdedigen.

Deze opmerkingen maakten evenwel niet den gewenschten indruk op Mr. White, integendeel verzocht hij mij herhaalde malen, niets tot hun verschooning in te brengen, daar hen dit toch niet zou helpen.

Eindelijk, toen hij alles wist, eischte hij van mij, dat ik hem onze teekeningen en het dagboek zou laten zien; ik behoefde dit niet te doen, maar ik deed het, omdat ik hem anders zou hebben gekrenkt en omdat ik zag, dat hij ’t goed met mij meende. Hij zag alles nauwkeurig na, en toen hij mij op den man af vroeg, kon ik niet loochenen, dat ik alleen de teekenaar en schrijver was geweest, want geen der anderen had een pennestreek gedaan of een letter geschreven.

—Maar aan dit dagboek kan men niet zien, hoeveel arbeid ieder voor zich heeft gedaan, gij zijt veel te ver gegaan in uw collegialiteit.

Toen merkte Hawkins met een guitig gezicht op:

—Zoek zijn borstzak eens na, Mr. White. Daar zult gij een blikje vinden, waarin sardinen zijn geweest. In plaats van de vischjes zitten er papieren in. Dat zal zijn eigen dagboek zijn, als ik mij niet vergis, en daarin zult ge heel wat anders lezen, dan in dit officieele bericht, waarin hij de luiheid van zijn makkers verbergt.

Ik vond het volstrekt niet aangenaam, dat Sam mijn geheim vertelde, maar Mr. White verzocht mij hem ook dit dagboek te laten zien. Wat zou ik doen? Verdienden mijn collega’s, dat ik voor hen werkte en dit ook nog verzweeg? Bovendien kon ik ook niet onbeleefd zijn tegenover Mr. White. Ik gaf hem dus mijn dagboek, evenwel onder voorwaarde, dat hij van den inhoud aan niemand iets zou vertellen. Hij las het door, gaf het mij toen terug en zei:

—Eigenlijk moest ik deze bladen meenemen en ze brengen waar ze behoorden te komen; uw collega’s zijn onwaardige menschen, aan wie geen dollar meer moest worden uitbetaald, u echter moest men drievoudig betalen. Maar, gij moet zelf weten, wat gij wilt. Alleen wil ik u dit nog zeggen, dat het voor u van belang zal zijn, deze aanteekeningen goed te bewaren, zij kunnen u later van veel nut zijn. En nu zullen wij de brave lieden eens wakker maken.

Hij ging opstaan en begon lawaai te maken, waarop de „heeren” met waterige oogen en booze gezichten van achter de boomen te voorschijn kwamen. Bancroft kwam direct op mij toe, om mij een standje te maken, dat ik hem in zijn slaap gestoord had, maar toen ik hem vertelde, dat Mr. White van de volgende sectie hier gekomen was, hield hij zich stil. De beide ingenieurs hadden elkander nog nooit ontmoet en het eerste wat Mr. Bancroft deed, was den ander een beker brandewijn aanbieden. Hiermee kwam hij echter aan het verkeerde adres, Mr. White bedankte, maar gaf in plaats daarvan een boetpredikatie, welke lang niet malsch was. Bancroft was buiten zichzelf van woede, greep den spreker bij den arm en schreeuwde:

—Mijnheer, wilt gij mij dadelijk zeggen, hoe gij heet?

—Ik heet White, dat hebt gij immers gehoord?

—En wat zijt gij?

—Hoofdingenieur van de naburige sectie.

—Heeft iemand van ons u daar iets te bevelen?

—Ik zou denken van niet.

—Welnu! Ik heet Bancroft en ben hoofdingenieur van deze sectie. Niemand heeft mij iets te bevelen en allerminst Mr. White.

—Wij staan geheel gelijk,—antwoordde deze kalm.—Geen van ons beiden behoeft bevelen van den ander aan te hooren; maar wanneer de een ziet, dat de ander de onderneming, voor welke beiden moeten werken, benadeelt, dan is het zijn plicht, dezen daarop opmerkzaam te maken. Uw taak schijnt te zijn het brandewijnvat leeg te maken. Ik tel hier zestien menschen, die allen dronken waren, toen ik twee uren geleden aankwam, en dus...

—Twee uur geleden?—viel Bancroft hem in de rede,—zijt gij reeds zoolang hier?

—Zeker, ik heb alle opmetingen nagezien en geïnformeerd, wie ze gedaan heeft. Gij hebt hier een lui leventje geleid, terwijl een, en nog wel de jongste van u, alleen het werk heeft gedaan.

Bancroft wendde zich nu tot mij:

—Dat hebt gij gezegd en geen ander,—wierp hij mij toe.—Ontken het maar niet, gij leugenaar en verrader!

—Neen,—antwoordde White—uw jonge collega heeft als een gentleman gehandeld, en alleen goeds van u gezegd. Hij heeft u in bescherming genomen en ik raad u aan, hem verschooning te vragen, dat gij hem een leugenaar en een verrader genoemd hebt.

—Om verschooning vragen? Ik denk er niet aan!—lachte Bancroft hoonend,—dit jongmensch weet geen driehoek van een vierhoek te onderscheiden en verbeeldt zich toch nog opzichter te zijn. Wij zijn niet verder gekomen, omdat hij alles verkeerd had gedaan en wij alles moesten overdoen, en wanneer hij nu, in plaats van dit in te zien en te erkennen, ons bij u zwart maakt, dan...

Verder kwam hij niet. Ik was maanden lang geduldig geweest en had deze lieden over mij laten denken, wat zij wilden, maar nu was het oogenblik gekomen, om hen te toonen, dat zij zich in mij vergist hadden. Ik nam Bancroft bij den arm, hield hem zóó stijf vast, dat hij van pijn ineenkromp, en zeide tot hem:

—Mr. Bancroft, gij hebt te veel brandewijn gedronken en niet kunnen uitslapen, ik wil aannemen dat gij dronken zijt en dus maar doen, alsof gij niets hebt gezegd.

—Ik dronken? gij zijt gek!—antwoordde hij.

—Ja, zeker, dronken! Want, wanneer ik wist, dat gij nuchter waart en deze beschuldigingen met opzet hadt uitgesproken, dan zou ik gedwongen zijn, u als een hond neer te schieten, begrepen? Hebt gij nu nog den moed te ontkennen, dat gij dronken zijt?—Ik hield zijn arm nog altijd stevig vast. Hij had zeker niet gedacht, dat hij ooit bang voor mij zou behoeven te zijn, maar, hoewel hij geen zwakke man was, scheen de uitdrukking van mijn gezicht hem toch eerbied in te boezemen, Hij wilde niet erkennen dat hij dronken was, evenmin wilde hij zijn beschuldigingen intrekken daarom wendde hij zich om hulp tot den aanvoerder der twaalf prairiejagers.

—Mr. Rattler,—begon hij—duldt gij, dat deze kerel zich aan mij vergrijpt? Zijt gij niet hier om ons te beschermen?

Deze Rattler was een lange, breed gebouwde kerel, een ruw schepsel, oogenschijnlijk zoo sterk als drie of vier man, en tegelijk Bancroft’s trouwe kameraad in het drinken.

Hij mocht mij niet lijden en greep daarom dankbaar deze gelegenheid aan om lucht te geven aan zijn haat tegen mij. Snel kwam hij nader, greep mijn arm, zooals ik nog altijd dien van Bancroft vasthield en antwoordde:

—Neen, dat kan ik niet dulden, Mr. Bancroft. Dit kind heeft zijn eerste kousen nog niet doorgeloopen en durft hier bedreigingen te uiten tegen volwassen menschen. Laat den arm los, knaap, of ik zal u toonen, wat een „greenhorn” gij zijt.—Hij schudde mij heftig heen en weer, maar dit was mij des te liever, omdat hij een sterkere tegenpartij was, dan de hoofdingenieur. Als ik hem mores leerde, zou ik meer succes hebben, dan wanneer ik dezen toonde, dat ik geen lafaard was. Ik rukte den arm los en antwoordde:

—Ik, een knaap, een greenhorn? Trek uw woorden onmiddellijk in, mr. Rattler, anders werp ik u op den grond!

—Gij mij?—lachte hij.—Zulk een „greenhorn” is werkelijk zoo dom te gelooven, dat...

Hij kon niet verder spreken, want ik gaf hem met de vuist zulk een geweldigen slag tegen de slapen, dat hij als een zak in elkaar zonk en bewusteloos bleef liggen. Eenige oogenblikken heerschte diep stilzwijgen, toen riep een van Rattler’s kameraden:

—Wat drommels! Moeten wij kalm toezien, dat zulk een verloopen Duitscher onzen aanvoerder neerslaat. Grijpt den schurk!

Hij sprong op mij toe. Ik ontving hem met een schop in de maagstreek. Dit is een zeker middel, om de tegenpartij van de been te brengen, men moet evenwel daarbij zelf vast op het andere been blijven staan. De kerel viel en in ’t zelfde oogenblik, zat ik op hem en gaf hem eveneens een vuistslag op den slaap. Toen sprong ik haastig overeind, nam mijn beide revolvers uit mijn gordel en riep:

—Wie nu nog? Kom maar op!

Rattler’s bende scheen grooten lust te hebben, de nederlaag hunner beide kameraden te wreken; de een zag den ander aan, ik waarschuwde echter:

—Luistert naar mij! wie een stap doet of met de hand naar zijn wapen grijpt, krijgt oogenblikkelijk een kogel door den kop! Denkt voor mijn part, wat gij wilt, van den „greenhorn” in ’t algemeen, maar wat een Duitschen „greenhorn” betreft, zal ik u toonen, dat één enkele, het tegen twaalf prairiejagers, als gij zijt, durft opnemen.

Toen kwam Sam Hawkins op mij toe en zeide:

—En ik, Sam Hawkins, wil u ook waarschuwen, als ik mij niet vergis. Deze jonge, Duitsche „greenhorn” staat onder mijn bijzondere bescherming. Wie het waagt, hem een haar te krenken, krijgt het met mij te kwaad, denkt er om, hihihihi!

Dick Stone en Willy Parker hielden het voor noodig, ook naast mij te komen staan, ten teeken, dat zij het geheel met Sam Hawkins eens waren. Dit maakte indruk op de tegenstanders. Zij keerden zich om, bromden en vloekten wat voor zich heen, en knielden naast de beide gevallenen neer om te beproeven hen weer tot bewustzijn te brengen; Bancroft scheen het ’t verstandigste te vinden, naar zijn tent te gaan en stilletjes van het tooneel te verdwijnen.

White had mij al dien tijd met groote, verwonderde oogen aangestaard, nu schudde hij eindelijk het hoofd en zeide op een toon van ongeveinsde verbazing:

—Maar, sir, dat is vreeselijk! Voor geen geld zou ik in uw handen vallen, men moest u Shatterhand noemen, omdat gij een reuzensterken man met een enkelen vuistslag nederwerpt. Zoo iets heb ik nog van mijn leven niet gezien!

Dit voorstel scheen den kleinen Hawkins te bevallen. Vroolijk riep hij uit:

—Shatterhand, hihihihi! Een „greenhorn” nog, en reeds een krijgsnaam, en dan wel zulk een! Ja, als Sam Hawkins zijn oog op een „greenhorn” laat vallen, dan steekt daar iets meer in, als ik mij niet vergis. Shatterhand, Old-Shatterhand! Evenals Old-Firehand, die ook een prairiejager was en sterk als een beer. Wat zegt gij wel van dezen naam, Dick en Will?

Ik hoorde niet, wat zij antwoordden, want White nam mij bij den arm, voerde mij een weinig ter zijde en vroeg:

—Hebt gij geen lust, met mij mee te gaan?

—Lust of niet, Mr. White, ik mag niet.

—Waarom niet?

—Omdat mijn plicht mij hier houdt.

—Kom, dat neem ik op mijn verantwoording.

—Dat helpt mij niet. Ik ben hierheen gezonden, om deze sectie te helpen opmeten, en kan niet weggaan, voor wij daarmee gereed zijn.

—Bancroft zal het werk met de drie andere wel ten einde brengen.

—Ja, maar wanneer en hoe! Neen ik moet blijven!

—Maar bedenk, dat dit gevaarlijk voor u is!

—Waarom?

—Kunt ge mij dat vragen? Gij moet toch inzien, dat gij deze lieden tegen u hebt gemaakt.

—Ik heb hen immers niets misdaan.

—Dat is waar, of liever, dat was tot vandaag toe waar. Nu gij echter twee van hen zoo hebt getracteerd, is het geheel uit tusschen u en hen.

—’t Kan zijn, maar ik ben niets bang. En juist deze beide vuistslagen hebben hen ontzag voor mij ingeboezemd; ik denk dat niemand zich zoo licht aan mij zal wagen. Bovendien zullen Hawkins, Stone en Parker mij trouw ter zijde staan.

—Welnu, zooals gij wilt, eens menschen zin is eens menschen leven, maar het kan ook wel eens zijn dood zijn. Ik had u wel kunnen gebruiken. Maar gij wilt mij toch zeker wel een eind weegs terugbrengen?

—Wanneer?

—Dadelijk.

—Wilt gij dadelijk weggaan, Mr. White?

—Ja, ik heb den toestand hier zóó gevonden, dat ik volstrekt geen lust gevoel, hier langer te blijven, dan noodzakelijk is.

—Maar gij moet toch eerst iets eten, voor gij den terugtocht aanvaardt.

—Dat is niet noodig. Wij hebben eetwaren in onze zadeltasschen meegebracht.

—Wilt gij geen afscheid nemen van Mr. Bancroft?

—Daartoe heb ik geen lust.

—Maar gij waart immers gekomen, om met hem over zaken te spreken!

—Zeker, maar ik kan u dit evengoed zeggen, ik wilde hem voornamelijk waarschuwen voor de roodhuiden.

—Hebt gij er eenigen gezien?