Chapter 35 of 43 · 3987 words · ~20 min read

Part 35

—Blijft zitten, wij varen verder!

—Waarom legt gij dan hier aan, als wij toch niet aan land mogen gaan?—vroeg een van hen op brutalen toon.

—Omdat onze paarden hier staan!

—En wij hebben er geene! Hadt gij dan geen tijd of lust om ook onze paarden los te maken? Wij hebben ook geen wapenen. Wat zullen wij hier in de Far-West beginnen zonder geweer en zonder messen? Dat hadt gij toch vooraf wel kunnen bedenken!

Er volgde een korte pauze, toen vroeg de Apache:

—Heet het jonge bleekgezicht, dat nu heeft gesproken, misschien Fletcher?

Ik kende den toon, waarop hij deze vraag uitsprak, zeer goed. Zoo sprak hij altijd, wanneer hij met een verachtelijk mensch te doen had en moeite moest doen, om zijn toorn te bedwingen.

—Ja,—antwoordde de gevraagde.

—Dus is hij de zoon van dat ander bleekgezicht, dat men Old-Cursing-Dry noemt?

—Voor den duivel! Wie geeft u verlof dien naam uit te spreken?

—Winnetou geeft zichzelf daartoe verlof en zou wel eens den man willen zien die hem dit verbood!

—Dat doe ik! Deze naam is een scheldnaam dien ik niet wil hooren! Waar is mijn vader? Hij was weg toen wij werden overvallen en is dus niet met ons gevangengenomen. Ik hoop niet, mijne heeren, dat gij ons van hier hebt ontvoerd en mijn vader in den steek hebt gelaten. Was dit het geval, dan zou ik u een.... in het lijf jagen en ik zweer u bij....

—Halt!—viel Winnetou hem in de rede,—geen eed en geen vloek, dat dulden wij niet! De oude Fletcher is in goede handen en morgen zult gij hem zien. U nu dadelijk uw paarden en wapenen teruggeven zou krankzinnigenwerk zijn. Winnetou zal u evenwel zeggen wat er gebeuren moet. De Pa-Utes zullen ons achtervolgen en wij lokken hen in een val, waaruit geen van hen zal ontkomen. Dan zullen zij alles moeten teruggeven, wat zij u hebben afgenomen. De krijgers der Navajos staan reeds gereed om hen gevangen te nemen. Wie geen paard heeft moet op het vlot blijven, tot wij op de plaats zelf zijn. De rivier maakt van hier af een bocht, welke naar de plaats voert, welke de roode mannen Sitsu-to (geel water) noemen. Herinnert mijn broeder Shatterhand zich deze plaats nog goed?

—Ja,—antwoordde ik,—wanneer wij nu van hier rijden zijn wij er bij het aanbreken van den dag.

—Juist. Wij, die op het vlot varen, zullen iets later daar aankomen. Mijn broeder Shatterhand heeft vier paarden. Hij mag met Dick Hammerdull, Piet Holbers en een van hun kameraden uitstappen en met hen naar Sitsu-to rijden om daar op ons te wachten. Wat ons dan verder te doen zal staan, kunnen wij later bespreken.

Wij hadden acht gevangenen bevrijd, vier kameraden van Hammerdull en Holbers en vier metgezellen van den ouden Fletcher.

Winnetou gaf mij niet zonder bedoeling een der eersten en niet een der laatsten mee. Fletcher toch was onze gevangene. Hammerdull koos dus een zijner vrienden uit en wij stapten aan wal, terwijl het vlot onmiddellijk verder ging. Het was voor Winnetou een waagstuk, met vier zulke menschen, als de jonge Fletcher er een was, te varen. Naar zijn onbeschaamde eischen en zijn wijze van spreken, te oordeelen, was ook hier de appel niet ver van den stam gevallen.

Wij vier mannen verlieten den oever en vonden ondanks de duisternis, weldra de kloof in welke wij onze paarden hadden vastgebonden. Hier was niets bijzonders gebeurd. Wel had Old-Cursing-Dry, naar ik kon zien, geducht aan zijn banden getrokken, maar zijn pogingen om los te komen waren geheel zonder gevolg gebleven. Hij werd nu weer op zijn paard gezet en goed vastgebonden.

De kameraad van Hammerdull verbaasde zich zeer over de behandeling, welke wij Fletcher aandeden, maar hij werd met een enkel woord op de hoogte gebracht; toen stegen wij op en reden naar een open vlakte, om zoo de bocht van de San-Juan-rivier af te snijden.

Ik reed, Fletchers paard voortdurend bij den teugel voerend, vooraan en luisterde nauwelijks naar de gesprekken, welke de drie anderen achter mij voerden.

Toen de dag begon aan te breken zagen wij in de verte den groenen zoom van de rivier en bij het water gekomen, stegen wij af om Winnetou’s komst af te wachten. Fletcher werd natuurlijk weer tegen een paal gebonden. Hij had gedurende den geheelen rit steeds de prop in den mond gehad, ik verwijderde deze uit medelijden, maar nauwelijks had hij de tong vrij of hij liet zulk een vloed van vloeken en verwenschingen over ons uit, dat wij hem alleen tot zwijgen konden brengen, door de bedreiging, hem dadelijk weer te zullen knevelen en nog een extra pak slaag te laten geven.

Wij hadden gisteren, zuinigheidshalve, de tweede helft van de visch niet gebraden, daarom maakten wij nu een vuur aan en maakten ons ontbijt gereed. Fletcher kreeg wederom zijn deel. Gedurende het maal kon Hammerdull de vragen, welke hem sedert gisteren op de lippen zweefden, niet langer bedwingen, maar ik wenkte hem te zwijgen, daar Fletcher niets mocht hooren. Toen deze evenwel gegeten had, kreeg hij opnieuw de prop in den mond, werd hij op zijn paard een eind weggebracht en daar weer vastgebonden. Nu kon echter de dikke dan ook niet langer zijn nieuwsgierigheid bedwingen, hij vroeg:

—Waarom mag die oude man niet hier blijven, Mr. Shatterhand? Waarom brengt gij hem daarginds in het kreupelhout?

—Omdat zijn zoon, wanneer hij hier mocht uitstappen, hem niet dadelijk mag zien, want hij zou dan tegen ons opstaan, terwijl hij kalm zal blijven, zoolang hij niet weet, wat wij met zijn vader voorhebben.

—Wel! Dat is verstandig, maar ik heb nog wel honderd vragen te doen, welke....

—Welke gij beter deedt vóór u te houden,—viel ik hem in de rede.—Neemt uw hengels en ziet of er hier ook visch te vangen is. Als Winnetou met zijn begeleiders komt zullen zij wel honger hebben. Ik zal u intusschen nog dit zeggen: de Pa-Utes zullen ons natuurlijk achtervolgen, te land of te water. Daar zij in de duisternis onze sporen niet kunnen zien, hebben zij wel moeten wachten tot het aanbreken van den dag en dezen tijd besteed met het bouwen van vlotten. Ook moeten intusschen de dooden begraven worden. Gij kunt dus wel nagaan, welken voorsprong wij op hen hebben.

—Die kunnen zij niet gemakkelijk inhalen!

—Neen, maar om hen te prikkelen, willen wij hen zoo dicht mogelijk bij ons laten komen, dan zullen zij misschien de onvoorzichtigheid begaan ons in den canon te volgen.

—Zouden de Navajos daar al reeds zijn?

—Nu nog niet, maar ook wij kunnen dien eerst hedenavond bereiken en dan is Nitsas-Kar met zijn krijgers daar zeker reeds aangekomen. Dat is alles wat wij vooreerst noodig hebben te weten.

—Maar gij hebt hierover niet met Winnetou gesproken. Het kan zijn dat hij een heel ander plan heeft dan gij.

—Neen ik ken hem en hij kent mij. Laat ons nu eerst zien of wij wat te eten kunnen krijgen.

Hammerdull en Holbers waren wederom zeer gelukkig, zij maakten een goede vangst en hielden eerst met visschen op toen wij van verre het vlot zagen aankomen. De visschen werden dadelijk over het vuur gehangen, opdat de hongerigen niet al te lang op het eten behoefden te wachten. Winnetou stond met opgerichten hoofde voor aan het roer en zag met nieuwsgierige blikken om zich heen. Toen hij den ouden Fletcher niet zag, knikte hij mij tevreden toe en stuurde het vaartuig naar den oever, waar het werd vastgelegd. De geur der gebraden visschen trok de acht mannen zoozeer aan, dat allen na weinige minuten al kauwend om het vuur zaten.

Nu bij dag, kon ik de gezichten beter zien. De vier kerels, die bij Old-Cursing-Dry behoorden, hadden geen vertrouwenwekkende gezichten en de wijze waarop zij spraken, was allesbehalve beschaafd.

Winnetou nam mij een eindje mee ter zijde om het noodzakelijke met mij te bespreken. De jonge Fletcher evenwel riep ons toe:

—Wat voert gij daar uit? Hebt gij zulk een kwaad geweten, dat wij niet mogen hooren, wat gij zegt?

Nu antwoordde Dick Hammerdull:

—Gij schijnt niet te weten, Mr. Fletcher tegen wie gij spreekt. Old-Shatterhand en Winnetou zijn niet gewend op zulk een toon te worden aangesproken!

—Zoo. Is het daarom noodig dat ik mijn mond houd?

—Noodig of niet, dat is ’t zelfde, maar gij kondt wel eens een leelijken slag op uw mondje krijgen!

—Ik zou wel eens willen zien wie dat zou durven wagen! Dat gij ons hebt bevrijd is bijzaak, want dat was uw.... plicht en wij zijn u daarvoor volstrekt geen dank schuldig. Ik wil nu beslist weten, waar mijn.... is.

Het was werkelijk al te vreeselijk het woord aan te hooren, dat hij voor „vader” gebruikte. Dick antwoordde:

—Als gij met dit mooie woord, uw vader bedoelt, dan wil ik u wel zeggen dat deze reeds op weg naar de Navajos is,—niet waar, Piet Holbers, oude Coon?

—Ja, beste Dick,—antwoordde deze, als hij niet achter ons is, is hij voor ons.

—Nu, als dat zoo is, ben ik vooreerst tevreden,—verklaarde Fletcher.—Wij willen maar hopen dat de Pa-Utes in de val zullen loopen en dan zullen zij....

Hier volgde wederom een vloed van verwenschingen, die niet weer te geven zijn en hij knoopte daaraan vast een opsomming van gebeurtenissen, welke duidelijk bewezen, dat de beide Fletcher’s gewoon waren, iederen Indiaan te beschouwen als een wezen dat „uitgebluscht” diende te worden. Hoeveel moorden zouden zij reeds op hun geweten hebben?

Daar wij den voorsprong, dien wij op onze vervolgers hadden, een weinig wenschten in te korten, bleven wij nagenoeg vier uur aan de Sitsu-to, toen voer Winnetou met zijn vier mannen verder. Wij anderen zorgden dat de Pa-Utes wanneer zij aankwamen, reeds van verre konden zien, dat het vlot hier had aangelegd en dat ook wij, ruiters hier gelegerd hadden, daarop verlieten wij ook de plaats, nadat wij natuurlijk eerst Old-Cursing-Dry uit zijn schuilplaats hadden gehaald. Wij namen hem onderweg de prop uit den mond en al waagde hij het ook niet ons zelf te vervloeken, toch moesten wij aanhoudend uitdrukkingen aanhooren, welke ik nog nooit te voren had vernomen. Vooral bezwoer hij steeds bij kris en bij kras, dat hij niet de moordenaar van de Pa-Utes was.

Onze weg voerde ons dikwijls dicht langs den oever en dan weer verder af en eerst laat in den namiddag konden wij den oever onafgebroken volgen. Achter ons lag een rotsachtige vlakte, links de rivier en voor ons verhieven zich tal van hoogten, welker wanden loodrecht omhoogstegen en tusschen welke de Rio San-Juan verdween. Dit was de canon in welke wij de Pa-Utes wilden vangen. De vraag evenwel was of zij er in zouden gaan.

Om hen daartoe te bewegen, had ik met Winnetou afgesproken hier te blijven wachten, totdat zij ons konden zien; hij wilde op zijn vlot hetzelfde doen. Nauwelijks was een kwartier voorbijgegaan of wij zagen een ruiter aan de rivier komen. Het was een Navajo, die ons meldde, dat zijn krijgers waren aangekomen en zich zoo hadden opgesteld als Winnetou het had bevolen. Toen verwijderde hij zich wederom, om Nitsas-Kar te zeggen dat hij ons had ontmoet.

Korten tijd daarna zagen wij ons vlot aankomen. Ik gaf Winnetou het afgesproken teeken, waarop hij aanlegde om evenals wij hier te wachten.

De rivier vormde stroomopwaarts een rechte lijn en Winnetou kon dus zijn vervolgers even zoover zien aankomen, als wij de onzen. Dick Hammerdull wierp juist de vraag op, of de Pa-Utes ons wel werkelijk zouden achtervolgen, toen Piet Holbers in de verte wees en zeide:

—Zie eens achter u, oude Dick en gij zult zien, dat Mr. Shatterhand als altijd gelijk heeft.

Ja, zij kwamen! Een groote ruitertroep, wel tweehonderd man sterk. Wij bleven nog altijd staan. Toen wij door hen eveneens werden opgemerkt, hielden zij hun paarden in. Nu werden onze oogen afgeleid naar de rivier, want hier zagen wij vier of vijf vlotten. Winnetou zag ze ook en roeide naar het midden om zich te laten zien. Dadelijk vermeerderden de anderen hun vaart en ook de ruiters achter ons zetten zich in beweging. Het had allen schijn dat ons plan zou gelukken.

Wij reden verder en wel zoo, dat wij steeds met Winnetou evenwijdig bleven. Nu en dan omziende, bemerkten wij na eenigen tijd dat de ruiters de plaats hadden bereikt, waar wij halt hadden gehouden en van daar uit hun vlotten en ook dat van Winnetou konden zien. Hooren konden wij hen niet maar de opgeheven armen zeiden ons, dat zij een groot gejuich van vreugde aanhieven. Toen zetten zij hun paarden in galop, wij deden hetzelfde. De rivier stroomde hier tusschen nauwere oevers waardoor haar snelheid zoo vermeerderde, dat Winnetou ons nu ook kon bijhouden.

De rotsen stegen hooger en hooger en kwamen elkaar zoo nabij, dat de oever nauwelijks vijf meter breed bleef, ja, zelfs hier en daar nog smaller werd. Dit was de ingang tot den canon. Een oplettende blik overtuigde mij, dat de eene afdeeling der Navajos haar post reeds bezet had. Nu ging het in galop verder, dan eens tusschen hemelhoog schijnende rotswanden naast het water over spleten en steenbrokken in halve duisternis tot het plotseling weer licht voor ons werd, daar de natuurlijke muren ineens achteruitweken. Nu kwamen wij over een menigte rotsblokken, waarachter de gestalten der Navajos zichtbaar werden. Wij stegen af, om onze paarden tusschen deze gevaarten door te leiden. Het opperhoofd zelf heette ons welkom en ik gaf hem den ouden Fletcher met de opdracht, hem nauwkeurig in het oog te houden. Dadelijk daarop liet Winnetou zijn vlot tegen den hellenden oever glijden en kwam met zijn makkers naderbij. Dit alles ging veel sneller in zijn werk dan ik het kan vertellen en nu zagen wij ook in de engte, welke de canon scheen te vormen de vlotten en ruiters der Pa-Utes verschijnen; zij waren dus in de val geloopen.

Ik legde den berendooder aan en schoot twee paarden neer. De schoten donderden tusschen de rotswanden als kanonschoten. De Navajos sprongen uit hun schuilhoeken te voorschijn en hielden hun geweren gereed. Toen de ruiters der Pa-Utes dit bemerkten, zwenkten zij hun paarden en gaven hun lieden op de vlotten een teeken aan te leggen, wat evenwel niet zoo gemakkelijk ging. Nu vielen van beide kanten schoten, welke ons evenwel geen schade deden. De vijanden zagen in, dat zij niet door konden breken en keerden terug. Toen zij verdwenen waren, dreven de ledige vlotten aan ons voorbij. Nu wachtten wij, maar niet lang, want de Pa-Utes kwamen terug. Zij waren op hun terugtocht op onze andere afdeeling gestuit en moesten wel inzien, dat zij zich in onze macht bevonden, want, terwijl wij ruimte hadden gehad ons te verspreiden, zoodat ieder van ons kon schieten, waren zij op zulk een nauwen weg bijeengedreven, dat alleen de voorsten gebruik konden maken van hun geweren, wilde de een den ander niet verwonden. En zouden zij zich langzaam laten insluiten, in deze gevaarlijke engte? Dat zou krankzinnigheid zijn. Wij waren dus overtuigd, dat wij niet lang op hun besluit zouden behoeven te wachten.

Het bleek dat dit juist was ingezien, want na eenigen tijd kwam een van hen op ons toe, met een witten doek in de opgeheven hand, als teeken van onderhandeling. Wij lieten hem kalm komen en hij vertelde ons, dat zijn opperhoofd met onzen aanvoerder wenschte te spreken. Wij zeiden hem, dat Pats-Avat kon komen zonder dat hem eenig leed zou gedaan worden.

Wat wij verwacht hadden geschiedde. Het opperhoofd der Pa-Utes hechtte geloof aan onze woorden en kwam bij ons. De onderhandeling werd gevoerd op langzame, Indiaansche wijze, zoodat het tegen den avond liep en een vuur moest worden aangemaakt. Het opperhoofd der Navajos verlangde vrede en vijftig geweren, de Pa-Utes wilden vrede, maar geen geweren geven, daar er twee krijgers van hen waren gedood.

Nu mengde Winnetou zich in de zaak en het gevolg van zijn voorstel was, dat Pats-Avat de geweren gaf en den moordenaar van zijn zoon uitgeleverd kreeg. Deze afspraak werd met het rooken van de vredespijp bekrachtigd en de Pa-Ute keerde naar de zijnen terug, om hen dit te vertellen.

Nu werd een bode afgezonden naar de andere afdeeling en weldra verzamelden zich alle Navajos aan den oever der rivier. Daar werd de legerplaats opgeslagen en ook de Pa-Utes legerden zich in de onmiddellijke nabijheid. Voor Pats-Avat was het uiterst moeilijk, welken krijgers hij de geweren zou afnemen en het duurde bijna tot middernacht voor zij ingeleverd werden en er iemand kwam om den moordenaar te halen. Het spreekt vanzelf, dat zij ook alles moesten teruggeven, wat zij den acht gevangenen hadden afgenomen. Met hem kwam ook de Pa-Ute, die met de beide vermoorden vooruit was gereden en den vluchtenden moordenaar had gezien.

Natuurlijk moest er tegen Old-Cursing-Dry, voor hij kon worden uitgeleverd, bewijs geleverd zijn. Er werd daarom een jury benoemd, bestaande uit de twee opperhoofden, Winnetou, Dick Hammerdull en mij.

Fletcher was zoo afgezonderd gehouden, dat zijn zoon hem tot nu toe niet had kunnen zien, nu echter, nu hij gebonden bij ons legervuur werd gebracht, zag de jonge den oude en van woede snuivend, eischte hij van ons oogenblikkelijke invrijheidstelling van zijn vader. Er volgde een tooneel dat ik niet vermag te beschrijven, maar dat hiermee eindigde, dat Fletcher junior eveneens werd gebonden.

Nu vormde zich om ons een groote kring van toehoorders. Voor het verhoor begon werden den gevangene, volgens de wetten der prairiën, de boeien afgenomen; aan vluchten was immers toch niet te denken. De getuige herkende in hem dadelijk dengeen, dien hij had zien vluchten en toen hem daarop Fletcher’s paard werd getoond, verklaarde hij met volkomen zekerheid, dat dit het dier was, waarop de moordenaar had gezeten. Het bewijs was voldoende. Toen evenwel Fletcher het woord kreeg om zich te verdedigen, kon hij niets uitbrengen dan vloeken en verwenschingen, die hiermee eindigden, dat hij blind zou worden en verpletterd als hij de moordenaar was. Wij moesten hem wel laten uitspreken, maar het was bijna niet om aan te hooren! En daarbij dat gezicht! Het geleek eerder op dat van een woedend dier, dan van een mensch! Pats-Avat, de vader van den vermoorde zat tegenover mij. Hij had zijn geweer naast zich liggen, een mes, een tomahawk en een oud, dubbelloopspistool staken in zijn gordel, waaraan ook de lederen kruitbundel hing. Waarschijnlijk om slechts maar iets te doen, of om zijn ergernis te verbergen, trok hij het pistool en begon het te laden, ik lette er niet op, want mijn aandacht was gevestigd op Old-Cursing-Dry. Nu herhaalde Winnetou de aanklacht, er was niets ter verdediging aangevoerd en dus moesten wij het oordeel vellen. Toen het eenstemmig „schuldig” luidde, stond de Apache op en zeide:

—Volgens de wetten der prairiën is het dus bewezen, dat Old-Cursing-Dry de krijgers der Pa-Utes heeft vermoord en daar wij beloofd hebben den moordenaar aan de Pa-Utes uit te leveren, zoo is hij van af dit oogenblik in handen van het opperhoofd der Pa-Utes, die met hem mag doen, wat hij wil. Howgh!

Nu stond ook Pats-Avat op. Het pistool in de linkerhand, strekte hij de rechterhand naar den moordenaar uit en riep:

—Dit blanke roofdier behoort dus van nu af aan mij. Hij zal dadelijk aan den paal worden gebonden en zoo gemarteld worden, dat hij drie dagen en drie nachten van pijn zal brullen, zonder te kunnen sterven, want niet alleen, dat hij dezen dubbelen moord heeft begaan, maar hij is bovendien de moordenaar van vele roode mannen geweest. Howgh!

Fletcher stond eenigen tijd stokstijf, toen riep hij:

—Ik sterven? Aan den martelpaal? Hoewel ik zeg, dat ik de moordenaar niet ben? Roode.... hond! Is er voor mij geen redding, dan zult ook gij ter helle varen! Let op!

Hij rukte de pistool uit de handen van het opperhoofd, mikte op hem en schoot af: in het volgende oogenblik hield hij het tegen zijn eigen slaap en schoot weer af. De beide schoten klonken onmiddellijk na elkander. Men zag nauwelijks dat het opperhoofd bij het eerste schot ter zijde sprong en bij het tweede de hand naar het pistool uitstrekte. Wij stonden allen van onze zitplaatsen op, niet anders denkend dan dat beiden dood neder zouden storten, maar het opperhoofd stond ongedeerd overeind en zeide hoonend:

—Hij trof mij niet, want ik stiet zijn hand ter zijde en er was nog geen kogel, maar slechts kruit in den loop. Maar zie dien bleeken hond? Wat is er met hem gebeurd?

Ja, wat was er met Fletcher gebeurd? Hij had het pistool laten vallen en had de beide handen stijf tegen de oogen gedrukt, toen nam hij de handen weg, hief het hoofd op als wilde hij naar den sterrenhemel zien, uitte een doordringenden kreet en wierp zich ter aarde, terwijl hij jammerend met de vuisten in den grond boorde.

—Oef, oef, oef!—riep Winnetou.—Hij wilde blind worden, als hij schuldig was en heeft zichzelf met het kruit in de oogen geschoten. Volgens de wet der prairiën is hij veroordeeld, maar de groote Manitou heeft hem nog veel strenger gestraft. Winnetou, de hoofdman der Apachen, heeft veel gezien en beleefd, wat anderen niet mochten zien, maar hij huivert van dit gezicht. Howgh!

Hij rilde als van koude en keerde zich om om heen te gaan. Het was zooals hij zeide: Fletcher had zich met den kogel in den slaap willen treffen, maar omdat Pats-Avat op hetzelfde oogenblik naar het pistool had gegrepen, was het schot hem door de beide oogen gegaan. Het ging mij als Winnetou, ik huiverde en ik verwijderde mij zoover van de legerplaats, dat ik het gejammer niet meer hoorde. Toen ik na langen tijd weer terugkwam, was hij intusschen naar de Pa-Utes gebracht, wier opperhoofd er niet meer aan dacht, hem nog hedenavond aan den martelpaal te binden.

Alhoewel wij allen behoefte aan slaap hadden, kon ik dien niet vatten, ik keerde mij van de eene zijde op de andere en steeds klonken mij in de ooren de woorden van den Apache: „maar de groote Manitou heeft hem nog veel strenger gestraft.” En toen ik eindelijk toch in slaap viel, was het mij in den droom, alsof ik telkens weer de beide pistoolschoten hoorde.

Maar was het werkelijk een droom? Of waakte ik? Er waren werkelijk schoten gevallen en ik vernam een haastig heen en weer geloop. Toen ik opstond zag ik de geheele legerplaats in rep en roer en op mijn vragen vertelde men mij dat Old-Cursing-Dry ontvlucht was.

Was dat mogelijk? Hij, de blinde, ontvlucht? Dat kon ik haast niet gelooven! Of was hij misschien niet geheel, niet volkomen blind geweest? Daar kwam Dick Hammerdull aangeloopen en in de verte riep hij mij reeds tegemoet:

—Weet gij reeds, dat de oude Fletcher weg is, sir?

—Ik hoorde het, maar kon het nauwelijks gelooven!

—Of gij het gelooft of niet, dat blijft gelijk, maar het is zoo, Mr. Shatterhand.

—Was hij dan niet gebonden?

—Ja zeker was hij gebonden.

—Hebben de Pa-Utes hem dan niet streng genoeg bewaakt?

—Mij dunkt van wel. Maar blind en gebonden, dan denkt men toch dat hij niet weg kan?

—Maar hoe is het dan gebeurd? Er moet iemand zijn die hem geholpen heeft.

—Ja natuurlijk heeft hem iemand geholpen, zijn zoon en deze is ook verdwenen. Een van de buitenste wachtposten heeft twee mannen gezien, die samen op een paard zaten.

—Dus hebben de beide Fletchers zich niet den tijd gegund een tweede paard weg te nemen? Is de zoon dan niet gebonden geweest?

—Gebonden of niet, dat is ’t zelfde, maar men heeft hem de riemen afgenomen, omdat hij er om gevraagd heeft en beloofde kalm te zijn. Men heeft gedacht, dat men hem niet behoefde te wantrouwen, omdat zijn vader in handen der Pa-Utes was!

—Welk een onvoorzichtigheid!—In welke richting zijn zij gegaan?

—Naar het zuiden. De schildwacht aan wien zij voorbij moesten, heeft hen aangeroepen en toen zij niet antwoordden, tweemaal op hen geschoten. Hij had een dubbelloopsgeweer, want het was een van mijn kameraden.