Part 23
—Wanneer dit gebeurt, dan is mijn grootste wensch vervuld. Intschu Tschuna is een beroemd hoofdman en krijger en Winnetou was ik reeds genegen, van ’t eerste oogenblik dat ik hem zag. Het is voor mij niet alleen een groote eer, maar het doet mij ook oneindig veel genoegen, den broeder van zulke beroemde mannen te worden genoemd. Ik hoop, dat gij ook mijn kameraden als uw vrienden wilt aannemen.
—Als zij dit wenschen, zal men hen behandelen, alsof zij geboren Apachen waren.
—Wij danken u. Gij hebt dus zelf dezen pijpekop uit de heilige klei gesneden? Hoe kunstig hebt gij dit gedaan!
Zij bloosde bij deze lofuiting en antwoordde:
—Ik weet wel, dat de vrouwen en dochters der blanken veel handiger zijn dan wij. Ik zal u echter nog iets anders halen.
Zij ging en kwam terug met mijn revolver, mijn mes, ammunitie en alle andere voorwerpen, welke niet uit mijn zakken waren geweest, want alles wat daarin was, had men mij laten behouden. Ik dankte haar, zeide dat mij nu niets meer ontbrak en vroeg:
—Zullen ook mijn kameraden wat hun is afgenomen geworden, terugkrijgen?
—Ja, alles. Zij zullen het nu reeds hebben, want terwijl ik u hier bedien, zorgt Intschu Tschuna voor hen.
—En hoe staat het met onze paarden?
—Die zijn er ook nog. Gij krijgt het uwe weer en Hawkins kan zijn Mary weer berijden.
—Gij kent den naam van zijn muildier?
—Ja, ook den naam van zijn oud geweer, dat hij Liddy noemt. Ik heb dikwijls, zonder dat ik het u vertelde met hem gesproken. Hij is een grappig man, maar toch een flink prairiejager.
—Ja, dat is hij en nog veel meer, namelijk een trouw, zelfopofferend kameraad, dien men moet liefhebben. Maar, ik zou u wel eens iets willen vragen, zult gij mij eerlijk de waarheid zeggen?
—Nscho-Tschi liegt nooit,—zeide zij trotsch en toch op eenvoudigen toon,—en in ’t allerminst zou zij tegenover u een onwaarheid zeggen.
—Uw krijgers hadden den gevangen Kiowa’s alles afgenomen, wat zij bij zich hadden niet waar?
—Ja.
—Ook mijn drie kameraden.
—Ja.
—Waarom mij dan niet? Men heeft mij alles gelaten wat in mijn zakken zat.
—Winnetou, mijn broeder had dit zoo bevolen.
—En weet gij, waarom hij dit bevel gaf?
—Omdat hij u goed lijden mocht.
—Hoewel hij mij voor zijn vijand hield?
—Ja, gij zeidet zooeven, dat gij hem reeds genegen waart van ’t eerste oogenblik af, dat gij hem zaagt, welnu, datzelfde is ook met hem ’t geval geweest. Het heeft hem leed gedaan u voor een vijand te moeten houden en niet alleen voor een vijand....
Zij hield op want zij had iets willen zeggen, waarmee zij vreesde, mij te beleedigen.
—Spreek verder!—verzocht ik.
—Neen.
—Dan zal ik het in uw plaats doen. Dat hij mij voor een vijand moest houden, kon hem geen leed doen, want men kan ook een vijand achten, maar hij heeft gemeend, dat ik een leugenaar, een valsch, een slecht mensch was, niet waar?
—Gij hebt het gezegd.
—Ik hoop dat hij nu inziet, dat hij zich vergist heeft. En nu nog een vraag: hoe staat het met Rattler, den moordenaar van Kleki-Petra?
—Hij werd zoo juist aan den folterpaal gebonden.
—Wat, nu, op dit oogenblik?
—Ja.
—En dat zegt men mij niet? Waarom verzwijgt men dat?
—Winnetou wilde dit zoo.
—Waarom?
—Hij vreesde, dat uw oogen het niet konden zien en uw ooren het niet konden hooren.
—Waarschijnlijk vergist hij zich daarin niet en toch is het mij mogelijk het te zien en te hooren, wanneer men mijn wensch vervult.
—En die is?
—Zeg mij eerst, waar die strafoefening zal plaats vinden.
—Beneden aan de rivier, waar gij zooeven waart. Intschu Tschuna heeft u hierheen gebracht, opdat gij er niet bij tegenwoordig zoudt zijn.
—Maar ik wil er bij zijn! Welke martelingen heeft men voor hem uitgedacht?
—Alle, die gewoonlijk toegepast worden. Het is het slechtste bleekgezicht dat ooit in de handen der Apachen is gevallen. Hij heeft onzen blanken vader, dien wij liefhadden en vereerden, zonder eenige aanleiding vermoord, daarom zal hij niet slechts een weinig gemarteld worden, zooals dit bij andere gevangenen pleegt te geschieden, maar men zal alle martelingen, welke wij kennen op hem toepassen.
—Dat mag niet gebeuren, dat is onmenschelijk.
—Hij heeft het verdiend!
—Zoudt gij er bij kunnen zijn en het aanzien?
—Ja.
—Gij? Een meisje?
Zij sloeg de lange wimpers neer, zweeg een oogenblik, hief de oogen weer op en zeide toen, terwijl zij mij verwijtend aanzag:
—Verwondert gij u daarover?
—Ja, een vrouw moet zoo iets niet kunnen aanzien.
—Is dat bij u zoo?
—Ja.
—Werkelijk?
—Ja, werkelijk.
—Gij zegt een onwaarheid, maar zijt daarom geen leugenaar, want gij zegt het, zonder het te weten. Gij vergist u.
—Wilt gij het tegendeel beweren?
—Ja.
—Dan zoudt gij onze vrouwen en meisjes beter moeten kennen dan ik!
—Misschien kent gij ze niet! Als uw misdadigers voor den rechter staan, mogen andere menschen toehooren, is het niet zoo?
—Ja.
—Ik heb gehoord, dat er dan meer toehoorderessen dan toehoorders waren. Moet een vrouw zich door haar nieuwsgierigheid naar zulk een plaats laten drijven?
—Neen.
—En wanneer bij u een moordenaar wordt gevonnist, wanneer men hem ophangt of het hoofd afslaat, zijn er dan nooit blanke vrouwen bij?
—Dat was vroeger zoo.
—Is het haar nu verboden?
—Ja.
—En de mannen ook?
—Ja.
—Dus is het allen verboden! Ware dit niet het geval, dan kunt gij zeker zijn, dat de vrouwen meekwamen. O, de vrouwen der blanken zijn niet zoo teergevoelig als gij denkt! Zij kunnen de pijnen, welke andere menschen of dieren dulden, zeer goed aanzien. Ik ben nooit bij u geweest, maar Kleki-Petra heeft het ons verteld. Daarom ging Winnetou naar de groote steden van het Oosten en toen hij terugkwam, heeft hij mij alles verteld van wat hij gezien heeft. Weet gij, wat uw vrouwen doen met de dieren die zij koken, braden en eten?
—Welnu?
—Zij trekken hun levend de huid af (bij palingen), ook nemen zij hun den darm uit het lijf, terwijl zij nog leven (bij de kreeften) en werpen ze in het kokende water. En weet ge, wat de medicijnmannen der blanken doen?
—Wat bedoelt gij?
—Zij werpen honden levend in het kokende water, om te weten hoelang ze dan nog leven en trekken hun de verzengde huid van het lichaam. Zij snijden hen de oogen, de tongen uit, maken het lijf open en kwellen hen nog op verschillende andere wijzen, om later daarover boeken te schrijven.
—Dat is vivisectie en geschiedt enkel om de wetenschap vooruit te brengen!
—Wetenschap! Kleki-Petra is ook mijn leermeester geweest, daarom weet ik wat gij met dit woord bedoelt. Wat moet uw Groote, Goede Geest wel zeggen van een wetenschap, die niets kan leeren, zonder dat zij Zijn schepselen doodmartelt. En zulke martelingen doen uw medicijnmannen in hun woningen, waar hun vrouwen toch ook leven! Of hooren zij het angstgeschreeuw der gemartelde dieren niet? Hebben uw vrouwen niet vogels in kooien in haar kamers? Weten zij niet, welk een straf dit voor de arme dieren is? Zijn uw vrouwen niet bij honderden tegenwoordig, wanneer bij wedrennen, de paarden bijna worden doodgereden? Ik ben een jong, onervaren meisje en word door u, onder de „wilden” gerekend, maar ik zou u nog veel kunnen opnoemen, dat uw vrouwen doen, zonder dat zij de huivering daarbij gevoelen welke ik zou gewaar worden. Herinner u de vele schoone, blanke vrouwen, die haar slaven hebben laten pijnigen of met een glimlach op de lippen hebben toegezien, dat een zwarte dienares werd gegeeseld! En hier geldt het een moordenaar, een misdadiger! Hij moet sterven, zooals hij dat heeft verdiend. Ik wil er bij zijn en gij veroordeelt mij! Is het werkelijk slecht van mij dat ik zulk een mensch kan zien sterven? En wanneer ik ongelijk mocht hebben aan wie de schuld dat de roodhuiden hun oogen aan zulke tooneelen hebben gewend? Zijn het niet de blanken, die ons dwingen, hun wreedheid met gelijke munt te betalen?
—Ik geloof niet, dat een blanke rechter een gevangen Indiaan tot den folterpaal zou veroordeelen.
—Rechter! Neem mij niet kwalijk, dat ik u aanspreek met den titel, dien ik zoo dikwijls van Hawkins had gehoord, „greenhorn”, gij kent het Westen nog niet! Waar zijn hier rechters! De sterkere is de rechter, de zwakkere wordt gevonnist. Laat u vertellen wat er gebeurd is bij de legervuren der bleekgezichten! Zijn de vele Indianen, die gevallen zijn in den strijd met de blanke indringers, allen snel aan een kogel of een messteek gestorven? Hoe velen van hen werden doodgemarteld! En toch hadden zij niets anders dan hun rechten verdedigd. En nu er bij ons een moordenaar zal sterven, die zijn straf heeft verdiend, nu moet ik mijn oogen van dit tooneel afwenden, omdat ik een vrouw, een meisje ben? Ja, eens waren wij anders, maar gij hebt ons geleerd, bloed te zien vloeien zonder dat wij daarbij ons gezicht vertrekken. Ik zal gaan, om tegenwoordig te zijn wanneer de moordenaar van Kleki-Petra zijn straf ondergaat!
Ik had de jonge, schoone Indiaansche leeren kennen als een zacht, stil wezen, nu evenwel stond zij vóór mij met fonkelende oogen en gloeiende wangen, het beeld van de godin der wrake, die geen erbarmen kent. ’t Kwam mij voor, dat zij nu nog schooner was dan te voren. Mocht ik haar veroordeelen? Had zij ongelijk?
—Ga dan,—zeide ik,—maar ik ga mee.
—Blijf liever hier!—verzocht zij, weer in een geheel anderen toon.—Winnetou en Intschu Tschuna zien niet gaarne, dat gij meekomt.
—Zouden zij er boos om worden?
—Neen. Zij zien het liever niet, maar zij willen het u niet verbieden.
—Dan ga ik mee, zij zullen het mij niet kwalijk nemen.
Toen ik met haar op het platform kwam, vond ik daar Sam Hawkins, die uit zijn oude, korte pijp stond te rooken.
—’t Is nu een andere zaak, sir!—zeide hij lachend—tot nu toe gevangene geweest en nu den grooten mijnheer uithangen. Hoe gaat het u onder deze omstandigheden?
—Dank u, zeer goed—antwoordde ik.
—Mij ook eveneens. De hoofdman heeft ons zelf bediend, dat is netjes, als ik mij niet vergis.
—Waar is Intschu Tschuna nu?
—Hij is weggegaan, ik denk naar de rivier.
—Weet gij wat daar op dit oogenblik geschiedt?
—Ik kan het wel denken.
—Wat dan?
—Het afscheid van de Kiowa’s.
—Dat niet alleen.
—Wat dan nog meer?
—Rattler wordt gevonnist.
—Wordt Rattler gevonnist? En men laat ons hier? Dan moet ik toch ook naar beneden, om dat te zien.
—Wacht een oogenblik. Kunt gij zulke tooneelen aanzien, zonder huiveren?
—Zien, huiveren, wat zijt gij toch een greenhorn sir, als gij maar langer hier in ’t Westen zijt, zult gij ook niet meer aan huiveren denken. Die kerel heeft den dood verdiend en wordt op Indiaansche wijze gevonnist, dat is alles!
—Maar het is toch wreed!
—Kom praat bij zulk een wezen toch niet van wreedheid. Sterven moet hij toch eenmaal of denkt gij van niet?
—O ja, als zij het dan maar kort met hem maken, ’t is toch een mensch!
—Een man, die een ander, die hem niets heeft misdaan, zoo maar neerschiet, is geen mensch. Hij was zoo dronken als een uil!
—Dat is toch een verzachtende omstandigheid, hij wist niet meer wat hij deed!
—Laat u toch niet uitlachen! Ja, daarginds bij u in de oude wereld rekenen de rechters ieder, die in dronkenschap een moord begaat niet zoo schuldig. Wie zich zoo bedrinkt, dat hij als een wild dier op zijn medemensch aanvalt, moest juist strenger gestraft worden. Ik heb niet het minste medelijden met Rattler. Bedenk eens, hoe hij u heeft behandeld.
—Dat bedenk ik wel, maar ik ben een Christen en geen Indiaan. Ik zal alles in het werk stellen om hem een spoedigen dood te bezorgen.
—Doe dat niet, sir, ten eerste heeft hij het niet verdiend en ten tweede zal het u weinig geven. Kleki-Petra is de leermeester, de geestelijke vader van den stam geweest, zijn dood is een onherstelbaar verlies voor de Apachen en de moord geschiedde zonder eenige aanleiding. Daarom is het onmogelijk de roodhuiden tot medelijden te bewegen.
—Ik zal het toch beproeven!
—Tevergeefs.
—In dit geval schiet ik Rattler een kogel in het hart.
—Om een einde te maken aan zijn lijden! Laat dat om ’s Hemels wil blijven. Gij zoudt u den haat van den geheelen stam op den hals halen. Het is hun recht den aard der straf te bepalen, als gij hun dat ontneemt, is het uit met de zooeven gesloten vriendschap. Dus, gij gaat mee?
—Ja.
—Goed zoo, maar bega geen dwaasheden! Ik zal Dick en Will roepen.
Hij verdween in den ingang zijner woning en kwam spoedig met zijn beide kameraden terug. Wij daalden de verschillende ladders af. Nscho-Tschi was ons vooruitgegaan en nergens meer te zien. Toen wij uit het zijdal in het hoofddal van de Rio Pecos kwamen, waren de Kiowa’s verdwenen. Zij waren met hun gewonden aanvoerder weggereden, maar Intschu Tschuna was zoo voorzichtig geweest hun spionnen na te zenden, daar zij ’t licht konden probeeren, onopgemerkt terug te komen om zich te wreken.
Ik heb reeds gezegd, dat onze ossenwagen op het plein stond. De Apachen hadden zich in een kring daaromheen opgesteld en midden in stonden de beide aanvoerders met eenige krijgslieden. Nscho-Tschi was bij hen en sprak met Winnetou. Hoewel zij de dochter van een opperhoofd was, mocht zij zich niet mengen in de aangelegenheden der mannen en dat zij zich nu toch hier bevond, bewees, dat zij iets zeer gewichtigs met haar broeder had te bespreken. Toen zij ons aan zag komen, maakte zij Winnetou op ons opmerkzaam en trok zich daarop terug, zich bij de vrouwen voegend. Zij had blijkbaar over ons gesproken. Winnetou drong door den kring zijner krijgers, kwam ons tegemoet en zeide op ernstigen toon:
—Waarom zijn mijn blanke broeders niet boven in het Pueblo gebleven? Bevallen hun de vertrekken niet, welke hun zijn aangewezen?
—Zij bevallen ons zeer goed,—antwoordde ik,—en wij danken onze roode broeders voor hun goede zorgen. Wij zijn hier gekomen, omdat wij hoorden dat Rattler nu terechtgesteld zou worden. Is dit zoo?
—Ja.
—Ik zie hem evenwel hier niet.
—Hij ligt in den wagen bij het lijk van den vermoorde.
—Welken dood moet hij sterven.
—Den marteldood.
—Is dat vast besloten?
—Ja.
—Zulk een terechtstelling kan ik niet bijwonen.
—Daarom heeft Intschu Tschuna, mijn vader u naar het Pueblo gebracht. Waarom zijt gij hier gekomen? Waarom wilt gij iets zien, dat gij toch niet kunt aanzien?
—Ik hoop, dat ik zijn terechtstelling kan bijwonen, zonder dat ik mij met afgrijzen behoef af te wenden. Mijn godsdienst gebiedt mij, voor Rattler te pleiten.
—Uw godsdienst? Was dat ook niet de zijne?
—Ja.
—Heeft hij naar de geboden der godsdienst gehandeld?
—Helaas neen.
—Dan is het ook volstrekt niet noodig hem naar die geboden te behandelen. Uw en zijn godsdienst verbieden den moord en hij heeft toch een moord bedreven, dus moet hij zijn straf ondergaan.
—Ik kan geen rekening houden met wat hij gedaan heeft, ik moet mijn plicht vervullen, zonder naar de daden van anderen te vragen. Ik verzoek u dus het vonnis te verzachten en dezen man een snellen dood te laten sterven.
—Wat eenmaal besloten is, moet worden uitgevoerd!
—Bestaat er dus geen enkel middel om mijn wensch vervuld te krijgen?
Hij zag ernstig en nadenkend voor zich en antwoordde toen:
—Er is één middel.
—En dat is?
—Voor ik het mijn blanken broeder zeg, moet ik hem ernstig verzoeken het niet in toepassing te brengen, daar dit hem zeer in de achting van onze krijgers zou doen dalen.
—In hoeverre? is dit middel dan een onwaardig middel?
—Naar de begrippen der roode mannen, ja.
—Zeg het mij.
—Gij zoudt uw aanspraak op onze dankbaarheid moeten laten gelden.
—Maar dat doet geen fatsoenlijk mensch!
—Neen wij hebben ons leven aan u te danken, wilt gij u daarop beroepen en mijn vader, Intschu Tschuna dwingen, uw wensch in overweging te nemen?
—Wat zou ’t gevolg daarvan zijn?
—Wij zouden een nieuwe vergadering moeten beleggen en in die vergadering zóó voor u moeten pleiten, dat onze krijgers de belooning die gij eischt, goedkeuren. Maar dan zou alles, wat gij verder hebt gedaan als van geen waarde worden beschouwd. Is deze Rattler zulk een offer waard?
—Zeker niet.
—Mijn broeder hoort dat ik oprecht met hem spreek. Ik weet welke gedachten en gevoelens in hem omgaan, maar mijn krijgers hebben geen begrip van deze dingen. Een man, die dank eischt voor een bewezen dienst, wordt door hen veracht. Moest Old-Shatterhand, die de grootste en de beroemdste krijgsman der Apachen kan worden van ons heengaan, omdat mijn krijgers hem zullen minachten?
Het was moeilijk hierop een antwoord te geven. Mijn hart gebood mij bij mijn verzoek te blijven, mijn verstand, of beter gezegd, mijn trots kwam daar tegen op. Winnetou begreep den tweestrijd in mijn binnenste en zeide:
—Ik zal met Intschu Tschuna, mijn vader overleggen. Mijn broeder kan hier een oogenblik wachten.
Hij ging.
—Begin geen dwaasheden, sir!—verzocht Sam;—gij vermoedt niet wat hier op ’t spel staat, misschien wel uw leven.
—Er is geen sprake van.
—Zeker! Het is waar: de roodhuid veracht iedereen die dank eischt of die maant aan wat men hem verschuldigd is. Hij doet dan, wat men van hem vraagt, maar later wil hij dien persoon niet meer kennen. Wij zouden dan vandaag nog heen moeten gaan en hebben de Kiowa’s voor ons, wat dat beteekent, behoef ik u wel niet te zeggen.
Intschu Tschuna en Winnetou spraken een tijdlang zeer ernstig met elkander, toen kwamen zij naar ons toe en de eerste zeide:
—Indien Kleki-Petra ons niet zooveel van uw geloof had gezegd, zou ik u houden voor iemand, met wien ik niet wilde spreken. Nu evenwel kan ik uw wensch billijken, maar mijn krijgers begrijpen dien niet en zullen u daarom verachten.
—Ik handel ook in den geest van Kleki-Petra.
—Van hem?
—Ja, hij bezat immers hetzelfde geloof als ik en is in dit geloof gestorven. Zijn godsdienst gebood hem zijn vijanden te vergeven. Geloof mij hij zou het niet dulden, dat zijn moordenaar zulk een dood stierf.
—Meent gij dat in ernst?
—Ja, ik ben er van overtuigd.
Hij schudde het hoofd en zeide:
—Wat zijn die Christenen toch voor menschen! Of zij zijn slecht en dan is hun slechtheid zoo groot, dat men ze niet kan begrijpen, of ze zijn zóó goed en evenzoo onbegrijpelijk.
Hierop zag hij zijn zoon en deze wederkeerig hem in de oogen. Zij begrepen elkander door deze blikken. Toen wendde Intschu Tschuna zich weer tot mij, terwijl hij vroeg:
—Was deze moordenaar ook uw vijand?
—Ja.
—Hebt gij hem vergeven?
—Ja.
—Luister dan, naar wat ik u ga zeggen! Wij willen zien, of er nog een sprankje goeds in hem is. Is dit het geval, dan zal ik beproeven, uw wensch te vervullen, zonder dat het u schade doet. Zet u hier neer en wacht af, wat er gebeurt. Als ik u een wenk geef, komt gij naar den moordenaar toe en eischt van hem dat hij u om vergeving vraagt. Doet hij dit, dan zal hij een haastigen dood sterven.
—Mag ik hem dit zeggen?
—Ja.
Intschu Tschuna keerde met Winnetou in den kring terug en wij gingen zitten op de plaats, waar wij tot nu toe gestaan hadden.
—Ik had niet gedacht,—meende Sam,—dat de hoofdman op uw wensch zou ingaan, gij staat zeer goed bij hem aangeschreven.
—Dat is de reden niet, er is een andere.
—Welke dan?
—Het is de invloed van Kleki-Petra, die zelfs nog na zijn dood zich laat gelden. Deze roodhuiden hebben van het ware Christendom meer in zich opgenomen, dan zij zelf vermoeden. Ik ben nieuwsgierig te weten, wat nu zal gebeuren.
—Gij zult het meteen zien. Let op!
Nu werd een plank van den wagen weggenomen. Wij zagen, dat men een lang voorwerp, dat iets op een koffer geleek en waarop een mensch was vastgebonden aflaadde.
—Dat is een lijkkist,—meende Sam Hawkins,—uit holle boomstammen gemaakt en met natgemaakte vellen overtrokken. Wanneer het leder droog wordt, trekt het samen en de kist wordt daardoor luchtdicht gesloten.
Niet ver van de plaats, waar het zijdal in het hoofddal uitliep, verhief zich een rots waarvoor een groote vierkante stapel steenen was opgericht. Daarnaast lagen nog vele kleinere steenen, welke hier bijeen waren gebracht. Naar dit vierkant werd de lijkkist gedragen, met den man, die daarop was vastgebonden. Deze man was Rattler.
—Weet ge waartoe men daar die steenen heeft bijeengebracht?—vroeg Sam.
—Ik geloof het wel.
—Waartoe dan?
—Men wil daarvan het graf bouwen.
—Juist, een dubbel graf.
—Voor Rattler meteen?
—Ja, de moordenaar wordt tegelijk met zijn slachtoffer begraven, wat eigenlijk altijd moest gebeuren, als het mogelijk was.
—Verschrikkelijk! Levend aan de kist van den vermoorde gebonden te zijn en te weten dat dit ook meteen de eigen, laatste rustplaats is!
—Ik geloof warempel, dat gij medelijden met dezen kerel gaat hebben. Dat gij voor hem om genade hebt gevraagd, kan ik mij begrijpen, maar dat ge medelijden met hem hebt, gaat mijn verstand te boven.
Nu werd de lijkkist omhoog gezet, zóó dat Rattler op zijn voeten kwam te staan. Men bond nu beide, de kist en den man, met sterke riemen aan den steenen muur vast. De roodhuiden, vrouwen en kinderen zoowel als mannen, naderden en vormden een kring er omheen. Er heerschte een diepe stilte. Winnetou en Intschu Tschuna stonden naast de kist, de een rechts, de andere links. Nu verhief de hoofdman zijn stem en sprak:
—De krijgers der Apachen zijn hier bijeen gekomen om vonnis te vellen, want het volk der Apachen heeft een groot verlies geleden door den dood van Kleki-Petra en de schuldige zal met zijn leven daarvoor boeten.
Intschu Tschuna schilderde nu op Indiaansche bloemrijke wijze het leven en werken van Kleki-Petra en vertelde uitvoerig hoe de moord zich had toegedragen. Hij sprak over de gevangenneming van Rattler en maakte ten slotte bekend, dat dezen nu ter dood zou worden gebracht en dan tegelijk met den vermoorden zou worden begraven. Hierop zag hij mij aan en gaf mij den afgesproken wenk.
Wij stonden op en werden in den kring opgenomen. Van te voren had ik, wegens den grooten afstand, den veroordeelde niet duidelijk kunnen zien, nu stond ik voor hem en gevoelde, hoe slecht en goddeloos hij ook was geweest, diep medelijden.
De kist was zwaar en meer dan vijf el lang. Zij geleek op een dikken boomstam, die men met leer had overtrokken. Rattler was zóó met den rug op deze kist vastgebonden, dat zijn armen naar achteren lagen en zijn beenen van elkaar stonden. Men kon hem aanzien, dat hij noch honger, noch dorst had geleden. Hij had een prop in den mond en kon dus niet spreken. Ook zijn hoofd was zoo vastgebonden, dat hij het niet kon bewegen. Toen ik naderbij kwam, nam Intschu Tschuna hem de prop uit den mond en zeide tot mij:
—Mijn blanke broeder heeft met dezen moordenaar willen spreken. Het kan geschieden.
Rattler zag, dat ik vrij was en kon dus dadelijk opmaken, dat ik vriendschap had gesloten met de Indianen. Ik had daarom verwacht, dat hij mij zou hebben verzocht een goed woordje voor hem te doen. In plaats daarvan echter, begon hij zoodra de prop uit zijn mond was verwijderd, op giftigen toon tegen mij:
—Wat wilt gij? Maak dat ge weg komt, ik wil niets met u te maken hebben.
—Gij hebt gehoord dat gij ter dood veroordeeld zijt, Mr. Rattler,—antwoordde ik kalm,—daaraan valt niets te veranderen, gij moet sterven, maar ik wil toch....
—Ga weg, hond, ga weg!—viel hij mij in de rede, terwijl hij trachtte op mij te spuwen.