Part 40
—Oef! Dan zouden zij eerst u moeten overwinnen en bovendien weten, wat onze plannen waren.
—Zij weten het.
—Onmogelijk.
—Zij weten het werkelijk. Santer is boven bij de graven geweest en heeft alles gehoord, wat wij samen bespraken.
Ik kon het gezicht van Winnetou niet zien, maar hij antwoordde niet. Dit zwijgen bewees mij, hoe groot zijn verbazing was. Toen ging hij zitten, noodigde mij uit naast hem plaats te nemen en zeide:
—Als gij dat weet, moet gij hem evengoed beluisterd hebben, als hij ons.
—Dat is ook zoo.
—Dus zijn al onze berekeningen van nul en geener waarde? Vertel mij alles wat er gebeurd is.
Ik voldeed aan zijn verzoek. De Apachen verdrongen zich om mij heen om toch geen woord van het verhaal te verliezen. Zoo nu en dan lieten zij een verbaasd „oef” hooren. Winnetou alleen zweeg tot ik geheel geëindigd had, toen vroeg hij:
—Mijn broeder Old-Shatterhand vond het, onder deze omstandigheden, dus maar het beste zijn post op te geven?
—Ja. Ik zou nog twee andere dingen hebben kunnen doen, maar geen van beide voerde mij tot mijn doel.
—Wat had dat kunnen zijn?
—Ten eerste hadden wij, om niet overvallen te worden, slechts een klein eindje verder behoeven te trekken, in plaats van ons geheel van het terrein te verwijderen.
—Dat zou verkeerd zijn geweest, want den volgenden morgen hadt ge meer dan vijftig vijanden tegen u gehad en ons plan zou toch verijdeld zijn geweest. Wat hadt gij nog anders kunnen doen?
—Wij hadden op onzen post kunnen blijven. Dit plan leek mij eerst goed toe. Santer wilde de Kiowa’s naar ons toe brengen, hij zou dus voorop gaan en de eerste zijn die bij ons aankwam. Als ik goed oppaste, moest ik hem hooren komen, kon hem door een vuistslag bewusteloos neervellen en mij dan met hem uit de voeten maken.
—Mijn broeder is een moedig krijgsman, maar zulk een overmoed zou hem slecht zijn bekomen. Met Santer op den arm, had gij u niet snel genoeg kunnen verwijderen, waart ingehaald en gedood geworden.
—Dat was natuurlijk mogelijk geweest, bovendien het was niet zeker, dat Santer de voorste zou zijn. Hij kon de Kiowa’s ook tot in onze nabijheid brengen en zich dan terugtrekken om hen het werk te laten doen. Daarom vond ik het maar het allerbeste u op te zoeken.
—Gij hebt goed gedaan. Mijn broeder handelt steeds zooals ik zou handelen, ware ik in zijn plaats geweest.
—Ook vond ik het beter naar u toe te gaan, omdat wij dan samen konden overleggen wat ons te doen staat.
—Wat ons te doen staat? Laat eens hooren, hoe mijn broeder Old-Shatterhand hierover denkt.
—Wij kunnen geen plannen maken voor wij weten, wat de Kiowa’s hebben gedaan, nadat zij hebben bemerkt dat wij er niet meer waren.
—Moeten wij dit eerst weten? Kunnen wij dit niet raden?
—Ja, raden kan men, maar dat geeft geen zekerheid. Men kan zich vergissen.
—Hier kan men zich niet vergissen. De Kiowa’s zijn geen kleine kinderen, maar volwassen krijgers; zij zullen doen wat het verstandigste voor hen is.
—En dat is? Wegrijden? Naar hun dorp gaan?
—Ja. Nu ze u niet hebben aangetroffen, weten zij, dat Santer’s plan onuitvoerbaar is en de aanvoerder zal zijn vroeger gemaakt plan doorzetten. Ik ben overtuigd dat zij er van afzien, ons nog hier aan te vallen.
—Santer zal toch zijn best doen, hen daartoe over te halen.
—Dat zal hij zeker doen, maar niemand zal naar hem hooren, zij gaan weg.
—En wij? Wat zullen wij doen? Rijden wij hen achterna?
—Of voor hen uit!
—Ook goed! Dan zijn wij voor hen en kunnen hen overrompelen.
—Dat zouden wij kunnen doen, maar ik weet iets beters. Wij moeten Santer hebben en wij willen Sam Hawkins bevrijden. Onze weg leidt ons dus naar het dorp, waar Hawkins gevangen ligt, maar wij behoeven niet denzelfden weg te volgen, welken deze Kiowa’s zullen inslaan.
—Kent mijn broeder Winnetou het dorp van het opperhoofd Tangua?
—Ja.
—Weet hij precies waar het ligt?
—Zoo precies, als ik de ligging van mijn eigen Pueblo ken. Het ligt aan de Salt-Fork, den noordelijken arm van de Red-River.
—Dus zuid-oostelijk van hier?
—Ja.
—Wij worden uit het Noordwesten verwacht en moeten dus zien van het Zuidoosten te komen.
—Dat is juist, wat ik wil. Mijn broeder Shatterhand heeft steeds dezelfde gedachten als ik. Het is zooals Intschu Tschuna, mijn vader, zeide, toen wij broederschap dronken: „de ziel leeft in het bloed. De zielen dezer beide krijgers zullen in elkander overgaan. Wat Old-Shatterhand denkt dat zijn ook Winnetou’s gedachten en wat Winnetou wil, dat zij ook de wil van Old-Shatterhand.” Zoo is het ook geschied. Zijn oog zag in onze harten en het zag onze toekomst open voor zich. Het zal hem in de eeuwige jachtvelden genoegen doen en het zal zijn zaligheid verhoogen, wanneer hij ziet dat zijn woorden bewaarheid zijn geworden. Howgh!
Hij zweeg geroerd en allen die zich bij ons bevonden, eerbiedigden dit zwijgen. Het was een stomme en toch zoo welsprekende hulde, die de zoon aan den overleden vader bracht. Eerst na eenige minuten vervolgde hij, eenigszins verlegen:
—Ja, wij zullen het dorp waar Tangua heerscht, opzoeken, maar niet langs den kortsten weg, dien de Kiowa’s zullen inslaan. Wij zullen om zijn gebied heenrijden en van den anderen kant naderen. Het is nu maar de vraag, wanneer wij zullen opbreken. Hoe denkt Old-Shatterhand daarover?
—Wij zouden wel dadelijk kunnen wegrijden, de weg is lang en hoe eerder wij den tocht beginnen, des te eerder komen wij aan het doel. Maar ik zou dit toch niet aanraden.
—Waarom niet?
—Omdat wij niet weten, wanneer de Kiowa’s deze streek verlaten.
—Waarschijnlijk reeds hedenavond.
—Dat acht ik ook waarschijnlijk, maar het is toch ook mogelijk dat zij tot morgen wachten. Bovendien blijft de mogelijkheid niet uitgesloten, dat zij toch weder op de gedachte komen ons nog aan te vallen. In elk geval moeten wij, wanneer wij eerder vertrekken dan zij, zorgen dat zij ons spoor niet zien. Zij zouden dan ons plan raden en dit verijdelen.
—Mijn broeder spreekt wederom mijn gedachten uit. Wij moeten hier blijven tot zij weg zijn, dan zijn wij zeker dat zij ons geen schade kunnen doen. Maar hier, waar wij ons nu bevinden, kunnen wij vannacht niet blijven, want wij moeten rekening houden met de mogelijkheid dat zij ons hier opzoeken.
—Het beste zou dan zijn dat wij een plaats zochten, van waar wij bij het aanbreken van den dag den uitgang van de kloof kunnen overzien.
—Ik weet zulk een plaats. Mijn broeders mogen hun paarden bij den teugel nemen en mij volgen!
Wij haalden onze paarden en volgden hem naar de prairie. Na eenige honderden passen kwamen wij aan een groep boomen, onder welke wij halt hielden. Hier konden wij legeren zonder door de Kiowa’s gevonden te worden. En wanneer de morgen aanbrak, lag de kloof voor ons en was gemakkelijk te zien wat daar voorviel. De nacht was even koud als de vorige nachten, ik wachtte tot mijn paard ging liggen en nestelde mij toen zoo dicht er tegen aan dat ik er door was verwarmd. Het dier bleef rustig liggen, alsof het begreep welken dienst ik van hem verlangde en ik werd slechts éénmaal in den geheelen nacht wakker. Toen het licht werd, kwamen wij niet onder de boomen vandaan, maar hielden wel een uur lang de oogen op de kloof gevestigd. Er bewoog zich niets. Daarom achtten wij het nu geraden eens rond te zien waar de Kiowa’s bleven. Voor het geval zij nog in de buurt waren, moesten wij voorzichtig zijn en hen heimelijk trachten te naderen, dit nam echter veel tijd en daarom stelde ik Winnetou voor:
—Zij zijn over de prairie naar den Nuggets-Hill gekomen en zullen den berg ook weder langs dien weg verlaten. Waarom dus naar hen te zoeken! Als wij om de bergen heenrijden, tot aan de plaats waar zij gisteren uw verkenner ontdekten, moeten wij zien of zij weg zijn of niet.
—Mijn broeder heeft gelijk. Wij willen doen, wat hij zegt.
Wij stegen te paard en reden in een halven cirkel om de bergen heen. Dit was dezelfde weg maar dan omgekeerd, dien de Apachen hadden gevolgd, toen zij Santer’s spoor zochten. Toen wij aan de zuidelijk van den Nuggets-Hill gelegen prairie kwamen, zagen wij twee groote diepe sporen; dat van gisteren voerde naar het dal en dat van hedennacht kwam uit het dal; de Kiowa’s waren weg, er was geen twijfel mogelijk. Om geheel zeker te zijn, reden wij evenwel toch het dal binnen en zochten dit geheel door, tot ook de daar zichtbare sporen ons bewezen dat de Kiowa’s vertrokken waren.
Nu volgden wij het laatst gemaakte spoor, dat met het vorige samenviel en met opzet zeer duidelijk was gemaakt. Zij wilden juist dat wij hen zouden volgen en hadden zelfs op plaatsen waar anders geen spoor zou zijn achtergebleven, moeite gedaan om duidelijke indrukken achter te laten. Winnetou glimlachte even toen hij dat zag en zeide:
—Deze Kiowa’s moesten ons kennen en daarom hun spoor dat wij toch wel zouden hebben gevonden, zoeken te verbergen. Zij moesten begrijpen dat hun handelingen ons wantrouwen zouden opwekken. Zij wilden zeer verstandig handelen, maar doen juist het tegendeel omdat zij geen hersenen hebben.
Hij zeide dit zoo luid dat ook de gevangen Kiowa, dien wij nog steeds bij ons hadden, het kon hooren. En zich rechtstreeks tot dezen wendend ging hij voort:
—Gij zult waarschijnlijk moeten sterven, want wanneer wij Sam Hawkins niet terugkrijgen of wanneer wij hooren dat hij gekweld is geworden, zullen wij u dooden; maar indien dit niet geschiedt en wij u de vrijheid kunnen teruggeven, zeg dan aan uw krijgers dat zij handelen als kleine kinderen, die nog niets hebben geleerd en uitgelachen moeten worden. Wij denken er geen oogenblik aan hun spoor verder te volgen.
Bij deze woorden verliet hij het spoor en wendde zich naar het zuiden. Wij bevonden ons tusschen het brongebied van de zuidelijke Canadian en dat van den noordelijken arm der Red-River en het was Winnetou’s doel, deze laatste op te zoeken.
De paarden van de Apachen, die met mij Santer hadden achtervolgd, waren vrij vermoeid, daarom konden wij niet zoo snel rijden als wij wenschten. Daarbij kwam dat de voorraad proviand welke wij mede hadden genomen niet groot meer was. Zoodra deze geheel op was, moesten wij van de jacht leven en dit was een groot nadeel, daar het ten eerste onzen tijd dien wij haast niet konden missen in beslag nam en ten tweede, konden wij wanneer wij op jacht waren, niet zoo voorzichtig zijn als in de gegeven omstandigheden noodzakelijk was.
Gelukkig stuitten wij laat in den namiddag op een kleinen troep bisons. Het waren de achterblijvers van de groote kudden buffels, die hun trek naar het zuiden reeds hadden volbracht. Wij schoten twee koeien en kregen daardoor zooveel vleesch, dat wij voor een geheele week waren voorzien en nu aan niets anders meer behoefden te denken dan aan het doel van onzen tocht.
Den volgenden morgen bereikten wij den noordelijken arm van de Red-River, dien wij stroomopwaarts volgden. Er was weinig water in, maar de oevers waren groen, terwijl wij tot nog toe verdord buffelgras onder onze voeten hadden gehad. Hier vonden wij dus voedsel voor onze paarden.
De Salt-Fork komt uit westelijke richting en mondt dus rechts in de Red-River. In den hoek, welke daardoor wordt gevormd, lag destijds het dorp, waarvan Tangua het hoofd was. Wij bevonden ons op den anderen dat wil zeggen, den linkeroever van de rivier en mochten daarom hopen, niet gezien te worden. Toch reden wij, toen wij de monding van de Salt-Fork bereikten, een eind om, om op een lager gelegen plaats aan de Red-River te komen. Wij deden dit uit voorzichtigheid bij nacht en het was vroeg in den morgen dat wij de rivier voor ons zagen. Wij bevonden ons nu, zooals ook ons doel was, juist in de tegenovergestelde richting, van welke wij door de Kiowa’s werden verwacht en zochten een verborgen plekje op, om daar van onzen nachtelijken rit uit te rusten. Alleen aan Winnetou en mij was geen rust beschoren, want mijn vriend wilde op verkenning uitgaan en noodigde mij uit hem te vergezellen.
Terwijl onze rit tot nu toe stroomopwaarts was gegaan, moesten wij om het terrein te verkennen weer stroomopwaarts en wel naar den anderen oever. Wij moesten dus over de rivier, wat ons ook zelfs wanneer deze meer water bevatte, niet moeilijk zou zijn gevallen.
Natuurlijk konden wij niet in de nabijheid van onze legerplaats door de rivier waden, daar dit licht ontdekt kon worden, wanneer iemand later eens ons spoor zou treffen en dit wilde volgen. Wij reden dus nog een stuk stroomopwaarts, tot wij aan een beekje kwamen, dat zich eveneens in de Red-River uitstortte. Hier voerden wij onze paarden in het water en reden tegen den stroom op, zoodat onze sporen verloren gingen. Na een half uur verlieten wij dat beekje en stuurden onze paarden naar de prairie, om nu naar de Red-River terugkeerend, deze te bereiken op een plaats, eenige Engelsche mijlen boven onze legerplaats gelegen.
Deze omweg en het verbergen der sporen had tijd gekost, maar de moeite welke wij ons hadden gegeven, werd spoediger beloond, dan wij gedacht hadden. Wij hadden namelijk de rivier nog niet bereikt en bevonden ons nog op de prairie, toen wij twee ruiters zagen aankomen die wel een dozijn lastdieren bij zich hadden. Zij kwamen ons niet tegemoet, maar reden rechts aan ons voorbij. De eene ruiter voor, de andere achter de welbeladen muildieren en hoewel wij hun gezichten niet duidelijk konden zien, vermoedden wij aan hun kleeding, dat het blanken waren.
Toen zij ons zagen, hielden zij even stil. Het zou hoogst onbeleefd zijn geweest, wanneer wij zoo voorbij waren gereden, bovendien wij konden veel van hen gewaar worden, daar zij uit het dorp der Kiowa’s schenen te komen. Daarom vroeg ik Winnetou:
—Zullen wij hen aanspreken?
—Ja,—antwoordde hij,—het zijn bleekgezichten, handelaars, die met de Kiowa’s ruilhandel hebben gedreven. Zij mogen echter niet weten wie wij zijn.
—Goed. Ik ben de beambte van een factory en moet in deze kwaliteit naar de Kiowa’s, versta echter hun taal niet en heb u daarom meegenomen. Gij zijt een Pawnee-Indiaan.
—Uitstekend. Mijn broeder mag met deze beide bleekgezichten spreken.
Wij reden op hen toe. Zij hadden, zooals men bij onverwachte ontmoetingen in het wilde Westen pleegt te doen, hun geweren ter hand genomen en zagen ons vol verwachting tegemoet.
—Laat uw geweren maar rusten, heeren,—zoo sprak ik hen aan, toen wij dichtbij waren, wij hebben geen plan u te bijten.
—Het zou u ook slecht bekomen,—antwoordde een van hen,—wij kunnen van ons afbijten. Wij hebben onze geweren ter hand genomen, niet uit angst maar omdat het nu eenmaal zoo de gewoonte is en omdat gij ons wat verdacht voorkomt.
—Verdacht? Hoezoo?
—Welnu, wanneer twee gentlemen, van wie de een een blanke en de ander een roodhuid is, zoo alleen in de prairie rondrijden, zijn het gewoonlijk spitsboeven. Daarbij komt dat uw kleeding Indiaansch is. Het zou mij verwonderen, als gij eerlijke kerels waart!
—Dank u zeer voor uw oprechtheid. Het is altijd nuttig te weten, wat de een van den ander denkt. Wij kunnen u echter verzekeren dat gij u vergist.
—Het is mogelijk. Galgentronies hebt gij niet, dat moet ik eerlijk bekennen. Het kan mij eigenlijk ook weinig schelen of gij vroeger of later hier of daar wordt opgeknoopt, want dan krijgt gij het touw om uw hals en ik niet. Misschien zijt gij wel zoo beleefd te zeggen van waar gij komt?
—Zeker, wij hebben niet de minste reden, om dit te verbergen, wij komen van Washita.
—Zoo! En waar wilt gij naar toe?
—Naar de Kiowa’s.
—Naar welken?
—Naar den stam waarvan Tangua het opperhoofd is.
—Dat is niet ver van hier.
—Dat weet ik, het dorp ligt tusschen de Red-River en de Salt-Fork.
—Juist, maar wanneer ik u een goeden raad schuldig ben, keert dan snel terug en laat u niet zien.
—Waarom niet?
—Omdat het een slechte gewoonte is, zich door de roodhuiden te laten ombrengen.
—Kom, wij zijn daarvoor nooit bang geweest en zullen dit nu ook niet zijn!
—Niemand kan vooruit weten, wat er later nog zal gebeuren. Mijn waarschuwing is goed gemeend. Wij komen van Tangua. Hij heeft het prijzenswaardig plan om elken blanke en ook elken roodhuid, die geen Kiowa is om hals te brengen.
—Een prachtig plan. Heeft hij u dit zelf meegedeeld?
—Ja zeker, herhaalde malen.
—Die spotvogel!
—Neen, het was hem volkomen ernst!
—Ernst? Werkelijk? Hoe heb ik dan nu het genoegen u zoo gezond en wel voor mij te zien? Hij wil iederen blanke ombrengen en ook iederen roodhuid, zooals gij beweert. Ik heb u ook voor blanken aangezien, of zijt gij misschien negers?
—Geen gekheid sir! Ons doet hij niets, voor ons heeft hij een uitzondering gemaakt, omdat wij oude, goede bekenden van hem zijn en reeds herhaalde malen in zijn dorp zijn geweest. Wij zijn namelijk kooplieden zooals gij wel zult hebben geraden en wel eerlijke handelaars, niet zulke schelmen, die de roodhuiden met hun waren bedriegen en dan niet weer terugkomen. Daarom zijn wij overal welkom. De roodhuiden hebben onze waren noodig en zullen dus niet zoo dom zijn een eerlijken kerel, van wien zij voordeel kunnen hebben om hals te brengen. U echter zullen zij vermoorden, weest er van verzekerd.
—Maar ik meen het ook goed met hen en zoek hen juist op om hun voordeel aan te brengen.
—Zoo? Vertel ons dan eens, wie gij zijt en wat gij bij hen wilt doen.
—Ik behoor tot een agentschap.
—Agentschap? dat is het ergste, wat er is. Neem mij niet kwalijk maar ik wil u wel in uw eigen belang zeggen, dat de roodhuiden het juist hebben begrepen op de agenten, omdat.... omdat....
Hij aarzelde en daarom vervolgde ik in zijn plaats:
—Omdat zij zoo dikwijls door hen bedrogen zijn, meent gij. Dat stem ik u toe.
—Het verheugt mij zeer, uit uw eigen mond te hooren, dat gij agenten, spitsboeven zijt!—lachte hij.—De Kiowa’s zijn bij de laatste leveringen geducht beetgenomen. Als gij lust hebt dood gemarteld te worden, gaat er dan maar gerust heen, er zal direct aan uw verzoek worden voldaan.
—Ik dank u wel, sir. Ik weet wel dat de Kiowa’s ons eerst niet vriendelijk zullen ontvangen, maar ik verzeker u dat zij wel spoedig van gedachte zullen veranderen, als ik hun vertel, wat ik bij hen kom doen. Ik wil namelijk weer goedmaken, wat anderen hebben misdreven, zij kunnen krijgen, wat hun te weinig is geleverd en ik kom hun vertellen, waar zij de waren in ontvangst kunnen nemen.
—Voor den drommel, dat is ook een witte raaf!—riep hij verbaasd.—In dat geval zullen zij u natuurlijk niets doen. Maar waarom hebt gij dan een roodhuid bij u?
—Omdat ik het dialect van de Kiowa’s niet versta, hij is mijn tolk een Pawnee, dien Tangua wel kent.
—Zoo! Dan komt alles in orde en is mijn waarschuwing overbodig. Maar ik deed het voor uw bestwil, want Tangua is letterlijk woedend op alles, wat niet Kiowa heet.
—Waarom dat?
—Omdat hij in den laatsten tijd zulke slechte ervaringen heeft opgedaan. De Apachen zijn in zijn gebied gevallen en hebben hem meer dan honderd stuks paarden ontstolen. Hij heeft hen natuurlijk achtervolgd, maar aangezien zij drie- of viermaal meer krijgers hadden dan hij, is hij verslagen geworden. Dit zou evenwel, ondanks hun overmacht, niet geschied zijn als niet een gezelschap blanke mannen de Apachen had geholpen. Een van dezen, heeft den aanvoerder lam geschoten. Deze man heet Old-Shatterhand, een kerel, die den sterksten man met de vuist neerslaat. Het zal hem echter wel niet goed bekomen.
—Niet? Willen de roodhuiden zich wreken?
—Natuurlijk, Tangua is door beide knieën geschoten geworden, een vreeselijk lot voor een opperhoofd! Hij schuimt letterlijk van woede en zal niet rusten voor hij dezen Old-Shatterhand en Winnetou in zijn macht heeft.
—Winnetou? Wie is dat?
—Een jong Apachen-opperhoofd, die met een kleine schare krijgers, ongeveer twee dagritten van hier gelegerd is. De blanken zijn bij hem en een aantal Kiowa’s zijn uitgereden om deze kerels naar het dorp te lokken.
—Hm! Zouden deze blanken en deze Apachen zoo dom zijn, in de val te loopen?
—Waarschijnlijk wel. Tangua althans is er van overtuigd en heeft de streek door welke zij moeten komen laten afzetten. Deze lieden zijn bepaald verloren. Het gaat mij wel niets aan, maar daar er blanken bij zijn heb ik mij maar uit de voeten gemaakt. Ik zou anders nog eenige dagen bij Tangua zijn gebleven, maar nu toe te zien, dat blanken dood worden gemarteld, daarin had ik toch geen lust.
—Zou het u niet mogelijk zijn geweest hen te redden?
—Neen, al had ik het gewild. Maar waarom zal ik mijn handen in eens anders vuil steken? Ik ben, om zoo te zeggen, de handelsvriend der Kiowa’s en ik wil mij zelf niet benadeelen door partij te trekken voor hun vijanden. Ik heb een kleine poging gewaagd, maar Tangua werd zóó woedend, dat ik mij dadelijk heb teruggetrokken.
—Nu ja, het was ook nog geen tijd om voor de gevangenen in de bres te springen, zij waren nog niet eens gevangen, gij hadt moeten wachten.
—O, er was reeds een gevangen, een blanke, een van de metgezellen van Old-Shatterhand. Een zonderling kereltje, die maar steeds lachte en volstrekt niet deed, als iemand die den dood voor oogen heeft.
—Hebt gij hem gezien?
—Ik zag, dat men hem bracht en zag hem wel een uur lang, gebonden op den grond liggen. Toen werd hij naar het eiland gebracht.
—Naar een eiland? dat dienst doet als gevangenis?
—Ja. Het ligt in de Salt-Fork, eenige schreden van het dorp en wordt goed bewaakt.
—Hebt gij met den gevangene gesproken?
—Slechts enkele woorden. Ik vroeg hem of ik soms iets voor hem kon doen. Hij lachte mij vriendelijk toe en zeide, dat hij zulk een zin had in een glas room, of ik niet naar Cincinnati wou rijden om het te halen. Die gekke kerel! Ik zeide dat er met zijn toestand niet viel te spotten, toen lachte hij weer en meende dat ik mij maar niet bezorgd over hem moest maken, want dat er wel andere menschen waren die voor hem zouden zorgen. Toch deed ik een goed woord voor hem bij het opperhoofd, maar dat hielp mij niet veel. Trouwens, slecht behandeld wordt hij niet, want Old-Shatterhand heeft een gevangen Kiowa als gijzelaar bij zich. Alleen Santer doet zijn best, hem het eindje leven dat hij nog heeft, moeilijk te maken.
—Santer? Dat lijkt, volgens den naam wel een blanke. Waren er dan buiten u nog andere blanken bij de Kiowa’s?
—Neen, alleen deze eene, die Santer heet.—Ik mocht dien kerel niet. Hij kwam gisteren in het dorp met de roodhuiden die Winnetou hierheen hadden gelokt en begon dadelijk den gevangene te plagen. Gij zult hem wel leeren kennen als gij in het dorp komt.
—Weet gij ook, wat hij eigenlijk bij Tangua doet?
—Neen. Ik heb hem gegroet, maar mij verder niet met hem bemoeid, omdat mijn gezelschap hem niet aangenaam scheen te zijn. Ik had het misschien van de roodhuiden te weten kunnen komen, maar ik heb er niet naar gevraagd. Wat mij niet aangaat, daar bemoei ik mij niet mee, dat is zoo mijn stelregel.
—Is deze Santer de gast van den aanvoerder of heeft hij een eigen tent?
—Er is hem een tent aangewezen; niet een dadelijk naast het opperhoofd, maar een oude leeren hut, bijna aan het eind van het dorp. Hij schijnt bij het opperhoofd niet bijzonder in de gunst te staan.
—Weet gij misschien, hoe de blanke gevangene heet?