Chapter 4 of 43 · 3965 words · ~20 min read

Part 4

—Neen, dat juist niet, maar wel hun sporen. Wij zijn in den tijd, dat de wilde mustangs en buffels zuidwaarts trekken, dan verlaten de roodhuiden hun dorpen, om te jagen en hun vleeschvoorraad te verzamelen. Van de Kiowas hebben wij niets te vreezen; met hen zijn wij het eens geworden over den aanleg van den weg, maar de Comanchen en Apachen weten er niets van en dus mogen wij ons niet door hen laten zien. Wat mij betreft, ik ben met mijn werk gereed en ga deze streek verlaten. Maak ook, dat gij klaar komt. Deze bodem wordt van dag tot dag gevaarlijker voor u. Zadel uw paard nu en vraag Sam Hawkins, of hij lust heeft mee te rijden.

Natuurlijk had Sam lust.

Eigenlijk had ik dien dag moeten werken, maar het was Zondag, de dag des Heeren, waarop de Christen, zelfs al bevindt hij zich in de wildernis, zich met zijn geestelijke plichten moet bezighouden. Bovendien had ik wel eens een rustdag verdiend. Ik ging dus naar de tent van Mr. Bancroft en zeide hem, dat ik vandaag niet meer zou werken, maar Mr. White een eind weg zou brengen.

—Ga voor mijn part met hem mee en breek uw nek!—antwoordde hij en ik kon toen niet denken, dat deze ruwe wensch, binnenkort bijna vervuld zou zijn geworden.

Ik had sedert eenige dagen niet te paard gezeten en mijn schimmel hinnikte vroolijk, toen ik hem zadelde. Het dier had zich buitengewoon goed gehouden en ik verheugde mij er reeds bij voorbaat op, dit aan mijn ouden „gunsmith” te kunnen vertellen.

Wij reden welgemoed uit, spraken over de grootsche plannen, om hier een spoorweg aan te leggen en verder over alles, wat ons op het hart lag. White gaf me de noodige wenken, over de aansluiting aan de volgende sectie en tegen den middag maakten wij halt, om bij een beekje een eenvoudig maal te gebruiken. Na verloop daarvan reed White met zijn gids verder, en wij bleven nog een poosje liggen, om over godsdienstige onderwerpen te spreken.

Hawkins was namelijk een vroom man, al liet hij dit tegenover anderen nooit blijken.

Even voordat wij opstonden om terug te keeren, bukte ik mij om met mijn hand water uit het beekje te scheppen. Door het kristalheldere nat, zag ik op den bodem een indruk, welke veel op een voetspoor geleek. Natuurlijk maakte ik Sam daarop opmerkzaam. Hij onderzocht den indruk nauwkeurig en zeide toen:

—Mr. White had wel gelijk, toen hij ons voor de Indianen waarschuwde.

—Meent gij dan, Sam, dat dit het spoor van een Indiaan is?

—Ja zeker, hoe gevoelt gij u daarbij?

—Ik gevoel niets.

—Kom. Gij moet toch iets denken of gevoelen?

—Wat moet ik anders denken, dan dat hier een roodhuid geweest is?

—Gij voelt dus geen angst?

—Volstrekt niet.

—Of ongerustheid?

—Evenmin.

—Ja, maar gij kent de roodhuiden ook niet.

—Ik hoop ze evenwel te leeren kennen. Zij zullen wel niet anders zijn dan andere menschen, de vijanden van hun vijanden en de vrienden van hun vrienden, en daar het niet mijn plan is, vijandig tegen hen op te treden, denk ik, dat ik niets van hen te vreezen heb.

—Gij zijt nu eenmaal een „greenhorn” en zult het wel altijd blijven. Al neemt gij u nog zoo vast voor, de roodhuiden zus of zoo te behandelen, het komt toch anders uit, dan gij denkt. De gebeurtenissen zijn niet afhankelijk van uw wil. Gij zult dit ervaren, en ik hoop maar, dat deze ervaring u niet een duchtig stuk vleesch uit uw lichaam of uw geheele leven kost.

—Wanneer zou deze Indiaan hier geweest zijn?

—Ongeveer twee dagen geleden. Wij zouden hetzelfde spoor in het gras hebben kunnen vinden, als dit zich sedert dien tijd niet weer had opgericht.

—Zou ’t een spion zijn?

—Dat wil zeggen, een spion voor de buffels, want daar het tegenwoordig vrede is tusschen de stammen, die hier verblijf houden, kan het geen gewone spion zijn. De kerel was bovendien zeer onvoorzichtig en dus waarschijnlijk zeer jong.

—Hoe dat?

—Een ervaren krijgsman zet nooit den voet zóó in ’t water, dat het spoor op den vochtigen bodem dagenlang zichtbaar blijft. Zoo’n domheid begaat slechts een domkop, die nog even „greenhorn” is, als gij zijt, hihihihi.

Hij grinnikte zachtjes en stond toen op om zijn paard te bestijgen. De goede Sam mocht mij gaarne zoo nu en dan eens een steek onder water geven.

Wij hadden evengoed denzelfden weg terug kunnen keeren, maar als opzichter was ik verplicht de streek goed te leeren kennen, daarom reden wij een eind linksaf om langs een omweg weer op den eersten weg terug te komen.

Daarbij kwamen wij in een tamelijk breed dal, dat met sappig gras begroeid was; de heuvels, welke het omgaven, waren beneden met kreupelhout, verder naar boven met hooge boomen bedekt. Het dal was misschien een half uur lang en zoo recht, dat men er van ’t begin tot het einde door kon zien. Wij waren nog slechts enkele passen in dit vriendelijk dal, toen Sam zijn paard plotseling inhield en opmerkzaam voor zich uit zag.

—Heijh-daij!—riep hij.—Daar zijn zij, daar zijn zij, de allereersten!

—Wat? vroeg ik.

Ik zag in de verte misschien achttien of twintig donkere stippen, die zich langzaam voortbewogen.

—Wat?—herhaalde hij, terwijl hij in den zadel heen en weer schoof. Schaamt gij u niet, zulk een vraag te doen? Maar och, gij zijt ook zoo’n „greenhorn”. Zulke kerels als gij, zien zelfs met open oogen niet. Wees toch zoo goed, eens te raden, wat voor dingen het zijn, welke gij daar in de verte ziet!

—Raden? Wel ik zou ze voor reeën houden, als ik niet wist, dat dit soort wild in troepen van niet meer dan tien stuks bijeen leeft. Ook moet ik zeggen, dat de dieren daar, hoe klein zij van hier ook lijken, veel grooter schijnen te zijn dan reeën.

—Reeën, hihihihi!—lachte hij.—Reeën, hier bij de bronnen van de Canadian-rivier, dat is net wat voor u! Maar wat gij daar ’t laatst zegt, was niet zoo slecht bedacht, ja, grooter zijn zij, deze dieren, veel, veel grooter dan reeën!

—Maar beste Sam, het zijn toch geen buffels?

—Ja, natuurlijk, buffels! Bisons zijn het, echte bisons, die aan het trekken zijn, de eerste, die ik zie. Nu weet ge, dat Mr. White gelijk had: bisons en Indianen. Van de roodhuiden zagen wij enkel de voetsporen, de buffels hebben wij echter in levenden lijve vóór ons. Wat zegt ge daar wel van, als ik mij niet vergis?

—Wij moeten er heen!

—Natuurlijk!

—Ze nader bezien?

—Bezien, werkelijk?—vroeg hij, terwijl hij mij verbaasd van ter zijde aanzag.

—Ja, ik heb nog nooit bisons gezien, en zou ze gaarne willen begluren.

—Begluren, alleen begluren?—vroeg Sam,—zooals een kleine jongen, door de reten van een deur gluurt, om zijn konijntjes te zien? O, „greenhorn” wat moet ik niet van u beleven. Niet beschouwen en begluren wil ik ze, maar er jacht op maken!

—Vandaag, op Zondag!

Dit ontviel mij eigenlijk, maar Sam werd werkelijk boos en begon:

—Houd toch uw mond, sir! Wat geeft een echte prairiejager om den Zondag, wanneer hij de eerste buffels voor zich ziet. Dat geeft vleesch, en wat voor vleesch, als ik mij niet vergis! Een stuk bisonlende is heerlijker dan het hemelsche ambrozius of ambrozijn, of hoe dat goed mag heeten, waarvan de Grieksche goden leefden. Ik moet een buffellende hebben, al zou het mij mijn leven kosten! De omstandigheden zijn ons gunstig. Hier aan den linker, noordelijken kant van het dal schijnt de zon, rechts echter is schaduw, laat ons daar heengaan, dan merken de dieren ons niet op. Kom mee!

Hij zag zijn geweer na en stuurde zijn paard naar den zuidelijken rand van het dal. Ik volgde zijn voorbeeld en zag ook naar mijn berendooder. Toen hij dit zag, bleef hij een oogenblik staan en vroeg:

—Gij wilt toch niet deelnemen aan de jacht?

—Natuurlijk!

—Laat dat alsjeblieft, als ge ten minste niet binnen tien minuten tot brij gestampt wilt zijn! Een bison is geen kanarievogel, dien men op den vinger neemt en laat zingen. Voor gij u aan zulk gevaarlijk wild waagt, moet gij nog veel onweerswolken over de rotsen zien trekken.

—Maar ik wil toch...

—Zwijg en gehoorzaam!—viel hij mij in de rede, op een toon, dien hij nog nooit van te voren tegen mij had aangeslagen.—Ik wil uw dood niet op mijn geweten hebben. Doe later wat ge wilt, nu duld ik geen weerspannigheid!

Had er niet zulk een goede verstandhouding tusschen ons bestaan, dan zou ik een scherp antwoord hebben gegeven, nu evenwel zweeg ik en reed langzaam in de schaduwzijde achter hem aan.

—Er zijn twintig stuks,—vervolgde Sam nu op veel vriendelijker toon—maar kom eens hier als er duizend en nog meer over de Savanna jagen. Ik heb vroeger wel kudden van meer dan tien duizend gezien. Zij leverden het voedsel voor de Indianen, maar de blanken hebben het hun ontnomen. De roodhuid spaarde het wild, omdat hij het noodig had, de blanke evenwel, heeft onder de ontelbare kudden huisgehouden, als een wild roofdier, dat ook al is het verzadigd, nog voortmoordt, enkel uit lust om bloed te vergieten. Het zal niet lang meer duren, of er is geen enkele buffel meer en dan na korten tijd, ook geen enkele Indiaan. ’t Is God geklaagd. En zoo gaat het ook met de paarden. Er waren troepen van duizend mustangs, nu is men al blij, als men er eens een honderd bij elkaar ziet.

Wij waren intusschen tot op een afstand van ongeveer vierhonderd pas van de buffels gekomen, zonder dat zij ons opgemerkt hadden en nu hield Sam zijn paard in. De dieren graasden langzaam het dal in. Het verst vooruit was een oude stier, wiens reuzenlichaam ik met verbazing beschouwde. Hij was zeker twee meter hoog en wel drie meter lang; destijds kon ik het gewicht van een bison niet goed taxeeren, en zou ik wel zeggen, dat dit dier wel 3000 pond woog. Hij lag zich genoegelijk in een soort van poel te wentelen.

—Dat is de aanvoerder,—fluisterde Sam—de gevaarlijkste van den geheelen troep. Wie het met hem te kwaad krijgt, kan zijn testament wel maken. Ik neem die jonge koe rechts voor mijn rekening. Let er op, waar ik haar den kogel geef. Achter het schouderblad, van de zijde schuin in het hart, dat is het beste, ja het eenige zekere schot, behalve dat in het oog, maar wie zou een bison van voren aanvallen! Blijf hier en kruip wat tusschen ’t kreupelhout. Als zij mij zien en dan vluchten, komt de wilde troep hierlangs. Krijg het niet in uw hoofd, deze plaats te verlaten, voor ik terugkom en u roep!

Hij wachtte, tot ik mij tusschen de boomen had verborgen en reed toen aanvankelijk langzaam en zacht verder. Het was mij zonderling te moede. Ik had dikwijls gelezen, hoe men den bison jaagt, maar er is een groot verschil tusschen het papier, waarop men zulke beschrijvingen drukt en de wildernis, waarin men zulke jachten beleeft.

Vandaag zag ik voor ’t eerst in mijn leven buffels. Wat voor wild had ik tot nu toe geschoten? In verhouding tot deze reusachtige, gevaarlijke dieren, niets. Men zou dus denken, dat ik zeer ingenomen zou zijn met Sam’s bevel, om niet aan deze jacht deel te nemen, maar juist het tegendeel was waar. Eerst had ik slechts willen beloeren, bestudeeren, nu voelde ik een onweerstaanbaren drang om mee te doen. Sam wilde een jonge koe voor zijn rekening nemen, wel dacht ik, dat is niets waard, een dapper man kiest juist den sterksten stier!

Mijn paard was buitengewoon onrustig geworden, het stampte met de hoeven, was bang en wilde vluchten, en ik had nauwelijks de kracht, het in toom te houden. Was het niet beter, hem te dwingen, den strijd met den buffel te aanvaarden? Ik overlegde, innerlijk zeer kalm, tusschen ja en neen, toen besliste de indruk van ’t oogenblik.

Sam was den bison tot op driehonderd pas genaderd, toen gaf hij zijn paard de sporen en galoppeerde op de kudde toe, den grooten stier voorbij, naar de koe, die hij mij gewezen had. Het dier bleef een oogenblik staan. Ik zag, dat Sam op haar mikte en schoot. Wat er verder gebeurde, weet ik niet, want mijn oog werd geboeid door een ander schouwspel.

De reuzenstier was opgesprongen, hij keerde zich naar Sam Hawkins! Welk een kolossaal dier! Deze dikke kop met gewelfden schedel, de wel is waar korte, maar sterke gekromde horens, de dichte manen om den nek en op de borst! het volmaakte beeld van oorspronkelijke, ruwe kracht. Ja, dit was een hoogst gevaarlijk schepsel, maar dat gezicht prikkelde letterlijk mijn verlangen, mijn menschelijke kracht te meten met deze ongebonden dierlijke sterkte.

Wilde ik, of wilde ik niet? Ik weet het niet. Of ging mijn schimmel er met mij van door? Hij vloog uit de boomen, wilde links gaan, maar ik drong hem naar rechts en vloog op den stier aan. Deze hoorde mij aankomen en boog den kop om ros en ruiter met de horens te ontvangen. Ik hoorde Sam uit alle macht schreeuwen, maar ik had geen tijd om naar hem om te zien. Op den bison schieten was onmogelijk, want ten eerste zou ik hem niet treffen, en ten tweede wilde mijn paard mij niet gehoorzamen, want van louter angst liep het recht op de horens toe. De buffel had zijn achterpooten een weinig gebogen, en richtte nu den kop omhoog, maar met inspanning van al mijn krachten gelukte het mij mijn paard een weinig te zwenken en met een vervaarlijken sprong vloog het over het achterdeel van den buffel, terwijl diens horens bijna mijn beenen raakten. Wij kwamen juist in de slijkmassa terecht, waarin de buffel zich zooeven gewenteld had; ik zag het en trok onmiddellijk de voeten uit den stijgbeugel, tot mijn geluk, moet ik zeggen, want het paard gleed uit en wij vielen. Hoe dat zoo snel kon gebeuren, weet ik nog heden niet, maar ik stond in het volgende oogenblik naast den poel, met het geweer vast in de hand. De buffel had zich naar ons toegekeerd en sprong in ongelijke sprongen op het paard toe, dat zich ook had opgericht en stond op het punt er van door te gaan. Nu was de tijd gekomen om mijn berendooder op de proef te stellen. Nog een oogenblik en de bison zou mijn schimmel hebben bereikt, ik legde aan en schoot—het dier bleef staan; of het van schrik was, of dat mijn schot getroffen had, wist ik niet, ik gaf hem dadelijk een tweeden kogel. Hij hief langzaam den kop op, stiet een gebrul uit, dat den grond deed trillen, wankelde eenige malen en viel op dezelfde plaats neer.

Ik had van louter vreugde over deze overwinning wel luidkeels willen jubelen, maar ik had wel iets anders te doen. Mijn paard zette het op een loopen en ginds bij den rand van het dal, zag ik Sam Hawkins galoppeeren, achtervolgd door een anderen stier, die niet veel kleiner was dan de mijne.

Men moet weten, dat de bison, eenmaal geprikkeld, niet van zijn tegenstander aflaat, en daarbij in snelheid zich met het paard kan meten.

Zoo was ook deze stier den ruiter dicht op de hielen. Om hem te ontgaan moest Sam allerlei wendingen maken, welke het paard afmatten, hij zou het niet lang meer kunnen volhouden en hulp was dus dringend noodig. Ik had geen tijd, na te zien of mijn stier werkelijk dood was of niet, ik laadde snel mijn berendooder en liep zoo hard ik kon, naar de andere zijde van het dal. Sam zag dit, en zwenkte zijn paard, om naar mij toe te komen. Dit was een groote fout, want de stier die dicht achter hem was, kreeg daardoor het paard dwars voor zich; ik zag dat hij de horens omlaag boog, één stoot, en paard en ruiter werden opgenomen en een eind verder neergeworpen. Maar ook nu nog liet de stier niet van hen af en verwoed boorde hij de horens in de arme slachtoffers. Sam schreeuwde om hulp, zoo hard hij kon. Ik was nog wel honderdvijftig pas van hem verwijderd en mocht geen oogenblik weifelen. Het schot zou dichterbij zekerder zijn geweest maar wanneer ik aarzelde, kon Sam verloren zijn, en mocht ik niet treffen, dan zou het schot het ondier waarschijnlijk doen schrikken en van mijn vriend afwenden. Ik bleef dus staan, legde aan achter het linkerschouderblad en schoot. De buffel hief den kop op, als wilde hij luisteren en keerde zich langzaam om. Toen zag hij mij, en onmiddellijk vloog hij op mij toe, evenwel met steeds verminderde vaart: daardoor gelukte het mij, het afgeschoten geweer met koortsachtige haast opnieuw te laden en ik was daarmee gereed, toen het dier nog hoogstens dertig schreden van mij verwijderd was. Het kon niet snel meer loopen, zijn bewegingen werden moeilijker, maar met gebogen kop en met uitpuilende oogen kwam het langzaam nader en nader, als een niet af te wenden gevaar. Nu knielde ik neer, en legde aan. Deze beweging had voor gevolg dat de bison staan bleef, en den kop een weinig ophief, om mij beter te kunnen zien. Daardoor kwamen de beide groote oogen voor den loop van mijn geweer, ik schoot eerst op het rechter, toen op het linker—een korte siddering voer door het lichaam, toen stortte het dier neer.

Ik sprong op om naar Sam te gaan, maar dit was niet noodig, want ik zag hem reeds aankomen.

—Halloo!—riep ik hem toe.—Leeft gij nog? Zijt gij niet zwaar gewond?

—In ’t geheel niet—antwoordde hij.—Alleen mijn rechterheup doet mij pijn van den val, of is het de linker, ik weet het niet zoo precies.

—En uw paard?

—Heeft gedaan; het leeft nog wel, maar de buffel heeft het geheele lichaam opengereten. Wij moeten het doodschieten, om het te verlossen uit zijn lijden. Is de bison dood?

—Ik hoop het, maar we moeten eens gaan zien.

Wij deden dit en kwamen tot de overtuiging, dat alle leven geweken was. Toen zeide Hawkins met een diepen zucht:

—Deze oude brutale bison heeft mij wat te doen gegeven. Een koe zou mij wat zachter hebben behandeld, maar men kan van zoo’n beest ook geen damesmanieren verwachten, hihihihi!

—Hoe kwam hij er toe u aan te vallen?

—Hebt gij dat niet gezien?

—Neen.

—Wel, ik schoot de koe dood, maar kon dat, daar mijn paard galoppeerde, niet eerder doen, dan op het oogenblik, dat de buffel voorbijrende. Hij nam mij dit schot kwalijk en kwam regelrecht op mij af. Wel gaf ik hem den tweeden kogel, dien ik in mijn Liddy had, maar dat maakte het niet beter. Hij joeg mij zoo achterna, dat het mij onmogelijk was, mijn geweer opnieuw te laden, ik heb het weggeworpen, omdat ik er toch niets meer mee doen kon en ik daardoor de handen vrij kreeg, om mijn paard beter te besturen, als ik mij niet vergis. Het arme dier heeft zijn best gedaan, maar het heeft zich niet kunnen redden en werd door den stier gegrepen.

—Omdat gij de laatste, noodlottige zwenking maaktet. Gij had in een boog moeten rijden, dan was het paard gered geweest.

—Gered geweest? Gij spreekt als een ervaren jager, dat zou men van een „greenhorn” niet verwachten.

—Kom, „greenhorn” hebben ook wel eens iets goeds.

—Ja, want wanneer gij er niet geweest waart, lag ik daar evengoed dood als mijn paard. Laat ons eens naar het arme dier gaan zien.

Wij vonden het dier in een treurigen toestand. De ingewanden hingen uit het opengereten lijf, het kreunde van de pijn. Sam haalde zijn weggeworpen geweer, laadde het en gaf hem het genadeschot. Daarop nam hij de teugels en het zadel af en zeide:

—Nu kan ik zelf voor paard spelen en het zadel op mijn rug nemen. Dat heeft men er van, als men bisons jaagt.

—Ja, waar zult ge nu een ander paard vandaan halen?—vroeg ik.

—Dat is het minste, ik vang er een, als ik mij niet vergis.

—Een Mustang?

—Ja, de buffels zijn er, zij zijn op trek naar het zuiden, de mustangs zullen zich dus niet lang laten wachten, dat weet ik.

—Mag ik er bij zijn, als gij er een vangt?

—Natuurlijk, gij moet dat ook leeren. Maar kom nu mee, wij willen den ouden stier eens gaan bekijken, misschien leeft hij nog. Zulke Methusalems plegen een taai leven te hebben.

Wij zagen dat het dier dood was. Nu het zoo stil daar neerlag, kon men de kolossale vormen nog beter zien dat te voren. Sam bezag hem nauwkeurig aan alle kanten, schudde het hoofd en zeide:

—Het is onverklaarbaar, werkelijk onverklaarbaar, weet gij wel waar gij hem geraakt hebt?

—Waar dan?

—Juist op de rechte plaats. Het is een aartsvader, en ik zou mij wel tienmaal hebben bedacht, voor ik er toe had besloten, hem aan te vallen. Weet gij, wat gij zijt, sir?

—Wat dan?

—De lichtzinnigste mensch, die er op Gods aardbodem loopt.

—Oho!

—Zeker, dat meen ik!

—Lichtzinnig ben ik nooit geweest.

—Dan zijt gij ’t nu geworden, begrepen? Ik had u immers bevolen, uw handen van de buffels af te houden en in het kreupelhout te blijven. Waarom hebt gij mij niet gehoorzaamd?

—Dat weet ik zelf niet!

—Zoo, gij handelt dus, zonder u zelf rekenschap te geven van uw handelingen, is dat niet lichtzinnig?

—Dat geloof ik niet, er zal wel een andere reden voor te vinden zijn.

—Dan moest gij die toch weten!

—Misschien, omdat gij mij een bevel hadt gegeven en ik laat mij nu eenmaal niets bevelen.

—Zoo! als men u in uw eigen belang waarschuwt, zijt gij dan zoo dwaas die waarschuwing in den wind te slaan?

—Ik ben niet naar ’t Westen gekomen om de gevaren, die daar dreigen te ontloopen.

—Goed, maar gij zijt toch een „greenhorn” en moet oppassen. En als gij mij dan volstrekt niet wilt gehoorzamen, waarom hebt gij u dan niet aan een koe gewaagd, in plaats van juist aan dit reusachtig beest.

—Omdat het ridderlijker was!

—Ridderlijker! die „greenhorn” wil hier den ridder spelen, als ik mij niet vergis, hihihihi!

Hij lachte, dat hij schudde en vervolgde toen nog steeds lachend:

—Dat zou ik nu maar laten. Als een echte prairieman iets doet, vraagt hij er niet naar, of het ridderlijk is, maar alleen of het nuttig is.

—Dat is hier toch ook het geval.

—Hier, hoe dat?

—Ik koos den buffel uit, omdat hij veel, veel meer vleesch heeft dan een koe.

Hij zag mij een oogenblik aan en riep toen:

—Veel meer vleesch? Deze jonge man heeft den stier om zijn vleesch geschoten, hihihihi! Ik geloof zelfs, dat gij aan mijn moed hebt getwijfeld, toen ik mij met een koe tevreden stelde.

—Dat niet, hoewel ik het voor moediger hield, een sterk dier uit te zoeken.

—Om stierenvleesch te eten? Wat zijt gij toch een verstandig mensch, sir! Deze stier is zeker achttien of twintig jaar oud, hij bestaat uit een vel, veel beenderen en zenuwen. En het vleesch, dat hij heeft is eigenlijk geen vleesch meer te noemen, want het is zoo hard als gelooid leer en al braadt en kookt gij het ook dagen lang, gij kunt het toch niet kauwen. Ieder ervaren prairiejager verkiest een koe boven een stier, omdat het vleesch malscher en sappiger is. Nu ziet ge eens weer wat een „greenhorn” ge zijt. Ik had geen tijd om naar u te kijken; vertel mij eens hoe uw lichtzinnige aanval op den buffel in zijn werk is gegaan.

Ik vertelde het hem. Toen ik geëindigd had zag hij mij met groote oogen aan, schudde wederom het hoofd en zeide niets dan:

—Ga heen en haal uw paard! we zullen het vleesch, dat wij mee willen nemen er op laden.