Chapter 15 of 43 · 3964 words · ~20 min read

Part 15

—Wilt gij dat?

—Zeker.

—Welke proef?

—Welnu, weet gij of Tangua slaapt of waakt?

—Neen.

—En toch is het voor ons van groot belang dit te weten, niet waar Sam?

—Ja, ik zal zoo straks eens naar hem gaan zien.

—Neen, dat zal ik doen.

—Gij, waarom?

—Om u het bewijs te leveren, dat ik de kunst van besluipen ook versta.

—Zoo, maar als men u ontdekt?

—Dan is ’t nog niets, want dan zeg ik, dat ik mij heb willen overtuigen, of de wachten op hun post waren.

—Dat is goed bedacht, maar waarom staat gij daar zoo op?

—Om uw vertrouwen te winnen en als dit goed afloopt, zult gij toch niet weigeren mij mee te nemen naar Winnetou, niet waar, Sam?

—Nu, dat zullen wij dan later wel zien.

—Goed; kan ik dan nu naar den hoofdman gaan?

—Ja, maar wees voorzichtig. Als men u betrapt, zal later, wanneer Winnetou weg is, de verdenking op u vallen, en men zal stellig vermoeden dat gij hem hebt losgesneden!

—En dan niet ver van de waarheid zijn.

—Blijf steeds achter de boomen en struiken en pas op, dat gij niet op een plaats komt, waar het schijnsel van het vuur valt, blijf steeds in donker.

—Ik zal in het donker blijven, Sam!

—Ik hoop het, er zijn minstens dertig Kiowa’s, die waken, de wachten niet meegerekend. Als gij het er goed afbrengt, zal ik u prijzen en denken, dat er in een jaar of tien, wel een goede prairiejager uit u zal te maken zijn, hoewel gij nu nog, ondanks al mijn lessen, een echte greenhorn zijt, hihihihi.

Ik schoof het mes en de revolver zoo diep mogelijk in den gordel en verwijderde mij al kruipende van het vuur. Heden, jaren nadat ik dit beleefde, gevoel ik het gewicht van de groote verantwoordelijkheid, welke ik destijds zoo gemakkelijk op mij nam, de groote brutaliteit van het plan, dat ik had opgevat. Wilde ik namelijk den hoofdman niet besluipen?

Ik had voor Winnetou genegenheid opgevat en wilde hem dit zoo mogelijk bewijzen door een daad, waarbij ik mijn leven waagde. Daarvoor bood zich nu de gelegenheid aan, ik kon hem bevrijden, maar ik wilde dit zelf doen en geheel alleen. En nu kwam Sam dit plan verstoren, en wilde dit doen met Dick Stone. Zelfs al gelukte het mij, den hoofdman te besluipen, zonder opgemerkt te worden, dan nog zou Sam zijn bedenkingen niet laten varen. Daarom was ik op de gedachte gekomen, er niet langer met hem over te spreken en mijn eigen gang te gaan. Neen, ik wilde niet naar den hoofdman, maar naar Winnetou!

Ik zette evenwel niet alleen mijn eigen leven op het spel, maar ook dat van mijn makkers, want werd ik ontdekt, dan was het met ons gedaan. Ik wist dit toen zeer goed, maar ging in jeugdigen overmoed, licht daarover heen.

Ik had dikwijls van besluipen gelezen en sedert ik in het Westen was, ook dikwijls daarvan gehoord. Sam had mij ook gezegd en voorgedaan, hoe men dit moet aanleggen, maar hoewel ik het hem had nagedaan, was er geen sprake van, dat ik er even vaardig in was als hij. Dit belette echter niet, dat ik vol vertrouwen was op het welslagen van mijn onderneming.

Ik lag in het gras en kroop voort naar het kreupelhout. Van onze legerplaats, waar Winnetou en Intschu Tschuna ieder aan een boom waren gebonden, was ik nu ongeveer vijftig schreden verwijderd. Ik had mij nu eigenlijk zóó voort moeten schuiven, dat alleen mijn vingertoppen en mijn teenen den grond raakten, maar om dit vol te houden, heeft men een kracht en volharding noodig, welke men zich alleen door langdurige oefening eigen kan maken, destijds bezat ik die nog niet. Daarom schoof ik mij op de knieën en ellebogen vooruit, vooraf de plaats waar ik mijn lichaamsdeelen neerzette, goed met de hand betastend, of er soms ook een dor takje lag, waaraan het gekraak mij kon verraden, en langzaam, zeer langzaam kwam ik vooruit.

De Apachen waren gebonden aan de boomen, welke aan weerskanten van de smalle grasstrook groeiden. De beide aanvoerders bevonden zich, van onze legerplaats gezien, aan den linkerkant. Vier of vijf passen van hen af, zat, met het gezicht naar hen toegekeerd, een Indiaan, die hen te bewaken had. Dit maakte mijn werk moeielijk, ja bijna onmogelijk, en ik had al vooruit bedacht op welke wijze ik zijn opmerkzaamheid kon afleiden, al was het dan ook slechts voor enkele seconden. Ik had echter daartoe kleine steentjes noodig, en die waren, helaas! hier niet te vinden.

Ongeveer de helft van den weg was afgelegd, en daarvoor had ik meer dan een half uur noodig gehad! Daar zag ik iets wits schemeren en tot mijn groote vreugde bemerkte ik een kleine, misschien twee meter breede spleet, die met zand gevuld was. Ik vulde haastig mijn zakken daarmee en kroop verder.

Na wederom een half uur bevond ik mij eindelijk achter Winnetou en zijn vader, misschien vier pas van hen af. De boomen aan welke zij, met den rug naar mij toe, waren vastgebonden, waren niet zeer dik en ik zou hen niet hebben kunnen naderen, wanneer aan den voet niet eenig kreupelhout had gestaan, dat mij voor de blikken van den schildwacht kon verbergen. Bovendien stond, zijwaarts achter den wachter, een stekelige struik, welke mij van dienst kon zijn.

Ik schoof mij voort, tot juist achter Winnetou en bleef hier eenige minuten stilliggen, om den wachter nauwkeurig gade te slaan. Hij scheen vermoeid te zijn, want hij had de oogen gesloten en opende ze slechts van tijd tot tijd met groote moeite. Dit kwam mij goed van pas.

Eerst moest ik nu nazien, op welke wijze Winnetou gebonden was. Ik reikte dus voorzichtig met mijn hand om den stam heen en betastte zijn voet en scheenbeen. Hij moest dit natuurlijk voelen en ik was een oogenblik bang, dat hij een beweging maken zou, welke mij verraden kon hebben; dit geschiedde evenwel niet, hij was daartoe te bezonnen en had te veel tegenwoordigheid van geest.

Ik bevond dat zijn voeten eerst aan elkaar waren gebonden en dan met een riem aan den boom vastzaten. Hier waren dus twee messneden noodzakelijk.

Toen zag ik naar boven. Bij het flikkerende vuur bemerkte ik, dat men zijn handen om den boom had getrokken en daar met een riem had samengebonden. Hier behoefde ik dus maar één snee te doen.

Nu echter kwam mij iets in den zin, waaraan ik nog niet gedacht had. Als ik Winnetou lossneed, zou hij naar ik dacht onmiddellijk de vlucht nemen en dit zou mij in groot gevaar kunnen brengen. Ik peinsde en dacht, maar kon geen uitweg vinden, ik moest het er op wagen en mij, indien de Apache dadelijk wegliep, ook uit de voeten zien te maken.

Hoe had ik mij echter in Winnetou vergist! Ik kende hem nog niet. Toen wij later eens over zijn bevrijding spraken, deelde hij mij mee, wat toen zijn gedachten waren geweest. Toen hij mijn tastende hand gevoeld had, had hij gemeend, dat het die van een Apache was. Wel waren allen, die hij bij zich had, gevangengenomen, maar het kon toch zijn, dat de een of andere verkenner of bode hen ongemerkt gevolgd was. Hij had toen begrepen, dat men hem wilde bevrijden en had kalm gewacht, tot men de riemen zou doorsnijden. Hij dacht er niet aan zijn houding oogenblikkelijk te veranderen, want hij zou in geen geval zijn gevlucht, zonder zijn vader en bovendien wilde hij dengene, die hem bevrijdde, niet in gevaar brengen.

Ik sneed eerst de onderste riemen los, de bovenste kon ik, zoo liggend, niet bereiken. En zelfs al had ik dit kunnen doen, dan was nog de grootste voorzichtigheid noodig, om Winnetou niet in de handen te snijden. Ik moest dus wel opstaan, maar dan was ik bijna zeker dat de wachter mij zou zien. Om zijn aandacht af te leiden, had ik het zand meegebracht, ik nam dus een weinigje in de hand en wierp dit aan Winnetou voorbij, tegen den stekeligen struik, waardoor eenig ritselen ontstond. De roodhuid keerde zich om, en zag naar den struik, maar maakte zich verder niet ongerust. Ik herhaalde, wat ik zooeven gedaan had. Nu werd hij toch eenigszins wantrouwend, stond op en doorzocht het struikje. Daarbij keerde hij ons den rug toe en van dit oogenblik maakte ik gebruik, om op te staan en den riem, welke Winnetou’s handen vasthield, los te snijden. Ik raakte daarbij het prachtige haar van Winnetou aan, dat op het hoofd als een pluim was opgebonden en dan nog zwaar en lang op den rug neerhing, en snel sneed ik met mijn mes een lange lok af, voordat ik mij weer op den grond liet vallen. Waarom ik dit deed? Om, indien ’t noodig was, een bewijs te hebben, dat ik het was, dien hem had losgesneden.

Tot mijn groote blijdschap, maakte Winnetou niet de geringste beweging, hij bleef stokstijf staan. Ik wond het haar om mijn vinger en stak het bij mij. Toen kroop ik naar Intschu Tschuna, wiens banden ik eveneens lossneed. Hij was op dezelfde wijze gebonden als Winnetou en bleef, toen hij mijn aanraking voelde, evenals zijn zoon, onbeweeglijk staan. Nu kwam het mij in de gedachte, dat het beter was, de op den grond gevallen riemen niet te laten liggen. De Kiowa’s behoefden immers niet te weten, op welke wijze de gevangenen bevrijd waren geworden. Vonden zij de riemen, dan zouden zij zien, dat zij doorgesneden waren en de verdenking zou op ons vallen. Ik nam dus eerst bij Intschu Tschuna de riemen weg, kroop toen weer naar Winnetou om daar hetzelfde te doen, stak ze bij mij en begaf mij toen op den terugweg.

Mochten de beide aanvoerders verdwijnen, dan zou de wachter onmiddellijk alarm maken en dan moest ik mij niet in de nabijheid bevinden. Zoo snel ik kon, kroop ik dieper in het kreupelhout, tot ik niet meer gezien kon worden, toen stond ik uit mijn liggende houding op en liep, wel zeer voorzichtig, maar toch veel sneller dan zooeven, naar onze legerplaats terug. Eerst toen ik dicht in de nabijheid was, ging ik weer op den grond liggen, om het laatste gedeelte van den weg kruipend af te leggen. Mijn drie metgezellen waren zeer bezorgd over mij. Toen ik weer veilig in hun midden lag, fluisterde Sam mij toe:

—Wij maakten ons zeer ongerust over u, sir! Weet gij wel hoelang gij weg zijt geweest?

—Bijna twee uur.

—Dat komt uit, een half uur heen, een half uur terug en een uur daar gebleven.

—Waarom moest gij zoolang daar blijven?

—Om te zien of de hoofdman sliep.

—En hoe hebt ge dat aangelegd?

—Wel, ik heb zoolang naar hem gekeken, en toen hij zich niet bewoog, kon ik overtuigd zijn dat hij sliep.

—Zoo, zoo. Hoort ge dat, Dick en Will? Om te weten of de hoofdman waakt of slaapt heeft hij hem een uur lang aangekeken, hihihihi! Hij is en blijft toch een greenhorn, een onverbeterlijke greenhorn! Hebt gij dan geen hersenen in uw hoofd, dat gij geen ander middel kondt bedenken! Hebt gij dan onderweg geen kleine stukjes hout of zoo iets gevonden?

—Ja,—antwoordde ik.

—Wel, dan hadt gij immers, toen gij dicht bij hem waart, een klein stukje hout of een kluitje aarde naar hem moeten werpen. Als hij wakker was geweest, zou hij zich zeker oogenblikkelijk hebben bewogen. En gij hebt hem een uur lang aangegaapt, hihihihi!

—Dat mag zijn, maar ik heb dan toch de proef glansrijk doorstaan!

Terwijl ik sprak, hield ik mijn oogen onafgewend gericht op de beide Apachen. Ik verwonderde mij er over, dat zij nog altijd in dezelfde houding tegen de boomen stonden, zij hadden reeds lang weg kunnen zijn. Later vernam ik, wat het geval was geweest. Winnetou had gedacht, dat ik hem eerst had losgesneden en daarop naar zijn vader geslopen was en wachtte nu op een teeken van mij. Omgekeerd had zijn vader hetzelfde gedacht. Toen geen van beiden evenwel een teeken van mij kreeg, wachtte Winnetou een oogenblik af, dat de wachter de moede oogen een oogenblik sloot en bewoog toen zijn arm, om zijn vader te toonen, dat hij niet meer gebonden was; de hoofdman gaf hem hetzelfde teeken terug. Een seconde later waren beiden van hun plaatsen verdwenen.

—Ja, gij hebt de proef doorstaan,—stemde Sam toe,—gij hebt den hoofdman een uur lang aangekeken, zonder dat gij gezien zijt geworden.

—Dus vindt gij ’t goed, dat ik mee ga naar Winnetou?

—Hm. Denkt gij, dat gij de beide aanvoerders kunt bevrijden, door hen ook een vol uur aan te kijken?

—Neen, wij moeten hen lossnijden.

—Dat zegt gij, alsof dit een kleinigheid is. Ziet gij dan niet, dat er een wachter bij hen zit?

—Dat zie ik zeer goed.

—Die doet net als gij, hij staart hen ook aan, en ’t zal een geduchte toer zijn, hen los te maken, zonder dat hij ’t ziet. Ik weet zelfs niet of het mij zal gelukken. ’t Is al een meesterstuk op zich zelf, om daar te komen en als men er dan is, da.... Good lack, wat is dat?

Hij had zijn oogen op de Apachen gericht en hield nu plotseling in zijn redevoering op, want juist op dit oogenblik verdwenen de beide mannen van het tooneel. Ik deed, alsof ik dit niet gezien had, en vroeg:

—Wat is er? Waarom spreekt gij niet verder?

—Waarom? Omdat.... omdat.... is het dan werkelijk zoo of bedrieg ik mij?

Hij streek zich met de hand over de oogen en vervolgde:

—Ja, bij God ’t is waar. Dick, Will, ziet toch eens, ziet gij Winnetou en Intschu Tschuna nog?

Zij keerden hun hoofd om en wilden juist hun verbazing in woorden lucht geven, toen de wachter opsprong, de beide verlaten boomen een oogenblik ontzet aanstaarde en daarop een luiden, doordringenden kreet uitstiet, welke de slapers wekte. De wachter schreeuwde hun het gebeurde in zijn taal toe en nu volgde een onbeschrijfelijk tumult.

Alles liep naar de boomen, de blanken evengoed als de roodhuiden. Ik volgde hen ook, want ik moest doen, alsof ik van niets wist, maar onderweg keerde ik mijn zak om en liet het zand op den grond vallen.

Jammer, dat ik alleen Winnetou en Intschu Tschuna had kunnen bevrijden. Hoe gaarne had ik nog meerderen, liefst allen gered, maar het zou krankzinnigenwerk geweest zijn, dat te beproeven!

Meer dan tweehonderd menschen verdrongen zich om de plaats, waar nog zooeven de beide gevangenen hadden gestaan. Daarbij klonk een geschreeuw of liever een gehuil van woede, dat mij duidelijk zeide wat mij wachtte, wanneer de waarheid aan ’t licht mocht komen. Eindelijk gebood Tangua stilte en deelde zijn bevelen uit, waarop ongeveer de helft van zijn krijgers wegsnelden, om, ondanks de duisternis buiten op de savanna naar de vluchtelingen te zoeken. Den hoofdman stond het schuim op den mond van woede. Hij sloeg den wachter met de vuist in ’t gezicht, scheurde hem den medicijnbuidel van den hals en vertrapte dien onder zijn voeten; een daad, waarmee de arme man voor eerloos werd verklaard. Men moet namelijk bij het woord medicijn niet bepaald aan geneesmiddel denken. Dit woord is bij de Indianen eerst in gebruik gekomen, nadat de blanken zich in hun streken hebben neergezet. De geneesmiddelen der bleekgezichten waren hun onbekend, en zij hielden de uitwerking daarvan, voor het gevolg van een toovermiddel of voor een geheim, dat in verband stond met het bovennatuurlijke. Sedert dien tijd betitelen zij alles wat zij voor tooverij houden, wat voor hen onverklaarbaar is, of wat zij voor de gevolgen van een hooger ingeving aanzien, met het woord medicijn.

Ieder volwassen man, ieder krijgsman heeft zijn medicijn. De jongeling die onder de krijgers wenscht te worden opgenomen, verdwijnt plotseling en zoekt de eenzaamheid op. Daar vast hij en lijdt zelfs honger en ontzegt zich een teug water.

Hij peinst over zijn toekomst en wenschen. Deze geestesinspanning, verbonden met de lichamelijke ontberingen, welke hij zich oplegt, brengt hem in een overspannen toestand, waarin hij den schijn van de werkelijkheid niet meer weet te scheiden. Hij meent hoogere ingevingen en openbaringen te krijgen. Heeft hij dit stadium bereikt, dan wacht hij op het eerste, het beste voorwerp, dat hem door zijn droom of wat dan ook wordt voorgespiegeld, en dit voorwerp blijft hem zijn gansche leven door „heilig”, het is zijn medicijn. Is dit voorwerp bijvoorbeeld een vleermuis, dan rust hij niet, voor hij er een vangt. Gelukt hem dit, dan keert hij naar zijn stam terug, en geeft het dier aan den medicijnman, die het de een of andere bewerking laat ondergaan. Daarna komt het in den eigenaardigen medicijnbuidel, welke altijd moet worden gedragen en het kostbaarste kleinood is van den Indiaan. Medicijn verloren, eer verloren. Zulk een ongelukkige wordt alleen dan in zijn eer hersteld, wanneer hij een beroemd vijand doodt en diens medicijnbuidel kan toonen. Men kan dus denken welk een straf het voor den armen wachter was, dat hem zijn medicijn werd ontnomen. Hij zeide geen woord tot zijn verontschuldiging, maar nam zijn geweer op en verdween tusschen de boomen. Van dit oogenblik af was hij dood voor zijn stam en kon alleen in het zooeven beschreven geval weer worden opgenomen.

De woede van het opperhoofd keerde zich niet alleen tot dezen schuldige, maar ook tot mij. Hij kwam op mij toe en schreeuwde:

—Gij wildet deze honden voor u hebben, welnu, loop ze na en vang ze!

Ik wilde mij afwenden, zonder hem te antwoorden, maar hij greep mij bij den arm en vervolgde:

—Hebt gij gehoord, wat ik u bevolen heb! Achtervolgen zult ge ze!

—Bevolen? hebt gij mij te bevelen?

—Ja, want ik ben het opperhoofd van deze legerplaats en gij hebt mij te gehoorzamen!

Nu haalde ik mijn sardinenbus te voorschijn en zeide:

—Moet ik u met al uw krijgers in de lucht laten springen? Spreek nog een woord, dat mij niet bevalt, en ik verdelg u allen met deze medicijn.

Ik was nieuwsgierig of deze grap de gewenschte uitwerking had. En zie! Tangua week verschrikt achteruit en riep:

—Oef, oef! Houd uw medicijn voor u en wees een hond, evenals alle Apachen!

Dit was een beleediging, die ik mij niet zoo kalm zou hebben laten welgevallen, ware het niet verstandiger geweest, rekening te houden met de overmacht zijner krijgers. Wij, blanken, keerden naar onze legerplaats terug, waar deze gebeurtenis natuurlijk druk werd besproken, zonder dat iemand eenige opheldering kon geven. Ik zweeg, niet alleen tegen de anderen, maar ook tegen Sam, Dick en Will, want ik had er heimelijk plezier in, dat ik de oplossing van ’t geheim in handen had, terwijl alle anderen er tevergeefs naar zochten. De haarlok van Winnetou heb ik op al mijn zwerftochten door ’t verre Westen bij mij gedragen en nog heden is zij in mijn bezit....

HOOFDSTUK IV.

TWEE GEVECHTEN OP LEVEN EN DOOD.

De houding, welke de Kiowa’s tegen ons aannamen, deed ons bezorgd zijn voor onze veiligheid en daarom spraken wij af, dat wij niet allen tegelijk zouden gaan slapen, maar beurtelings wacht zouden houden. Dit geschiedde en toen de roodhuiden bemerkten dat wij deze voorzorgmaatregelen hadden genomen, werd hun houding nog vijandiger.

Toen de dag aanbrak, zagen wij, dat zij druk bezig waren te zoeken naar het spoor der vluchtelingen, dat zij in den nacht niet hadden kunnen vinden. Zij vonden dit en volgden het; het voerde naar de plaats, waar de Apachen vóór den overval hun paarden natuurlijk onder bewaking hadden achtergelaten. Intschu Tschuna en Winnetou waren met deze wachters weggereden en hadden de overige paarden allen laten staan. Toen wij dit hoorden zag Sam mij even van ter zijde aan en vroeg:

—Begrijpt gij wel, waarom de beide aanvoerders dit hebben gedaan?

—Ja, dat is gemakkelijk te raden.

—Oho sir, zulk een greenhorn als gij zijt, behoeft zich niet te verbeelden, dat hij dadelijk ’t rechte van de zaak weet. Er behoort ervaring toe.

—Nu die heb ik.

—Gij, ervaring? Ik zou wel eens willen weten, waar gij die hebt opgedaan.

—In mijn boeken.

—Al weer die boeken, het kan zijn, dat gij wel eens iets hebt gelezen, dat u hier van pas komt, maar daarom behoeft ge u nog niet te verbeelden, dat gij overal verstand van hebt. Ik zal u zoo dadelijk bewijzen, dat gij eigenlijk nog niets weet. Zeg mij eens waarom de vluchtelingen alleen hun eigen paarden hebben meegenomen en die van de anderen hier hebben gelaten?

—Omdat de gevangenen ze nog noodig kunnen hebben.

—Wel, waarvoor hebben gevangenen nu paarden noodig?

Ik was niet in ’t minst gekwetst door deze vragen, het was nu eenmaal zoo zijn manier van doen. Daarom antwoordde ik:

—Er zijn twee dingen mogelijk. Ten eerste kunnen de aanvoerders met een voldoend aantal Apachen terugkeeren, om de gevangenen te bevrijden. Waarom zouden zij dan eerst de paarden meevoeren en daarna terugbrengen? Ten tweede is het mogelijk, dat de Kiowa’s de terugkomst der Apachen niet afwachten en met hun gevangenen deze streek verlaten. In dit geval kunnen de gevangenen althans rijden, terwijl zij anders moesten loopen. Het is te hopen dat zij naar de dorpen der Kiowa’s worden gevoerd, want dan bestaat er kans, dat zij onderweg bevrijd kunnen worden. Moesten zij loopen, dan zou hun transport vele moeilijkheden opleveren en de Kiowa’s zouden licht op de gedachte kunnen komen, hen voor ’t gemak, hier op de plaats zelf, om te brengen.

—Hm, dat is werkelijk zoo kwaad niet bedacht! Maar gij hebt nog een derde mogelijkheid vergeten. De Kiowa’s kunnen immers ook hun gevangenen dooden, ondanks hun paarden.

—Neen, dat is niet mogelijk.

—Niet? sir, hoe komt gij op de gedachte, iets voor onmogelijk te verklaren, wat Sam Hawkins voor licht mogelijk houdt.

—Omdat Sam Hawkins schijnt vergeten te hebben, dat ik hier ben.

—Ah zoo, houdt gij dat voor zulk een gewichtige omstandigheid?

—Neen, ik wil alleen zeggen, dat de gevangenen, zoolang ik hier ben en ik mij kan weren, niet vermoord zullen worden.

—Werkelijk, wat zijt gij toch voor een veelbeteekenend man? De Kiowa’s zijn tweehonderd man sterk en gij wilt hen verhinderen te doen wat hen belieft?

—Ik zal hoop ik, niet alleen staan?

—Niet? wie zal u dan helpen?

—Gij, Sam Hawkins, Dick Stone en Willy Parker, ik reken er vast op, dat gij zulk een moord op groote schaal niet zult dulden.

—Zoo, zoo, gij rekent dus op ons; dank u zeer voor uw vertrouwen, want het is werkelijk geen gekheid, zich het vertrouwen waardig te maken, van een man als gij zijt, ik ben er wat trotsch op, hihihihi!

—Hoor eens Sam, ik spreek in vollen ernst, en ik heb werkelijk geen lust gekheid te maken over zulk een onderwerp. Nu er zooveel menschenlevens op het spel staan, moet men alle scherts achterwege laten.

Toen zag hij mij met zijn kleine, listige oogjes aan en zeide:

—Thunder-storm! Is het u werkelijk ernst? Ja, dan moet ik een ander gezicht zetten. Maar hoe stelt gij u de zaak dan eigenlijk voor, sir? Op de anderen daar valt niet te rekenen en wij met ons vieren staan dus alleen, tegenover tweehonderd Kiowa’s. Hebt gij dat wel bedacht? Dat zal wel nooit goed voor ons afloopen.

—Daar vraag ik niet naar. Ik duld niet, dat in mijn tegenwoordigheid zulk een moord geschiedt.

—Maar die zal toch evengoed gebeuren, met dit onderscheid alleen, dat ook ons levenslampje wordt uitgebluscht. Of hebt gij uw hoop gevestigd op uw naam van Old-Shatterhand? Denkt gij, dat gij tweehonderd krijgers met uw vuisten kunt neervellen?

—Onzin, ik heb mijzelf dezen naam niet gegeven, en weet evengoed als gij, dat vier niet tegen tweehonderd opgewassen zijn. Maar moet men dan altijd geweld gebruiken, is list niet dikwijls beter dan geweld?

—Dat hebt gij misschien ook wel eens gelezen?

—Zeker.