Chapter 30 of 43 · 3974 words · ~20 min read

Part 30

Deze gedachte liet mij niet los. Ik snelde den berg af, vol spanning of ik het paard nog zou aantreffen. Welk een teleurstelling toen ik op de bedoelde plek kwam en zag, dat het verdwenen was. Ik stond slechts een oogenblik stil en vloog meer dan ik liep, door de kloof. Hier kon ik mij nog haasten, want door het steengruis kon ik toch het spoor niet vinden. Toen ik echter het dal had bereikt moest ik langzamer loopen om het spoor te vinden, maar hoe ik ook mijn oogen inspande, ik vond niets. Santer was hier niet geweest. Hij moest verder op een plaats, waar de bodem rotsachtiger was, de kloof hebben verlaten. Daar stond ik nu! Wat te doen? Zou ik terugkeeren om die plaats te zoeken? Er konden uren voorbijgaan, voor ik deze vond en dezen tijd kon ik niet verloren laten gaan. Beter was het in elk geval naar onze legerplaats terug te keeren en van daar hulp te halen.

Ik deed dit. Het was een vermoeiende loop, maar ik volbracht hem, omdat ik van Winnetou had geleerd, hoe men het moest aanleggen om op adem te blijven en zich niet te vermoeien.

Toen ik mijn doel naderde, liep ik eerst naar de legerplaats van Santer. De drie paarden stonden nog in het kreupelhout. Ik maakte ze los, ging op een er van zitten en nam de beide andere aan de teugels mee. ’t Was reeds laat in den namiddag toen ik eindelijk bij de mijnen aankwam en Sam riep mij reeds uit de verte toe:

—Waar blijft ge dan toch, sir. Gij hebt het eten verzuimd en ik....—hij hield op, zag verbaasd naar de paarden en ging voort:—voor den drommel, gij zijt te voet weggegaan en komt te paard terug. Gij zijt toch geen paardendief geworden?

—Dat niet, ik heb deze dieren buitgemaakt.

—Waar?

—Niet ver hier vandaan.

—En van wien?

—Bezie ze maar eens goed. Ik herkende ze dadelijk en gij hebt immers even goede oogen!

—Ja, die heb ik. Ik zag dadelijk aan wie zij behoorden, het zijn immers de paarden van Santer en zijn kameraden, maar er ontbreekt er één.

—Dat zullen wij zoeken en ook dengeen, die er opzit.

—Maar hoe komt....

—Stil, beste Sam!—viel ik hem in de rede.—Er is iets bijzonders, iets zeer treurigs gebeurd. Wij moeten onmiddellijk van hier.

—Van hier? Waarom?

In plaats van hem te antwoorden, riep ik de Apachen, van welke zich eenigen hadden verwijderd bijeen en deelde hun de treurige tijding mee. Toen ik geëindigd had, heerschte rondom een diepe stilte. Men kon niet gelooven, wat ik zeide, mijn boodschap was te verschrikkelijk. Daarom vertelde ik uitvoeriger, wat er was gebeurd en voegde er bij:

—Nu mogen mijn roode broeders zelf zeggen, wie de toekomst beter heeft voorspeld. Sam Hawkins of uw medicijnman. Intschu Tschuna en Nscho-Tschi hebben den dood gevonden omdat zij zich van mij hebben verwijderd en Winnetou is door mij gered geworden. Brengt mijn tegenwoordigheid dus dood of leven?

Zij waren volkomen overtuigd en nu verhief zich een gehuil, dat mijlen ver te hooren was. De roodhuiden renden als razenden rond, zwaaiden met hun wapenen en trokken om uiting te geven aan hun woede, allerlei vreeselijke gezichten. Eerst na geruimen tijd was het mij mogelijk hun geschreeuw te overstemmen.

—De krijgers der Apachen moeten zwijgen,—gebood ik.—Dit gehuil dient tot niets. Wij moeten weg om den moordenaar te zoeken.

—Weg, weg, weg!—schreeuwden allen, terwijl zij naar hun paarden snelden.

—Weest toch kalm!—beval ik nogmaals.—Mijn broeders weten niet eens, wat zij moeten doen, ik zal het hun zeggen.

Allen drongen om mij heen, ik kon mij bijna niet bewegen. Was Santer op dit oogenblik hier geweest, zij zouden hem in stukken hebben gescheurd. Hawkins, Stone en Parker stonden sprakeloos bij elkaar. Dit bericht had een diepen indruk op hen gemaakt.

Langzaam kwamen zij op mij toe.

—Ik ben als door den bliksem getroffen,—zeide Sam en kan het nog maar niet begrijpen. Verschrikkelijk! Die lieve, schoone, beste, jonge roode miss! Zij was altijd zoo vriendelijk voor ons en nu zoo in eens dood! Weet gij sir, het is, alsof....

—Vertel mij dat later maar eens, beste Sam!—viel ik hem in de rede—wij moeten nu geen tijd verliezen en den moordenaar zien te krijgen. Praten helpt niet veel!

—Dat stem ik u toe. Maar weet gij dan, waar hij is?

—Neen, nu nog niet.

—Dat dacht ik. Hebt gij geen spoor gevonden? Zullen wij het zoeken? Het zal moeielijk te vinden zijn.

—Neen, juist niet, integendeel zeer gemakkelijk.

—Denkt gij dat? Hm! Moeten wij naar de kloof en zien hoe hij daaruit is gekomen?

—In de kloof behoeven wij niet te zoeken.

—Niet? Dan ben ik nieuwsgierig te weten, waar wij dan heen moeten. Ja, menigmaal heeft een greenhorn een gedachte, die....

—Zwijg met uw greenhorn! Ik heb geen zin om dat woord te hooren, houdt uw grappen maar voor u!

—Grappen? Wie denkt, dat ik de zaak niet ernstig opneem, kan een schop tegen zijn beenen krijgen, dat hij van hier naar Californië vliegt. Ik kan mij niet begrijpen, hoe gij het spoor van Santer wilt vinden, zonder te zien, waar dit verloren is gegaan!

—Dan zouden wij lang kunnen zoeken en daarom wil ik het anders aanleggen. Als ik die bergen daar voor ons zoo aanzie, komt het mij voor, dat zij niet met andere samenhangen, maar meer op zich zelf staan....

—Dat is ook zoo, ik ken deze streek tamelijk goed. Hier hebben wij een vlakte en daarginds weer een. Deze bergen behooren niet tot een aaneengeschakelde groep, maar staan op zichzelf in de open prairie.

—Prairie? Er is dus gras?

—Ja zeker, evenals hier.

—Dat is gelukkig. Santer kan tusschen deze bergen doorrijden, zooals hij wil, dat gaat ons niet aan, maar zoodra hij ze verlaat komt hij op de open prairie en moet in het gras een spoor achterlaten.

—Dat spreekt vanzelf, sir!

—Luister verder. Wij verdeelen ons in twee troepen en rijden om den berg heen, wij vier blanken van rechts en de tien Apachen, die Winnetou mij heeft toegewezen, van links. Wij ontmoeten elkander aan den anderen kant weer en hooren dan of een van ons het spoor heeft kunnen vinden. Ik ben overtuigd, dat dit het geval zal zijn.

Mijn kleine Sam zag mij van ter zijde aan, zette een zeer verbaasd gezicht en riep:

—Wie had dat nu gedacht! Hoe is het mogelijk, dat ik zelf niet op dit denkbeeld ben gekomen. ’t Is immers ’t eenvoudigste en beste wat we kunnen doen, als ik mij niet vergis!

—Gij keurt dit plan dus goed, Sam?

—Zeker, zeker, sir. Zoek nu maar gauw tien Apachen uit.

—Ik zal zien, welke van hen ’t best bereden zijn en die neem ik mee, wie weet, hoelang wij dien kerel moeten nazitten. Daarom moeten wij ook voldoende proviand medenemen. Als gij deze streek tamelijk goed kent, kunt gij ons wel vertellen, hoelang het duurt voor men van hier uit, den anderen kant van den berg bereikt.

—Al haasten wij ons ook nog zoo, wij zullen toch altijd twee uur moeten rijden.

—Laat ons dan geen tijd verliezen.

Ik koos toen tien Apachen die blij waren mee te mogen gaan, want den moordenaar nazetten was aangenamer werk dan klaagliederen te zingen bij de lijken der gevallenen. Den overigen Apachen wees ik den weg naar Winnetou en zij reden dadelijk daarheen.

Even daarna braken ook wij op. De Apachen reden volgens afspraak linksom, wij blanken gingen evenwel eerst nog even naar de legerplaats van Santer en ik zocht de plaats op waar de hoef van het paard, dat ik had bereden, diep in den bodem was gedrongen. Van dezen indruk nam ik nauwkeurig de maat. Sam Hawkins schudde het hoofd en vroeg lachend:

—Behoort het ook al tot het vak van opzichter, paardepooten op te meten?

—Neen, maar elke prairiejager moest het kennen.

—Waarom?

—Omdat het hem in voorkomende gevallen van groot nut kan zijn.

—Hoe dan?

—Wel, dit zult gij zien. Als ik nu een paardenspoor vind, vergelijk ik dit met deze teekening.

—Hm, juist niet zoo kwaad bedacht! Hebt gij dat ook uit de boeken geleerd?

—Neen.

—Van wie hebt gij het dan?

—Ik ben zelf op die gedachte gekomen.

—Zoozoo, zijt ge zoo knap, dat had ik waarlijk niet gedacht!

—Neen, Sam, ’t valt wel eens wat mee!

—Maar waarom hebt ge de tien Apachen dan ook niet zulk een teekening meegegeven?

—Ik achtte dit overbodig,—antwoordde ik.

—Overbodig.... waarom?

—Omdat zij niet in staat zouden zijn, zulk een teekening met een paardepoot te vergelijken. Bovendien ik ben bijna zeker, dat zij Santer’s spoor niet zullen vinden.

—En ik beweer het tegendeel. Niet wij, maar zij zullen het vinden, want ’t spreekt vanzelf, dat Santer westwaarts is gereden.

—Daarvan ben ik niet zoo zeker.

—Niet? Hij kwam toch van het westen en zal ook weer dien kant teruggaan.

—Dat denk ik niet. Hij is een slimme kerel, dat heb ik wel bespeurd en hij zal wel begrijpen, dat wij hem in het westen zullen zoeken. Daarom zal hij wel in oostelijke richting zijn gegaan.

—Het kan zijn dat ge gelijk hebt.

Wij gaven onze paarden de sporen en galoppeerden over de prairie, steeds zorgend, dat wij de bewuste bergen links van ons hielden. Natuurlijk trachtten wij het zoo in te richten, dat wij steeds op den begroeiden bodem bleven, waar Santer, indien hij hier was geweest een duidelijk spoor moest hebben achtergelaten. Onze oogen waren voortdurend op den grond gericht, want hoe sneller wij reden, hoe nauwkeuriger wij moesten opletten, daar het spoor ons anders licht kon ontgaan.

Zoo verliep anderhalf uur en wij hadden onzen halven cirkel om den berg bijna volbracht, toen wij een donkere streep bemerkten, welke dwars door het gras liep. Het was het spoor van een enkelen ruiter en zeer waarschijnlijk, dat, wat wij zochten. Wij stegen af en ik zocht tot ik een zeer duidelijken indruk vond. Nu vergeleek ik dezen bij de teekening en het bleek, dat de afmetingen volkomen dezelfde waren. Er was dus geen twijfel mogelijk, wij waren Santer op het spoor.

—Zulk een teekening is toch werkelijk practisch,—meende Sam,—ik zal dat onthouden.

—Ja, onthoud dat,—voegde Parker er bij,—en onthoud dan bovendien nog wat.

—Wat dan?

—Dat het nu zoover gekomen is, dat de leermeester, die gij altijd zijt geweest, van zijn leerling kan leeren.

—Wilt gij mij het land opjagen, oude Will? Dat zal u niet gelukken, hihihihihi!—lachte Sam.—Het is immers een eer voor den leermeester, dat hij den leerling zoo ver heeft gebracht, dat deze nog verstandiger en wijzer is, dan hij. Van u heb ik niet zooveel plezier beleefd. Hoeveel jaren ben ik niet bezig geweest, om van u een goeden prairiejager te vormen en al mijn moeite is tevergeefs geweest. Gij zult in uw oude dagen niets kunnen verleeren, omdat gij in uw jonge jaren niets hebt geleerd.

—Ik weet het wel, gij zoudt mij nu wel graag greenhorn willen noemen, omdat gij zonder dit woord niet kunt leven en gij Old-Shatterhand daarmee niet meer moogt betitelen.

—Gij zijt ook een greenhorn, maar een oude, als ik mij niet vergis.

Ondanks dit twistgesprek waren wij het toch hierover eens, dat Santer’s spoor niet veel meer dan twee uur oud kon zijn. Gaarne zouden wij hem dadelijk zijn achtervolgd, maar wij moesten wel op de tien Apachen wachten. Het duurde helaas drie kwartier voor zij kwamen. Ik zond een van hen naar Winnetou, om dien te laten weten dat wij het spoor gevonden hadden, toen reden wij in oostelijke richting verder.

Het was diep in den herfst en wij hadden nauwelijks twee uur meer den tijd, voordat de zon zou zijn ondergegaan, wij moesten ons dus haasten, want viel de duisternis in, dan zouden wij tot den morgen moeten wachten, daar we het spoor niet zouden kunnen onderscheiden.

Daarentegen was het bijna zeker, dat Santer den geheelen nacht door zou rijden. Wij hadden dus morgen een vermoeienden rit voor ons, welke nog des te vermoeiender zou worden, omdat wij steeds op het spoor moesten letten. Gelukkig moest Santer, indien hij den nacht doorreed, zijn paard den volgenden dag rust gunnen en zoo kon het mogelijk zijn, dat wij hem toch nog inhaalden.

De door Winnetou en zijn vader met den naam van Nuggetsbergen betitelde hoogten, lagen achter ons en wij hadden nu voor ons de open vlakte, welke met gras was bedekt. Santer’s spoor was duidelijk zichtbaar. Toen het donker begon te worden, stegen wij af en volgden het spoor, dat wij loopend beter in het oog konden houden dan rijdend, zoolang tot het niet meer te herkennen was. Nu maakten wij halt, gelukkig op een plaats, waar veel gras was, zoodat onze paarden iets te eten konden krijgen. Daarna wikkelden wij ons in onze dekens en gingen liggen om te slapen.

De nacht was zeer koel en ik bemerkte dat mijn kameraden dikwijls wakker werden van de kou. Ik zou bovendien toch niet hebben kunnen slapen. De gewelddadige dood van Intschu Tschuna en zijn dochter had een te diepen indruk op mij gemaakt en wanneer ik de oogen sloot, zag ik hen weer op de noodlottige plaats liggen en hoorde ik Nscho-Tschi’s laatste woorden. Ik verweet mijzelf dat ik niet vriendelijker voor haar was geweest en mij in het gesprek met haar vader, niet anders over haar had uitgelaten. Ik had een gevoel of ik daardoor haar dood op mijn geweten had.

Tegen den morgen werd het nog kouder en ik stond op om mij door heen en weer loopen een weinig te verwarmen. Sam Hawkins bemerkte dit en vroeg:

—Zijt gij koud sir? Gij hadt een warme kruik mee moeten nemen naar de Far-West. Greenhorns hebben gewoonlijk dergelijke dingen bij zich. Neen, dan ben ik maar blij met mijn ouden rok, die laat geen kou door. Zal ik hem u leenen, hihihihi!

Tengevolge van deze onaangename koude, waren allen reeds vroeg in den morgen gereed en zoodra het licht genoeg was, om het spoor te zien stegen wij op en zetten wij onzen tocht voort. Onze paarden waren volkomen uitgerust en hadden het zeker des nachts ook koud gehad, althans zij draafden lustig voort, zonder dat wij ze behoefden aan te sporen.

Nog steeds waren wij in de prairie, die nu evenwel eenigszins begon te golven; op de hoogste punten was het gras dor en hard, op de lagere gedeelten groen en zacht. Hier er daar waren zelfs enkele waterplassen, waar wij onze paarden konden laten drinken.

Terwijl het spoor tot nu toe steeds in oostelijke richting had geleid, ging het later op den dag meer naar het zuiden. Toen Hawkins dit zag, zette hij een zeer bedenkelijk gezicht en op mijn vraag wat dat beteekende, antwoordde hij:

—Als het waar is wat ik vermoed, zal al onze moeite tevergeefsch zijn geweest.

—En wat vermoedt ge dan?

—De kerel is slim. Hij schijnt naar de Kiowa’s te willen gaan.

—Dat geloof ik zoo dadelijk niet.

—Waarom niet? Zou hij misschien midden in de prairiën blijven staan, om zich door u gevangen te laten nemen? Wat denkt ge wel? Hij zal toch wel zijn best doen om zich te redden? Hij heeft zijn oogen open gehad en wel gezien dat onze paarden beter waren, dan het zijne. Daarom vreest hij dat wij hem zullen achterhalen en is hij op de gedachte gekomen, bescherming te zoeken bij de Kiowa’s.

—En zullen die hem vriendelijk ontvangen?

—Daaraan behoeft ge geen oogenblik te twijfelen. Hij behoeft alleen maar te vertellen dat hij Intschu Tschuna en Nscho-Tschi heeft doodgeschoten en zij zullen hem hartelijk welkom heeten. Wij moeten toch zien, dat wij hem voor vanavond nog inhalen!

—Hoe oud denkt ge, dat dit spoor is?

—Dat is mij tamelijk onverschillig. Hij heeft den nacht doorgereden en wij moeten de plaats zien te vinden, waar hij gelegerd heeft. Dan kunnen wij zien, hoe oud zijn nieuw spoor is. Hoe langer hij uitgerust heeft, hoe eerder wij hem zullen inhalen.

Tegen den middag vonden wij, wat wij zochten. Men zag dat het paard was gaan liggen, het was dus zeer moe geweest, wat wij ook reeds aan de sporen hadden gezien. Waarschijnlijk was zijn berijder niet minder uitgeput, want het nieuwe spoor was niet ouder dan twee uur; hij had dus blijkbaar langer geslapen, dan hij gewild had. De voorsprong, dien hij op ons had gekregen, doordat hij den nacht was doorgereden was dus ingehaald, ja, wij waren op dit oogenblik zeker een half uur dichter bij hem, dan bij ’t begin van den tocht.

Zijn spoor leidde steeds meer naar het zuiden. Hij scheen het gebied van de Canadianrivier te hebben willen verlaten en meer den kant van de Red River op te willen gaan. Wij lieten onze paarden slechts nu en dan even uitblazen, want wij wilden zoo mogelijk, den schelm nog voor den avond inhalen.

Tegen den namiddag bereikten wij wederom grasvelden, zoo nu en dan met kreupelhout bedekt. Naar het spoor te oordeelen, kon Santer ons nog slechts een half uur vooruit zijn. Voor ons was de horizont donker.

—Daar is bosch,—meende Sam, ik vermoed, dat wij aan een zijrivier zullen komen; jammer ’t was beter voor ons geweest, dat wij de prairie hadden kunnen houden.

Hij had gelijk, want op de prairie zag men alles vóór zich, terwijl men in het bosch, licht in een hinderlaag kon vallen. Bovendien, bij de snelheid waarmede wij reden, was het onmogelijk, het terrein voldoende te onderzoeken.

Werkelijk stuitten wij op een kleine, zeer ondiepe rivier, welke hier en daar bijna geheel droog lag. Aan de oevers stonden kreupelhout en boomen, maar deze vormden eigenlijk geen bosch, doch slechts grootere en kleinere, op zichzelf staande boomgroepen.

Kort voordat de duisternis begon te vallen, waren wij den vluchteling zoo dicht op de hielen, dat wij hem elk oogenblik voor ons konden zien. Ik reed alleen vooruit, omdat mijn schimmel zich zoo uitstekend had gehouden en nog volstrekt niet moe was. Ook volgde ik onwillekeurig een innerlijken drang, welke mij er toe aanspoorde zelf den moordenaar te vangen.

Wij reden wederom door een van de zooeven genoemde boomgroepen welke aan den linkeroever van het riviertje lagen. Toen ik aan de laatste boomen was gekomen, zag ik, dat het spoor naar rechts afweek en naar beneden in het droge rivierbed voerde. Ik hield een oogenblik stil om dit aan de mij volgende kameraden mee te deelen en dit was ons geluk, want toen ik eenige oogenblikken op hen wachtend, de bedding overzag, deed ik een ontdekking, welke mij dwong, mij zoo spoedig mogelijk terug te trekken en mij te verbergen. Wanneer men van dit boschje uit, slechts vijfhonderd pas deed, kwam men wederom aan een boschje, dat echter op den rechteroever gelegen was. Hier waren Indianen bezig hun paarden te verzorgen. Ik zag palen in den grond, waartusschen vleesch aan riemen te drogen hing. Was ik een paar pas verder gegaan, dan zouden de roodhuiden mij hebben moeten zien. Nu steeg ik van mijn paard en maakte mijn kameraden opmerkzaam op het voor ons liggende tooneel.

—Kiowa’s!—zeide een der Apachen.

—Ja, Kiowa’s—stemde Sam toe,—de duivel moet dezen Santer wel zeer liefhebben, dat hij hem nog op het laatste oogenblik deze hulp zendt. Ik meende reeds dat wij hem hadden, maar geduld, hij zal ons toch niet ontkomen.

—Het is geen groote afdeeling Kiowa’s—merkte Dick op.

—Hm! Wij zien alleen maar degenen, die zich aan dezen kant van de boomen bevinden, aan den anderen kant zullen er wel meer zijn. Zij zijn blijkbaar op jacht geweest en drogen hier hun vleesch.

—Wat zullen wij doen, Sam? Omkeeren en ons zoo gauw mogelijk uit de voeten maken?

—Ik denk er niet aan, wij blijven hier.

—Maar dat is toch gevaarlijk!

—Wel neen!

—Hoe licht kan hier een roodhuid komen.

—Daar behoeft gij niet bang voor te zijn. Ten eerste bevinden zij zich aan den anderen oever en ten tweede is het spoedig donker en dan verwijderen zij zich niet meer van de legerplaats.

—Maar hoe voorzichtiger, hoe beter.

—Kom, alleen een greenhorn heeft angst. Ik zeg u, dat wij voor deze Kiowa’s even veilig zijn, alsof wij ons in New-York bevonden. Zij denken er niet aan te komen, maar ik zal naar hem toe gaan. Ik moet dezen Santer hebben, al zou ik hem tusschen duizend Kiowa’s weghalen.

—Gij zijt vandaag onvoorzichtig Sam!

—Wat, onvoorzichtig? Sam Hawkins onvoorzichtig? Daar moet ik om lachen, hihihihi! Dat heeft me nog nooit een mensch gezegd! Sir, gij zijt anders nooit bang en gaat zelfs den Grizzlybeer met het mes te lijf, vanwaar nu die angst?

—Het is geen angst, maar voorzichtigheid, wij zijn te dicht bij den vijand!

—Te dicht? Belachelijk! Wij zullen nog dichter bij hem komen. Wacht maar tot het donker is.

Hij was vandaag anders dan gewoonlijk. De dood van de schoone, lieve, roode miss had hem zoo woedend gemaakt, dat hij naar wraak dorstte. De Apachen waren het met hem eens, ook Stone en Parker gaven hem gelijk, ik kon dus niets daartegen doen. Wij bonden onze paarden vast en gingen zitten, om het invallen van de duisternis af te wachten.

Ik moet bekennen, dat de Kiowa’s zich zoo vrij bewogen, alsof zij zich volkomen veilig gevoelden. Zij reden of liepen op de open vlakte rond en deden, alsof zij in hun goed bewaakt Indiaansch dorp waren.

—Ziet ge wel, hoe veilig zij zich wanen?—zeide Sam.—Zij denken aan geen verraad.

—Als gij u maar niet vergist!

—Sam Hawkins vergist zich nooit!

—Ik zou u het tegendeel wel kunnen bewijzen. Ik heb een voorgevoel, dat zij zich zoo maar voordoen!

—Voorgevoel, oude wijven hebben voorgevoelens en anders niemand, onthoud dat. Wat doel zouden zij er mee beoogen, om zich anders voor te doen?

—Ons te lokken!

—Dat is niet noodig, wij zouden ook zonder lokken wel komen.

—Gij houdt het toch voor uitgemaakt, dat Santer bij hen is?

—Natuurlijk. Toen hij op deze plaats kwam, heeft hij hen gezien en is door de droge bedding naar hen toegegaan.

—En denkt gij, dat hij hun verteld heeft, wat er gebeurd is en waarom hij bescherming bij hen zoekt?

—Welk een vraag! Het spreekt vanzelf, dat hij hun dit gezegd heeft.

—Dan heeft hij hun ook meegedeeld, dat zijn vervolgers hem op de hielen zaten.

—Dat is mogelijk.

—Dan verwondert het mij toch, dat zij in het geheel geen voorzorgsmaatregelen hebben genomen.

—Daar behoeft gij u niet over te verwonderen. Zij houden het eenvoudig voor onmogelijk, dat wij hem nu reeds zouden hebben ingehaald en zij verwachten ons eerst morgen. Zoodra het donker genoeg is, zal ik naar hen toesluipen en alles eens goed opnemen. Daarna zullen wij zien wat ons verder te doen staat. Ik moet dezen Santer hebben.

—Goed, dan ga ik met u mee!

—Dat is niet noodig!

—Ik houd het voor zeer noodzakelijk.

—Als Sam Hawkins op verkenning gaat, heeft hij geen hulp noodig, ik neem u niet mee. Ik ken u en uw onpractische menschlievendheid. Waarschijnlijk zult gij uw best doen, om deze moordenaar het leven te sparen!

—Neen Sam, ik denk er in de verste verte niet aan!

—Dat zegt ge nu maar.

—Ik meen, wat ik zeg. Ook ik wil dezen Santer hebben, ik wil hem levend vangen om hem aan Winnetou over te leveren. En zoodra ik zie dat dit onmogelijk is en ik hem levend niet kan krijgen, jaag ik hem een kogel door den kop, daar kunt ge op aan!

—Dat is het juist, een kogel door den kop, gij wilt niet dat hij gemarteld wordt. Ook ik ben een vijand van dergelijke dingen, maar dezen schurk gun ik zulk een pijnlijken dood van ganscher harte. Wij zullen hem zien te krijgen en brengen hem dan naar Winnetou. Als wij nu eerst maar weten, hoeveel Kiowa’s er zijn, want ik acht het een uitgemaakte zaak, dat er meer zijn dan wij hier zien.