Part 18
Ik deed dit, maar kon toch slechts enkele onduidelijke woorden uitbrengen. Tengevolge van het groote bloedverlies was ik bovendien doodmoe en uitgeput. Zeer zacht, zoodat Sam mij nauwelijks kon verstaan, stamelde ik:
—Intschu Tschuna gestreden.... Winnetou kwam er bij.... tong doorstoken.... kolfslag op het hoofd.... van.... weet ik niet.
De daartusschen behoorende woorden waren niet te verstaan.
—Voor den drommel! Wie kon dat ook weten! Wij hadden ons gaarne overgegeven, maar die Apachen wilden niet naar ons luisteren. Daarom vluchtten wij in de struiken, tot hun woede wat was bekoeld, als ik mij niet vergis! Wij dachten, dat gij dat ook hadt gedaan en zochten naar u. Toen ik u evenwel niet vond, kroop ik naar den rand van het struikgewas, om eens naar u te zien. Daar stond een heele troep huilende Apachen, rondom Intschu Tschuna en Winnetou die voor dood neerlagen, maar spoedig weer tot zichzelf kwamen. Gij laagt er naast, eveneens schijnbaar dood. Dit deed mij zoo schrikken, dat ik onmiddellijk Dick Stone en Parker haalde, om te zien, of er misschien nog leven in u was. Wij werden natuurlijk dadelijk gevangen genomen. Ik zeide Intschu Tschuna, dat wij vrienden der Apachen waren en gisteravond het plan hadden gehad, de beide aanvoerders te bevrijden. Hij lachte mij evenwel uit en ik heb het alleen aan Winnetou’s voorspraak te danken, dat mij deze ééne hand is vrijgelaten, om u te helpen. Hij heeft ook uw wond aan den hals verbonden, anders waart gij stellig en zeker doodgebloed. Is de wond diep?
—Door.... de.... tong,—stamelde ik.
—Dat is gevaarlijk. Gij zult een hevige wondkoorts krijgen, ik wenschte dat ik die van u kon overnemen, want ik denk, dat zoo’n oude waschbeer als ik, die beter kan doorstaan dan zulk een greenhorn, die nog zoo weinig bloed heeft gezien. Zijt gij ook nog ergens anders gewond?
—Kolfslagen.... hoofd en.... schouder,—antwoordde ik.
—Gij zijt dus neergeveld. Ik dacht, dat ge enkel een steek hadt gekregen. Ja, dan begrijp ik wel, dat uw hoofd erg pijn zal doen. Maar, dat gaat wel over, ’t is alleen te hopen, dat het weinige verstand, dat ge hebt, er niet is uitgeslagen. Zoo’n doorgestoken tong is gevaarlijk en niet te verbinden.—Ik zal....—Meer hoorde ik niet, daar ik weer opnieuw in onmacht viel.
Toen ik ontwaakte, gevoelde ik, dat ik in beweging was, ik hoorde den hoefslag der paarden en sloeg de oogen op. Ik lag, stel u voor—op het vel van den Grizzlybeer, dien ik verslagen had. Het was opgebonden in den vorm van een hangmat en hing tusschen twee paarden, die mij op deze wijze moesten dragen. Ik zat zóó diep in het vel, dat ik alleen de koppen der beide paarden en den hemel boven mij kon zien. De zon wierp haar gloeiende stralen op mij neer en mijn bloed joeg onstuimig door de aderen. Mijn mond was opgezwollen en vol van geronnen bloed. Ik wilde het uitspuwen, maar kon de tong niet bewegen.
—Water, water!—wilde ik roepen, want ik had een bijna onuitstaanbaren dorst, maar ik bracht geen klank, zelfs geen hoorbaren zucht uit. Ik zeide tot mij zelf, dat het met mij gedaan was en wilde, als ieder stervende aan God en hiernamaals denken, maar verloor wederom het bewustzijn.
Toen streed ik met Indianen, buffels en beren, maakte een rit op leven en dood door de steppen, zwom maandenlang over onbegrensde zeeën en meren.... alles in de wondkoorts, waarin ik lang tegen den dood worstelde. Zoo nu en dan hoorde ik Sam Hawkins’ stem, als uit de verte, tusschenbeide zag ik twee donkere oogen, die van Winnetou, dan was het weer, of lag ik in een doodkist en werd ik begraven, ik hoorde de aardkluiten op het deksel vallen, en lag geruimen tijd stil in de donkere aarde tot dat opeens het deksel van de kist werd opengedaan. Ik zag den hemel boven mij, ik werd uit het graf opgeheven. Was dit waar? Kon dit gebeuren? Ik streek met de hand over mijn voorhoofd en....
—Halleluja, hij ontwaakt uit den dood, hij ontwaakt! jubelde Sam.
Ik keerde het hoofd om.
—Ziet ge, dat hij met de hand naar zijn hoofd heeft gegrepen, dat hij nu zelfs het hoofd heeft omgedraaid?—riep de kleine. Hij boog zich over mij heen. Zijn gezicht straalde letterlijk van verrukking, ik zag dit, ondanks den dichten baard, welke het bijna geheel bedekte.
—Ziet ge mij, beste vriend?—vroeg hij.—Gij hebt de oogen open en hebt u bewogen. Gij leeft dus weer. Ziet ge mij?
Ik wilde antwoordden, maar kon niet van vermoeidheid en uitputting.
—En hoort gij mij?—ging hij voort.
Ik knikte.
—Komt hier en ziet!
Zijn gezicht verdween en in de plaats daarvan verschenen die van Stone en Parker. De brave kerels hadden tranen in de oogen van blijdschap. Zij wilden iets tegen mij zeggen maar Sam duwde hen weg en zeide:
—Neen, laat mij met hem spreken, ik wil het doen.
Hij nam mijn beide handen in de zijne, drukte die tegen zijn mond en vroeg:
—Hebt gij honger sir? Hebt gij dorst? Zoudt gij iets kunnen eten of drinken?
Ik schudde het hoofd, want ik voelde niet de minste behoefte, iets te gebruiken. Ik was te zwak, om zelfs een droppel water tot mij te kunnen nemen.
—Niet, werkelijk niet? Hoe is het mogelijk! Weet gij wel, hoelang gij hier zoo gelegen hebt?
Ik schudde wederom met het hoofd.
—Drie weken, volle drie weken! Denk eens aan! Gij weet zeker ook niet, wat er na uw verwonding is gebeurd en waar gij u bevindt? Gij hebt een vreeselijke wondkoorts gehad en daarna een soort verstijving. De Apachen wilden u reeds begraven, maar ik kon niet aan uw dood gelooven en heb zoolang gesmeekt, tot Winnetou met zijn vader sprak en deze verlof gaf, u eerst dan te begraven, wanneer ontbinding intrad. Dat hebben wij aan Winnetou’s voorspraak te danken. Ik moet naar hem toe, ik moet hem hier halen!
Ik sloot de oogen en lag nu weer stil, maar nu in een kalme en rustige sluimering. Ik wenschte, dat ik zoo eeuwig kon blijven liggen. Daar hoorde ik evenwel voetstappen, een hand betastte mij, en toen hoorde ik Winnetou zeggen:
—Heeft Sam Hawkins zich niet vergist. Is Selki lata (Old-Shatterhand) werkelijk ontwaakt?
—Ja, ja, wij drieën hebben het duidelijk gezien. Hij heeft zelfs met knikken en hoofdschudden op mijn vragen geantwoord.
—Dan is een groot wonder geschied. Maar misschien was het beter geweest, dat hij gestorven ware; want hij is slechts in het leven teruggekeerd om te sterven. Hij zal, evenals gij allen, gedood worden!
—Maar hij is de beste vriend der Apachen,
—En hij heeft mij tweemaal verslagen?
—Omdat hij moest!
—Dat was niet noodig.
—Zeker, de eerste maal deed hij het om u te redden. Gij zoudt u hebben verzet en waart dan door de Kiowa’s vermoord geworden. En de tweede maal heeft hij zijn eigen leven tegen u moeten verdedigen. Wij hadden ons vrijwillig aan u willen overgeven, maar uw krijgers wilden niet naar ons luisteren.
—Dat zegt Sam Hawkins maar om zich te redden.
—Neen, ik zeg de waarheid.
—Uw tong liegt. Alles, wat gij mij verteld hebt, heeft ons nog vaster overtuigd, dat gij nog grooter vijanden van ons zijt, dan die honden van Kiowa’s. Gij zijt ons tegemoet geslopen en hebt ons beluisterd. Waart gij werkelijk onze vriend geweest, dan zoudt gij ons hebben gewaarschuwd, dan zouden wij daar ginds bij de beek niet overvallen zijn geworden en aan de boomen zijn gebonden.
—Maar dan hadt gij den dood van Kleki-Petra op ons gewroken, en was dit uit dankbaarheid niet gebeurd, dan zoudt gij ons ten minste verhinderd hebben, onze werkzaamheden voort te zetten en ten einde te brengen.
—Dat hebt ge nu evenmin kunnen doen. Gij hebt allerlei uitvluchten, maar een kind kan ze doorzien. Houdt gij Intschu Tschuna en Winnetou voor zoo dom?
—In ’t geheel niet. Old-Shatterhand is opnieuw in onmacht gevallen, anders zou hij kunnen zeggen, dat ik niets dan de waarheid gezegd heb.
—Ja, hij kan evengoed liegen als gij, de bleekgezichten zijn allen leugenaars en bedriegers. Ik heb slechts een blanke gekend, dien men kon vertrouwen, dat was Kleki-Petra, dien gij vermoord hebt. In Old-Shatterhand had ik bijna een dergelijke man meenen te leeren kennen. Ik zag zijn dapperheid en zijn lichaamskracht en bewonderde hem. Zijn oogen schenen mij den zetel van oprechtheid en ik dacht hem te kunnen hoogachten. Maar helaas, hij is een landroover, evenals gij allen, hij belette u niet, ons in den val te lokken en heeft mij tweemaal met zijn vuist op het hoofd geslagen. Waarom heeft de Groote Geest toch zulk een man geschapen en hem zulk een valsch hart gegeven?
Ik had hem gaarne willen aanzien, toen hij mij aanraakte, maar ik kon niet. Het was of mijn lichaam uit ether bestond, of ik door mijn zinnen niets kon waarnemen. Evenwel het gelukte mij toch eindelijk de oogleden op te slaan. Ik zag hem naast mij staan. Hij droeg een licht linnen kleed, had geen wapens bij zich maar een boek en wel een, waarop in gouden letters stond: Hiawatha. Deze Indiaan, deze zoon van een volk, dat men tot de „wilden” rekent, kon dus niet alleen lezen, maar hij bezat zin en smaak voor het hoogere! Longfellows beroemd gedicht in de hand van een Apache-Indiaan! Zoo iets had ik niet kunnen droomen!
—Hij heeft de oogen weer open!—riep Sam en onmiddellijk keerde Winnetou zich naar mij toe. Lang bleef zijn oog op het mijne rusten, toen vroeg hij:
—Kunt gij spreken?
Ik schudde het hoofd.
—Hebt gij pijnen in uw hoofd?
Hetzelfde antwoord.
—Wees oprecht tegenover mij! Als men ontwaakt uit den dood, moet men geen onwaarheid zeggen. Hebt gij vier mannen ons werkelijk het leven willen redden?
Ik knikte tweemaal.
Toen maakte hij een minachtende beweging met de hand en riep op diep gekrenkten toon:
—Leugen, leugen, leugen! Zelfs leugen bij het geopende graf! Hadt gij mij de waarheid bekend, dan zou ik misschien hebben kunnen hopen, dat gij u kondt verbeteren en ik zou Intschu Tschuna mijn vader hebben gesmeekt, uw leven te sparen. Maar gij zijt zulk een bede niet waard en moet sterven. Wij zullen u goed verplegen opdat gij spoedig weer gezond en krachtig zult worden en de folteringen, die u wachten, langer weerstand zoudt kunnen bieden. Te sterven als een zieke, zwakke man is geen straf.
Langer kon ik mijn oogen niet openhouden. Had ik maar kunnen spreken! Sam, de anders zoo schrandere Sam Hawkins, verdedigde ons op zulk een onhandige wijze, ik zou geheel anders hebben gedaan. Het was, alsof hij mijn gedachten had geraden, want nu begon hij opnieuw tegen den Apachen-hoofdman:
—Maar wij hebben u immers bewezen, duidelijk en onwederlegbaar bewezen, dat wij op uw zijde waren. Uw krijgers zouden gemarteld worden en om dit te verhinderen, heeft Old-Shatterhand met het Bliksemmes gestreden en hem overwonnen. Hij heeft dus zijn leven voor u in de waagschaal gesteld en zal nu tot belooning gemarteld worden!
—Gij hebt niets bewezen, want ook dit verhaal was een leugen!
—Vraag dan Tangua, den hoofdman der Kiowa’s, die zich nog in uw handen bevindt.
—Ik heb het hem gevraagd.
—Wat zeide hij?
—Dat gij liegt. Old-Shatterhand heeft niet met het Bliksemmes gestreden, maar deze is, toen wij u overvielen, door onze krijgers gedood geworden.
—Dat is al zeer slecht van Tangua. Hij weet, dat wij heimelijk op uw zijde waren en wil ons uit wraak daarover in ’t verderf storten.
—Hij heeft mij de waarheid zijner woorden bezworen bij den Grooten Geest en ik geloof dus hem en niet u. Ik zeg u hetzelfde wat ik zooeven tegen Old-Shatterhand heb gezegd: hadt gij mij eerlijk alles bekend, dan zou ik uw voorspraak zijn geweest bij mijn vader. Kleki-Petra, die mijn vader, mijn vriend en leermeester is geweest, heeft de neiging tot vrede, zachtheid en vergevensgezindheid in mijn hart gelegd. Ik wensch geen onnoodig bloed te vergieten en mijn vader doet alles, wat ik van hem vraag. Daarom is er, van al de Kiowa’s, die wij gevangengenomen hebben, nog geen enkele gedood, zij kunnen alles, wat zij hebben gedaan, afkoopen met paarden en wagens, tenten en dekens. Wij zijn het nog niet volkomen met hen eens over den prijs, maar dat zal wel in orde komen. Rattler is de moordenaar van Kleki-Petra, hij moet sterven. Gij zijt zijn kameraden, toch zouden wij u hebben gespaard, wanneer gij slechts oprecht waart geweest, nu gij dit niet zijt, zult gij zijn lot moeten deelen.
Dit was een redevoering zoo lang als ik ze later slechts zelden en alleen bij de allergewichtigste gebeurtenissen uit den mond van den zwijgzamen Winnetou heb gehoord. Ons lot ging hem dus meer aan het hart dan hij wilde bekennen.
—Wij kunnen toch onmogelijk zeggen dat wij uw vijanden zijn, als het tegenovergestelde het geval is,—begon Sam weer.
—Zwijg! Ik zie wel in dat gij met deze groote leugen op de lippen zult sterven. Wij hebben u tot nu toe meer vrijheid toegestaan dan den anderen, opdat gij Old-Shatterhand zoudt kunnen verplegen. Gij zijt deze toegevendheid niet waard geweest en zult van nu af aan strenger worden behandeld. De zieke heeft u niet meer noodig, volg mij dus. Ik zal u de plaats aanwijzen, die gij niet meer zult mogen verlaten.
—Dat niet, Winnetou, dat slechts niet!—riep Sam verschrikt uit.—Ik kan onmogelijk van Old-Shatterhand scheiden!
—Gij moet, ik beveel het u! Wat ik wil, dat gebeurt!
—Maar wij smeeken u ten minste....
—Zwijg,—viel de Apache hem op strengen toon in de rede.—Ik wil geen woord meer hooren! Gaat gij met mij, of moet ik u door mijn krijgslieden laten binden en wegbrengen?
—Wij zijn in uw macht en zijn dus genoodzaakt u te gehoorzamen. Wanneer mogen wij Old-Shatterhand terugzien?
—Op den dag van uwen en zijnen dood.
—Niet eerder?
—Neen.
—Laat ons dan voor wij met u gaan afscheid van hem nemen. Sam greep mijn handen en ik voelde zijn baard op mijn gezicht, want hij gaf mij een kus op het voorhoofd. Parker en Stone deden hetzelfde, toen gingen zij met Winnetou heen en ik lag een tijd lang alleen tot eenige Apachen kwamen en mij wegdroegen, waarheen dat wist ik niet. Ik was te zwak de oogen nog weer op te slaan en terwijl zij mij wegbrachten viel ik in slaap.
Hoelang ik geslapen heb weet ik niet. Toen ik eindelijk ontwaakte viel het mij volstrekt niet moeielijk mijn oogen te openen en ik was lang niet meer zoo zwak als ik geweest was. Ik kon mijn tong weer een weinig bewegen en met mijn vinger in den mond komen om deze te reinigen van het geronnen bloed.
Tot mijn verbazing bevond ik mij in een soort van vierkant vertrek, welks wanden uit steenen muren bestonden. Het kreeg zijn licht door de ingangsopening die door geen deur was afgesloten. Mijn legerstede bevond zich in den achtersten hoek waar men verscheidene berenvellen op elkander had gestapeld, terwijl een mooie Indische deken over mij heen was gespreid. In den hoek naast de deur zaten twee Indiaansche vrouwen, een jonge en een oude. De oude was leelijk als de meeste oude, roode squaws, een gevolg van overwerken, want de vrouwen moeten alles, zelfs het zwaarste werk verrichten, terwijl de mannen alleen leven voor den oorlog en voor de jacht en den overigen tijd met nietsdoen doorbrengen. De jonge vrouw was mooi, heel mooi zelfs. Ware zij Europeesch gekleed geweest dan zou zij in elk salon bewondering hebben opgewekt. Zij droeg een lang, lichtblauw gewaad aan den hals gesloten en om het middel door een slangenhuid te zamen gebonden. Haar eenig sieraad was haar lang, prachtig haar dat in twee blauw-zwarte vlechten tot ver over de heupen neerviel. Dit haar herinnerde mij aan dat van Winnetou. Ook haar gelaatstrekken deden mij aan hem denken. Zij had dezelfde donkere, zachte oogen die onder de lange, zware wimpers verborgen lagen. Van de breede Indiaansche kakebeenen was niets bij haar te zien. De zachte, volle wangen vereenigden zich tot een kin, waarin een schalksch kuiltje. Zij sprak, zeker om mij niet te wekken, zacht met de oude vrouw en toen zij den mooi gevormden mond tot een glimlach plooide, blonken de witte tanden als ivoor tusschen de volle roode lippen. De fijngevormde neus had eerder op Grieksche, dan op Indiaansche afkomst kunnen wijzen. De kleur van haar huid was koper brons met een glans van zilver. Het meisje moest ongeveer achttien jaar zijn en ik zou een weddenschap hebben willen aangaan dat het een zuster van Winnetou was.
De beide vrouwen waren bezig een wit gelooide lederen gordel met roode stiksels en arabesken te versieren.
Ik richtte mij op, ja werkelijk, ik richtte mij op en dit viel mij niet zwaar, terwijl ik, voor ik was ingeslapen van zwakte nauwelijks de oogen had kunnen openen. De oude vrouw hoorde mij, keerde zich om en riep terwijl zij naar mij wees:
—Oef! Agnan tinta!
Dit beteekent: hij is wakker. Het jonge meisje stond onmiddellijk op en kwam naar mij toe.
—Gij zijt wakker geworden,—zeide zij tot mijn verbazing in tamelijk vloeiend Engelsch.—Verlangt gij iets?
Ik opende wel den mond om te antwoorden, maar sloot dien weer want ik wist dat ik niet kon spreken. Misschien evenwel zou het beter gaan wanneer ik opzat. Ik deed dit en nu kon ik zeggen:
—Ja.... ik heb zelfs.... veel te vragen.
Wat was ik blij dat ik mijn eigen stem weer hoorde! Zij klonk mij wel is waar wat vreemd, de woorden kwamen er stootend en piepend uit, maar het waren toch woorden, nadat ik drie weken lang niet in staat was geweest een lettergreep uit te spreken.
—Spreek zacht of spreek door gebaren,—zeide zij.—Nscho-tschi hoort dat het spreken u pijn doet.
—Nscho-tschi is uw naam?—vroeg ik.
—Ja.
—Dank dengeen, die u dien gegeven heeft. Gij kondt geen beteren naam dragen, want gij zijt als een mooie voorjaarsdag waarop de eerste bloemen des jaars beginnen te geuren.
Nscho-tschi beteekent namelijk: „mooie dag”.
Zij bloosde een weinig en vroeg:
—Vertel mij wat gij verlangt.
—Zeg mij eerst of gij misschien voor mij hier zijt.
—Ja, het is mij opgedragen u te verplegen.
—Wie heeft u dat opgedragen?
—Winnetou, mijn broeder.
—Ik dacht wel dat hij uw broeder was, gij gelijkt op dien jongen, dapperen krijgsman.
—Gij hebt hem willen dooden!
Dit klonk half als een verwijt, half als een vraag en zij zag mij daarbij zoo onderzoekend in de oogen, alsof zij in mijn hart wilde lezen.
—Neen, antwoordde ik.
—Hij meent het en houdt u voor zijn vijand. Gij hebt hem, dien nog niemand te voren heeft overwonnen, tweemaal verslagen.
—Eenmaal om hem te redden en eenmaal omdat hij mij wilde dooden. Ik had reeds genegenheid voor hem opgevat toen ik hem voor de eerste maal zag.
Wederom rustte haar blik langen tijd op mij, toen zeide zij:
—Hij gelooft u niet en ik ben zijn zuster. Hebt gij pijn in den mond?
—Nu niet meer.
—Zoudt gij niet kunnen slikken?
—Ik zou het wel eens willen beproeven. Moogt gij mij water te drinken geven?
—Ja en ook wel om te wasschen, ik zal het gaan halen.
Zij ging met de oude vrouw weg. Wat moest ik hiervan denken? Winnetou hield ons voor zijn vijanden, sloeg geen geloof aan onze verzekeringen van het tegendeel en gaf mij toch zijn eigen zuster tot verpleegster! De redenen daarvan zouden mij misschien later duidelijk worden.
Na eenigen tijd kwamen de beide vrouwen terug. De jongste had een soort bruin aarden nap in de hand, zooals de Pueblo-Indianen ze plegen te maken, vol helder koud water. Zij scheen mij nog te zwak te vinden om alleen te drinken en hielp mij dus. Het slikken deed mij pijn, veel pijn, maar het ging toch, het moest en in kleine slokjes en met lange tusschenpoozen dronk ik den nap leeg. Hoe verkwikte mij dit! Nscho-tschi scheen mij dit aan te zien, want zij zeide:
—Dat heeft u goedgedaan, ik zal u straks nog wat anders brengen. Gij zult wel veel honger en dorst hebben. Wilt gij u wasschen?
—Zou ik het kunnen?
—Probeer het.
De oude vrouw had een uitgeholde kalebas vol water meegebracht. Nscho-tschi zette dit naast mijn bed neer en gaf mij een uit fijne, zachte weefsels gevlochten handdoek. Ik probeerde mij te wasschen maar het ging niet, ik was te zwak. Nu doopte zij een tip van den doek in het water en begon mijn gezicht en handen te reinigen, mij, den vermeenden doodsvijand van haar broeder en haar vader. Toen zij gereed was, vroeg zij mij met een zachten maar medelijdenden glimlach:
—Zijt gij altijd zoo mager geweest als nu?
Mager? Daaraan had ik nog in ’t geheel niet gedacht! Drie weken lang wondkoorts en verstijvingskramp en in al dien tijd geen eten en drinken! Dat kon natuurlijk niet zonder uitwerking blijven! Ik bevoelde mijn wangen en antwoordde toen:
—Ik ben nooit mager geweest!
—Bekijk dan nu eens uw gezicht in het water!
Ik zag in de kalebas en week verschrikt achteruit, want ik zag in het water het beeld van een skelet, een spook!
—Wat een wonder, dat ik nog leef!—riep ik uit.
—Ja, dat zeide Winnetou ook. Gij hebt zelfs den langen rit naar hier doorstaan. De Groote, Goede Geest heeft u een buitengewoon sterk lichaam gegeven, want een ander zou het geen vijf dagen hebben volgehouden.
—Vijf dagen? Waar zijn wij dan nu?
—In onzen Pueblo (steenen bouwwerken der Indianen) aan de Rio Pecos.
—Zijn al uw krijgers, die ons gevangen namen hierheen teruggekeerd?
—Ja, allen, zij wonen in de nabijheid van de Pueblo.
—En zijn de gevangen Kiowa’s ook hier?
—Zij ook. Eigenlijk moesten zij gedood worden. Ieder andere stam zou hen dood martelen, maar de goede Kleki-Petra is onze leermeester geweest en heeft ons verteld van de goedheid van den Grooten Geest. Als de Kiowa’s de boete betalen, mogen zij huiswaarts keeren.
—En mijn drie vrienden? weet gij ook, waar zij zijn.
—Zij zijn in een soortgelijke ruimte als deze, maar daar is geen licht en zij zijn gebonden.
—Hoe gaat het hen?
—Zij lijden geen gebrek, want wie aan den folterpaal sterven zal, moet krachtig en sterk zijn, opdat hij het lang kan volhouden anders is het geen straf voor hem.
—Dus moeten zij sterven—werkelijk sterven?
—Ja.
—Ik ook?
—Gij ook.
In den toon waarop zij dit zeide, lag geen zweem van medelijden. Was dat mooie meisje zóó gevoelloos, dat de pijnlijke dood, dien wij zouden ondergaan haar geheel onverschillig liet?
—Zeg mij, of ik hen misschien nog eens mag spreken.
—Dat is verboden.
—Mag ik hen ook niet zien, zelfs niet uit de verte?
—Ook dat niet.
—Mag ik hun dan een boodschap zenden?
—Dat evenmin.
—Hun niet laten weten hoe het met mij gaat?
Zij bedacht zich een oogenblik en antwoordde toen:
—Ik zal Winnetou, mijn broeder vragen of ik hun van tijd tot tijd bericht mag zenden hoe het u gaat!
—Komt Winnetou niet eens bij mij?
—Neen.
—Maar ik moet hem spreken.
—Hij u niet.
—Wat ik hem te zeggen heb is van zeer veel gewicht.
—Voor hem?
—Voor mij en mijn kameraden.
—Hij zal niet komen, maar ik kan het hem zeggen als het ten minste iets is, dat gij mij kunt toevertrouwen.
—Neen, ik dank u! Ik zou het u wel kunnen zeggen, ik zou u alles wel kunnen toevertrouwen, maar als hij te trotsch is met mij te komen spreken, dan ben ik op mijn beurt te trotsch om door tusschenkomst van een derde met hem te spreken.
—Gij zult hem niet eerder zien, dan op den dag van uw dood. Wij gaan nu heen. Als gij iets noodig hebt, geef dan een teeken. Wij hooren dit wel en dan zal er onmiddellijk iemand bij u komen.
Zij haalde een klein steenen fluitje uit haar zak en gaf het mij, toen verwijderde zij zich met de oude vrouw.