Chapter 9 of 43 · 3995 words · ~20 min read

Part 9

Hij vouwde de handen... nog een bloedgolf uit de wonde en zijn hoofd zonk achterover... hij was dood!

Hij had gewenscht, voor Winnetou te kunnen sterven; hoe spoedig was deze wensch vervuld geworden! Dit was de laatste boete geweest, welke hij kon brengen. God is Liefde en Barmhartigheid. Hij vergeeft den zondaren.

Winnetou legde het hoofd van den doode op het gras, stond langzaam op en zag zijn vader vragend aan.

—Daar ligt de moordenaar, ik heb hem op den grond geworpen,—zeide ik;—doe met hem wat ge wilt.

—Vuurwater!

Dit was het eenige korte antwoord, dat het opperhoofd mij gaf, maar op welk een bitter minachtenden toon werd dat uitgesproken.

—Ik wil uw vriend zijn, uw broeder, ik ga met u!—klonk het uit mijn mond.

Toen spuwde hij mij in ’t gezicht en zeide:

—Schurftige hond, dief, stinkende coyote, als gij het waagt ons te volgen, verpletter ik u!

Had een ander mij dat gezegd, ik zou hem met de vuist hebben geantwoord. Waarom deed ik het nu niet? Had ik, als indringer, deze tuchtiging verdiend? Ik weet het niet, ik liet mij deze woorden welgevallen; mij echter nogmaals aanbieden, kon ik toch ook niet.

De blanken stonden allen zwijgend daarbij, vol spanning wat de Apachen nu zouden doen. Deze verwaardigden ons echter met geen enkelen blik. Zij tilden het lijk op het paard en bonden het vast, toen stegen zij zelf in den zadel en reden langzaam weg. Geen woord van wraak of bedreiging kwam over hun lippen, zij keerden zelfs het hoofd niet naar ons om, maar juist dit stilzwijgen was zoo onheilspellend.

—Dit was verschrikkelijk en kan nog verschrikkelijker worden!—zeide Sam Hawkins.—Daarginds ligt de schurk, nog bewusteloos van uw slag, wat moeten wij met hem doen?

Ik gaf geen antwoord, ik zadelde mijn paard en reed weg; ik moest alleen zijn na dit vreeselijke uur.—Het was reeds laat in den avond, toen ik moe en afgemat, geestelijk en lichamelijk geheel verslagen, in de legerplaats terugkwam.

HOOFDSTUK III.

WINNETOU GEVANGEN.

Gedurende mijn afwezigheid was de legerplaats verlegd tot bij de plaats, waar de beer was gevallen. Dit was gebeurd, omdat het dier zoo zwaar was, dat tien sterke mannen al hun krachten hadden moeten inspannen, om het doode dier uit het kreupelhout naar het in de vlakte brandend vuur te sleepen.

Ondanks het vergevorderde uur waren, behalve Rattler, allen nog wakker. Deze laatste sliep zijn roes uit en was als een zak meegesleept en in het gras neergelegd. Sam had den beer gestroopt maar het vleesch onaangeroerd laten liggen. Toen ik was afgestegen en op hem toetrad, zeide hij:

—Maar waarom zwerft gij toch rond, sir? Wij hebben met verlangen op u gewacht, omdat wij het berenvleesch zoo graag wilden proeven en het toch niet zonder u konden aansnijden. Ik heb hem maar vast de jas uitgetrokken, nu, die sloot hem zoo nauw om ’t lijf dat er geen plooitje in was, hihihihi! Dat mocht ik toch wel doen, niet waar? En zeg nu maar gauw, hoe ’t vleesch moet worden verdeeld, wij willen vóór wij gaan slapen, een stukje er van braden.

—Verdeel gij het maar,—antwoordde ik,—het vleesch behoort ons allen te zamen.

—Goed, dan zal ik u iets zeggen. De klauwen zijn het lekkerst, er is niets wat boven berenklauwen gaat. Zij moeten echter een poosje liggen, het lekkerst zijn zij eigenlijk als de maden er reeds uitkomen. Maar tot zoolang kunnen wij niet wachten, want ik vrees, dat de Apachen wel spoedig zullen komen en ons den eetlust benemen. Daarom willen wij er vandaag maar van smullen, als gij er ten minste niets tegen hebt, sir?

—Wel neen.

—Komaan dan, mijn eetlust is groot genoeg.

Hij nam de klauwen en deelde ze in zoovele deelen als er personen waren. Ik kreeg het beste stuk van een voorpoot, maar legde het op zijde, terwijl de anderen zich haastten hun porties naar het vuur te brengen. Ik had wel honger, maar geen eetlust, hoe tegenstrijdig dit ook moge klinken. Tengevolge van den langen rit voelde ik wel behoefte voedsel tot mij te nemen, maar het was mij onmogelijk te eten. Ik kon dit moordtooneel maar niet vergeten. Ik zag mij steeds weer naast Kleki-Petra zitten, ik hoorde zijn bekentenissen, die mij nu een soort biecht toeschenen en moest steeds weer aan zijn slotwoorden denken, welke hem schenen te zijn ingegeven door een voorgevoel van den naderenden dood. Ja, het blad zijns levens was niet zacht afgevallen, het was met geweld afgescheurd, en door welk een mensch en om welk een reden! Daar lag de moordenaar, nog steeds dronken. Ik had hem wel kunnen doodschieten, als ik niet zulk een afschuw van hem had gehad. Dit gevoel van afschuw was het ook zeker, dat de Apachen gedwongen had, hem zoo ongestraft te laten liggen.

„Vuurwater!” had Intschu Tschuna op verachtelijken toon gezegd; welke aanklachten, welke verwijten lagen in dit ééne woord opgesloten!

Als er iets was, dat mij troost kon geven, dan was het dit, dat Kleki-Petra in Winnetou’s armen was gestorven, dat zijn hart den voor Winnetou bestemden kogel had opgevangen, want dat was immers zijn laatste wensch geweest. Maar het verzoek aan mij, om bij Winnetou te blijven en zijn werk te voltooien? Waarom had hij dit gedaan? Slechts weinige minuten van te voren had hij gemeend, dat wij elkander wel nooit zouden terugzien, en nu legde hij mij plotseling de taak op, mij in betrekking te stellen met dezen stam der Apachen? Was deze wensch een toevallig, los daarheen geworpen woord? Of is het den stervende vergund, in zijn laatste oogenblikken een blik in de toekomst te werpen? Bijna zou ik zeggen, dat dit zoo was, want het is mij later mogelijk geworden zijn wensch te vervullen, hoewel het op dat oogenblik den schijn had, alsof een ontmoeting met de Apachen slechts tot mijn verderf kon leiden.

Waarom had ik eigenlijk den stervende zoo spoedig mijn woord nog gegeven? Uit medelijden? Ja, waarschijnlijk. Of was er misschien een andere reden, hoewel ik mij daarvan toen niet bewust was.

Winnetou had een diepen indruk op mij gemaakt; hij was even jong als ik en stond zoover boven mij, ik had dit dadelijk opgemerkt. Hoe ernstig en fier zagen zijn zachte oogen rond, hoe rustig en zeker was zijn houding, was elke beweging. En daarbij die trek van diep verborgen leed op dat schoone, jeugdige, maar weemoedige gelaat? Hoe eerbiedwekkend was zijn gedrag en dat van zijn vader. Andere menschen, ’t zij blank of rood van huid, zouden zich op den moordenaar hebben geworpen en hem hebben gedood; deze beiden hadden hem met geen blik verwaardigd, en geen spier van hun gelaat verried, wat er in hen omging. Wat waren wij toch voor menschen, bij hen vergeleken! Ik zat hierover na te denken, terwijl de anderen zich het vleesch goed lieten smaken, tot Sam Hawkins mij uit mijn gepeins wekte:

—Wat hebt gij toch, sir? Hebt gij geen honger?

—Ik eet niet!

—Zoo! houdt gij liever nabetrachtingen? Ik zeg u, dat gij u dat niet moet aanwennen. Ook ik erger mij geweldig, over wat er is voorgevallen, maar een prairieman moet aan zulke dingen wennen. Bedenk dat de bodem, waarop gij thans leeft, geheel met bloed is gedrenkt, en wie zoo gevoelig is, dat hij dit niet ruiken kan, moet thuis blijven en suikerwater drinken. Neem die geschiedenis niet zoo zwaar op, en geef uw berenklauw hier, ik zal hem voor u braden!

—Dank u, Sam, ik eet werkelijk niet. Zijt gij ’t al samen eens, wat er met Rattler zal gebeuren?

—Wij hebben er wel over gesproken.

—Welnu, wat zal zijn straf zijn?

—Straf? meent gij, dat wij hem moeten straffen?

—Ja, natuurlijk.

—Zoo, en hoe meent gij, dat wij dit moeten doen? Moeten wij hem naar San Francisco, New-York of Washington brengen en daar als moordenaar aanklagen?

—Onzin! Wij hebben over hem te oordeelen, hij is aan de wetten der prairiën onderworpen.

—Wel ja, wat weet zulk een „greenhorn” van de wetten van ’t Westen! Zijt gij uit Duitschland overgekomen, om hier voor rechter te spelen? Was deze Kleki-Petra een bloedverwant of goede vriend van u?

—Neen, in ’t geheel niet.

—Dat is ’t nu juist. Ja, de Far-West heeft zijn vaste, eigenaardige wetten. Zij verlangt: oog om oog, en tand om tand, bloed voor bloed. Is er een moord gebeurd, dan kan hij, die daartoe het recht heeft, den moordenaar dooden of er wordt een jury benoemd die het vonnis velt, dat dan ook onmiddellijk wordt voltrokken. Op deze wijze ontdoet men zich van de slechte elementen, welke anders de eerlijke jagers boven ’t hoofd zouden groeien.

—Welnu, laat ons dan een jury vormen.

—Daartoe is eerst een aanklager noodig.

—Welnu, die ben ik.

—Met welk recht?

—Als mensch, die niet kan toestaan, dat zulk een misdaad ongestraft blijft.

—Zoo, nu spreekt gij, evenals een „greenhorn” spreekt. Gij kunt slechts in twee gevallen als aanklager optreden. Ten eerste, wanneer de vermoorde uw bloedverwant of vriend is, en gij hebt reeds gezegd, dat dit niet het geval was, ten tweede kunt gij ook dan als aanklager optreden, wanneer gij zelf de vermoorde zijt, hihihihi! Zijt gij dat?

—Sam, de zaak is veel te ernstig, om mee te spotten.

—Weet ik wel, ik wilde dit er ook maar volledigheidshalve bijvoegen, omdat, wanneer er een misdaad is gebeurd, de aangerande natuurlijk het eerste en grootste recht bezit, te straffen. Gij kunt dus geen aanklager zijn en wij evenmin. Waar evenwel geen aanklager is, daar is ook geen rechter, wij hebben dus geen recht een jury samen te stellen.

—Dus moet Rattler ongestraft blijven?

—Geen sprake van, wind u maar niet zoo op! Ik geef u mijn woord, dat de straf hem zal treffen, zoo zeker als een kogel uit mijn Liddy het doel treft. De Apachen zullen daarvoor wel zorgen.

—En wij zullen met hem moeten boeten.

—Zeer waarschijnlijk, maar meent gij, dat wij dit kunnen verhinderen, door Rattler te dooden? Meegevangen, meegehangen. De Apachen zien niet hem alleen, maar ons allen voor de moordenaars aan en zullen ons ook als zoodanig behandelen, indien wij in hun handen vallen.

—En als hij niet meer bij ons is?

—Dat doet er niets toe; zij schieten ons neer, zonder te vragen of hij bij ons is of niet, en bovendien, waar zoudt ge hem willen brengen?

—Hem wegjagen.

—Ja, wij hebben daarover ook reeds gesproken, maar zijn tot het besluit gekomen, dat wij ten eerste geen recht hebben, hem weg te jagen en al hadden wij dit, zoo moeten wij het toch uit voorzichtigheid nalaten.

—Maar Sam, ik begrijp u niet. Als iemand mij niet bevalt, scheid ik van hem! En dan een moordenaar, zijn wij gedwongen zulk een schurk, die daarbij nog een dronkaard is en ons telkens in ongelegenheid kan brengen, nog langer in ons gezelschap te dulden?

—Ja zeker, dat zijn wij, helaas, Rattler is evengoed als ik, Stone en Parker, aangenomen en alleen degenen, die hem bezoldigen, kunnen hem ontslaan. Wij moeten ons aan dit voorschrift houden.

—Aan dit voorschrift houden tegenover een mensch, die dag aan dag de goddelijke en menschelijke wetten met voeten treedt?

—’t Is toch zoo; wat gij zegt is alles waar, maar men mag geen fout begaan, omdat een ander een misdaad heeft bedreven. Ik zeg u, de overheid moet rechtvaardig blijven en wij, die in de wildernis voor rechters moeten fungeeren, moeten het recht hoog houden. Maar, dat daargelaten, zou ik u toch wel eens willen vragen, wat Rattler zou doen, wanneer hij door ons werd weggejaagd?

—Dat is zijn zaak!

—Maar ook de onze! Wij zouden ons elk oogenblik in gevaar bevinden, daar hij zich zeer waarschijnlijk op ons zou trachten te wreken. Het is beter hem onder ons toezicht te houden, dan dat wij hem wegjagen en hij voortdurend om ons heen sluipt en een van ons onverhoeds een kogel door den kop jaagt; me dunkt, dat zult ge wel met mij eens zijn.

Hij zag mij daarbij aan met een blik, dien ik zeer goed begreep, want hij knipoogde naar den kant, waar Rattler’s kameraden zaten. Wanneer wij tegen den een optraden, zoo was het te denken, dat de anderen gemeene zaak met hem maakten. Ik antwoordde daarom ook:

—Ja, nu gij mij de zaak zoo hebt uitgelegd, zie ik wel in, dat wij beter doen alles op zijn beloop te laten. Alleen maak ik mij wel wat bezorgd over de Apachen, want er is geen twijfel aan, of zij komen terug om zich te wreken.

—Zij zullen komen en wel des te zekerder, omdat zij geen bedreiging hebben gedaan. Zij hebben zich niet alleen zeer trotsch, maar ook zeer verstandig gedragen. Zij hebben zich beheerscht en zijn weggereden zonder een vinger tegen ons op te heffen. Des te zekerder echter zullen zij terugkeeren, om ons allen in handen te krijgen. Gelukt hun dat, dan kunnen wij ons voorbereiden op een gruwelijken dood, want deze Kleki-Petra stond bij hen hoog in aanzien en zijn dood eischt een geduchte wraak.

—En dit alles om dien dronkaard! Zouden zij in grooten getale komen?

—Natuurlijk, ’t is nu de vraag, wanneer zij komen. Wij zouden wel tijd genoeg hebben om te vluchten, maar dan moesten wij alles in den steek laten en ons werk niet ten einde brengen.

—Dat moeten wij zoo mogelijk vermijden.

—Wanneer zoudt gij gereed kunnen zijn, als gij u haast?

—In vijf dagen.

—Hm. Voor zoover ik weet, is hier in de nabijheid geen legerplaats der Apachen; ik zou de eerste Mescaleros drie dagreizen van hier zoeken. Als ik mij niet vergis hebben Intschu Tschuna en Winnetou, omdat zij het lijk met zich voeren, vier dagen werk voor zij hulp kunnen krijgen, dan drie dagen naar hier terug, dat is zeven en daar gij meent in vijf dagen klaar te kunnen komen, geloof ik, dat wij ’t wel kunnen wagen voort te gaan met onze opmetingen.

—En als uw berekening nu eens valsch bleek te zijn? Het is immers mogelijk dat de beide Apachen het lijk eerst voorloopig in veiligheid brengen en dan terugkomen om uit een hinderlaag op ons te schieten? Ook is het mogelijk, dat zij veel eerder hun stamgenooten ontmoeten, ja eigenlijk ligt het voor de hand, dat er van hun vrienden in de buurt zijn, want het zou mij toch zeer verwonderen, dat twee Indianen en nog wel opperhoofden, zich zonder eenige begeleiding zoover van hun makkers zouden begeven. Bovendien is het de tijd van de buffeljacht en dan trekken de Indianen dezen kant uit.

Sam Hawkins kneep een van zijn beide kleine oogjes toe, trok een scheef gezicht en riep:

—Good lack, wat zijt gij toch verstandig en wijs! Waarachtig tegenwoordig zijn de kuikentjes wijzer dan de oude hen, als ik mij niet vergis. Maar om u de waarheid te zeggen, wat gij daar hebt verkondigd, is niet zoo gek. Gij hebt gelijk, wij moeten oogen en ooren open hebben. ’t Is noodzakelijk te weten, waar de beide Apachen zijn heengegaan. Ik zal hen dus bij ’t aanbreken van den dag achterna rijden.

—Ik ga mee,—zeide Willy Parker.

—Ik ook verklaarde Stone.

Sam Hawkins dacht een oogenblik na en zeide:

—Gij blijft hier, gij kunt hier niet gemist worden, begrepen?

Hij zag daarbij even naar Rattler’s kameraden en werkelijk, hij had gelijk. Wanneer deze onbetrouwbare menschen alleen bij ons bleven, konden er, wanneer Rattler ontwaakte, minder aangename tooneelen voorvallen. Het was daarom beter, dat Stone en Parker hier bleven.

—Maar gij kunt toch niet alleen gaan?—zeide de laatste.

—Ik zou het best durven wagen, maar ik wil niet,—hernam Sam.—Ik zal zelf een geleider uitzoeken.

—Wien dan?

—Dien „greenhorn” daar.

—Neen, die kan niet mee—viel de hoofdingenieur in.

—Waarom, niet, Mr. Bancroft?

—Omdat ik hem noodig heb.

—Waarvoor, als ik vragen mag?

—Voor ’t werk natuurlijk, als wij in vijf dagen klaar zullen zijn, moeten wij al onze krachten inspannen, ik kan geen enkelen man missen.

—Ja, alle krachten inspannen. Tot nu toe hebt gij dat niet gedaan, integendeel, één heeft voor u allemaal alleen moeten werken, nu moet gij allen eens werken voor hem.

—Mr. Hawkins, wilt gij mij soms de wet voorschrijven?

—Ik denk er niet aan. Een opmerking is nog lang geen wet.

—Gij zeidet het toch op een gebiedenden toon.

—’t Kan zijn, maar dat doet er niet toe. En wat uw werk betreft, ’t zal wel niet zooveel verschil maken, of er morgen vier of vijf werken. Ik had er juist een bepaald doel mee om dezen jongen „greenhorn”, ook wel Shatterhand genoemd, mee te nemen.

—Mag ik vragen, welk doel?

—Waarom niet? Hij moet leeren hoe men Indianen besluipt, ’t zal hem waarschijnlijk te pas komen, een spoor goed te kunnen lezen.

—Maar dit geeft mij niets.

—Dat weet ik wel, maar er is nog iets anders. De weg, dien ik volgen moet is gevaarlijk en daarom is ’t goed zoowel voor mij als voor u, dat ik iemand bij mij heb, die zoo sterk is als deze „greenhorn” en die met zijn berendooder zoo buitengewoon goed kan schieten.

—Ik zie werkelijk niet in, wat mij dat zal helpen.

—Niet? Nu, dat verwondert mij, gij zijt toch anders nog wel een slimme gast,—antwoordde Sam op half spottenden toon.—Wel, als ik nu eens vijanden ontmoet, die hier heen willen en mijn levenslampje uitblazen? Wie zal u waarschuwen, voor ’t gevaar, dat u dreigt? Gij wordt overvallen en allen zonder pardon omgebracht. Heb ik evenwel dezen „greenhorn” bij mij, die met zijn kleine dameshandjes den sterksten kerel op den grond werpt, dan komen wij waarschijnlijk met den schrik vrij. Begrijpt gij dat?

—Hm, ja.

—En dan nog ’t voornaamste, hij moet morgen niet hier wezen als Rattler zijn roes heeft uitgeslapen, gij weet, dat die kerel ’t juist op hem gemunt heeft en ik vrees, dat hij zich morgen zal willen wreken op mijn jongen vriend, die hem zoo netjes op den grond heeft doen tuimelen. Daarom moet de een, dien ik niet kan gebruiken, hier bij u blijven en neem ik den andere mee. Hebt gij er nu nog iets tegen?

—Neen, laat hem meegaan.

—Ziezoo, wij zijn het dus eens,—en terwijl hij zich tot mij wendde, voegde hij er bij:—gij hebt gehoord wat u morgen waarschijnlijk wacht, het kan best mogelijk zijn dat wij geen oogenblik tijd kunnen vinden om te eten of te rusten, daarom vraag ik u nog eens of gij niet eens een klein stukje van uw heerlijken berenklauw wilt proeven.

—Nu, ik zal het dan maar eens probeeren.

—Goed zoo, probeer het eens, dan weet ik ’t overige wel, hihihihi! Als men den smaak eerst maar beet heeft, scheidt men niet weer uit voor er geen stukje meer over is. Geef het vleesch hier, ik zal ’t voor u braden, zoo’n „greenhorn” heeft daar geen verstand van. Pas goed op, dan kunt ge ’t leeren.

De goede Sam had werkelijk gelijk, nauwelijks had ik, toen het vleesch gereed was, een klein stukje daarvan geproefd, of mijn eetlust keerde terug, ik vergat voor een oogenblik wat mij zooeven had bezwaard en ik at, ik at werkelijk tot er niets meer over was.

—Ziet ge wel!—lachte Sam,—het is werkelijk veel aangenamer een Grizzlybeer te eten dan te dooden, dat hebt ge nu wel gezien. Nu zullen we nog een paar flinke stukken van de ham afsnijden en die nog vanavond braden, opdat we morgen proviand hebben, want op zulke verkenningstochten heeft men gewoonlijk geen tijd en gelegenheid eenig wild te schieten en in elk geval mag men geen vuur aanmaken, om het te braden. Gij gaat echter nu op één oor liggen en slaapt maar flink, want wij vertrekken morgen met het aanbreken van den dag en zullen wel al onze krachten noodig hebben.

—Goed, ik zal gaan slapen, maar zeg mij eerst eens welk paard ge zult berijden.

—Welk paard? Geen paard.

—Wat dan?

—Welk een vraag! Denkt ge dat ik op een krokodil of op een anderen vogel kan gaan zitten? Natuurlijk zal ik mijn muildier, mijn nieuwe Mary berijden.

—Dat zou ik toch niet doen.

—Waarom niet?

—Gij kent haar nog zoo weinig.

—Maar zij kent mij goed genoeg. Zij heeft een geducht respect voor mij, hihihihi.

—Maar bij een rit zooals wij morgen zullen doen, moet men zeer voorzichtig zijn en alles vooruit bedenken. Een paard, dat men niet kan vertrouwen, kan alles bederven.

—Zoo? werkelijk? lachte hij.

—Ja,—hernam ik,—ik weet, dat het snuiven van een paard zijn berijder het leven kan kosten.

—Zoo, weet ge dat? Knappe kerel, die gij zijt.—Hebt ge dat soms ook gelezen, sir?

—Ja.

—Dat dacht ik wel, ’t moet toch werkelijk interessant zijn, zulke boeken te lezen; als ik niet een prairiejager was, zou ik naar ’t Oosten trekken, daar recht genoeglijk op de canapé gaan zitten en dergelijke Indianengeschiedenissen lezen. Ik geloof, dat men daarbij dik en vet kan worden, hoewel men de berenklauwen slechts op ’t papier krijgt te proeven. Ik zou wel eens willen weten, of die brave heeren, die zulke dingen schrijven, werkelijk den ouden Mississippi over zijn geweest.

—De meesten van hen, zeker.

—Zoo meent gij?

—Ja.

—Ik geloof het niet, ik heb alle reden, daaraan te twijfelen.

—En welke reden dan?

—Ik zal ’t u zeggen, sir. Ik heb vroeger ook kunnen schrijven, maar ik ben het geheel verleerd, zoodat ik nu nauwelijks mijn naam nog kan krabbelen. Een hand, die zoolang den teugel heeft gevoerd en zoo dikwijls de lasso heeft weggeslingerd, geweer en mes heeft gebruikt, is niet meer geschikt, om allerlei letters op papier te teekenen. Wie een goed prairieman is geweest, heeft het schrijven verleerd, en wie dit niet is, moet niet schrijven over dingen, waarvan hij niets afweet.

—Hm. Men behoeft toch niet, om een boek over ’t Westen te schrijven, er zoolang te blijven, tot men geen gevoel meer in zijn vingers heeft?

—Zeker, sir. Ik heb u zooeven reeds gezegd, dat alleen een echt prairiejager goed en naar waarheid zou kunnen schrijven en zoo iemand komt daar nooit toe.

—Waarom niet?

—Omdat hij ’t nooit in ’t hoofd zou krijgen, het Westen, waar geen inktpotten zijn, te verlaten. De prairie is de zee, zij laat dengene, die haar lief heeft gekregen, nooit weer los. Dat meen ik nu eenmaal en ik geloof, dat ik gelijk heb.

—Neen, dat hebt ge niet, want ik ken iemand, die het Westen lief heeft gekregen en een flink prairiejager wil worden en toch zoo nu en dan naar de beschaafde wereld wil teruggaan, om over ’t Westen te schrijven.

—Zoo? en wie is dat?—vroeg hij, terwijl hij mij nieuwsgierig aankeek.

—Dat kunt ge, dunkt me, wel raden.

—Raden, ik? Zou ’t mogelijk zijn, dat ge u zelf daarmee bedoelt?

—Ja.

—Alle drommels, behoort gij tot die boekenwormen?

—Als gij ze zoo wilt noemen.

—Laat dat sir, laat dat schrijven, ik verzoek het u dringend, gij zult daarbij te gronde gaan. Weet ge dan niet, wat leven u dan te wachten staat?

—Zeker wel.

—Nu?

—Ik maak reizen, om landen en volken te leeren kennen en keer van tijd tot tijd naar mijn vaderland terug om mijn ervaringen ongestoord neer te schrijven.

—Maar waarvoor in vredes naam? ik kan dat niet inzien.

—Om mijn lezers iets te leeren en zelf bovendien geld te verdienen.

—Zounds! De lezers te leeren! en geld verdienen, gij zijt een dwaas, sir! Uw lezers kunnen niets van u leeren, gij weet immers zelf niets! Ik verzeker u, dat gij geen enkelen lezer zult vinden, hoe komt gij er bij. Zoo’n „greenhorn” zal zijn lezers iets leeren! Zijn er dan geen schoolmeesters genoeg? wilt gij hun aantal nog vermeerderen?

—Hoor eens, Sam, een schoolmeester heeft een zeer gewichtige taak!

—Gekheid! zijn taak is niet half zoo gewichtig als die van een prairiejager, dat weet ik nu beter dan gij, die hier pas komt kijken! En dan wilt ge nog geld verdienen bovendien! Wat een dwaasheid, wat een groote dwaasheid! Wat kost zulk een boek, zooals gij wilt schrijven?

—Een, twee, drie dollars, al naar de grootte!