Chapter 12 of 43 · 3990 words · ~20 min read

Part 12

Hij vertelde hun nu van onze opmetingen, van het doel, waarmee deze geschiedden, van de ontmoeting met de beide Apachen en voegde er toen bij:

—Ik verwonderde mij de beide opperhoofden alleen te zien en dacht, dat zij op de buffeljacht waren en van hun krijgers waren afgedwaald, maar nu weet ik wat zij wilden. De beide Apachen zijn bij u geweest en dat zij dezen tocht zelf hebben gedaan, is een zeker bewijs, dat zij de zaak zeer ernstig opnemen. Nu zijn zij thuis. Winnetou kan slechts langzaam vooruitkomen, daar hij het lijk van Kleki-Petra meevoert; Intschu Tschuna is vooruitgereden en zal, wanneer het moet, zijn paard doodrijden, om zijn krijgers zoo spoedig mogelijk te verzamelen.

—Daarom juist moet ik mijn opperhoofd onmiddellijk gaan waarschuwen.

—Mijn broeder moet mij laten uitspreken. De Apachen dorsten naar wraak, maar niet alleen naar wraak op u, maar ook op ons, om den moord op Kleki-Petra begaan. Zij zullen een groote schare naar u en een kleinere naar ons zenden en bij deze laatste zullen zich ongetwijfeld het opperhoofd en zijn zoon bevinden. Wanneer hij met ons heeft afgerekend, zal hij zich bij de anderen aansluiten. Gij rijdt, nadat ik u onze legerplaats heb gewezen, naar uw hoofdman en vertelt hem alles, wat ik u gezegd heb. Dan komt gij met uw twee honderd krijgers bij ons, om Intschu Tschuna met zijn kleine schaar op te wachten en gevangen te nemen. Hij zal niet meer dan vijftig man meenemen. Gij zijt tweehonderd sterk, wij blanken tellen twintig man en zullen u natuurlijk helpen, het zal u dus zeer gemakkelijk vallen, de Apachen te overwinnen. Als gij de beide opperhoofden in handen hebt, kunt gij verlangen en eischen wat gij maar wilt. Ziet mijn broeder dit wel in?

—Ja, het plan van mijn broeder Sam is zeer goed overlegd, als het opperhoofd dit hoort, zal hij zeker daarmee instemmen.

—Laat ons dan nu opbreken, opdat wij nog voor den nacht de legerplaats bereiken.

Wij bestegen onze paarden, die voldoende uitgerust waren en vlogen in galop weg. Ditmaal wachtten wij ons wel, hetzelfde spoor te volgen, wij reden rechtuit en vermeden dus de omwegen.

Ik moet eerlijk zeggen, dat ik werkelijk niet gesticht was over Sam’s gedrag; integendeel, ik ergerde mij zeer. Winnetou, de edele Winnetou zou met zijn schaar van vijftig krijgers in een hinderlaag worden gelokt! Als dat gelukte waren zij immers verloren! Hoe had Sam Hawkins daartoe kunnen meewerken! Hij wist immers, dat ik van den jongen man was gaan houden en ik wist van hem, dat ook hij hem niet ongenegen was. Al mijn pogingen om onderweg met hem te spreken waren tevergeefs. Ik wilde hem tot andere gedachten brengen, maar hij scheen dit te begrijpen en week niet van de zijde van den aanvoerder. Dit maakte mij nog boozer en als ik ooit in een slechte luim ben geweest, dan was het dien dag, toen wij tegen den avond in de legerplaats aankwamen. Ik steeg van mijn paard, en ging mismoedig in het gras liggen, want ik zag in, dat ik Sam dien avond niet te spreken zou krijgen. Hij stoorde zich in ’t geheel niet aan mij en vertelde aan mijn kameraden, waar en hoe wij de Kiowa’s hadden ontmoet en wat er nu zou gebeuren. Eerst schrokken de blanken eenigszins bij ’t gezicht van de Indianen, maar zij verheugden zich ten zeerste, toen zij hoorden, dat deze onze vrienden en bondgenooten waren en wij niet bevreesd behoefden te zijn voor de komst der Apachen. Wij konden door de tweehonderd Kiowa’s beschermd, kalm ons werk afmaken en overtuigd zijn, dat ons niets zou overkomen.

De Kiowa’s werden onthaald op berenvleesch en reden daarna weg. Eerst toen zij vertrokken waren, kwam Sam naar mij toe en zeide op zijn gewonen, bedaarden toon:

—Gij ziet er vanavond niet bijzonder opgewekt uit, sir. Hebt gij iets op uw hart?

—Zeker,—antwoordde ik niet zeer vriendelijk.

—Zeg mij dan wat het is, misschien kan ik u helpen.

—Ik wilde, dat gij dat kondet, Sam, maar ik betwijfel het.

—Ik kan u helpen, zeker ik kan, wees maar gerust.

—Zeg mij dan eens, Sam, hoe Winnetou u is bevallen?

—Uitmuntend, u toch ook.

—En gij wilt hem in ’t verderf storten. Hoe rijmt ge dat?

—In ’t verderf? Ik, hem? Dat is mij geen oogenblik ingevallen.

—Maar hij zal gevangen genomen worden.

—Zeker.

—En dat zal toch zijn ondergang zijn.

—Maak u toch niet ongerust, sir. Ik houd zooveel van Winnetou, dat ik mijn leven voor hem zou wagen.

—Waarom lokt gij hem dan in een hinderlaag?

—Om ons zelf tegen hem en zijn Apachen te verweren.

—En verder?

—Verder, hm! Gij zoudt dezen jongen Apache gaarne onder uw bescherming nemen, sir?

—Ik zou dit niet alleen willen, maar ik zal het ook werkelijk doen. Als hij gevangen wordt genomen, zal ik hem bevrijden, en als ’t moet voor hem strijden ook, dat zeg ik u eerlijk.

—Zoo? Zult gij dat doen? Werkelijk?

—Ja, ik heb het aan een stervende beloofd en zulk een belofte is mij, die zelfs nooit een eenvoudige afspraak vergeet, zoo heilig als een eed.

—Dat verheugt mij, dat verheugt mij zeer, wij denken er geheel gelijk over.

—Maar—vervolgde ik eenigszins ongeduldig,—zeg mij dan hoe uw mooie praatjes overeen te brengen zijn met uw slechte voornemens!

—Zoudt gij dat willen weten? Hm, ja de oude Sam heeft wel gemerkt, dat gij onderweg graag een woordje met hem wildet spreken. Dat mocht echter niet, want dan zou mijn geheele plan in duigen zijn gevallen. Ik meen het heel anders, dan gij denkt, maar ik wil niet iedereen in de kaart laten zien, hihihihi! U kan ik alles wel vertellen en Dick Stone en Parker ook wel, als ik mij niet vergis. Wat ik dus zeggen wil, is dit: als ik Intschu Tschuna goed ken, is hij niet alleen met Winnetou op verkenning geweest, maar heeft hij intusschen zijn krijgslieden laten uittrekken. Deze zijn in elk geval reeds een eind op weg en daar hij, evenals Winnetou, den geheelen nacht is doorgereden, vermoed ik, dat hij hen reeds morgen vroeg of in den voormiddag althans, denkt te ontmoeten, anders zou hij zijn paard niet zoo hebben afgejaagd. Overmorgenavond kan hij dan reeds weer hier zijn. Gij ziet dus, in welk gevaar wij ons bevinden, en ’t is maar goed, dat wij hem na zijn gereden. Gelukkig ook, dat wij de Kiowa’s hebben aangetroffen en dit alles van hen zijn te weten gekomen. Zij halen hun tweehonderd ruiters hier en....

—Ik zal Winnetou voor de Kiowa’s waarschuwen—viel ik hem in de rede.

—Doe dat om ’s Hemels naam niet!—riep hij,—dat zou ons ongeluk zijn, want wij kregen dan vrij wat met de Apachen te doen. Neen, zij moeten werkelijk gevangengenomen worden en den dood voor oogen zien. Als wij ze dan heimelijk bevrijden, moeten zij ons dankbaar zijn en hun plannen van wraak tegenover ons opgeven. Misschien zullen zij dan Rattler nog opeischen en dien kunnen zij voor mijn part krijgen. Wat zegt gij er nu van, booze mijnheer?

Ik stak hem de hand toe en antwoordde:

—Ik ben tevreden over u, beste Sam, gij hebt dat mooi bedacht.

—Nietwaar? Ja, Sam Hawkins mag dan, zooals een zeker iemand beweert, veldmuizen vreten, hij heeft toch ook nog wel zijn goede zijde, hihihihi! Dus, gij zijt niet meer boos?

—Volstrekt niet.

—Goed, ga dan nu op één oor liggen en slaap, want morgen zal er veel te doen zijn. Ik ga nu Stone en Parker waarschuwen, opdat zij weten, hoe zij zich morgen hebben te houden.

Was hij niet een beste, brave kerel, die oude Sam Hawkins? Als ik „oud” zeg, dan is dit eigenlijk minder juist uitgedrukt, hij telde hoogstens veertig jaar, maar zijn dichte, reeds vergrijsde baard, zijn kolossale neus, die als een vuurtoren uit dien baard oprees, zijn stijve jachtrok deden hem veel ouder schijnen dan hij was. Het woord „oud” echter wordt ook dikwijls gebruikt, om kracht bij te zetten. Een der beroemdste prairiejagers bijv. was Old-Firehand. Nam hij eenmaal zijn geweer ter hand, dan kon men zeker zijn, dat de kogel doel trof, vandaar Firehand. Het voorgevoegde „Old” diende, om dit des te krachtiger te doen uitkomen. Ook ik kreeg later steeds bij mijn naam, Shatterhand, dit woordje „old.” Nadat Sam zich verwijderd had, beproefde ik te slapen, maar het wilde mij niet gelukken. Mijn metgezellen waren verrukt over de hulp, welke de Kiowa’s ons zouden brengen en spraken daarover op zulk een luiden toon, dat het een kunst zou geweest zijn om in slaap te komen, maar bovendien mijn eigen gedachten lieten mij niet met rust. Hawkins had over zijn plan gesproken, alsof dit onmogelijk kon mislukken, maar was dit werkelijk zoo? Wij wilden Winnetou en zijn vader bevrijden, over de andere Apachen was niet gesproken. Moesten zij in de handen der Kiowa’s blijven, terwijl de beide hoofdmannen gered werden? Dit zou immers een onrecht zijn? Maar inderdaad zou het voor ons vieren hoogst moeilijk zijn, zooveel Apachen te bevrijden, vooral omdat er niet de minste verdenking op ons mocht vallen. En op welke wijze zouden de Apachen in de handen der Kiowa’s geraken? Het was te voorzien, dat dit niet zonder heftigen strijd zou gaan en juist de beiden, die wij wilden redden, zouden zich ’t meest verweren en daardoor groot gevaar loopen, te worden gedood.

Ik dacht over dit alles na, terwijl ik mij op mijn legerstede heen en weer keerde, maar kon geen uitweg vinden. Het eenige, waarmee ik mij troostte, was dat de kleine, listige Sam er wel iets op zou weten te vinden, en ik nam mij ten slotte vast voor, de beide opperhoofden zoo noodig met gevaar van mijn eigen leven te verdedigen.

Den volgenden morgen ging ik met verdubbelden ijver aan het werk, en daar iedereen zooveel mogelijk zijn best deed, waren wij tegen den avond een flink eind gevorderd. Rattler bleef op een afstand, hij slenterde wat rond, maar werd door de andere prairiejagers even vriendelijk bejegend alsof er niets was gebeurd. Dit bracht mij tot de overtuiging, dat wij, mocht het wederom tot een botsing komen, niet veel steun van hen hadden te wachten. Door het vele werken waren wij ’s avonds erg vermoeid en na het avondeten gingen wij dan ook dadelijk onze tenten opzoeken.

Ook den volgenden morgen togen wij weer vlijtig aan den arbeid, maar tegen den middag kwamen de Kiowa’s. Onze legerplaats was een weinig verlegd, maar zij hadden ons gemakkelijk kunnen vinden.

De Indianen, die onze gasten zouden zijn, waren allen zeer krachtige mannen met een krijgshaftig uiterlijk; allen waren zeer goed bereden en voorzien van geweren, messen en tomahawks. Ik telde meer dan tweehonderd man. Hun aanvoerder had werkelijk een bijzonder knap figuur, strenge, sombere gelaatstrekken en een paar roofdieroogen, die niet veel goeds voorspelden. Hij heette Tangua, een naam, welke woordelijk hoofdman beteekent. Toen ik zijn gezicht en zijn oogen zag, werd het mij angstig te moede bij de gedachte aan Intschu Tschuna en Winnetou.

Hoewel deze man kwam als vriend en bondgenoot, gedroeg hij zich volstrekt niet vriendelijk tegen ons. Zijn optreden was, om mij van een vergelijking te bedienen, als dat van een tijger, die met een luipaard ter jacht gaat, met het voornemen, dezen na afloop daarvan ook meteen maar op te vreten. Hij steeg toen hij bij ons aankwam, niet af om ons te begroeten, maar maakte een bevelende beweging, waarop wij dadelijk door zijn lieden werden omsingeld. Daarop reed hij naar onze wagens en lichtte de zeilen op, om te zien wat zich daarin bevond. De inhoud scheen hem wel te bevallen, want hij steeg van zijn paard en klom in den wagen, om beter te kunnen snuffelen.

—Oho!—zeide Sam, die naast mij stond:—die schijnt ons eigendom voor goeden buit aan te zien, en hij heeft nog geen woord met ons gesproken. Wanneer hij meent, dat Sam Hawkins dom genoeg is om den bok als tuinman aan te stellen, dan vergist hij zich toch leelijk, dat zal ik hem toonen.

—Geen onvoorzichtigheid, Sam!—verzocht ik;—wat kunnen wij tegenover tweehonderd man doen?

—Jawel, hun aantal is grooter dan het onze, maar hun verstand is kleiner, hihihihi!—antwoordde hij.

—Maar zij hebben ons omsingeld!

—Wel, dat doe ik ook!—Of denkt gij, dat ik geen oogen heb? Wij hebben naar ’t schijnt, geen geschikte hulptroepen laten aanrukken, hij schijnt ons maar tegelijk met de Apachen te willen opeten. Dat hapje zou hem echter zwaar genoeg in zijn maag liggen, dat verzeker ik u. Kom mee naar dien wagen, dan kunt gij hooren hoe Sam Hawkins met zulke schelmen doet. Ik ben een goede bekende van deze Tangua, en al heeft hij mij hier nog niet gezien, hij weet heel goed dat ik hier ben. Zijn gedrag is allesbehalve vriendelijk! Ziet die gezichten eens van die kerels! Ik zal hun dadelijk toonen, wie Sam Hawkins is. Kom dus mee!

Wij hadden onze geweren in de hand en gingen naar den wagen in welken Tangua rondsnuffelde. Ik voelde mij niet erg op mijn gemak, maar Sam begon dadelijk op waarschuwenden toon:

—Heeft het beroemde opperhoofd der Kiowa’s lust om binnen enkele oogenblikken naar de eeuwige jachtvelden te gaan?

De aangesprokene, die met zijn rug naar ons toestond, richtte zich op, keerde zich om en antwoordde lomp:

—Waarom doet de blanke man deze dwaze vraag? Tangua zal eenmaal in de eeuwige jachtvelden als opperhoofd heerschen, maar er zal nog een lange tijd verloopen, voor hij zich daarheen begeeft.

—Deze tijd zal misschien slechts een enkele minuut zijn.

—Waarom?

—Kom van den wagen af, dan zal ik het u zeggen, maar een beetje vlug als ’t u belieft.

—Ik blijf hier!

—Goed, vlieg dan maar in de lucht!

Sam keerde zich bij deze woorden om en deed alsof hij zich wilde verwijderen. Nu sprong echter het opperhoofd vlug van den wagen, greep hem bij den arm en riep:

—In de lucht vliegen, waarom zegt Sam Hawkins dit?

—Om u te waarschuwen.

—Waarvoor?

—Voor den dood, die u zou hebben aangegrepen, als gij ook nog één minuut daar op dien wagen waart gebleven.

—Oef! was de dood op dien wagen?

—Ja.

—Waar? Laat hem mij zien.

—Later misschien. Hebben uw verkenners niet gezegd waarom wij hier zijn?

—Ja, zij hebben gezegd, dat gij een weg wildet maken voor het ijzeren paard der bleekgezichten.

—Juist; zulk een weg gaat over rivieren en afgronden en door rotsen, welke wij uit elkaar laten springen; ik denk dat gij dit wel zult weten.

—Ik weet dit, maar wat heeft dit met den dood te maken, die mij bedreigd heeft?

—Zeer veel, meer dan gij vermoedt. Hebt gij misschien gehoord, waarmee wij de rotsen laten springen, die ons bij het bouwen van een spoorweg in den weg staan? Meent gij dat wij daarvoor het kruit gebruiken, dat gij voor uw geweren noodig hebt?

—Neen, ik heb wel gehoord, dat de bleekgezichten een andere stof hebben uitgevonden.

—Juist, en deze stof ligt hier op dien wagen! Zij is, wel is waar goed ingepakt, maar die niet weet hoe hij zulk een pak moet aanvatten, is verloren, want zoodra hij het in de hand neemt, vliegt het uit elkaar en er blijft geen stukje meer van hem over.

—Oef, oef! riep Tangua zichtbaar geschrokken uit.—Ben ik dicht bij deze pakken geweest?

—Zoo dicht, dat gij, wanneer gij er niet afgesprongen waart, nu reeds in de eeuwige jachtvelden zoudt zijn. Maar wat zou er dan van u overgebleven zijn? Geen haarlok, geen medicijn, niets dan kleine stukjes vleesch en been. Uw overblijfselen waren door de vurige rossen der geesten vermorzeld en versplinterd.

Een Indiaan, die zonder haarlok en zonder medicijn in de eeuwige jachtvelden aankomt, wordt door de gestorven helden met minachting ontvangen, en moet zich steeds op den achtergrond houden. Zoo zegt het geloof der roodhuiden. Welk een ongeluk dus, in kleine verbrijzelde stukjes daar aan te komen! Men zag, ondanks de donkere gelaatskleur, dat al het bloed uit de wangen van het opperhoofd week, en hij riep uit:

—Oef, wat gelukkig, dat gij mij tijdig hebt gewaarschuwd! Waarom bewaart gij deze stof op dien wagen, waarop zich nog zooveel andere nuttige dingen bevinden?

—Moesten wij deze gevaarlijke pakken dan op den grond leggen, waar zij bij de minste aanraking groot onheil zouden aanrichten? Ik zeg u, ze zijn zelfs op den wagen reeds gevaarlijk genoeg; als zulk een pakket uit elkaar slaat, vliegt alles, wat zich in de nabijheid bevindt, in de lucht.

—De menschen ook?

—Natuurlijk, ook de menschen en dieren, die zich tweehonderd voet in den omtrek bevinden.

—Dan moet ik aan mijn krijgers zeggen, dat geen van hen dicht bij dezen gevaarlijken wagen komt.

—Doe dat, opdat wij niet allen te zamen om een onvoorzichtigheid, te gronde gaan! Gij ziet, hoe bezorgd ik voor u ben, omdat de krijgers der Kiowa’s onze vrienden zijn. Het schijnt evenwel, dat ik mij vergist heb, want wanneer vrienden elkander ontmoeten, begroeten zij elkander en rooken de vredespijp. Wilt gij dat vandaag niet doen?

—Gij hebt dit immers reeds met den Vos, mijn verkenner, gedaan?

—Ik alleen en de blanke krijgsman, die hier naast mij staat, maar de anderen niet. Als gij dezen niet wilt begroeten, moet ik wel aannemen, dat uw vriendschap niet oprecht is.

Tangua dacht een oogenblik na, en antwoordde toen ontwijkend:

—Wij zijn op een krijgstocht en hebben de kinnikinnik dus niet bij ons.

—De mond van den hoofdman spreekt anders dan zijn hart denkt, ik zie den buidel met kinnikinnik immers aan den gordel hangen, wij hebben die evenwel niet noodig, want wij hebben zelf tabak genoeg bij ons. Allen behoeven niet mee te rooken, gij rookt voor u zelf en voor uw krijgers, ik rook voor mij zelf en voor de hier aanwezige blanken, dan geldt de vriendschapsbond voor allen, die zich hier bevinden.

—Waarom zullen wij beiden rooken, wij zijn immers vrienden? Sam Hawkins mag gerust aannemen, dat wij de vredespijp voor allen hebben gerookt.

—Zooals gij wilt, maar dan zullen wij doen, wat wij noodig achten, en gij krijgt de Apachen niet in uw macht.

—Wilt gij ze misschien waarschuwen?—vroeg Tangua, terwijl zijn oogen fonkelden.

—Neen, want zij zijn onze vijanden en willen ons dooden. Maar ik zal u niet zeggen, op welke wijze gij ze kunt vangen.

—Dat behoeft niet, dat weet ik zelf wel.

—Oho! Weet ge soms, wanneer en van welken kant ze komen?

—Ik zal dat wel te weten komen, want ik zend hun mijn verkenners tegemoet.

—Dat zult ge niet doen, want gij zijt verstandig genoeg, om te begrijpen, dat de Apachen de sporen van uw verkenners zouden vinden en op uw ontvangst voorbereid zijn. Het zou dan zeer de vraag worden, of gij ze in handen krijgt, terwijl zij naar het plan, dat ik wil volgen, geheel onvoorbereid door u kunnen worden ingesloten en gevangengenomen.

Ik zag dat deze uitlegging indruk maakte en Tangua verklaarde dan ook na een korte pauze:

—Ik zal met mijn krijgers spreken.

Hij verwijderde zich, wenkte eenige andere roodhuiden en scheen met hen te overleggen.

—Door eerst met deze kerels te beraadslagen, levert hij het bewijs, dat hij ook tegenover ons niets goeds in ’t schild voert,—meende Sam.

—Dat is slecht van hem, want gij zijt zijn vriend en hebt hem niets gedaan—antwoordde ik.

—Vriend? Wat noemt gij vriend bij deze Kiowa’s? Zij zijn slechts vrienden, zoolang er voor hen niets valt te halen. Hier echter hebben wij een wagen, met victualiën en andere dingen, welke voor hen waarde hebben. Dat hebben de verkenners aan hun aanvoerder verteld, en sedert dat oogenblik was het een uitgemaakte zaak, dat wij bestolen zouden worden.

—En wat nu?

—Nu, hm, nu zijn wij veilig.

—Ik zou er blij mee zijn, als dat zoo was!

—’t Is zoo! Ik ken deze lieden. Een heerlijke inval van mij, om dezen kerel wijs te maken, dat wij een soort dynamiet hier op den wagen hebben, hihihihi! Hij verheugde zich reeds op al de heerlijkheden, en nu ben ik zeker, dat geen roodhuid meer in de nabijheid van den wagen zal komen. Ik hoop nog meer nut te trekken van dit kostelijke grapje. Ik zal een blikje sardinen in den zak steken, en hen wijsmaken, dat dit met deze helsche stof gevuld is. Doe gij dat ook, het kan u te pas komen.

—Goed, ik zal uw raad opvolgen. Wat denkt gij van de vredespijp?

—Wel, ’t was afgesproken, dat zij niet gerookt zou worden, maar nu zullen zij zich nog wel eens bedenken. Maar toch mogen wij hen nooit vertrouwen!

—Ziet gij wel, Sam, dat ik eergisteren gelijk had? Gij wildet uw plan uitvoeren, met behulp van de Kiowa’s en hebt ons daardoor in hun macht gebracht. Ik ben nieuwsgierig hoe dit zal afloopen!

—Niet anders, dan ik verwacht, daar kunt ge op rekenen. De hoofdman wilde ons van alles berooven en dan de Apachen op eigen houtje afwachten. Nu echter ziet hij wel in, dat zij te slim zijn, om zich zoo maar te laten vangen. Zooals ik hem zelf heb gezegd, zullen zij de sporen van de verkenners ontdekken en dan zouden zij zich wel wachten hier te komen. Zie, de beslissing is genomen.

Wij zagen reeds dadelijk, dat de roodhuiden eieren voor hun geld hadden gekozen, want op aanwijzing van de „Vos,” ging de kring der krijgers, die ons steeds omringde uiteen en allen stegen van hun paarden.

Tangua kwam nu naar ons toe en zeide op veel vriendelijker toon:

—Ik heb met mijn krijgers beraadslaagd en wij zijn overeengekomen, de calumet met u te rooken, dit geldt dan ook voor de anderen.

—Ik had dit besluit verwacht,—zei Sam,—want gij zijt niet alleen een dapper, maar ook een verstandig man. De krijgers der Kiowa’s mogen er getuigen van zijn, dat wij met elkander den bond der vriendschap hernieuwen.

Zoo geschiedde het. Tangua en Sam Hawkins rookten de calumet onder de reeds vroeger gemelde ceremoniën en daarop gaven wij, blanken, den roodhuiden een voor een de hand. Wij konden nu aannemen, dat wij, althans voor dezen dag, veilig waren, wat zij later zouden denken en doen, moesten wij afwachten.

Als ik zeg: calumet rooken, dan bedien ik mij van de uitdrukking, welke bij ons gebruikt wordt. De Indiaan zegt, tabak drinken, in plaats van rooken. Hij drinkt haar eigenlijk ook, want hij slikt den rook in, bewaart dezen een oogenblik in de maag en geeft ze dan in kleine hoeveelheden terug.

Na afloop van deze plechtigheid stelde Tangua voor een groote vergadering te houden, waaraan alle blanken zouden deelnemen. Dit paste ons in ’t geheel niet, want wij moesten noodzakelijk aan ’t werk. Ik verzocht daarom Sam, het daarheen te willen leiden, dat deze vergadering werd uitgesteld tot aan den avond, want ik had gehoord en gelezen, dat wanneer de roodhuiden eenmaal ter vergadering zijn gezeten, deze bijna geen einde neemt. Hawkins sprak dus met den Indiaan, maar keerde weldra terug met de boodschap:

—Als echte Indiaan, is hij niet van zijn eens genomen besluit af te brengen. De Apachen zijn nog in lang niet hier, en daarom verlangt hij een vergadering, in welke ik mijn plannen duidelijk zal uitleggen en na afloop waarvan er flink gegeten moet worden. Wij hebben voorraad genoeg en de Kiowa’s hebben ook gedroogd vleesch op hun paarden meegebracht. Gelukkig heb ik in zooverre mijn zin gekregen, dat alleen ik, Dick Stone en Parker van de partij behoeven te zijn, gij overigen, moogt dus aan het werk gaan.

—Mogen? Alsof wij daarvoor de toestemming van den Indiaan noodig hadden! Ik zal hem toonen, dat ik geheel onafhankelijk ben.

—Houd u als ’t u blieft kalm, sir! Doe liever alsof gij niets hebt gehoord. Wij moeten hen te vriend houden, indien alles goed zal gaan.

—Maar ik zou wel bij die vergadering tegenwoordig willen zijn!

—Dat is niet noodig.

—Niet? ik moet toch ook weten, wat besloten wordt?

—Dat zal ik u wel vertellen.

—Maar wanneer gij nu eens een besluit neemt, dat ik niet goedkeur?