Chapter 7 of 43 · 3996 words · ~20 min read

Part 7

Eindelijk schonk hij zijn opmerkzaamheid meer aan zijn verwondingen dan aan dengene, die ze hem bezorgd had, hij ging zitten, richtte zich een weinig op en streek snuivend en tandenknarsend met de voorpooten over de oogen. Snel stond ik naast hem, hief mijn mes op en stiet het hem tweemaal tusschen de ribben. Hij greep onmiddellijk naar mij, maar ik was reeds weer verdwenen. Ik had echter het hart niet getroffen en het zoeken naar mij begon opnieuw met verdubbelde woede. Dit duurde wel tien minuten lang, hij verloor veel bloed en werd moede. Hij ging dus weer zitten en streek zich over de oogen. Hierdoor was ik in de gelegenheid opnieuw twee op elkaar volgende messtooten toe te brengen en ditmaal had ik beter getroffen, het kolossale dier viel voorover, terwijl ik snel weer op zij was gesprongen, liep waggelend en snuivend eenige stappen verder, wilde zich weer oprichten, maar had daartoe niet meer de kracht; het slingerde heen en weer, deed vergeefsche moeite om op de pooten te blijven en viel eindelijk uitgeput op den grond. Hier bleef hij onbeweeglijk liggen.

—God zij dank!—riep Rattler van zijn boom.—Het beest is dood, dat was een vreeselijk gevaar, waarin wij ons bevonden.

—Ik zou niet weten waarin het vreeselijke gevaar voor u bestond—antwoordde ik,—gij hadt goed voor uw veiligheid gezorgd, kom nu maar naar beneden.

—Neen, neen, nog niet, zie eerst eens goed na of de Grizzly werkelijk dood is.

—Hij is dood.

—Dat kunt gij wel beweren, maar gij hebt er geen begrip van, welk een taai leven zulk vee heeft. Onderzoek dus eerst!

—Voor u zeker? Als gij wilt weten of hij nog leeft, onderzoek hem dan zelf. Gij zijt immers beroemde prairiejagers en ik maar een „greenhorn”.

Ik wendde mij nu tot hun kameraad die nog altijd in den zooeven beschreven toestand tegen den boom hing. Hij gaf geen geluid en bewoog zich niet meer. Zijn gezicht was geheel verwrongen, en zijn verglaasde oogen stonden wild open. Het vleesch was hem tot op het been van de dijen gescheurd en de ingewanden hingen uit zijn lijf. Ik overwon mijn afgrijzen en riep hem toe:

—Laat dien boom los, sir! Ik zal u helpen!

Hij antwoordde niet en geen enkele beweging verried, dat hij mij begrepen had. Ik verzocht zijn kameraden uit de boomen te komen en mij te helpen, maar deze ervaren prairiejagers waren daartoe niet te bewegen, vóór ik den beer eenige malen had bevoeld en betast en hen daardoor had bewezen, dat hij werkelijk dood was. Eerst toen kwamen zij naar beneden en hielpen mij den zoo gruwelijk verminkten kameraad uit den boom te krijgen. Dit ging niet gemakkelijk want hij hield de armen zóó stijf om den stam geklemd, dat wij ze slechts met geweld konden losmaken.

Dit verschrikkelijke einde scheen echter zijn kameraden niet in ’t minst aan ’t hart te gaan, want zij wendden zich onverschillig van hem af, en keken naar den beer, terwijl de aanvoerder zeide:

—Nu wordt het omgekeerd, eerst heeft de beer ons willen opeten en nu zullen wij hem opeten. Komt kameraden, laat ons de huid afnemen, opdat wij de klauwen en de ham kunnen meenemen.

Hij nam zijn mes en ging op de knieën liggen, om de daad bij het woord te voegen, maar nu kwam ik tusschenbeide:

—Het zou eervoller voor u zijn geweest, als gij uw mes op hem hadt beproefd, toen hij nog in leven was, nu is het te laat, doe geen moeite.

—Wat?—spatte hij op,—wilt gij mij misschien verhinderen een stuk vleesch af te snijden?

—Zeker, dat wil ik, Mr. Rattler.

—En met welk recht?

—Met een onbetwistbaar recht van den man, die het dier heeft neergeveld.

—Dat is niet waar, gij zult toch niet willen beweren, dat een „greenhorn” een Grizzly met het mes kan dooden? Wij hebben toen wij hem zagen, op hem geschoten.

—En u toen snel op de boomen teruggetrokken, ja, dat is waar, zeer waar.

—Maar onze kogels hebben getroffen, daaraan is hij gestorven en niet aan een paar speldeprikken, welke gij hem, toen hij reeds halfdood was, hebt toegebracht. De beer is van ons en wij zullen met hem doen wat wij willen, begrepen?

Hij wilde zich opnieuw aan het werk zetten, maar ik waarschuwde hem:

—Laat dat Mr. Rattler, of anders moet ik u leeren, mijn woorden goed op te vatten, begrepen?

Daar hij, ondanks mijn bevel, toch met het mes in den pels stak, nam ik hem, zooals hij daar op zijn knieën lag, met beide handen in de zijde beet, en wierp hem tegen den naasten boom, dat zijn ribben kraakten. Het was mij op dit oogenblik werkelijk onverschillig of hij iets brak of niet. Onmiddellijk nam ik mijn tweede nog geladen revolver uit den gordel, om mogelijke aanvallen te voorkomen. Hij stond snel weer op, zag mij met van woede fonkelende oogen aan, trok zijn mes en riep:

—Dat zal ik u betaald zetten! Gij hebt mij reeds eens geslagen en ik zal zorgen, dat gij u niet voor de derde maal aan mij kunt vergrijpen!

Hij kwam op mij toe, maar ik hief mijn revolver op en dreigde:

—Nog één stap, en ik jaag u een kogel door den kop! Weg met dat mes! Bij „drie” schiet ik, als gij het in de hand houdt. Dus:—een—twee—drie!

Hij hield het mes vast en ik zou werkelijk geschoten hebben, al was het niet in zijn hoofd dan in zijn hand, maar ik behoefde het niet zoover te laten komen, want op dit kritieke oogenblik klonk een stem:

—Menschen, zijt gij dwaas! Wat moet dat beteekenen, dat blanken elkander bevechten. Wapens neer!

Wij keken in de richting van waar deze woorden kwamen en zagen een man van achter de boomen te voorschijn komen. Hij was klein, mager en gebocheld en bijna als een roodhuid gekleed en bewapend; men kon niet recht zien, of hij een blanke of een Indiaan was. Zijn scherp geteekend gezicht wees op het laatste, terwijl de kleur van zijn door de zon verbrand aangezicht waarschijnlijk vroeger blank was geweest. Zijn hoofd was onbedekt en het lange, zwarte haar hing hem tot over de schouders. Zijn kleeding bestond uit een Indiaansche broek, een jachthemd en eenvoudige mokassins en hij was enkel gewapend met een geweer en een mes. Zijn oogen hadden een zeer verstandige uitdrukking en ondanks zijn mismaaktheid, maakte hij geenszins een belachelijke indruk. Het zijn trouwens alleen ruwe en bekrompen menschen, die voor een lichaamsgebrek den neus optrekken.

Rattler evenwel behoorde tot dit soort, en lachend riep hij:

—Hallo, wat komt daar voor een dwerg of misbaksel aan! Zijn er hier in de Far-West ook zulke lui?

De vreemdeling mat hem van het hoofd tot de voeten en antwoordde op kalmen, bezadigden toon:

—Dank God, dat gij gezonde ledematen hebt, voor ’t overige komt het niet op het lichaam maar op het hart en den geest aan en dit zeg ik u, in dat opzicht, durf ik een vergelijking met u best te wagen!

Hij maakte een minachtende beweging met de hand en wendde zich tot mij.

—Gij hebt kracht in uw handen, sir! Het was een lust dien zwaren kerel zooeven als een veer te zien oplichten.

Toen schopte hij met zijn voet tegen den Grizzly en ging op spijtigen toon voort:

—Dus dat is de kerel, dien wij wilden hebben, wij zijn helaas te laat gekomen, dat is jammer genoeg!

—Gij hadt hem dus ook willen dooden?—vroeg ik.

—Ja, wij vonden gisteren zijn spoor en zijn het gevolgd, door dik en dun, door bosch en weide en nu we hem eindelijk vinden, moeten wij zien, dat het werk reeds gedaan is.

—Gij spreekt het meervoud, zijt gij dus niet alleen?

—Neen, er zijn nog twee anderen bij mij.

—Wie zijn dat?

—Dat zal ik u zeggen, als gij mij eerst verteld hebt, wie gij zijt. Gij weet wel, dat men in deze streek niet voorzichtig genoeg zijn kan. Men ontmoet hier meer slechte, dan goede menschen.

Hij zag bij deze woorden even naar Rattler en zijn kameraden, en ging op vriendelijken toon voort:

—Men ziet het trouwens dadelijk, of men de menschen kan vertrouwen. Ik heb uw laatste gesprek gehoord en weet dus ongeveer met wien ik te doen heb.

—Wij zijn landmeters, sir,—verklaarde ik hem.—Een hoofdingenieur, vier landmeters, drie gidsen, en twaalf prairiejagers, die ons tegen mogelijke overvallen hebben te beschermen.

—Hm, nu wat dat betreft, gij schijnt u wel alleen te kunnen verdedigen. Dus gij zijt landmeters. Zijt gij hier aan ’t werk?

—Ja.

—Wat meet gij op?

—Een weg.

—Die hier zal worden aangelegd?

—Ja.

—Hebt gij dan deze streek gekocht?

Zijn oog was bij deze vragen somberder en zijn gezicht ernstiger geworden. Hij scheen recht te hebben deze vragen te doen, daarom antwoordde ik:

—Ik heb de opdracht gekregen, deze opmetingen te doen en om het overige bekommer ik mij dus niet.

—Hm ja, maar ik denk toch, dat gij wel weet, wat gij doet. De grond, waarop gij u bevindt, behoort aan de Indianen en wel aan de Apachen, van den stam der Mescaleros. Ik weet zeer beslist, dat zij dezen grond noch verkocht noch aan iemand afgestaan hebben.

—Wat gaat u dat aan?—riep Rattler hem nu toe.—Bemoei u niet met de zaken van een ander, maar met uw eigen.

—Dat doe ik ook, sir, dat doe ik, want ik ben een Apache, ja zelfs een Mescalero.

—Gij? kom, laat u niet uitlachen, men moest wel blind zijn als men niet zag, dat gij een blanke zijt.

—Gij vergist u toch! Oordeel niet naar mijn huid, maar naar mijn naam, ik word Kleki-Petra genoemd.

Deze naam beteekent in de taal der Apachen, wier dialecten ik destijds nog niet kende, zooveel als: „blanke vader”. Rattler scheen dezen naam vroeger gehoord te hebben, want hij deed verwonderd een stap achteruit en zeide:

—Zoo, Kleki-Petra, de beroemde schoolmeester der Apachen. Jammer, dat gij een bochel hebt, want de roode bengels zullen u wel geducht uitlachen.

—O, dat is niets, sir, want ik ben er al aan gewend door bengels te worden uitgelachen, verstandige menschen doen het niet. En nu ik weet, wie gij zijt en wat gij doet, kan ik u ook zeggen, wie mijn geleiders zijn. Het is maar ’t beste, dat ik ze aan u voorstel.

Hij riep een Indiaansch woord, dat ik niet verstond en weldra kwamen twee buitengewoon interessante persoonlijkheden met langzamen en waardigen tred op ons toe. Het waren Indianen en wel vader en zoon, wat men op het eerste gezicht duidelijk zag.

De oudste was van iets meer dan middelbare lengte en daarbij zeer krachtig gebouwd, zijn houding had iets voornaams en edels en uit zijn bewegingen kon men opmaken dat hij handig en sterk was. Zijn ernstig gezicht was echt Indiaansch, maar niet zoo scherp geteekend, als bij de meeste roodhuiden. Zijn oog had een kalme, bijna zachte uitdrukking, welke hem bij zijn stamgenooten bemind moest doen maken. Zijn hoofd was onbedekt, en het donkere haar was in een soort van helmvormigen knoop opgebonden, waarin een adelaarsveer, het teeken zijner waardigheid als hoofdman, prijkte. De kleeding bestond uit mokassins, leggins met franjes, een lederen jachthemd, alles zeer eenvoudig en gelijk gemaakt. In den gordel stak een mes, en hingen verscheidene buidels, welke allerlei kleinigheden bevatten, noodig voor een prairieman. De medicijnbuidel hing om zijn hals, daarnaast de vredespijp met den uit heilige klei gesneden kop. In de hand hield hij een geweer met dubbelen loop, waarvan de kolf met zilveren spijkertjes was beslagen. Dit was het geweer, hetwelk later door zijn zoon Winnetou onder den naam van zilverbuks, zoo beroemd zou worden.

De jongste was op dezelfde wijze gekleed als zijn vader, maar alleen was alles een weinig sierlijker. Zijn mokassins waren met stekelvarkensborstels en de naden van zijn leggins en van zijn jachthemd met fijne, roode draadjes afgewerkt. Ook hij droeg den medicijnbuidel om den hals en het calumet. Zijn wapens bestonden ook uit een dubbelloopsgeweer en een mes. Hij droeg eveneens geen hoed of muts en had het haar opgestoken, zonder het evenwel met een veer te versieren, maar het was zoo lang en dik, dat menige dame hem daarom zou hebben benijd. Zijn gelaat was bijna nog schooner en edeler dan dat van zijn vader, en de kleur was lichtbruin met gebronsde tint. Hij was, naar ik toen reeds vermoedde en later zeker kwam te weten, ongeveer even oud als ik, en maakte reeds bij deze eerste ontmoeting een diepen indruk op mij. Ik voelde dat hij een goed mensch was en bovendien zeer begaafd moest zijn. Wij zagen elkander met een langen, onderzoekenden blik aan, toen meende ik te zien, dat in zijn donkere oogen een vriendelijk licht glansde, als een groet, welke de zon door de wolken werpt.

—Dat zijn mijn vrienden en metgezellen,—zeide Kleki-Petra, terwijl hij eerst op den vader en toen op den zoon wees.—Deze is „Intschu Tschuna” (goede zon), het opperhoofd der Mescaleros, ook door alle andere Apachenstammen als opperhoofd erkend. En hier staat zijn zoon Winnetou [1], die ondanks zijn jeugd, reeds meer dappere daden heeft uitgevoerd, dan tien oude krijgers in hun geheele leven. Zijn naam zal eens bekend en beroemd worden, tot in de verste savannen en prairiën.

Dit klonk wel wat overdreven, maar was toch, naar ik later ondervond, niet te veel gezegd. Rattler evenwel lachte hoonend en riep:—Zulk een jong man zou reeds zoovele heldendaden hebben gedaan? Het zullen wel niet veel anders zijn geweest, dan dieverijen en rooverijen, de roodhuiden stelen en rooven altijd.

Dit was een grove beleediging, maar de drie vreemdelingen deden, alsof ze deze woorden niet gehoord hadden. Zij gingen naar den beer en bezagen dien, terwijl Kleki-Petra daarbij op zijn knieën ging liggen.

—Hij is aan de messteken en niet aan de kogels gestorven,—zeide hij, zich tot mij wendend. Hij had den twist tusschen Rattler en mij mee aangehoord en wilde nu openlijk zeggen, dat ik gelijk had gehad.

—Dat zal nog moeten blijken,—meende Rattler.—Hoe zou zulk een gebochelde schoolmeester verstand hebben van de berenjacht. Als wij zoo aanstonds de huid hebben afgestroopt, zullen wij duidelijk zien, welke wonde doodelijk geweest is. Ik laat mij door geen „greenhorn” mijn recht betwisten.

Nu bukte Winnetou zich ook over den dooden beer heen, betastte hem op de plaatsen waar hij bloedde en vroeg mij, toen hij zich weer oprichtte:

—Wie heeft dit dier met een mes aangevallen?

Hij sprak daarbij zuiver Engelsch.

—Ik—antwoordde ik kort.

—Waarom heeft mijn jonge, blanke broeder niet op hem geschoten?

—Omdat ik geen geweer bij mij had.

—Hier liggen toch geweren?

—Die zijn niet van mij. De eigenaars wierpen ze weg en klommen in de boomen.

—Toen wij het spoor van den beer volgden, hoorden wij in de verte een vreeselijk angstgeschreeuw, waar was dat?

—Hier.

—Zoo. De eekhoorntjes en stinkdieren klimmen in de boomen, wanneer de vijand nadert. De man evenwel moet strijden, want wanneer hij moed bezit, is hem ook de macht gegeven zelfs het sterkste dier te overwinnen. Mijn jonge, blanke broeder heeft dien moed bezeten. Waarom wordt hij dan een „greenhorn” genoemd?

—Omdat ik voor ’t eerst en nog maar kort in ’t Westen ben.

—De blanken zijn zonderlinge menschen. Bij hen wordt een jongeling, die met een mes den verschrikkelijken Grizzly aanvalt, een „greenhorn” genoemd, terwijl zij, die uit vrees in de boomen klimmen of van angst schreeuwen, voor flinke prairiemannen worden aangezien. De roodhuiden zijn rechtvaardiger. Bij hen kan een dapper man nooit een lafaard en een lafaard nooit een dapper man worden genoemd.

—Mijn zoon heeft zeer goed gesproken,—stemde zijn vader toe, in iets minder zuiver Engelsch.—Deze moedige, jonge blanke is geen „greenhorn” meer. Wie den Grizzly op deze wijze neerlegt, is een groote held. En wie het daarenboven doet om anderen te redden, die in de boomen klimmen, die mag van dezen dank, maar geen schimpwoorden verwachten. Howgh! Laat ons nu eens gaan zien, waarom de blanken zich hier in deze streken bevinden.

Welk een verschil tusschen mijn blanke metgezellen en de door hen verachte Indianen! De aangeboren rechtvaardigheidszin der roodhuiden noopte hen, ongevraagd ten mijnen gunste te spreken. Het was zelfs eenigszins gewaagd, dit te doen. Zij waren slechts met hun drieën en wisten niet hoeveel man wij sterk waren, en het was dus voor hen gevaarlijk, zich het ongenoegen van onze prairiejagers op den hals te halen. Zij schenen zich daaraan echter niet te storen. Langzaam en met fiere schreden, gingen zij ons voorbij naar de vlakte. Wij volgden hen. Daar zag Intschu Tschuna de meetpalen staan, en zich tot mij wendend, vroeg hij:

—Wat wordt hier gedaan? Willen de blanken dit land misschien opmeten?

—Ja.

—Met welk doel?

—Om een spoorweg aan te leggen.

Zijn oog begon te fonkelen en met eenige haast vroeg hij mij:

—En behoort gij tot die lieden?

—Ja.

—Hebt gij ook opgemeten?

—Ja.

—En wordt gij daarvoor betaald?

—Ja.

Toen wierp hij mij een minachtenden blik toe en even minachtend klonk zijn stem, toen hij tot Kleki-Petra zeide:

—Uw leerredenen klinken mooi maar in werkelijkheid zijn zij niets waard. Daar ontmoet men nu eindelijk eens een jongen blanke met een dapper hart, en een eerlijk gezicht, maar als men hem vraagt, wat hij hier komt doen, dan hoort men, dat het is om ons land te stelen. De gezichten der blanken mogen goed zijn of boos, innerlijk zijn zij toch allen gelijk!

Eerlijk gezegd zou ik geen woorden hebben kunnen vinden om mij te verdedigen, ik gevoelde mij veel te beschaamd. De hoofdman had gelijk, kon ik, christen, trotsch zijn op mijn beroep?

De hoofdingenieur was met de andere drie opzichters in de tent gebleven uit vrees voor den beer. Toen zij ons aan zagen komen, waagden zij het naar buiten te gaan, niet weinig verbaasd dat zij de Indianen bij ons zagen. Hun eerste vraag was natuurlijk, hoe wij ons tegen den beer hadden verdedigd. Snel antwoordde Rattler:

—Wij hebben hem doodgestoken en vanmiddag krijgen wij berenklauw en van avond ham.

Onze drie gasten zagen mij aan, of ik mij dit liet welgevallen, daarom maakte ik de opmerking:

—En ik beweer, dat ik hem doodgestoken heb. Hier staan drie deskundigen, die mij gelijk hebben gegeven, maar dat is niet voldoende. Als Hawkins, Stone en Parker zoo aanstonds terugkomen, kunnen ook zij hun oordeel zeggen en daaraan zullen wij ons houden, tot zoolang evenwel blijft de beer onaangeroerd liggen.

—Wat geef ik om het oordeel van die drie!—bromde Rattler.—Ik ga met mijn kameraden heen, om den beer te stroopen en wie mij dat wil verhinderen, dien jaag ik een kogel door den kop.

—Niet zulke groote woorden, Mr. Rattler! Ik ben niet zoo bang voor uw kogels, als gij voor den beer. Gij jaagt mij niet in een boom! Ik heb er niets tegen, dat gij er heengaat, maar ik verwacht dat gij dit doet om uw dooden makker te begraven, gij zult hem toch zeker zoo niet laten liggen?

—Is er een doode?—riep Mr. Bancroft verschrikt.

—Ja, Rollins,—antwoordde Rattler,—die arme drommel heeft zijn leven moeten laten, door de domheid van een ander.

—Hoe dat, wiens domheid?

—Welnu, hij deed net als wij en wilde in een boom klimmen, maar daar kwam die „greenhorn” in eens aan en maakte den beer boos, die zich toen woedend op Rollins wierp.

Dat was dan toch wat al te kras, ik was sprakeloos van verbazing. De zaak zoo voor te stellen en dat nog wel, terwijl ik er zelf bij was, dat kon ik toch niet dulden!

—Meent gij dat in ernst Mr. Rattler?—vroeg ik.

—Yes,—knikte hij vastberaden, en meteen haalde hij een revolver voor den dag, daar hij een aanval van mij scheen te verwachten.

—Zou Rollins zich hebben kunnen redden, als ik niet gekomen was?

—Yes.

—Maar ik meende, dat de beer hem reeds beet had, toen ik kwam.

—Dat is niet waar!

—Wel, dan zult ge nu de waarheid hooren of liever voelen.

Bij deze woorden sloeg ik hem met de linkerhand de revolver uit de hand en gaf hem met de rechter zulk een geweldige oorvijg, dat hij wel zes of acht pas weg stoof en daar op den grond viel. Hij stond evenwel dadelijk op en kwam, als een woedend dier, brullend op mij aan. Ik pareerde den messteek met de linkerhand en sloeg hem met de rechtervuist op den slaap, dat hij bewusteloos aan mijn voeten viel.

—Oef, oef!—riep Intschu Tschuna verbaasd, terwijl hij van bewondering over dezen forschen slag zijn gewone Indiaansche terughoudendheid vergat.

—Dat was weer Shatterhand,—zeide de landmeter Wheeler.

Ik lette niet op deze woorden, maar hield mijn oog gericht op Rattler’s kameraden, zij waren woedend, maar geen van hen waagde het voor hun kameraad op te komen. Zij bromden en vloekten onder elkaar, maar dat was ook alles, wat zij deden.

—Neem Rattler toch eens ernstig onderhanden,—zoo wendde ik mij tot den hoofdingenieur,—ik heb hem niets misdaan en toch heeft hij het altijd op mij begrepen. Ik vrees, dat er nog eens moord of doodslag van komt. Stuur hem weg en wilt ge dit niet doen, welnu, dan ga ik.

—Kom, kom, zoo ernstig is de zaak toch niet!

—Ja zeker, zoo ernstig is zij wel. Hier hebt gij zijn revolver en zijn mes. Geef hem deze wapens niet terug, voor hij kalm is geworden. Want ik zeg u, ik zal mijn leven zoo duur mogelijk verkoopen, en als hij weer met een wapen op mij aankomt, schiet ik hem neer. Gij noemt mij wel een „greenhorn”,—maar ik ken de wetten der prairie. Wie mij met mes of kogel dreigt, dien heb ik het recht, neer te schieten.

Deze woorden waren natuurlijk evengoed bestemd voor al Rattler’s kameraden en geen van hen zeide een woord. Nu wendde zich de hoofdman Intschu Tschuna tot den hoofdingenieur:

—Mijn oor heeft nu gehoord, dat gij onder de blanken degene zijt, die hier het opperbevel voert. Is dit werkelijk zoo?

—Ja,—antwoordde Bancroft.

—Ik heb dus met u te spreken?

—Waarover?

—Dat zult gij vernemen. Gij staat, maar mannen, die met elkander zullen beraadslagen, moeten gaan zitten.

—Wilt gij onzen gast zijn?

—Neen, dat is onmogelijk, hoe kan ik uw gast zijn, terwijl gij u op mijn bodem, in mijn bosch, in mijn dal en mijn prairie bevindt. De blanke mannen kunnen gaan zitten. Wat zijn dat voor blanken, die daar nog aan komen?

—Zij behooren tot ons gezelschap.

—Zij kunnen dus ook gaan zitten.

Sam, Dick en Will kwamen namelijk nu van hun rit terug. Zij, als ervaren prairiejagers, verwonderden zich niet bijzonder over de aanwezigheid der Indianen, maar toen zij hoorden, wie dit waren, gevoelden zij zich toch niet erg op hun gemak.

—En wie is de derde?—vroeg Sam mij.

—Hij heet Kleki-Petra en Rattler noemde hem den schoolmeester.

—Kleki-Petra, de schoolmeester? Wel, ik heb dikwijls van hem gehoord, als ik mij niet vergis. Dat is een zeer geheimzinnig mensch, een blanke, die reeds jaren onder de Apachen leeft en een soort van zendeling schijnt te zijn. ’t Verheugt mij zeer, hem te zien.

’k Zal hem eens op den tand voelen, hihihihi!

—Als hij dat ten minste toelaat.

—Hij zal mij toch niet in den vinger bijten? Is er anders nog iets gebeurd?

—Ja.

—Wat dan?

—Iets zeer gewichtigs.

—Vertel dan op.

—Ik heb iets gedaan, waarvoor gij mij hadt gewaarschuwd.

—’k Weet niet, wat gij bedoelt. ’k Heb u voor zooveel gewaarschuwd.

—De Grizzlybeer.

—Wat-wat-wa-at? Is hier een grijze beer geweest?

—En nog wel een groote!

—Waar dan, waar, kom, gij houdt mij voor den gek.

—Waarachtig niet, hij was daarginds in het bosch, hij had den ouden stier meegesleept.

—Werkelijk, ach waarom moest dat nu juist gebeuren, terwijl wij er niet waren. Zijn er dooden gevallen?

—Een, Rollins.

—En gij, wat hebt gij gedaan? Gij zijt toch op een afstand gebleven?

—Ja.

—Goed zoo, maar ik kan het haast niet gelooven.

—Geloof het gerust, ik ben op zulk een afstand gebleven, dat hij mij niets kon doen, maar ik hem viermaal met mijn mes tusschen de ribben kon stooten.