Part 38
—Zoo bedoel ik het niet, van uit den weg te gaan is geen sprake, ik heb er zelfs aan gedacht hoe wij ze allen te zamen gevangen kunnen nemen. Maar zij dragen geen schuld aan wat gebeurd is, en het zou onrechtvaardig zijn hen daarvoor te straffen.
—Zij hebben den moordenaar in bescherming genomen en komen hier om ons te overvallen. Is dat geen reden genoeg voor ons om hen niet te ontzien?
—Neen, voor mij althans is dit geen reden. Het doet mij leed te hooren dat mijn broeder Winnetou wil vervallen in de fout, welke de ondergang is van de geheele roode natie.
—Welke fout bedoelt mijn blanke broeder?
—Deze, dat de Indianen elkaar wederzijds bevechten in plaats van zich gezamenlijk tegen den gemeenschappelijken vijand te verdedigen. Sta mij toe, oprecht met u te spreken. Wie denkt gij dat in het algemeen verstandiger en listiger is, de roode man of het bleekgezicht?
—Het bleekgezicht. Ik zeg dit, omdat het de waarheid is. De bleekgezichten hebben meer kennis en meer bekwaamheden dan wij, zij staan bijna in alles boven ons.
—Dat is juist, wij staan boven u. Maar gij zijt geen gewoon Indiaan. De Groote Geest heeft u gaven verleend, welke ook zelfs onder de blanken zelden worden gevonden en daarom had ik gehoopt, dat gij ook anders zoudt denken dan een gewone roode man. Uw verstand is scherp en uw blik reikt ver, veel verder dan het lichamelijk en geestelijk oog van een gewoon krijgsman! Hoe dikwijls wordt de krijgsbijl niet onder u opgegraven. Gij moest dunkt mij inzien dat dit een voortdurende gruwelijke zelfmoord is, die de roode man aan zichzelf begaat, en wie zoo handelt, neemt aan dien zelfmoord deel. Intschu Tschuna en Nscho-Tschi zijn vermoord geworden, niet door roode maar door blanke mannen, een der moordenaars is naar de Kiowa’s gevlucht en heeft hen overgehaald u te overvallen, dit is wel een reden om hen hier op te wachten en met hen te vechten, maar rechtvaardigt niet hen als dolle honden neer te schieten. Zij zijn uw roode broeders, bedenk het wel.
Op deze wijze ging ik nog eenigen tijd voort. Hij hoorde mij kalm aan, gaf mij de hand toen ik het laatste woord gezegd had en antwoordde:
—Old-Shatterhand is werkelijk een oprecht vriend van de roode mannen en hij heeft gelijk, als hij van zelfmoord spreekt. Ik zal doen wat hij wenscht, ik zal de Kiowa’s gevangennemen, maar ze dan weer vrijgeven en alleen den moordenaar houden.
—Gevangennemen? Dat zal moeilijk gaan, want zij zullen in grooten getale komen. Of hebt gij misschien hetzelfde plan als ik?
—Welk plan?
—De Kiowa’s naar een plaats te lokken, waar zij zich niet kunnen verweren?
—Ja, dat is mijn plan.
—Het mijne ook. Gij kent deze streek en ik zou u dus kunnen vragen of er hier in de buurt zulk een plaats is.
—Er is er een en wel niet ver van hier, een nauwe kloof, welke op een canon gelijkt, daarheen wil ik den vijand lokken.
—En hoopt gij dat u dit zal gelukken?
—Ja, wanneer zij zich in deze kloof bevinden, welke aan weerszijden zeer steil is, zullen wij hen van voren en ook van achteren aanvallen en zij moeten zich overgeven, willen zij zich niet weerloos laten neerschieten. Ik zal hun het leven schenken en tevreden zijn als ik Santer mag behouden.
—Ik dank u. Mijn broeder Winnetou heeft een open oor voor een goed woord. Misschien denkt hij over een ander onderwerp even zacht.
—Wat bedoelt mijn broeder Old-Shatterhand?
—Gij wildet wraak zweren aan alle blanken, en ik verzocht u, dit niet te doen, maar te wachten tot na de begrafenis. Mag ik nu weten, wat gij besloten hebt?
Hij sloeg de oogen een oogenblik neer, zag mij toen diep in de oogen en sprak met de hand wijzend naar de hut waar de beide dooden lagen:
—Ik heb den afgeloopen nacht bij de dooden doorgebracht en met mij zelf strijd gevoerd. De wraak gaf mij een grootsche gedachte in. Ik wilde alle roode naties bijeenroepen en met hen tegen de bleekgezichten optrekken. Ik zou overwonnen zijn geworden. Maar in den strijd met mij zelf, dien ik dezen nacht voerde, ben ik overwinnaar gebleven.
—En hebt gij deze grootsche gedachte weer laten varen?
—Ja. Ik heb drie personen, die ik liefheb, gevraagd, twee dooden en een levende. Zij rieden mij alle drie, dit plan te laten varen en ik besloot hun raad op te volgen.
Ik zag hem een oogenblik zwijgend aan, maar hij begreep, wat ik wilde vragen en ging voort:
—Mijn broeder weet niet, van welke personen ik spreek? Ik spreek van Kleki-Petra, van Nscho-Tschi en van u. U drieën heb ik in gedachten gevraagd en een drievoudig, maar gelijkluidend antwoord ontvangen.
—Ja, wanneer beiden nog leefden en gij hun kondet vragen, zouden zij zeker hetzelfde zeggen wat ik u heb gezegd. Het plan dat gij koesterdet, was grootsch, gij waart de man geweest om het uit te voeren maar toch....
—Mijn broeder overschat mijn krachten,—viel hij mij in de rede,—mocht het al een rooden krijgsman gelukken, de krijgers van alle stammen onder zich te vereenigen, dan zou het toch niet zoo snel in zijn werk gaan als ik het wenschte, want er zou een geheele menschenleeftijd noodig zijn, om tot dit doel te geraken. Een man alleen, zij hij ook nog zoo groot en beroemd, kan deze taak niet volbrengen en na zijn dood zou het wellicht ontbreken aan een opvolger die zijn werk kon voortzetten en voltooien.
—Het verheugt mij dat mijn broeder Winnetou, tot dit inzicht is gekomen, het is zooals hij heeft gezegd. Eén menschenleven is niet voldoende en een opvolger zou moeilijk te vinden zijn. Maar zelfs al mocht dit gelukken dan nog zou de strijd tusschen de blanken en de roodhuiden voor u ongelukkig eindigen.
—Ik weet het, hij zou onzen ondergang slechts verhaasten. Al mochten wij uit elken strijd als overwinnaar te voorschijn treden, dan zijn de bleekgezichten toch zoo talrijk, dat zij telkens nieuwe scharen kunnen laten aanrukken, terwijl het ons onmogelijk zou zijn onze verliezen aan te vullen. De overwinningen zouden ons langzamer, maar toch even zeker ten gronde richten. Dit alles heb ik overlegd, terwijl ik vannacht bij mijn dooden waakte en ik ben besloten, af te zien van het volvoeren van mijn plan. Ik wilde tevreden zijn, wanneer ik den moordenaar gevat en mij zou hebben gewroken op degenen, die hem behulpzaam zijn geweest. Maar ook dit heeft mijn broeder Old-Shatterhand mij uit het hoofd gepraat en zoo zal dus mijn wraak slechts hierin bestaan, dat ik Santer vat en hem bestraf. De Kiowa’s zullen wij laten loopen!
—Uw woorden maken mij trotsch op de vriendschap, welke ons verbindt, ik zal ze nooit vergeten. Wij beiden zijn, ofschoon wij het niet met zekerheid kunnen beweren, toch overtuigd dat de Kiowa’s zullen komen. Als wij nu maar wisten wanneer.
—Zij komen vandaag,—beweerde hij op beslisten toon.
—Hoe is het u mogelijk dit zoo beslist te zeggen?
—Ik maak het op, uit hetgeen gij omtrent uw laatsten rit hebt verteld. De Kiowa’s zijn schijnbaar naar hun dorp getrokken, om u achter zich aan te lokken, maar willen eigenlijk hier naar toe; zij hebben dus een omweg gemaakt, anders hadden zij gisteren reeds hier moeten zijn. Zij hebben ook ander oponthoud gehad, waardoor hun aankomst hier is vertraagd.
—Ander oponthoud.... wat zou dat kunnen zijn?
—Sam Hawkins. Dien brengen zij natuurlijk niet hier, maar zij hebben hem naar hun dorp gebracht, daarvoor moeten zij evenwel den geschikten tijd afwachten. Bovendien was het noodzakelijk een bode te zenden, die uw komst had te melden.
—Gij meent dat de krijgers uit het dorp ons tegemoet zullen rijden?
—Ja. De krijgers met wie gij daar bij de rivier te doen hebt gehad, hebben u achter zich willen lokken, maar hadden daar zij van plan waren hierheen te rijden, geen tijd met u te vechten. Zij hebben dus in ieder geval een of eenige boden naar hun dorp gezonden, opdat men u van daar tegemoet kon trekken. Sam Hawkins is aan deze boden meegegeven. Toen nadat dit gebeurd was, hebben de Kiowa’s een andere richting ingeslagen en zijn naar de Nuggetsbergen gegaan. Dit mocht gij echter niet weten en daarom moesten zij omkeeren op een plaats, waar het moeilijk was sporen te vinden. Dergelijke plaatsen zijn echter zeldzaam, zij liggen meestal niet aan den weg, maar moeten opgezocht worden. Ook hiermede gaat tijd verloren. Daarom konden de Kiowa’s onmogelijk reeds gisteren hier aankomen, maar vandaag konden wij hen stellig verwachten.
—Hoe weet gij dat zij er nu nog niet zijn?
Hij wees met den vinger naar den naastbijzijnden bergkam. In het bosch, dat tegen de hoogte lag, was een boom welk ver boven de andere uitstak. Wie op dien boom zat en een goed oog had, kon gemakkelijk de aangrenzende prairie overzien.
—Mijn broeder weet niet,—zeide hij,—dat ik een krijger daarheen heb gezonden, die moet oppassen en ons de komst der Kiowa’s melden. Hij heeft de oogen van een valk. Zoodra hij ze ziet aankomen, daalt hij naar beneden om het mij te melden.
—Dat is goed. Dit bericht is nog niet gekomen, dus zijn zij er nog niet. En gij houdt vol dat zij bepaald vandaag zullen komen?
—Ja, want langer mogen zij niet aarzelen, als zij ons hier willen treffen.
—Zij waren evenwel niet van plan tot aan de Nuggetsbergen te gaan, maar wilden u in de nabijheid daarvan een hinderlaag leggen, om u op uw terugkeer te overvallen.
—Dit zou hun misschien zijn gelukt, wanneer gij hen niet hadt beluisterd; nu ik het evenwel weet, komt van die hinderlaag niets, integendeel, ik lok hen hierheen. Wanneer ik naar huis was teruggekeerd, zou ik in zuidelijke richting zijn gegaan en zij hadden zich dus ook daar moeten legeren, nu doe ik echter alsof ik in noordelijke richting ben gereden en lok hen achter mij aan.
—Als zij u nu maar volgen!
—Dat zullen zij zeker doen. Zij moeten in elk geval een spion zenden om te weten te komen of wij nog hier zijn. Dezen verkenner laten wij natuurlijk stil zijn gang gaan en wij laten hem ongehinderd terugkeeren. Om zijnentwil heb ik bevel gegeven de paarden hier naar boven te brengen. Er zijn er meer dan dertig en ondanks den harden bodem en het steengruis moeten zij de sporen wel zien en zullen zij die volgen. Wij zoeken van hieruit de kloof op, welke de val zal zijn, waarin wij hen willen vangen. Natuurlijk zal de spion ons niet geheel volgen maar zich enkel overtuigen dat wij werkelijk vertrokken zijn en dan spoedig omkeeren om aan de zijnen te melden, dat wij niet in de zuidelijke, maar in noordelijke richting zijn vertrokken. Begrijpt mijn broeder dit goed?
—Ja. Zij worden daardoor gedwongen van hun voorgenomen plan om ons in een hinderlaag te lokken af te zien en het is vrijwel zeker dat zij dan hierheen zullen komen en ons van hier na zullen rijden.
—Dat zullen zij, ik ben er vast van overtuigd. Santer, dien ik moet hebben, zal nog vandaag in mijn handen vallen.
—Wat wilt gij met hem doen?
—Ik verzoek mijn broeder mij niet daar naar te vragen. Hij zal sterven, laat u dat genoeg zijn.
—Waar? Hier? Of brengt gij hem naar het Pueblo?
—Dat weet ik nog niet. Ik hoop dat hij niet zulk een lafaard is als Rattler, dien wij een snellen dood moesten laten sterven. Luister! Ik hoor de hoefslagen van onze paarden. Wij zullen deze plaats verlaten om hier ter gelegener tijd met onze gevangenen weer terug te keeren.
De paarden werden gebracht, ook het mijne en Sam’s Mary. Opstijgen konden wij evenwel niet; de weg was te ongemakkelijk, ieder moest zijn paard bij den teugel leiden.
Winnetou ging voorop. Hij bracht ons van de open plek naar het dichte bosch, dat met een vrij steile helling naar beneden liep. Daar was een open weide en hier bestegen wij de paarden om naar een bergwand te rijden, welke als een hooge loodrechte rotsmuur voor ons lag.
—Dat is de val van welke ik sprak; wij rijden er nu doorheen.
De naam „val” paste volkomen op den nauwen weg dien wij nu door reden. De wanden stegen aan beide zijden loodrecht omhoog en er was geen enkele plaats waar zij beklommen konden worden. Wanneer de Kiowa’s zoo dom waren hier in te rijden en wij hielden de uitgangen bezet, dan zou het onzin zijn zich te verweren.
De weg liep niet geheel recht maar slingerde eenigszins en het duurde wel een kwartier, vóór wij den uitgang bereikten. Hier maakten wij halt en stegen af. Nauwelijks was dit gebeurd of wij zagen den Apache komen die van den top van den boom naar de Kiowa’s had uitgezien.
—Zij zijn gekomen,—meldde hij.—Ik wilde ze tellen, maar dit gelukte mij niet, omdat zij in de troepen reden en nog te ver af waren.
—Hebben zij de richting naar het dal ingeslagen?—vroeg Winnetou.
—Neen. Zij maakten halt op de prairie en legerden zich daar tusschen het kreupelhout. Maar daar zonderde zich een enkele krijger van hen af en ik zag hem naar het dal gaan.
—Dat is de verkenner. Wij hebben nog juist tijd de val te openen om ze dan te sluiten. Mijn broeder Old-Shatterhand mag Stone, Parker en nog twaalf van mijn krijgers meenemen en links om den berg trekken. Zoodra hij een zeer sterken, hoogen berk ziet, dringt hij in het woud dat eerst langzaam omhoog stijgt maar dan weer daalt. Is mijn broeder daar aangekomen, dan bevindt hij zich in het verlengde van het dal, van waar uit wij naar de Nuggetsbergen zijn getrokken. Gaat hij dit dal door, dan bereikt hij weldra de plaats waar wij onze paarden achterlieten; de verdere weg is hem bekend. Hij mag echter niet in het open dal gaan, maar moet aan den kant in het bosch blijven. Old-Shatterhand zit dan in het bosch tegenover de kloof, welke naar boven voert. Hij zal den vijandelijken verkenner zien, maar hem niets in den weg leggen. Dan zal hij den vijand zien komen en hen de kloof laten binnentreden.
—Dit is dus uw plan,—antwoordde ik.—Gij blijft hier om den uitgang van de val bezet te houden en ik keer langs den omweg, dien gij mij zooeven hebt beschreven naar den voet van den Nuggets-Hill terug om den vijand op te wachten en hem heimelijk te volgen, tot hij in de val is gedrongen.
—Ja, dat is mijn bedoeling. Als mijn broeder Old-Shatterhand geen fout begaat, zal ons plan zeker gelukken.
—Ik zal zoo voorzichtig mogelijk zijn. Heeft Winnetou mij nog meer wenken te geven?
—Neen, het overige laat ik aan u over.
—Wie zal met de Kiowa’s onderhandelen, als het ons mocht gelukken, hen in te sluiten?
—Ik. Old-Shatterhand heeft niets anders te doen dan te zorgen, dat zij niet uit de kloof komen, wanneer zij mij en mijn krijgers bemerken en om willen keeren. Maar haast u! De middag is bijna ten einde en de Kiowa’s zullen niet tot morgen wachten, maar ons nog heden, voordat de duisternis invalt, volgen.
De zon had haar loop bijna volbracht en binnen een uur zou de avond zijn gevallen. Ik begaf mij dus met Dick, Will en de mij toegewezen Apachen op weg, natuurlijk te voet.
Na een kwartier zagen wij den berk voor ons en drongen nu het bosch in. Wij vonden alles geheel zooals Winnetou ons had beschreven en bereikten aan den anderen kant het dal op dezelfde plaats waar onze paarden hadden geweid. Tegenover ons lag de kloof, welke naar de open plek en de beide graven voerde.
Hier onder de boomen, konden wij de Kiowa’s zien komen.... als zij althans kwamen, terwijl wij niet bevreesd behoefden te zijn, door hen te worden opgemerkt.
De Apachen waren zeer zwijgzaam, Stone en Parker spraken zachtjes met elkander. Naar ik hoorde waren zij vast overtuigd, dat de Kiowa’s en met hen, Santer in onze handen zouden vallen. Ik was niet zoo zeker van deze zaak. Nog maar twintig minuten voor het donker zou zijn en nog zagen wij geen Kiowa’s. Ik veronderstelde dus eerder, dat de volgende morgen de beslissing zou brengen, vooral nu ook niets te zien was van den verkenner, dien de vijanden naar het dal hadden gezonden.
Onder de boomen was het reeds donker. Het fluisteren tusschen Stone en Parker had opgehouden, een windje streek over de toppen en veroorzaakte dat eentonig geruisch, dat eerder bij een onafgebroken zuchten te vergelijken is en dat men duidelijk kan onderscheiden van elk ander geluid.
Zoo was het ook nu. Het was, alsof ik iets achter mij op den zachten bodem hoorde schuifelen. Wat was het? Ik luisterde beter. Een viervoetig dier zou zich niet zoo dicht bij ons hebben gewaagd. Een kruipend dier? Neen, ook niet. Ik keerde mij snel om en ging liggen om van onderop beter te kunnen zien. Nu werd ik een donker voorwerp gewaar, dat waarschijnlijk achter mijn rug had gelegen en nu tusschen de boomen voortsloop. Ik sprong op en snelde het na. Als een donkere schaduw zag ik een man voor mij, greep hem, maar hield alleen een stuk doek in mijn hand.
—Away!—schreeuwde hij en meteen rukte hij mij het doek uit de vingers. In een oogwenk was niets meer van hem te zien en ik bleef staan en luisterde om althans iets van hem te hooren. Mijn metgezellen evenwel hadden mijn bewegingen gezien en den uitroep gehoord. Zij sprongen op en vroegen wat er gebeurd was.
—Stil, weest stil!—antwoordde ik en luisterde opnieuw. Er was niets te hooren.
Blijkbaar was er dus iemand geweest om ons te beluisteren en wel een blanke, zooals de Engelsche uitroep bewees, misschien Santer zelf, daar er buiten hem geen andere blanke bij de Kiowa’s was. Ik moest hem na, ondanks de duisternis.
—Gaat weer zitten en wacht tot ik terugkom!—gebood ik en haastig liep ik weg. Welke richting ik in moest slaan was duidelijk genoeg, natuurlijk naar de prairie, waar zich de Kiowa’s bevonden, de luisteraar zou naar hen toe gaan.
Ik moest zien, den vluchteling angstig te maken, ik riep hem dus toe.
—Halt, blijf staan of ik schiet!
Eenige seconden later, loste ik, ter bevestiging van mijn woorden, twee revolverschoten. Dit was geen fout, daar onze aanwezigheid nu toch eenmaal bekend was geworden. Nu mocht ik aannemen, dat de vluchteling uit angst voor mij in het bosch was gegaan, waar hij niet zoo snel vooruit kon komen. Ik evenwel bleef aan den zoom, waar het nog niet zoo donker was. Op deze wijze wilde ik het geheele dal afloopen tot daar waar het op de prairie uitkwam en mij dan daar verschuilen. Verliet de vluchteling dan het bosch, dan moest hij mij voorbij en ik had kans hem te vangen.
Dit plan was tamelijk goed bedacht, maar kwam niet tot uitvoering, want juist toen ik een kromming van het dal wilde volgen en om een kreupelboschje wilde heenloopen, zag ik menschen en paarden voor mij. Ik had nog nauwelijks tijd achteruit te gaan en onder de boomen te kruipen.
De Kiowa’s hadden hier onder de boomen hun legerplaats opgeslagen, waarom, dat was gemakkelijk te raden.
Eerst hadden zij buiten op de prairie halt gehouden en een verkenner uitgezonden. Deze had naar ik spoedig vernam geen moeilijke taak gehad. Santer was namelijk daar hij de streek goed kende, den Indianen een eind vooruitgereden om den omtrek nog eens te doorzoeken, hij was echter, toen zij aankwamen nog niet terug en daarom zonden zij een roode verkenner uit, die slechts zijn spoor had te volgen en geen gevaar te duchten had, daar Santer in dat geval terug zou zijn gereden om de Indianen te waarschuwen. De verkenner ging dus het dal in, zoover hem dit goed dacht, vond geen vijand en ging weer terug om dit te melden. Daar het dal een betere legerplaats aanbood dan het open veld, besloten de Kiowa’s dit laatste te verlaten en het eerste op te zoeken. Santer kon hen niet misloopen, maar moest hen vinden, zoodra hij voorbijkwam, hoewel zij uit voorzichtigheid geen vuren hadden durven aanmaken.
Nu was het zeker dat wij hen heden niet in onze handen kregen, waarschijnlijk ook morgen niet, wanneer Santer zoo verstandig was geweest ons plan te raden. Wat nu te doen? Zou ik naar mijn post terugkeeren en wachten of de Kiowa’s morgen vroeg toch nog in den val zouden loopen. Of zou ik Winnetou opzoeken, hem mijn ontdekking meedeelen en om andere bevelen vragen? Er was nog iets anders, dat ik kon probeeren, maar dit was gevaarlijk voor mij zelf, ik kon namelijk hier blijven. Het was voor ons van groot belang te weten wat de roodhuiden zouden beslissen, nadat zij van Santer hadden vernomen, wat hij had gezien. Als ik ze eens kon beluisteren! Maar ik waagde veel, zeer veel! Santer zou natuurlijk vertellen dat ik hem achtervolgde en dat kon, ja moest haast, tot mijn ontdekking leiden. Toch besloot ik het te wagen, indien ik er eenigszins kans toe zag. Zij brandden geen vuur, om niet opgemerkt te worden, dit maakte het voor mij ook gemakkelijker te blijven.
Onder de boomen lagen hooge steenblokken, met mos begroeid en omgeven door varenkruiden, misschien kon ik mij achter een van die steenen verbergen.
Het meerendeel der roodhuiden was nog met de paarden bezig, die aan pennen werden gebonden, opdat zij niet zouden wegloopen en zoodoende de legerplaats konden verraden, de anderen lagen of zaten aan den zoom van het bosch. Ik hoorde een bevelende stem, zeker die van den aanvoerder en ik moest dus zien, dicht bij hem te komen.
Op den grond liggend, kroop ik verder. Het was gelukkig overal donker en de roodhuiden bevonden zich juist aan den tegenovergestelden kant van dien welke ik wilde bereiken.—Ik kon alleen ontdekt worden, wanneer een van hen ook dezen kant uit wilde en over mij struikelde. Gelukkig gebeurde dit niet en bereikte ik mijn doel. Hier lagen twee rotsblokken naast elkander, het een lang en hoog, het ander lager. Daar bovenop zocht men zeker geen luisteraar; ik klom dus van het laagste op ’t hoogste en ging languit daarop liggen. Zoo lag ik twee meter hoog, vrij veilig en er was geen reden om te denken, dat een van de roodhuiden mij na zou klimmen.
De Indianen, die tot nu toe met de paarden bezig waren geweest, kwamen nu ook naderbij en gingen eveneens liggen of zitten. De aanvoerder gaf op halfluiden toon eenige bevelen, welke ik evenwel niet verstond, omdat ik de taal der Kiowa’s niet kende. Hierop verwijderden zich eenige roodhuiden. Waarschijnlijk waren het de wachtposten die werden uitgezet. Ik bemerkte dat zij de legerplaats naar den kant van het dal afzetten en niet naar den boschkant en dit was voor mij zeer gelukkig, daar ik mij dan later kon verwijderen, zonder op voorposten te stuiten.