Part 41
—Sam Hawkins, een beroemd prairiejager, ondanks zijn eigenaardigheden. Het spijt mij, dat hij gedood zal worden, maar ik kon hem niet helpen. Misschien luistert het opperhoofd meer naar u dan naar mij, doe gij dus een goed woordje voor hem.
—Ik zal het doen. Kunt gij mij de ligging van de tent, in welke Santer woont, niet nauwkeurig omschrijven?
—Waarvoor? Gij zult haar zien, zoodra gij het dorp binnenkomt. Het is de vierde of vijfde, van de rivier af gerekend. Ik geloof niet, dat de man u zal bevallen, hij heeft een boevengezicht. Wacht u voor hem! Gij zijt, ondanks uw ambt, nog zeer jong en zult mij een goeden raad niet kwalijk nemen. Ik moet nu verder. Vaarwel en kom behouden terug!
Zou ik hem hier houden om hem nog meer te vragen? Dan had ik hem oprecht moeten zeggen, wie wij waren en dat scheen mij toch te gewaagd. Winnetou was van dezelfde meening, want hij reed verder en zeide op halfluiden toon:
—Het is genoeg, mijn broeder moet niet meer vragen, want dit zou achterdocht wekken.
—Ik geloof ook, dat wij nu genoeg weten, wij weten tamelijk nauwkeurig, waar Hawkins is en ook, waar Santer woont en zullen beiden wel vinden. Hoe ver zullen wij nu rijden?
—Zoo ver tot deze handelaars uit het gezicht zijn, dan keeren wij terug naar onze legerplaats. Wij hebben zeer veel nut gehad van deze ontmoeting. Om alles te weten te komen, wat wij nu hebben ervaren, hadden wij ons in groot gevaar moeten begeven. Nu weten wij waar wij aan toe zijn en zullen hedenavond samen het dorp der Kiowa’s besluipen.
De beide handelaars verdwenen langzamerhand uit ons gezicht. Zij moesten langzaam rijden, daar zij zoovele lastdieren bij zich hadden. Ik heb later vernomen, hoe noodlottig dit voor hen is geweest. Evenzoo vernam ik, dat ze bij de Kiowa’s vellen van verschillende pelsdieren in ruil hadden ontvangen. Degene, die met ons gesproken had, was de eigenlijke koopman, de andere was slechts zijn bediende geweest. Toen zij weg waren en ons niet meer konden zien, keerden wij langs denzelfden weg, langs welken wij gekomen waren, naar onze legerplaats terug, onderweg alle moeite doende, om onze sporen uit te wisschen.
Dick Stone en Will Parker waren met den uitslag van onzen verkenningstocht zeer ingenomen. Vooral verheugden zij er zich over, dat hun vriend Sam zich naar omstandigheden wel bevond en zijn onverstoorbaar goed humeur had behouden. Zij verzochten ons dringend, hen toch dezen avond mee te nemen, maar Winnetou wees dit verzoek af, door te zeggen:
—Mijn beide blanke broeders moeten vandaag nog hier blijven, want wij zullen op dezen tocht Sam Hawkins toch niet kunnen bevrijden. Dat kan waarschijnlijk eerst morgen gebeuren en dan kunt gij er bij zijn.
Onze schuilplaats was tamelijk veilig, maar wij bevonden ons op vijandelijk gebied en het toeval kon licht een of eenige Kiowa’s naar den oever voeren, waar wij legerden. Daarom stelde Winnetou voor:
—Ik ken een eiland, dat een klein eindje stroomopwaarts, midden in de rivier ligt. Op dit eiland staan boomen en struiken, achter welke wij ons kunnen verbergen. Niemand zal daar komen. Mijn broeders moeten mij naar dit eiland volgen.
Wij verlieten dus onze legerplaats en reden langs den oever der rivier tot wij het eiland zagen. Het water was hier diep en had hier tamelijk veel verval, maar wij kwamen met onze paarden behouden over en het bleek, dat Winnetou gelijk had. Het eiland was groot en genoeg begroeid om ons en onze paarden een veilige schuilplaats aan te bieden.
Ik maakte tusschen de struiken mijn leger gereed en ging slapen, want het was vooruit te zien, dat in den volgenden nacht van slapen geen sprake zou zijn, niet dat wij daartoe geen tijd of gelegenheid zouden hebben, maar om een andere reden.
Sam Hawkins werd namelijk op een klein eiland gevangen gehouden, dat ik wilde besluipen. Om dit te doen, moest ik natuurlijk door het water. Ja, reeds dadelijk, wanneer we opbraken, moest ik met Winnetou van ons eiland naar den oever zwemmen, waarbij wij geheel nat zouden worden. Het was midden in December en het water was koud, wie zou dus met doornatte kleeren hebben kunnen slapen.
Toen het duister was geworden, werden wij gewekt, want ook Winnetou had geslapen. Het was tijd, naar het dorp te gaan. Wij trokken de niet volstrekt noodige kleedingstukken uit en lieten ook alles, wat wij in de zakken hadden, achter. Van onze wapens namen wij alleen het mes mee. Toen sprongen wij in de rivier en zwommen naar den rechteroever, omdat wij van dezen uit, de Salt-Fork konden bereiken.
Nadat wij een klein uur lang, langs dezen oever waren geloopen, kwamen wij aan de plaats, waar de Salt-Fork in de Red-River uitmondt en een honderd pas verder, zagen wij reeds de vuren van het dorp. Het lag onmiddellijk aan den linkeroever van de Salt-Fork, terwijl wij ons op den rechter bevonden. Wij moesten dus naar den overkant. Dit deden wij evenwel niet dadelijk, maar wij slopen langzaam de geheele lengte van het dorp verder.
Zulk een Indiaansch dorp is natuurlijk niet te vergelijken met een Europeesch dorp, een verzameling van huizen, bij welke en om welke tuinen en velden liggen. Er was hier geen spoor van tuinen of velden en de woningen bestonden uit dikke lederen tenten, welke in den zomer door linnen werden vervangen.
Bijna voor elke tent brandde een vuur, waaromheen de bewoners zaten, om zich te verwarmen of om het avondeten te gebruiken. De grootste tent stond ongeveer in het midden van het dorp. De ingang was versierd met lansen, waaraan adelaarsveeren hingen en allerlei ander zonderling tuig. Bij het vuur zat Tangua, het opperhoofd met een jongen, misschien achttienjarige Indiaan en twee knapen, van ongeveer twaalf en veertien jaar.
—Dat zijn zijn drie zonen,—zeide Winnetou.—De oudste is zijn lieveling en belooft een dapper krijgsman te worden. Hij loopt zoo snel, dat hij den naam van Pida (hert) heeft gekregen.
Ook vrouwen liepen af en aan, maar het is bij de Indianen aan de vrouwen en kinderen niet geoorloofd met de mannen te eten. Zij eten later en moeten tevreden zijn met wat overblijft, terwijl zij verplicht zijn zelfs den zwaarsten arbeid te verrichten.
Ik zocht naar het eiland. De hemel was donker en bewolkt, geen ster was te zien, maar de vuren maakten het ons mogelijk drie eilanden te onderscheiden, welke op geringen afstand van elkander lagen
—Op welk eiland zou Sam zich bevinden?—vroeg ik.
—Als mijn broeder dit wil weten, moet hij er aan denken, wat de koopman heeft gezegd,—antwoordde Winnetou.
—Dat het eiland dicht aan den oever ligt, meent gij? Het eerste en het derde liggen het verst hier naar dezen kant, het moet dus het tweede, het middelste zijn.
—Waarschijnlijk. En rechts is het benedeneinde van het dorp waar in de vierde of vijfde tent Santer woont. Wij zullen niet bij elkander blijven, maar ieder zijn eigen weg gaan. Ik heb het voorzien op den moordenaar van mijn vader en van mijn zuster en zal dus te weten zien te komen, waar deze woont. Sam is meer uw makker dan de mijne, gij moet dus naar hem zoeken.
—En waar vinden wij elkander weer?
—Hier, op deze plaats.
—Als er niets bijzonders gebeurt, zal dat wel gaan, maar wanneer toevallig één van ons wordt opgemerkt, zal er een groot tumult volgen, daarom moeten wij nog een andere plaats bepalen, wat verder van het dorp gelegen.
—Ons plan is niet gemakkelijk uit te voeren, uw taak is echter nog moeielijker dan de mijne, want gij moet naar het eiland zwemmen en kunt licht door de wachters worden gezien. Mocht men u grijpen, dan zal ik u te hulp komen, wordt gij niet gevat, dan keert gij naar ons eiland terug, maar langs een omweg, opdat men de richting, in welke gij vlucht, niet ontdekt.
—Maar morgen vroeg zal men toch de sporen zien?
—Neen, want wij krijgen spoedig regen en de sporen zullen worden uitgewischt.
—Goed! En als gij een ongeluk mocht krijgen, kom ik u te hulp.
—Dat zal niet gebeuren. Zie eens naar den overkant. Ginds voor de vijfde hut brandt geen vuur, daar zal Santer wonen, hij zal binnen zijn en slapen. Het is dus heel gemakkelijk te weten te komen, hoe het met hem staat!
Na deze woorden ging hij heen, een eind langs den oever, om dan buiten het bereik van het dorp over de rivier te zwemmen en heimelijk naar de tenten terug te keeren.
Ik moest het heel anders aanleggen. Mijn doel lag binnen het bereik van den gloed van het legervuur, ik mocht dus niet aan de oppervlakte van het water komen, maar moest het eiland al duikende zien te bereiken. Onder water door te zwemmen was zoo moeilijk niet, maar hoe, wanneer ik juist opdook vóór een der schildwachten. Neen, ik moest eerst naar een der nabijgelegen eilanden, waar zich waarschijnlijk niemand bevond. Het eerste lag ongeveer twintig meter van het tweede, het middelste. Ik kon dus van daar uit waarschijnlijk zien, hoe het er op het tweede uitzag.
Ik ging dus een eind stroomopwaarts en hield mijn oog voortdurend gevestigd op het eerste eiland. Er was daar niet de geringste beweging te bespeuren, waarschijnlijk was daar niemand. Toen gleed ik langzaam in het water, dook onder en zwom naar den oeverkant. Ik kwam zonder ongelukken aan en waagde het, het hoofd boven water te steken, om adem te halen. Ik bevond mij aan het boveneinde voor het eerste eiland en zag nu, dat er nog een beter middel was, om tot mijn doel te geraken.
Het eiland, aan welks rand ik nu stond, was ook ongeveer twintig meter van den oever verwijderd, waar een lange rij van kano’s lag vastgemeerd. Deze kano’s konden mij een voortreffelijke dekking bieden. Ik dook dus weer onder, zwom naar de eerste kano, van daar naar de tweede, derde en zoo verder, tot ik achter de zesde, zoo nabij het middelste eiland was, dat ik dit geheel kon overzien.
Het lag dichter bij het land dan de beide andere eilanden en was begroeid met laag kreupelhout, waaruit twee boomen omhoog staken. Van den gevangene en zijn bewakers kon ik niets zien. Juist wilde ik weer onderduiken, om terug te zwemmen, toen ik boven mij, op den hoogen oever, eenig gedruisch hoorde. Ik zag op. Een Indiaan daalde den oever af. Het was Pida, het „hert” de zoon van het opperhoofd. Gelukkig ging hij naar een verder stroomafwaarts liggende boot, zoodat hij mij niet zag. Hij maakte deze los en roeide naar het middelste eiland. Ik moest dus wachten. Weldra hoorde ik stemmen en herkende ik die van mijn kleinen Sam. Ik moest hooren, wat er werd gesproken en zwom dus onder water naar een verder gelegen kano. Er waren er zooveel, dat wel ieder dorpsbewoner er een voor zich scheen te hebben. Toen ik weer opdook en achter deze kano verborgen, naar het gesprek luisterde, hoorde ik den zoon van het opperhoofd zeggen:
—Tangua, mijn vader, wil het weten!
—Ik denk er niet aan, het u te zeggen!—antwoordde Sam.
—Dan zult gij tienvoudig worden gepijnigd.
—Laat u niet uitlachen! Sam Hawkins en die gepijnigd worden! hihihihi! Uw vader heeft mij reeds eenmaal willen laten martelen, daarginds, bij den Rio Pecos, bij de Apachen. Wat is het gevolg daarvan geweest? Herinnert gij u dat nog?
—Dat Old-Shatterhand, die hond, hem lam heeft geschoten.
—Welnu, zoo zou het ook nu weer gaan. Gij zult u wel wachten, mij eenig leed te doen.
—Als gij dat in ernst meent, is de waanzin in uw hoofd geslagen. Gij zijt gebonden en kunt niet ontkomen. Bedenk, dat uw geheele lichaam met riemen is omwonden, zoodat gij geen lid kunt verroeren.
—Ja, dat heb ik aan dien braven Santer te danken en ik bevind er mij zeer goed bij.
—Gij lijdt pijn, dat weet ik, maar gij wilt dit niet laten bemerken. Bovendien zijt gij nog vastgebonden en hier zitten dag en nacht vier krijgers om u te bewaken. Hoe wilt gij dus ontkomen?
—Dat is mijn zaak, beste jongen! Tot nu toe bevalt het mij hier goed, wacht dus maar tot ik weg wil.
—Wij zouden u vrijlaten, als gij ons wildet zeggen, waarheen gij gaan zult.
—Maar ik zeg het niet. Ik weet wel, hoe het dan gaat. De brave Santer is zoo vriendelijk geweest, mij de geheele geschiedenis te vertellen, om mij vrees aan te jagen, wat hem echter niet gelukt is. Gij zijt naar de Nuggets-Hills geweest, om Old-Shatterhand en Winnetou te vangen. Belachelijk! Old-Shatterhand te vangen, die mijn leerling is.... hihihihi!
—Waarom zijt gij dan hier gekomen?
—Om den tijd te verdrijven. Ik wilde wel graag eens een paar dagen bij u zijn, omdat ik zooveel van u houd, als ik mij niet vergis. Dus hebt gij een vergeefschen rit gemaakt en verbeeldt u nu, dat Winnetou met zijn Apachen en Old-Shatterhand u na zullen loopen. Zoo iets dwaas heb ik nu nog nooit gehoord. Nu ziet gij evenwel in, dat gij u vergist hebt. Zij zijn niet hier gekomen en gij weet niet, waar zij zijn. Nu wilt gij van mij weten waar Old-Shatterhand kan zijn. Gij denkt, dat ik dat weten moet. En ik wil u ook wel oprecht zeggen, dat ik het weet.
—Waar is hij dan?
—Gij zult het spoedig vernemen, zonder dat ik het u zeg, want....
Hij hield op, want plotseling weerklonk een luid geschreeuw. Ik verstond de woorden niet, maar naar den toon te oordeelen, was het, alsof men een vluchteling nazette, onder een geroep, dat zooveel beteekende als: „houdt hem, houdt hem.” Daarbij hoorde ik duidelijk den naam van Winnetou.
—Hoort gij, waar zij zijn!—riep Sam verheugd.—Waar Winnetou is, daar is ook Old-Shatterhand. Zij komen, zij komen!
Het gebrul werd nog luider en ik hoorde de Indianen loopen. Zij hadden Winnetou gezien, maar niet gevat. Dat was voor mij een streep door de rekening. Ik zag, dat de zoon van het opperhoofd zich oprichtte en naar den oever zag. Toen sprong hij in zijn kano en riep de vier wachters toe:
—Neemt de geweren in de hand en schiet dit bleekgezicht dadelijk neer, zoodra er iemand mocht komen, om hem te bevrijden.
Daarop roeide hij naar den oever. Ik had Sam, indien het eenigszins mogelijk was geweest, nog vandaag willen redden, nu zag ik, dat dit niet ging. Als ik het had willen wagen alleen met het mes gewapend, de vier roodhuiden aan te vallen, dan zou Sam oogenblikkelijk vermoord zijn geworden.
Daar schoot mij echter een gedachte te binnen. Pida was de lievelingszoon van het opperhoofd. Als ik mij van hem meester kon maken, zou ik hem tegen Sam kunnen uitwisselen.
Een enkele blik overtuigde mij, dat dit plan, hoe dwaas het ook scheen, toch uitvoerbaar was. De gelegenheid was gunstig. Winnetou was gevlucht in de richting van de Red-River, terwijl onze legerplaats zich rechts van het eiland bevond. Hij had dit natuurlijk gedaan om zijn vervolgers van het spoor te brengen. Het geschreeuw weerklonk van dien kant en ook de vier wachters stonden met het gezicht daarheen. Zij keerden mij bijna den rug toe en verder was er niemand te zien. Pida had intusschen met zijn kano den oever bereikt, wilde haar vastmaken en bukte zich. Toen dook ik op, een vuistslag velde hem neer, ik wierp hem in de boot, sprong er zelf in en roeide tegen den stroom in, dicht langs den oever voort. De dolle streek was gelukt.
Ik roeide uit al mijn macht, om zoo spoedig mogelijk buiten het bereik van het dorp te komen en toen het schijnsel van het vuur mij niet langer hinderde, legde ik aan den rechteroever van de Salt-Fork aan, waar ik den onmachtigen Indianenzoon in het gras legde. Daarop sneed ik den riem, waarmee ik de kano aan den oever had vastgebonden los, om daarmee den gevangene te binden en gaf de kano een stoot, dat zij verder gleed. Toen ik Pida’s armen aan zijn lichaam had vastgebonden, nam ik hem op mijn arm en ving den terugtocht naar ons eiland aan.
Dit was een geduchte toer, niet omdat de last welke ik droeg, mij te zwaar werd, maar omdat Pida, toen hij weer tot bewustzijn was gekomen, zich heftig verzette. Herhaalde malen moest ik hem met het mes dreigen. Zijn wapens had ik hem natuurlijk afgenomen.
—Wie zijt gij?—vroeg hij eindelijk woedend,—een bleekgezicht dien Tangua, mijn vader, morgen zal straffen.
—Uw vader zal mij niet in handen krijgen, hij kan immers niet loopen,—antwoordde ik.
—Maar hij heeft tal van krijgers, die hij zal uitzenden om mij te zoeken!
—Ik lach om uw krijgers. Het kan hen gaan, zooals het uw vader is gegaan, toen hij met mij wilde vechten.
—Oef! Hebt gij met hem gevochten?
—Ja.
—Waar?
—Daar, waar hij mijn kogels in zijn beenen kreeg.
—Oef, oef! Zijt gij dan Old-Shatterhand, vroeg hij verschrikt.
—Hoe kunt gij dit nu eerst vragen? Ik heb u immers met de vuist ter neergeslagen. Wie anders, dan Winnetou en Old-Shatterhand zouden het wagen, in uw dorp te dringen en er den zoon van het opperhoofd weg te halen!
—Oef! Dus moet ik sterven! Gij zult evenwel geen kreet van pijn van mijn lippen hooren.
—Wij dooden u niet. Wij zijn niet zulke moordenaars als gij zijt. Als uw vader de beide bleekgezichten uitlevert, die zich bij u bevinden, laten wij u weer vrij.
—Santer en Hawkins?
—Ja.
—Hij zal hen uitleveren, want zijn zoon is hem meer waard, dan tien Hawkins en om Santer geeft hij niets.
Van nu af aan, weigerde hij niet langer met mij mede te gaan. Winnetou’s voorspelling werd vervuld, het begon te regenen en wel zoo hevig, dat het mij onmogelijk werd den oever te bereiken, die tegenover ons eiland lag. Ik zocht dus een dicht bebladerden boom op om onder dezen het einde van den regen of het aanbreken van den dag af te wachten. Dit was een geduldsproef. De regen wilde niet ophouden en de morgen niet komen. Ik troostte mij evenwel met de gedachte, dat ik niet natter kon worden dan ik reeds was, maar ik werd daarbij zoo koud, dat ik allerlei gymnastische beweging moest maken om mij te verwarmen.
Eindelijk werden mijn beide wenschen terzelfder tijd vervuld, de regen hield op en de dag brak aan, maar een dichte nevel bedekte alles. Toch viel het mij niet moeilijk, den oever te vinden. Ik riep een luid: hallo!
—Hallo!—antwoordde Winnetou.—Is het mijn broeder Shatterhand?
—Ja.
—Kom dan over! Waarom roept gij eerst? Dat is niet voorzichtig!
—Ik heb een gevangene bij mij. Zend een goed zwemmer en eenige riemen over!
—Ik zal zelf komen.
Hoe verheugde ik mij, dat hij niet in de handen der Kiowa’s was gevallen! Weldra zag ik zijn hoofd boven het water verschijnen. Toen hij aan wal stapte en den Indiaan zag liggen, zeide hij verbaasd:
—Oef! Pida, de zoon van het opperhoofd! Waar heeft mijn broeder hem gevat?
—Niet ver van Hawkins’ eiland.
—Hebt gij Hawkins gezien?
—Neen, maar ik hoorde hem met dezen Pida redeneeren. Ik had nog met mijn vriend willen spreken en hem willen bevrijden, maar toen werd gij ontdekt en moest ik wel maken dat ik weg kwam.
—Ja, mijn verkenningstocht is ongelukkig afgeloopen, maar ik kon er niets aan doen. Ik had bijna Santer’s tent bereikt, toen eenige Kiowa’s voorbijkwamen. Ik durfde niet opstaan, maar kroop een weinig ter zijde. Zij bleven staan en spraken met elkander en zoo viel het oog van den een op mij. Ik moest mij dus wel uit de voeten maken. Bij het schijnsel van het vuur herkenden zij mij. Ik vluchtte stroomopwaarts, in plaats van stroomafwaarts om hen op een dwaalspoor te brengen. Santer heb ik evenwel niet gezien.
—Gij zult hem spoedig zien, want deze jonge krijgsman heeft er in toegestemd, zich tegen Santer en Sam Hawkins te laten uitleveren en ik ben overtuigd, dat het opperhoofd daarmede genoegen zal nemen.
—Oef! Dat is zeer goed. Mijn broeder Old-Shatterhand heeft dapper, ja, bijna overmoedig gehandeld, maar het was het beste wat hij doen kon.
Ik zeide, dat hij Santer weldra zou zien en dit gebeurde nog eerder, dan ik had gedacht. Wij bonden den gevangene zoo tusschen ons vast, dat zijn schouders de onzen raakten en zijn hoofd dus, ofschoon de armen gebonden waren, boven water moest blijven, hij kon ons met zijn beenen bij het zwemmen helpen. Zoo gingen wij in het water; Pida verzette zich niet, maar sloeg toen wij den grond onder de voeten hadden verloren, de beenen flink uit.
De nevel lag zóó dicht over het water, dat wij geen zes meter voor ons uit konden zien, maar, zooals bekend is, hoort men in den nevel alle geluiden duidelijk. Wij waren nog niet ver van den oever of Winnetou zeide:
—Zachtjes! Ik heb iets gehoord.
—Wat dan?
—Een geluid, als van roeiriemen, die in het water worden gedreven.
—Laat ons dan even wachten.
—Ja, luister.
Wij maakten nu alleen die bewegingen, welke noodzakelijk waren, om ons boven water te houden en maakten dus weinig gedruisch. Het bleek dat Winnetou goed had gehoord, er kwam iemand de rivier afroeien. Hij moest haast hebben, daar hij, ondanks het verval, dat de rivier hier had, de riemen gebruikte.
Het kwam snel nader. Zouden wij ons laten zien of niet? Het kon een vijandelijk verkenner zijn, misschien echter was het beter voor ons te weten, wie hij was. Ik wierp een vragenden blik op Winnetou, hij verstond dien en antwoordde zachtjes:
—Niet terug! Ik wil weten, wie hij is! Hij zal ons wel niet zien, daar wij zoo stil op het water liggen.
Het was te verwachten, dat wij onopgemerkt zouden blijven, want alleen onze hoofden waren boven water. Pida was evenzeer in spanning als wij, hij had ons door een enkelen kreet om hulp kunnen verraden, maar hij deed het niet, daar hij wist dat hij op een andere wijze vrij zou komen.
Nu hoorde men de slagen van de roeiriemen onmiddellijk in de nabijheid en een Indiaansche kano dook uit den nevel op. In deze zat.... wie? Wij hadden stil moeten blijven, maar toen Winnetou den man zag, riep hij luide:
—Santer! hij vlucht!
Mijn anders zoo kalme vriend werd door het plotseling verschijnen van zijn doodsvijand zoo opgewonden, dat hij de armen en beenen uitsloeg om op de kano toe te zwemmen, maar daar hij aan ons, of liever aan Pida was vastgebonden, ging dat niet.
—Oef! Ik moet los! ik moet hem hebben!—riep hij, terwijl hij zijn mes trok en den riem doorsneed, welke hem aan Pida verbond.
Santer had natuurlijk Winnetou’s uitroep gehoord en dadelijk wendde hij de oogen naar onzen kant.
—Thousand devils!—riep hij verschrikt,—daar zijn die....
Hij hield even op. De uitdrukking van schrik op zijn gelaat, maakte plaats voor die van vreugde; hij had onze positie bemerkt, wierp de roeiriemen in de kano, greep naar zijn geweer richtte het op ons en riep:
—Uw laatste waterpartij, honden!
Hij trok gelukkig juist den haan over op het oogenblik dat Winnetou zich van ons had losgemaakt en met geweldige slagen op de boot toeschoot; daardoor kreeg ik met Pida een stoot, welke ons verwijderde van het punt, waarop Santer had gemikt.
Dat wat ik nu van Winnetou zag, was geen zwemmen, maar eerder een vliegen over het water. Hij had zijn mes tusschen de tanden en vloog in groote sprongen op den vijand toe. Santer had nog een kogel in den loop, mikte op den Apache en riep hoonend:
—Kom hier vervloekte roodhuid! Ik zal u naar den duivel helpen!