Part 13
—Goedkeuren? gij? hoor nu dien greenhorn eens aan! Hij verbeeldt zich waarempel, dat hij eerst moet goedkeuren, wat Sam Hawkins besluit. Moet ik u misschien ook vragen, of ik mijn nagels mag knippen of mijn laarzen mag oplappen?
—Zoo bedoelde ik het natuurlijk niet, Sam. Ik wilde alleen maar zeker zijn, dat er geen besluit werd genomen, dat het leven van onze beide Apachen in gevaar kan brengen.
—Wat dat betreft, verlaat u gerust op den ouden Sam Hawkins; ik geef u mijn woord, dat hun geen leed zal geschieden, is u dat genoeg?
—Ja, uw eerewoord is mij voldoende, ik weet dat gij het zult houden!
—Vooruit dan, maak dat gij aan uw werk komt, en wees verzekerd, dat de zaak evengoed zal gaan, zonder dat gij er uw neus insteekt.
Ik moest mij schikken, want er was mij alles aan gelegen, de opmetingen ten einde te brengen vóór de komst der Apachen. Wij begonnen dus met moed en kwamen flink vooruit, want ook Bancroft en zijn drie andere ondergeschikten spanden al hun krachten in. Ik had hun namelijk gezegd, dat, wanneer de Apachen kwamen, vóór wij gereed waren, het er voor ons leelijk uit zou zien, maar dat, wanneer wij ons werk voor hun komst af hadden, wij gelegenheid zouden hebben, stilletjes weg te trekken en zoo ons zelf en onze teekeningen te redden. Zij werkten dus zoo hard zij konden, en mijn doel was bereikt. Ik zelf dacht er echter geen oogenblik aan, mij zoo uit de voeten te maken. Winnetou lag mij veel te na aan het hart. De anderen mochten doen, wat zij wilden, ik was besloten, niet weg te gaan, voor ik vast overtuigd was, dat er voor hem geen gevaar meer bestond. Ik had werk te doen voor twee, want ik moest opmeten en meteen de berekeningen en teekeningen maken. Dit laatste deed ik in duplo. Eén exemplaar gaf ik aan den hoofdingenieur en een hield ik, om in geval van nood, te kunnen gebruiken. Onze positie was zoo gevaarlijk, dat deze voorzichtigheid wel noodig was.
De vergadering duurde werkelijk, zooals ik reeds had vermoed, tot aan den avond; zij werd juist gesloten, toen wij door de duisternis genoodzaakt waren, ons werk neer te leggen. De Kiowa’s waren in de vroolijkste stemming, want Sam Hawkins had de fout, of misschien ook wel den wijzen zet begaan, hun onze geheele rest brandewijn te geven. Er brandden verscheidene wachtvuren, waaromheen de smullende roodhuiden gelegerd waren, de paarden graasden rustig en verder buiten in de duisternis stonden de schildwachten, door den hoofdman uitgezet.
Ik ging bij Sam en zijn onafscheidelijke metgezellen Parker en Stone zitten, at mijn avondbrood en liet mijn oogen dwalen over de legerplaats, welke voor mij, nieuweling, een aardig gezicht aanbood. Geen van de roodhuiden, die ik daar zag, scheen mij vatbaar voor eenig gevoel van medelijden tegenover den vijand. Ik zag er geen een die dronken was, want de hoeveelheid brandewijn was niet zoo groot, of ieder had slechts een teug of vijf kunnen krijgen, maar daar zij dit nat zelden proefden was de opwindende uitwerking duidelijk merkbaar. De gebaren waren levendiger, de gesprekken luidruchtiger, dan gewoonlijk het geval placht te zijn.
Natuurlijk vroeg ik Sam dadelijk naar den afloop der vergadering.
—Wees maar tevreden,—meende hij,—er zal aan uw twee Apachen niets kwaads overkomen.
—Maar als zij zich verzetten?
—Zoover komt het niet, zij worden overvallen, en zullen reeds gebonden zijn, voor zij er aan denken.
—Zoo, hoe stelt gij u de zaak dan eigenlijk voor, Sam?
—Zoo eenvoudig mogelijk. De Apachen komen langs een bepaalden weg. Kunt gij dien misschien raden, sir?
—Ja, zij zullen natuurlijk gaan naar de plaats, waar zij ons hebben aangetroffen en van daar ons spoor verder volgen.
—Juist! Gij zijt werkelijk niet zoo dom, als gij er uitziet. Dus, het eerste, wat wij moeten weten, is ons bekend, namelijk de richting, van waar zij zullen komen. Het voornaamste is evenwel de tijd, waarop zij verwacht kunnen worden.
—Dien kan men niet nauwkeurig vooruit bepalen, maar toch wel eenigszins.
—Ja, maar dat geeft ons niets, wij moeten zekerheid hebben, volle zekerheid.
—Die kunnen wij alleen krijgen, door verkenners uit te zenden en dat wildet gij immers niet, beste Sam. Gij vreesdet toch, dat het spoor der verkenners ons zou verraden.
—Van de roode verkenners, zeker, let wel sir, van de rooden! De Apachen weten, dat wij in de nabijheid zijn; vinden zij dus het spoor van een blanke, dan kan het hun wantrouwen niet opwekken. Vinden zij evenwel het spoor van een roodhuid, dan is dat geheel iets anders, zij zouden gewaarschuwd zijn en zich in acht nemen. Daar gij zulk een knappe kerel zijt, sir, kunt gij dunkt mij, wel vermoeden wat zij daaruit zouden opmaken.
—Dat er Kiowa’s in de buurt zijn?
—Natuurlijk, gij hebt het geraden! Als ik mijn pruik niet een beetje moest sparen, zou ik den hoed voor u afnemen. Neem nu den wil voor de daad!
—Dank u, Sam! Maar om verder te gaan, meent gij dus, dat wij den Apachen geen roode, maar blanke verkenners tegemoet moeten zenden?
—Ja, maar niet meer dan een.
—Is dat niet te weinig?
—Neen, want die eene is een kerel op wien men kan vertrouwen, hij heet namelijk Sam Hawkins en pleegt veldmuizen te eten, hihihihi! Kent gij dien man misschien, sir?
—Ja,—knikte ik,—en als die man eenmaal iets op zich neemt, kunnen wij gerust zijn; hij zal zich niet door de Apachen laten vangen.
—Neen vangen niet, maar wel laten zien.
—Wat? moeten zij u zien?
—Ja.
—Maar dan pakken en dooden zij u.
—Zij zullen ’t wel laten, daarvoor zijn zij veel te verstandig. Ik richt het zoo in, dat zij mij moeten zien, opdat zij niet op het denkbeeld komen, dat er ook nog anderen bij ons zijn. Als ik daar zoo genoeglijk voor hen uit wandel, zullen zij meenen, dat wij ons zoo veilig wanen als in Abraham’s schoot. Zij zullen mij niets doen, daar gij ongerust zoudt kunnen worden, als ik niet in de legerplaats terugkeerde, later kunnen zij mij volgens hun meening immers toch wel krijgen.
—Maar Sam, is het niet mogelijk, dat zij u zien, maar gij hen niet?
—Sir,—barstte hij los,—als gij zulke opmerkingen durft maken, is het uit tusschen ons. Ik hen niet zien! De oogjes van Sam Hawkins zijn weliswaar klein, maar zien scherp. De Apachen komen niet in troepen, maar zij zenden een paar verkenners vooruit, en die zullen mij niet ontgaan, want ik zal mij zóó opstellen, dat ik hen moet zien. Weet ge, er zijn van die open plekken, waar men niet de geringste bedekking heeft. Zulke plaatsen zoekt men op, als men verkenners wil ontdekken. Zoodra ik ze gezien heb, breng ik u bericht, opdat gij, wanneer zij om de legerplaats heensluipen, voorbereid zijt.
—Maar dan zien zij toch de Kiowa’s en zullen dit aan hun hoofdman melden!
—Wie zien ze? de Kiowa’s? mensch, greenhorn, en achtenswaardig jongeling, meent gij dan, dat de hersenen van Sam Hawkins van zand zijn? Ik zal natuurlijk zorgen, dat de Kiowa’s niet te zien zijn en er geen spoor van hen te vinden is. Deze goede vrienden zullen zich wat graag laten verstoppen, om op het geschikte oogenblik te voorschijn te komen. De verkenners der Apachen mogen natuurlijk alleen dezelfde personen zien, die in de legerplaats waren, toen Winnetou en zijn vader zich daar bevonden.
—Zoo, dat is iets anders!
—Niet waar? De verkenners der Apachen mogen ons dus gerust besluipen en de overtuiging krijgen, dat wij geen kwaad vermoeden. Wanneer zij zich dan verwijderen, volg ik hen, om uit te zien naar de komst der geheele schaar. Deze zal natuurlijk niet bij dag maar bij nacht komen en onze legerplaats zoo dicht mogelijk trachten te naderen, om ons dan plotseling te overvallen.
—En ons gevangen te nemen en te vermoorden!
—Luister, sir, ik heb werkelijk soms medelijden met u. Gij zijt een gestudeerd man en weet nog niet eens, dat men zich uit de voeten moet maken, wanneer men niet gevangengenomen wil worden, dat weet anders zelfs iedere haas of konijn. Staat dat misschien niet in de vele boeken, welke gij gelezen hebt?
—Neen, maar verder dus, meent gij, dat wij ons in veiligheid moeten brengen?
—Ja zeker. Wij maken natuurlijk een wachtvuur, opdat zij ons duidelijk kunnen zien. Zoolang dit brandt, houden de Apachen zich op een afstand. Wij laten het stil uitbranden en sluipen, zoodra het donker wordt, weg, om de Kiowa’s te halen. Nu werpen de Apachen zich op onze legerplaats en.... vinden geen mensch, hihihihi! Zij zijn natuurlijk zeer verbaasd en steken het vuur weer aan, om ons te zoeken! Wij zien hen dan even duidelijk, als zij ons zooeven zagen. De rollen worden dan omgekeerd, en nu zijn zij het, die overvallen worden. Dat wordt een slag, waarover men nog lang zal spreken en dan zal er bij gezegd worden: dat heeft Sam Hawkins kostelijk bedacht, als ik mij niet vergis!
—Ja, het zou prachtig zijn, als alles ging, zooals gij dacht.
—Het zal niet anders gaan, daarvoor zal ik wel zorgen.
—En dan verder? Zullen wij dan de Apachen heimelijk bevrijden?
—Intschu Tschuna en Winnetou in elk geval.
—De anderen niet?
—Voor zoover dit zonder ons zelf te verraden mogelijk is.
—Hoe zal het dan met de overigen gaan?
—Dat zal nog meevallen sir, dat verzeker ik u. De Kiowa’s zullen in de eerste oogenblikken meer aan de vluchtelingen denken, dan aan de anderen. En mochten zij al te bloeddorstig zijn, dan is Sam Hawkins er ook nog. Trouwens gij moet u niet het hoofd breken over wat later zal gebeuren, gij kunt uw tijd wel beter gebruiken. Komt tijd, komt raad. Er moet echter vóór alles een plaats gezocht worden, welke geschikt is voor de uitvoering van ons plan. Morgen vroeg zal ik mij daarmee onledig houden, vandaag hebben wij overlegd, morgen moeten wij handelen.
Hij had gelijk, verder spreken en plannen maken was overbodig, wij konden nu niets anders doen dan afwachten, wat er zou gebeuren.
De nacht was allesbehalve aangenaam. Er kwam een flinke wind opzetten, die langzamerhand tot een storm aanwakkerde en tegen den morgen begon het erg koud te worden. Sam Hawkins keek eens naar de lucht en meende:
—Vandaag zullen wij iets beleven, dat in deze streek zelden voorkomt; het zal regenen, als ik mij niet vergis. En dat zal de uitvoering van ons plan begunstigen.
—Hoe dat?—vroeg ik.
—Kunt gij dat niet begrijpen? Zie eens hoe het gras hier vertreden is. Wanneer de Apachen hier komen, zullen zij dadelijk zien, dat hier meer menschen en dieren zijn geweest, dan zij bij ons hebben gezien. Komt er nu regen, dan richt zich het gras weer op en worden de sporen van deze legerplaats uitgewischt. Ik zal zoo gauw mogelijk met de roodhuiden van hier gaan.
—En een plaats zoeken, geschikt om hen te verbergen?
—Ja. Ik zou de Kiowa’s wel eerst nog hier kunnen laten en ze later halen, maar hoe eerder ze weggaan, des te eerder verdwijnt het spoor. Gij kunt intusschen kalm doorwerken.
Hij deelde zijn plan aan het opperhoofd der Kiowa’s mee, en deze stemde daarmee in. Na korten tijd, reed Sam met Dick en Will dan ook weg. Het spreekt vanzelf, dat de plaats, welke zij zich wilden kiezen, moest liggen aan den weg, dien wij als landmeters hadden te volgen, en zeer langzaam, doch zoo snel echter als ons werk dit gedoogde, trokken wij hen achterna. Tegen den middag, werd Sam’s voorspelling bewaarheid, het begon te regenen en wel op een wijze, zooals het slechts in die streken regenen kan, wanneer dit eens een enkele maal gebeurt. Het was of het met emmers werd neergegooid.
Midden in dezen regen kwam Sam met de beide anderen terug. Wij zagen ze niet, voor ze misschien slechts twaalf of vijftien pas van ons af waren, zoo dicht viel de regen. Zij waren geslaagd in het vinden van een geschikte plaats, Parker en Stone zouden ons deze wijzen. Sam evenwel ging onmiddellijk weer weg, om zijn verkennersambt te aanvaarden. Hij wilde te voet gaan, omdat hij zich dan beter kon verbergen, dan wanneer hij zijn muildier bij zich had.
Toen hij achter het dichte regengordijn verdween, had ik een gevoel, alsof het ongeluk met snelle schreden naderde.
Even plotseling als de regen gekomen was, even snel hield hij weer op. De sluizen des hemels sloten zich en de zon straalde weer even warm als den vorigen dag. Wij konden den arbeid, dien wij hadden moeten staken, weer hervatten.
Het terrein, waarop wij ons bevonden, was een vlakke, niet groote savanna, aan drie zijden begrensd door dichte bosschen, en wij konden dus tamelijk snel vooruitkomen. Ik had daarbij gelegenheid op te merken, dat Sam de uitwerking van den regen juist had voorspeld, want waar wij ons nu bevonden, was geen spoor meer te zien van de hoeven der paarden. Indien de Apachen ons volgden, konden zij onmogelijk vermoeden, dat wij tweehonderd bondgenooten in onze nabijheid hadden.
Toen het donker begon te worden en wij den arbeid moesten neerleggen, hoorden wij van Stone en Parker, dat wij niet ver meer waren van den plek, welke Sam had uitgekozen.
Den volgenden morgen bereikten wij na korten tijd, een beek, welke een tamelijk groot vijverachtig bekken vormde, dat waarschijnlijk steeds met water was gevuld, terwijl het bed van de beek zelf meest droog lag. Tengevolge van den regen van gisteren was het water echter aanmerkelijk gezwollen. Een smalle, open grasstrook, rechts en links met boomen en struiken omzoomd, leidde naar dezen vijver. Een klein schiereiland, eveneens met boomen en struiken begroeid, strekte zich daarin uit; aanvankelijk was het smal, maar verder verbreedde het zich, zoodat het bijna geheel rond werd. Aan den anderen kant van den vijver lag een hoogte met dicht bosch bedekt.
—Dit is de plek, welke Sam heeft uitgekozen,—zeide Stone terwijl hij met een kennersblik om zich heen zag,—hij had geen betere kunnen vinden.
Deze opmerking noodzaakte mij, eens goed naar alle kanten rond te zien.
—Waar zijn nu de Kiowa’s Mr. Stone?—vroeg ik.
—Verborgen, goed verborgen!—antwoordde hij,—met de grootste moeite zoudt gij ze niet kunnen vinden, hoewel ik zeker weet, dat zij ons kunnen zien en gadeslaan.
—Waar zijn zij dan?
—Een oogenblik geduld, sir, eerst moet ik u vertellen, waarom de listige Sam, deze plaats gekozen heeft. De savanna, langs welke wij gekomen zijn, is bedekt met enkele alleenstaande kreupelboschjes. Dit maakt het den verkenners der Apachen gemakkelijk ons onopgemerkt te volgen. Zie nu verder deze open grastong, welke hierheen leidt. Een legervuur, dat wij hier branden, verspreidt zijn schijnsel over de geheele savanna; dat zal de Apachen lokken en zij kunnen ons dus gemakkelijk naderen, wanneer zij dekking zoeken achter de boomen en struiken, welke aan weerszijden van deze tong staan. Ik zeg u, heeren, wij konden geen betere plaats vinden, om door de roodhuiden overvallen te worden.
Zijn lang, mager, verweerd gezicht glom letterlijk van tevredenheid, maar de hoofdingenieur schudde het hoofd en zeide:
—Hoe komt ge er toch bij, Mr. Stone? verheugt gij u, dat wij overvallen zullen worden, ik zeg u, ik zal maken, dat ik voor dien tijd weg kom!
—Dan valt gij zeker in handen der Apachen, Mr. Bancroft. Natuurlijk verheug ik mij, want als de Apachen ons gemakkelijk kunnen overvallen, valt het ons later nog veel gemakkelijker hen te overvallen. Zie eens over dat water heen. Aan den anderen kant, daarginds op de hoogte zijn de Kiowa’s verborgen. Hun verkenners zitten in de toppen der boomen en hebben ons zien aankomen. Evenzoo zullen wij de Apachen zien aankomen.
—Maar,—viel de hoofdingenieur hem in de rede,—wat geeft het ons, dat de Kiowa’s daarginds in het bosch zijn, wanneer wij worden overvallen.
—Daar hebben wij ze maar vooreerst geborgen, omdat zij niet hier kunnen zijn, wanneer de verkenners der Apachen komen. Zijn deze evenwel weer vertrokken, dan brengen wij ze naar het schiereiland, waar zij niet gezien kunnen worden.
—Kunnen de verkenners daar niet komen?
—Dat gedoogen wij niet.
—Dan zoudt gij ze dus moeten verjagen, en toch moeten wij doen, alsof wij ze niet zien, hoe rijmt ge dat, Mr. Stone?
—Dat zal ik u zeggen. Wij moeten doen, alsof wij ze niet zien en kunnen hen dus ook niet verbieden, het schiereiland te betreden; maar dat is, waar het met den oever is verbonden, slechts dertig voet breed en langs deze geheele breedte, plaatsen wij paarden.
—Paarden als barricade? hoe is dat mogelijk.
—Wij binden de paarden aan de boomen vast, dan kunt ge zeker zijn, dat geen Indiaan nader komt, daar de paarden hen door hun snuiven zouden verraden. Wij laten de verkenners dus kalmpjes komen, op het schiereiland zullen zij geen voet zetten. Als zij weg zijn, om hun krijgers te halen, komen de Kiowa’s van gindsche hoogte en verbergen zich op het schiereiland. Dan komen de Apachen allen naderbij en wachten tot wij gaan slapen.
—Als zij nu echter eens niet zoolang wachten?—viel ik hem in de rede,—dan kunnen wij ons toch niet terugtrekken?
—Dat zou nog zooveel kwaad niet kunnen,—antwoordde hij,—want de Kiowa’s zouden ons dadelijk te hulp komen.
—Maar dat zou niet zonder bloedvergieten gaan en dat willen wij liefst vermijden.
—Ja, maar hier in ’t Westen moet men niet op een druppeltje bloed zien. Heb maar geen vrees! De Apachen zullen als ’t mogelijk is, hun eigen leven sparen, daarom zullen zij wel wachten, tot wij gaan slapen. Wij laten dan het vuur uitgaan en trekken ongemerkt naar het eiland.
—En wat doen wij nu, kunnen wij gaan werken?
—Ja, alleen moet gij zorgen, dat gij op tijd hier zijt!
—Laat ons dan geen tijd verliezen. Komt heeren, we kunnen nog heel wat uitvoeren!
Zij volgden mij, hoewel zij er weinig lust toe hadden. Ik was overtuigd, dat allen gaarne waren weggeloopen, maar dan kwam het werk niet af en volgens contract werd dan geen geld uitbetaald. En namen zij de vlucht, dan liepen zij nog kans door de Apachen te worden achterhaald. Neen, zij zagen in, dat zij hier nog ’t veiligst waren en daarom bleven zij.
Wat mij betreft, ik moet eerlijk bekennen, dat ik mij volstrekt niet op mijn gemak gevoelde. Ik bevond mij in een toestand welke zich moeielijk laat beschrijven. Was het vrees, of angst voor wat er waarschijnlijk zou gebeuren? Neen, daartoe had ik veel meer reden gehad, toen ik den buffel of den beer neervelde. Vandaag ging het om menschenlevens en dat was het, wat mij zoo onrustig maakte. Aan mijn eigen leven dacht ik niet, dat zou ik wel verdedigen, maar Intschu Tschuna en Winnetou! Ik had in de laatste dagen zooveel aan Winnetou gedacht, dat ik steeds meer belang in hem stelde, zonder dat ik hem nog nader gezien had. En, zonderling! Ik heb later van Winnetou gehoord, dat ook hij in die dagen dikwijls met zijn gedachten bij mij was geweest. Mijn innerlijke onrust verdween niet onder den arbeid, maar toch wist ik, dat ik in het beslissende oogenblik kalm zou zijn, daarom hoopte ik maar, dat dit niet te lang op zich zou laten wachten. Mijn wensch werd vervuld, want het was kort na den middag, dat wij Sam Hawkins op ons toe zagen komen. De kleine man was blijkbaar vermoeid, maar de listige oogjes fonkelden boven den donkeren baard.
—Is het gelukt?—vroeg ik,—me dunkt ik zie het aan uw gezicht, goeie, oude Sam!
—Zoo?—lachte hij,—wel, wel, wat een verbeelding!
—Verbeelding? neen, uw oogen verraden u!
—Zoo, goed dat ik dat weet voor een volgenden keer. Maar, gij hebt gelijk. Het is gelukt, veel beter dan ik had durven hopen.
—Hebt gij de verkenners gezien?
—Verkenners gezien? veel meer nog, niet alleen de verkenners, maar den geheelen troep, en niet alleen gezien, maar gehoord, beluisterd heb ik ze.
—Beluisterd? vertel ons gauw wat gij gehoord hebt.
—Nu niet en niet hier. Neemt uw instrumenten en gaat naar de legerplaats. Ik kom achter u aan, maar eerst moet ik naar de Kiowa’s om hun te zeggen, wat ik weet en hoe zij zich hebben te gedragen.
Hij liep opwaarts om den vijver op de beek toe, sprong er over en verdween toen tusschen de boomen van het bosch. Wij pakten onze instrumenten bijeen en gingen naar de legerplaats om daar Sam’s terugkomst af te wachten. Wij hadden hem niet zien komen en evenmin gehoord, maar plotseling stond hij weder voor ons en zeide op overmoedigen toon:
—Daar hebt ge mij, heeren! Hebt gij ooren noch oogen? U kan een ieder overrompelen, zelfs een olifant, wiens stappen men op een kwartier afstands hoort!
—Maar gij stapt in elk geval niet als een olifant—antwoordde ik.
—Dat is zoo, ik wilde u maar eens toonen, hoe men dicht bij de menschen kan komen, zonder dat zij ’t bemerken. Gij hebt kalmpjes gezeten, hebt niet gesproken, u doodstil gehouden en hebt toch niet gehoord, dat ik naderbij kwam. Ziet ge, zoo ging het gisteren ook toen ik de Apachen beloerde.
—Vertel ons nu alles!
—Goed, gij zult het hooren! Maar laat mij dan gaan zitten, want ik ben erg moe, mijn beenen zijn gewend aan rijden en niet aan loopen, ’t is ook voornamer om tot de cavalerie te behooren, dan tot de infanterie, als ik mij niet vergis.
Hij ging naast mij zitten, zag ons allen beurtelings aan en begon toen, veelbeteekenend met het hoofd knikkend:
—Dus vanavond begint de grap!
—Vanavond reeds?—vroeg ik, half verrast en half verheugd,—dat is maar goed!
—Hm, gij schijnt er zin in te hebben, in de handen der Apachen te vallen. Maar gij hebt gelijk, ’t is maar goed en ik verheug er mij ook over, dat wij niet langer behoeven te wachten. ’t Is nooit prettig op iets te moeten wachten, dat nog wel eens anders uit kan loopen, dan men denkt.
—Dan men denkt! Bestaat er reden tot bezorgdheid?
—Wel neen, in ’t geheel niet. Juist het tegendeel! Ik ben nu eerst recht overtuigd, dat alles goed zal afloopen. Een ervaren mensch weet echter, dat uit den braafsten knaap later een schelm kan groeien en zoo gaat het ook met andere dingen, men kan ’t nooit weten, niet waar? en het een of ander toeval kan ons den boel nog bederven.
—Zou dit mogelijk zijn?
—Ik ben vrij gerust, na alles wat ik gehoord heb.
—Wat hebt gij dan gehoord? Vertel dan toch wat!
—Kalm, mijn jongeman, alles op zijn tijd, wat ik gehoord heb kan ik nu nog niet zeggen, want gij moet eerst weten, wat er aan is vooraf gegaan. Ik ging midden onder de regenbui weg; ik behoefde het einde niet af te wachten, want zelfs de dichtste regen dringt niet door mijn jasje, hihihihi!—lachte hij hartelijk.—Ik liep bijna tot aan de plek waar wij legerden, toen de beide Apachen bij ons kwamen; toen evenwel moest ik mij verbergen, want ik zag drie roodhuiden, die daar rondsnuffelden. Dat zijn verkenners der Apachen, zeide ik bij mij zelf, zij zullen niet verder gaan. Zoo was het. Zij zochten den omtrek af, zonder mijn spoor te vinden en gingen toen onder de boomen zitten, omdat het in het gras te nat was. Daar bleven zij wel bijna twee uur lang zitten. Ik zat eveneens onder een boom en wachtte geduldig af, ik moest toch weten, wat dit beteekende. Eindelijk zag ik een troep ruiters naderen, met de oorlogskleuren beschilderd; ik herkende onder hen dadelijk Intschu Tschuna en Winnetou.
—Met hoevelen waren zij?