Chapter 24 of 43 · 3971 words · ~20 min read

Part 24

—Sterven moet gij dus,—ging ik bedaard voort,—doch op welke wijze dat hangt van u af. Gij zult doodgemarteld worden, dat wil zeggen, men zal u pijnigen, vandaag misschien ook morgen nog, den ganschen, langen dag. Dat is vreeselijk en ik kan het niet aanzien. Op mijn verzoek heeft Intschu Tschuna zich bereid verklaard, u snel te laten ter dood brengen, indien gij de voorwaarde vervult, welke hij heeft gesteld.

Ik hield even op, want ik dacht, dat hij mij naar deze voorwaarde zou vragen. In plaats daarvan evenwel slingerde hij mij een vloek naar het hoofd, welke ik onmogelijk hier weer kan geven.

—De voorwaarde is deze: dat gij mij om vergiffenis vraagt,—verklaarde ik.

—Om vergeving? U om vergeving vragen?—schreeuwde hij.—Liever bijt ik mij de tong af en duld ik alle kwalen, welke deze schurken kunnen uitdenken!

—Let wel op, Mr. Rattler, ik ben het niet, die deze voorwaarde heb gesteld. Intschu Tschuna heeft het gewild en ik moet u zijn boodschap overbrengen; denk toch, in welk een toestand gij u bevindt, er wacht u iets verschrikkelijks, een langzame pijnlijke dood, dien gij kunt voorkomen, door het ééne woord „vergeving” uit te spreken.

—Ik denk er niet aan, nooit, nooit doe ik dat. Maak dat gij weg komt, ik kan uw schurkengezicht niet zien, loop naar den duivel voor mijn part.

—Als ik u dit genoegen doe en heenga, is het voor u te laat, ik kom dan niet weer. Wees dus verstandig en zeg dit eene woord!

—Neen, neen, neen!—brulde hij.

—Ik verzoek er u om!

—Weg, weg zeg ik! Hel en hemel, waarom ben ik gebonden! Had ik de handen vrij, ik zou u den weg wijzen!

—Welnu, gij zult uw zin hebben, maar ik zeg u, dat ik niet terugkom, als gij mij later roept!

—Ik u roepen? u, u! Verbeeld u dat maar niet. Pak u weg!

—Ik zal gaan, maar vooraf nog deze vraag: hebt gij nog een wensch? Ik zal trachten dien te vervullen. Een groet aan iemand? Hebt gij bloedverwanten, die ik bericht kan zenden?

—Loop naar de hel en zeg daar, dat gij een groote schurk zijt. Gij hebt gemeene zaak gemaakt met de roodhuiden en mij in hun handen overgeleverd. Daarvoor moge....

—Gij vergist u,—viel ik hem in de rede,—dus, gij hebt geen enkelen wensch meer vóór uw dood?

—Slechts deze, dat gij mij spoedig zult volgen.

—Goed, dan zijn wij klaar, en, ik heb niets meer te doen dan u, als Christen den raad te geven: ga niet heen in zonde, maar denk aan uw daden en aan de vergelding, welke u aan gene zijde van het graf wacht!

Wat hij hierop antwoordde, kan ik wederom niet zeggen, er liep mij een ijskoude rilling over den rug bij zijn woorden. Intschu Tschuna nam mij bij de hand en leidde mij weg, terwijl hij zeide:

—Mijn jonge, blanke broeder ziet, dat deze moordenaar geen voorspraak verdient; hij noemt zich Christen, gij noemt ons heidenen, maar zou een roode krijgsman ooit zulke woorden spreken?

Ik antwoordde niet, wat zou ik ook hebben kunnen zeggen? Dit gedrag van Rattler had ik niet verwacht. Hij was vroeger altijd zoo laf en vreesachtig, had werkelijk gebeefd, als er gesproken werd over de martelpalen der Indianen en nu deed hij, alsof hij niets gaf om alle pijnen der wereld.

—Dat is geen moed van hem,—zeide Sam,—maar woede, enkel woede.

—Waarover?

—Wel over u. Hij meent, dat gij er de schuld van zijt, dat hij in den handen der roodhuiden is gevallen. Hij heeft u niet gezien sedert den dag, waarop wij gevangen zijn genomen, nu ziet hij dat gij en wij vrij zijn, de roodhuiden zijn vriendelijk tegen ons, terwijl hij sterven moet. Nu meent hij dat wij valsch spel hebben gespeeld. Maar wacht maar, straks als de martelingen beginnen, zal hij wel anders piepen, let er maar op wat ik zeg!

De Apachen lieten ons niet wachten op het begin van dit treurige schouwspel. Ik was eigenlijk van plan mij te verwijderen, maar ik had zooiets nooit eerder gezien en besloot te blijven, zoolang het mij mogelijk was. De toeschouwers gingen zitten. Verscheidene jonge krijgers traden naar voren met messen in de handen en bleven op een afstand van ongeveer vijftien pas van Rattler staan. Zij wierpen met hun messen naar hem maar zorgden er wel voor, hem niet te treffen, de klingen kwamen allen terecht in de kist, waarop hij was vastgebonden. Het eerste mes zat links, het tweede rechts van zijn voet, beide volgende werden iets hooger gemikt en zoo ging het voort, tot zijn beide beenen door vier rijen messen dicht waren ingesloten.

Tot nu toe had hij zich kalm gehouden. Nu echter zweefden de messen al hooger en hooger, want nu moest de geheele omtrek van zijn lichaam door messen worden afgezet. Nu werd hij angstig. Zoodra een mes kwam aangevlogen, stiet hij een angstkreet uit en deze kreten werden hoe langer hoe luider naarmate de Indianen hooger mikten. Toen nu ook zijn bovenlichaam tusschen louter messen inzat, kwam de beurt aan het hoofd. Het eerste mes vloog rechts van zijn hals in de kist, het tweede links en zoo ging het voort, totdat er geen plaats meer over was. Nu werden alle messen er weer uitgetrokken. Dit was slechts een voorspel geweest, uitgevoerd door jongelieden, die eens wilden toonen, dat zij geleerd hadden kalm te mikken en zeker te treffen. Zij zochten hun plaatsen weder op en gingen zitten.

Hierop wees Intschu Tschuna oudere mannen aan, die op dertig pas afstands zouden werpen. Toen de eerste daarvoor gereedstond, trad het opperhoofd op Rattler toe, wees op zijn bovenarm en zeide:

—Hier treffen.

Het mes werd geworpen, trof nauwkeurig het aangewezen punt en vloog, de spier doorsnijdend, in het deksel van de kist. Dat was dus ernst. Rattler voelde de pijn en begon te schreeuwen, alsof het reeds om zijn leven ging. Het tweede mes doorsneed de spier van den anderen arm en het gehuil werd nog luider. De derde en vierde worp waren op den bovenarm gericht en troffen ook daar juist het punt, dat de aanvoerder elken keer vooraf aanwees. Men zag geen bloed vloeien, daar Rattler niet ontkleed was en de Indianen nu nog alleen de plaatsen mochten treffen, waar de verwonding geen gevaar voor het leven opleverde.

Misschien had Rattler in ’t eerst gemeend, dat het wel niet zoo erg met hem zou afloopen, nu evenwel moest hij inzien, dat het er slecht voor hem uitzag. Hij kreeg nog messen in de benedenarmen en in de kuiten en huilde nu aan één stuk door.

De toeschouwers bromden en sisten en gaven op verschillende andere wijzen hun minachting te kennen. Een Indiaan, die aan den martelpaal is gebonden, gedraagt zich geheel anders. Zoodra het tooneel, dat met zijn dood zal eindigen, een aanvang neemt, heft hij zijn doodszang aan, in welken hij zijn daden prijst en degenen, die hem martelen, hoont. Hoe smartelijker de pijnen zijn welke men hem aandoet, des te grooter zijn de beleedigingen, welke hij hen naar het hoofd werpt, maar nooit zal hij een klacht of kreet van pijn laten hooren. Is hij dan dood, dan verkondigen zijn vijanden zijn roem en begraven hem met Indiaansche eerbewijzen. Het is dan voor hen ook een eer geweest hun hulp te verleenen bij zulk een roemvollen dood.

Iets geheel anders is het bij den lafaard, die bij de geringste wonde schreeuwt of huilt of om genade roept. Hem te martelen is geen eer, maar bijna een schande, daarom is er geen dapper krijgsman te vinden, die zich verder met hem bezig wil houden en hij wordt doodgeslagen of op de een of andere eerlooze wijze ter dood gebracht. Zulk een lafaard was Rattler. Zijn wonden waren gering en nog niet gevaarlijk, zij mochten hem een weinig zeer doen, maar van eigenlijke pijnen was geen sprake. Toch huilde en raasde hij, alsof hij helsche pijnen doorstond en brulde daarbij telkens mijn naam alsof hij mij uitdaagde bij hem te komen. Nu liet Intschu Tschuna even een pauze houden en zeide tot mij:

—Mijn jonge broeder mag tot hem gaan en hem vragen, waarom hij zoo schreeuwt. De messen kunnen hem tot nu toe, nog niet veel pijn hebben veroorzaakt.

—Ja, kom hier sir, kom hier, ik moet u spreken,—riep Rattler. Ik ging naar hem toe en vroeg:

—Wat wilt gij nu van mij?

—Trek mij die messen uit de armen en beenen!

—Dat mag ik niet doen!

—Maar ik zal sterven, wie kan dit verdragen!

—Hebt gij dan een oogenblik gemeend, dat gij zoudt blijven leven?

—Maar gij leeft toch ook?

—Ik heb niemand vermoord.

—Kan ik het helpen, dat ik dit gedaan heb? Gij weet immers wel, dat ik dronken was?

—De daad blijft er dezelfde om, ik heb u zoo dikwijls voor den brandewijn gewaarschuwd! Gij luisterdet niet naar mij en moet nu de gevolgen dragen!

—Gij zijt een hardvochtig en gevoelloos mensch, doe dan ten minste een goed woord voor mij!

—Dat heb ik gedaan. Vraag mij vergiffenis en gij zult een spoedigen dood sterven en niet langzaam worden doodgemarteld.

—Sterven! ik wil niet sterven, ik wil leven!

—Dat is onmogelijk!

—Onmogelijk? is er dan geen uitkomst?

—Neen.

—Geen uitkomst.... geen uitkomst!—gilde hij uit alle macht en daarop begon hij zoo jammerlijk te klagen en te huilen dat ik het niet langer kon uithouden en mij verwijderde.

—Blijf toch hier, sir, blijf toch hier!—schreeuwde hij mij na,—anders beginnen zij weer van voren af aan.

Nu ging het opperhoofd naar hem toe.

—Huil niet langer, hond!—zeide hij,—gij zijt niet waard, dat een krijgsman u met zijn wapen aanraakt!—En zich tot zijn mannen wendend, ging hij voort:

—Wie van de zonen der dappere Apachen wil zich nog met dezen lafaard afgeven?

Niemand antwoordde.

—Dus niemand?

Wederom hetzelfde zwijgen.

—Oef! Deze moordenaar is niet waard door ons gedood te worden. Hij zal ook niet met Kleki-Petra begraven worden. Hoe kan zulk een padde naast een zwaan in de eeuwige jachtvelden verschijnen. Snijdt hem los.

Hij gaf een wenk aan twee kleine knapen. Deze sprongen op, trokken hem de messen uit de ledematen en sneden hem los van de lijkkist.

—Bind hem de handen op den rug!—beval de hoofdman verder.

De knapen die niet ouder dan tien jaar waren, deden dit en Rattler verzette zich geen oogenblik.

Welke een schande! Ik schaamde mij bijkans een blanke te zijn.

—Leidt hem naar de rivier en jaagt hem in ’t water!—luidde het bevel,—slaagt hij er in den anderen oever te bereiken, dan is hij vrij!

Rattler uitte een kreet van vreugde en liet zich gewillig door de knapen naar de rivier brengen. Zij gaven hem ook werkelijk een duw, want hij bezat zelfs niet eens zooveel eergevoel om er zelf in te springen. Hij dook even onder, maar kwam weldra weer boven en deed zijn best op den rug zwemmend vooruit te komen, wat hem vrij goed gelukte, hoewel de handen hem waren gebonden. De mensch zinkt door zijn minder soortelijk gewicht in ’t water niet naar beneden en hij had zijn beenen vrij, hij kon zich dus voortbewegen.

Zou hij den tegenoverliggenden oever bereiken? Ik hoopte van niet. Hij had den dood verdiend, liet men hem leven en ontkomen dan was men zelf medeplichtig aan de misdaden, welke hij in ’t vervolg zou begaan. De beide knapen stonden nog aan den oever en sloegen hem nauwlettend gade. Nu gaf Intschu Tschuna het bevel:

—Neemt uw geweren en schiet hem in den kop!

Zij liepen onmiddellijk naar de plaats, waar eenigen der krijgers hun geweren hadden neergelegd en namen er ieder een van mee. Deze kleine jongens wisten reeds goed met zulk een wapen om te gaan. Op de knieën liggend, mikten zij nu op Rattler’s hoofd.

—Niet schieten, om Gods wil, niet schieten!—gilde deze ontzet.

De knapen sloegen geen acht op zijn woorden, zij behandelden de zaak als kleine sportsmen en lieten hem eerst weer kalm verder zwemmen, wat de aanvoerder stilzwijgend toeliet. Blijkbaar was hij volkomen overtuigd, dat zij hun tijd wel zouden kiezen. Eensklaps knalden twee schoten en weerklonk een luide kreet. Rattler was in het hoofd getroffen en verdween oogenblikkelijk in de diepte. Geen jubelkreet weerklonk, zooals het anders de gewoonte der roodhuiden is bij den dood eens vijands. Zulk een lafaard was niet waard, dat men zich om hem bekommerde en zijn lijk dreef stroomafwaarts, zonder dat iemand er naar omzag. Hij kon immers ook slechts gewond, in plaats van doodgeschoten zijn, ja, hij kon gedaan hebben, alsof hij getroffen was en evenals ik, ondergedoken zijn, om op een andere plaats weer boven te komen. Zij achtten het evenwel niet der moeite waard, dit te onderzoeken.

Intschu Tschuna kwam naar mij toe en vroeg:

—Is mijn jonge, blanke broeder nu over mij tevreden?

—Ja, ik dank u!

—Gij hebt geen reden om mij te danken. Ook al had ik uw wensch niet gekend, dan nog zou ik zoo en niet anders hebben gehandeld. Deze hond was niet waard den marteldood te ondergaan. Vandaag hebt gij het onderscheid gezien tusschen ons, heidenen en gij, Christenen, tusschen dappere roode krijgers en blanke lafaards. De bleekgezichten zijn in staat tot alle kwaad, maar wanneer het er op aankomt moed te toonen, huilen zij van angst als honden die een pak slaag krijgen.

—De hoofdman der Apachen moet niet vergeten dat er overal dappere en laffe, goede en slechte menschen zijn.

—Gij hebt gelijk en ik wilde u niet beleedigen, maar dan mag uw volk ook niet denken, dat het beter is dan een ander, omdat dit niet dezelfde huidkleur heeft.

Om hem af te leiden, vroeg ik:

—Wat zullen de krijgers der Apachen nu doen? Kleki-Petra begraven?

—Ja.

—Mag ik met mijn kameraden deze plechtigheid bijwonen?

—Ja, als gij er niet om gevraagd hadt, zou ik er u om verzocht hebben. Gij hebt destijds, toen wij heengingen om onze paarden te halen met Kleki-Petra gesproken. Was dit slechts een gewoon gesprek?

—Neen, integendeel, een zeer ernstig en voor hem en mij een zeer gewichtig onderhoud. Mag ik u vertellen waarover wij gesproken hebben?

Winnetou was intusschen bij ons gekomen.

—Ja, vertel het—zeide hij.

—Toen gij weg waart gingen wij bij elkander zitten. Wij bemerkten weldra dat wij één vaderland hadden en spraken dus met elkander in onze moedertaal. Hij had veel beleefd en veel geleden en vertelde mij dit. Hij zeide mij ook, hoe lief hij u had en dat het zijn grootste wensch was, voor Winnetou te mogen sterven. De Groote Geest vervulde dezen wensch reeds eenige minuten daarna.

—Waarom wilde hij voor mij sterven?

—Omdat hij u liefhad en ook nog om een andere reden, die ik u later wel eens zal vertellen. Zijn dood moest een soort van boetedoening zijn.

—Toen hij stervend in mijn armen lag, sprak hij tot u in een taal, welke ik niet verstond, welke taal was dat?

—Onze moedertaal!

—Sprak hij toen ook over mij?

—Ja.

—Wat zeide hij?

—Hij verzocht mij, u trouw te blijven.

—Mij.... trouw.... te.... blijven? Gij kendet mij immers nauwelijks.

—Ik kende u, want ik had u gezien en wie Winnetou ziet, die weet wie hij is en bovendien, hij had mij immers over u gesproken?

—Wat antwoorddet gij hem?

—Ik beloofde hem zijn wensch te vervullen.

—Het was de laatste wensch die hij kon uitspreken. Gij hebt hem beloofd mij trouw te zijn, hebt mij behoed, bewaakt en gespaard, terwijl ik u als mijn vijand vervolgde. De messteek dien ik u gaf, zou voor ieder ander doodelijk zijn geweest, uw sterk lichaam heeft u gered. Ik ben voor altijd uw schuldenaar. Wees mijn vriend.

—Dat ben ik reeds lang.

—Mijn broeder dan.

—Van ganscher harte.

—Wij zullen dit verbond bekrachtigen bij het graf van hem, die mijn ziel aan u heeft toevertrouwd! Een edel bleekgezicht is ons ontnomen geworden en heeft ons bij zijn sterven een ander edel man aangewezen. Mijn bloed zal uw bloed en uw bloed mijn bloed zijn. Ik zal het uwe drinken en gij het mijne. Intschu Tschuna, het opperhoofd der Apachen, mijn vader en opvoeder, zal mij dat zeker toestaan.

Intschu Tschuna reikte ons beiden de hand en zeide op hartelijken toon:

—Ik sta dit gaarne toe. Gij zult niet alleen broeders zijn, maar één man en krijgsman met twee lichamen. Howgh!

Wij begaven ons naar de plaats, waar het graf zou worden opgericht. Ik vroeg naar de maat, de bouworde en de hoogte daarvan en verzocht toen om eenige tomahawks. Hierop ging ik met Sam, Dick Stone en Will Parker langs de rivier naar het bosch, waar wij hout zochten en met behulp van deze tomahawks een kruis timmerden. Toen wij daarmee naar de legerplaats terugkeerden, waren de begrafenisplechtigheden reeds begonnen. De roodhuiden hadden zich neergezet rondom het bouwwerk dat reeds bijna voltooid was en zongen hun eentonigen, eigenaardigen lijkzang. Dit doffe, sombere gezang werd nu en dan overstemd door een schrillen kreet, welke als een bliksemstraal uit duistere wolken neerviel.

Een twaalftal Indianen waren onder leiding van de beide opperhoofden bezig met bouwen en tusschen hen en de klagende schare danste in groote sprongen, een zonderlinge, met allerlei voorwerpen behangen gedaante heen en weer.

—Wat is dat?—vroeg ik.—De medicijnman?

—Ja,—antwoordde Sam.

—Indiaansche gebruiken bij de begrafenis van een Christen! Wat zegt gij daar wel van, Sam?

—Vindt gij dat niet goed?

—Eigenlijk niet.

—Laat dat kalm zijn gang gaan, sir. Zeg er niets van. Gij zoudt de Apachen vreeselijk beleedigen.

—Maar dit comediespel staat mij tegen, meer dan gij denkt!

—’t Is niet zoo slecht gemeend. Meent gij misschien dat dit heidensche gebruiken zijn?

—Natuurlijk!

—Wel neen! Deze brave lieden gelooven aan een Grooten Geest, tot wien de gestorven leeraar en vriend is heengegaan. Zij houden de begrafenisplechtigheden op hun eigenaardige wijze en alles, wat de medicijnman doet, heeft een symbolische beteekenis. Laat hen dus hun gang gaan. Zij zullen ons ook niet beletten het graf met ons kruis te versieren.

Het bleek dat hij gelijk had, want toen wij het naast de lijkkist neerlegden, vroeg Winnetou mij:

—Zal dit teeken des Christendoms op de steenen worden gelegd?

—Ja.

—Dat is goed, ik zou mijn broeder Old-Shatterhand anders hebben verzocht een kruis te maken, want Kleki-Petra had er in zijn woning een en bad dagelijks daarvoor. Dit teeken van zijn geloof moet dus ook op zijn graf prijken. Waar zal het staan? Gij kunt beslissen!

—Boven op het monument.

—Zooals bij de groote, hooge huizen dus, in welke de Christenen tot den Goeden Geest bidden? Ik zal het zoo laten plaatsen, gelijk gij het wilt hebben. Gaat hier zitten en ziet toe of wij het goed doen.

Na enkele minuten was het graf voltooid en ons kruis werd er bovenop geplaatst.

In het bouwwerk was een opening, bestemd voor de lijkkist, welke nu nog bij de rivier stond. Nu zagen wij Nscho-Tschi aankomen. Zij was naar het Pueblo geweest, om twee uit klei gebakken schalen te halen, waarmee zij naar de rivier ging om ze te vullen. Toen zij dit gedaan had, kwam zij bij ons en plaatste ze op de lijkkist; waartoe, dat zou ik spoedig vernemen.

Alle voorbereidselen voor de plechtigheden waren nu gemaakt. Intschu Tschuna gaf met de hand een teeken, het gezang verstomde, de medicijnman ging op de hurken zitten. Langzaam op een plechtigen toon begon het opperhoofd:

—De zon gaat des morgens in het Oosten op en zinkt des avonds in het Westen neer, in het voorjaar ontwaakt de natuur tot nieuw leven, om in den winter weer in te slapen. Zoo gaat het ook met den mensch! Is het niet zoo?

—Howgh!—klonk het somber uit aller mond.

—De mensch gaat op als de zon en zinkt neer in het graf. Hij ontwaakt als het voorjaar en gaat ter ruste als de winter. Maar wanneer de zon is ondergegaan, verschijnt zij den volgenden morgen opnieuw en wanneer de winter ten einde is, komt weer het voorjaar. Is het zoo?

—Howgh!

—Zoo heeft Kleki-Petra het ons geleerd. De mensch wordt in het graf gelegd, maar hij staat aan gene zijde van het graf weer op als een nieuwe dag en als een nieuwe lente, om in het land van den Grooten, Goeden Geest voort te leven. Dit heeft Kleki-Petra ons geleerd en nu weet hij, of hij waarheid heeft gesproken, want hij is verdwenen als de dag en als de winter en zijn ziel ging in, tot de woning der afgestorvenen, naar wie hij altijd verlangde. Is het zoo?

—Howgh!

—Zijn geloof was niet het onze en het onze was niet het zijne. Wij hebben onze vrienden lief en haten onze vijanden, hij echter leerde, dat men ook zijn vijanden moest liefhebben, omdat ook zij onze broeders waren. Dit wilden wij niet gelooven, maar zoo dikwijls als wij naar zijn woorden luisterden, zijn zij ons ten zegen geworden. Daarop vervolgde hij:

Misschien is zijn geloof toch ook het onze, maar konden wij het alleen niet goed vatten. Wij zeggen, dat onze zielen naar de eeuwige jachtvelden gaan; hij beweerde, dat de zijne eens zou ingaan tot de eeuwige zaligheid. Dikwijls denk ik, dat onze jachtvelden hetzelfde zijn als de eeuwige zaligheid. Is het zoo?

—Howgh!

—Meermalen vertelde hij ons van den Verlosser, die gekomen was om alle menschen zalig te maken. Wij hebben zijn woorden geloofd, want nooit hebben wij hem op een leugen betrapt. Deze Verlosser is gekomen voor alle menschen, zou hij ook komen voor de roode mannen? Als hij kwam, zouden wij hem welkom heeten, want wij worden door de bleekgezichten onderdrukt en uitgeroeid en wij verlangen naar zijn komst. Is het niet zoo?

—Howgh!

—Dat was zijn leer. Laat mij nu spreken over zijn dood. De slag kwam plotseling en onverwacht, want even van te voren stond hij nog krachtig en gezond aan onze zijde. Hij was op het punt te paard te stijgen en met ons terug te keeren, toen hem de kogel van den moordenaar trof. Mijn broeders en zusters mogen zijn treurig einde beklagen!

Nu weerklonk rondom een weeklagen, dat steeds sterker en luider werd en in een doordringend gehuil eindigde.

Toen vervolgde het opperhoofd:

—Wij hebben zijn dood gewroken, maar de ziel van den moordenaar zal hem niet dienen aan gene zijde van het graf, want zij was te laf om hem in den dood te volgen. De schurftige hond, wien zij toebehoorde is door kinderen doodgeschoten en zijn lijk drijft stroomafwaarts! Is het zoo?

—Howgh!

—Nu is onze vriend heengegaan, zijn lichaam evenwel is hier gebleven en wij willen een gedenkteeken voor hem oprichten, opdat wij en onze nakomelingen steeds zullen worden herinnerd aan den goeden, blanken vader, dien wij zoo lief hebben gehad. Hij was niet in dit land geboren, maar kwam uit een ver rijk, dat aan de overzijde van het groote water ligt en dat men herkent aan de vele eiken, die er groeien. Daarom hebben wij ter zijner eer, eikels verzameld om ze op zijn graf te zaaien. Evenals zij zullen ontkiemen en groeien, zoo zal zijn ziel ook uit het graf opstaan en zich verder volmaken. En zooals deze eikels zullen opgroeien, zoo zullen ook de woorden welke wij van hem hebben gehoord, in onze harten wortel schieten. Hij heeft steeds aan ons gedacht en voor ons gezorgd. Hij is ook niet van ons heengegaan, zonder ons een bleekgezicht te zenden, die in zijn plaats, onze vriend en broeder wil zijn. Hier ziet ge Old-Shatterhand, den blanken man, die uit hetzelfde land komt, als Kleki-Petra. Hij weet alles, wat deze wist, en is een nog beter krijgsman dan hij was. Hij heeft den Grizzlybeer met zijn mes doorstoken en slaat iederen vijand met zijn vuist ter aarde. Intschu Tschuna en Winnetou waren herhaalde malen in zijn macht, maar hij heeft hen niet willen dooden en hen het leven gelaten, omdat hij een vriend der roodhuiden is. Is het zoo?

—Howgh!