Part 22
Zij sloegen geen acht op deze waarschuwing, maar eensklaps hief Winnetou zich in het water op en riep hun eenige woorden toe, welke ik niet verstond. Zij keerden allen terug en hij alleen kwam aan wal.
Zoodra hij op het droge stond, zeide ik:
—Het was goed van u, dat gij uw krijgers terugzondt, zij zouden het leven van uw vader in gevaar hebben gebracht.
—Hebt gij hem niet reeds met de tomahawk doodgeslagen?
—Neen. Hij dwong mij hem bewusteloos te slaan, omdat hij zich niet over wilde geven.
—En gij hadt hem toch kunnen dooden. Hij was in uw macht!
—Ik dood niet gaarne een mensch en het allerminst den man, die de vader is van Winnetou. Hier hebt ge zijn wapen. Gij moogt beslissen of ik overwonnen heb en of men woord zal houden tegenover mijn metgezellen en mij.
Hij nam de tomahawk van mij aan en zag mij langen tijd aan. Zijn blik werd zachter, daarna bewonderend, eindelijk riep hij uit:
—Wat voor een man is Old-Shatterhand toch! Wie kan hem begrijpen?
—Gij zult mij leeren begrijpen!
—Gij geeft mij deze bijl, zonder te weten of wij woord zullen houden, gij hadt u daarmee kunnen verdedigen! Weet gij wel, dat gij u daarmee in mijn handen overlevert?
—Ik ben niet bang, want ik heb nog mijn armen en mijn vuisten tot mijn dienst en bovendien, Winnetou is geen leugenaar, maar een edel krijgsman, die zijn woord nooit zal breken!
Toen stak hij mij de hand toe en terwijl zijn oogen straalden, antwoordde hij:
—Gij hebt gelijk, gij zijt vrij, evenals de andere blanken, behalve de man, die Rattler heet. Gij stelt vertrouwen in mij, ik wilde dat ik het ook in u kon doen.
—Heb maar geduld, die tijd zal komen. Kom nu mee naar uw vader.
—Ja, laat ons gaan! Ik moet naar hem zien, want wanneer Old-Shatterhand toeslaat, kan licht de dood intreden, hoewel hij dit niet had gewild.
Wij gingen naar den ceder en maakten de armen van den hoofdman los. Winnetou onderzocht hem en zeide toen:
—Hij leeft, maar zal eerst laat ontwaken en dan nog lang pijn in het hoofd hebben. Ik moet echter niet hier blijven, maar zal eenige mannen zenden. Mijn broeder Old-Shatterhand kan met mij meegaan.
Het was de eerste maal, dat hij mij broeder noemde. Hoe dikwijls heb ik later dit woord uit zijn mond gehoord en hoe eerlijk, oprecht en trouw is dit altijd gemeend geweest!
Wij gingen naar de rivier terug en zwommen die over. De roodhuiden zagen ons vol spanning aankomen. Nu wij daar zoo vriendschappelijk samen naast elkaar zwommen, moesten zij toch ook wel erkennen dat zij mij verkeerd beoordeeld hadden, toen zij mij tot een voorwerp van hoon en bespotting maakten. Toen wij den oever bestegen, nam Winnetou mij bij de hand en zeide met luider stem:
—Old-Shatterhand heeft overwonnen; hij en zijn drie metgezellen zijn vrij!
—Oef, oef, oef!—riepen de Apachen.
Tangua alleen stond somber voor zich heen te staren. Met hem had ik nog af te rekenen, want zijn leugens en zijn bedriegerijen dienden gestraft te worden, niet alleen om onzentwille, maar ook om der wille van de blanken, die hij ooit weer op zijn weg mocht ontmoeten.
Winnetou ging hem voorbij, zonder hem met een blik te verwaardigen en bracht mij bij de palen, waaraan mijn drie kameraden gebonden waren.
—Halleluja!—riep Sam.—Wij zijn gered, wij worden niet gedood. Mensch, vriend, jongeling en greenhorn, hoe hebt gij dat toch aangelegd?
Winnetou reikte mij zijn mes toe en zeide:
—Snijd ze los! Gij hebt verdiend, dit zelf te mogen doen.
Ik deed het. Nauwelijks waren ze vrij of ik werd door zes armen zoo stevig gedrukt en omhelsd, dat ik het er werkelijk benauwd van kreeg. Sam kuste mij zelfs de hand en getuigde, terwijl de tranen uit zijn kleine oogjes liepen:
—Sir, als ik dit ooit vergeet, dan mag mij de eerste de beste beer, die mij tegenkomt met huid en haar verslinden! Hoe hebt gij dat toch gedaan? Gij waart verdwenen. Gij hadt zulk een angst voor ’t water en allen dachten dan ook dat gij verdronken waart.
—Heb ik niet gezegd: als het schijnt dat ik verdrink, ben ik gered?
—Heeft Old-Shatterhand dat gezegd?—vroeg Winnetou.—Was dat dan alles....
—Ja,—knikte ik.
—Mijn broeder wist dus, wat hij wilde. Hij is hier onder water door stroomopwaarts gezwommen en dan ginds weer stroomaf, vermoed ik. Mijn broeder is niet alleen sterk als een beer, maar ook listig als een vos, wie zijn vijand is, dient zich voor hem in acht te nemen.
—En is Winnetou zulk een vijand geweest?
—Ik was het, maar ben het nu niet meer.
—Gelooft gij dus niet meer de woorden van Tangua, maar de mijne?
Hij zag mij wederom lang en onderzoekend aan als zooeven aan den anderen oever, reikte mij de hand en antwoordde:
—Uw oogen zijn goede oogen en uit uw gelaat spreekt geen oneerlijkheid, ik geloof u.
Ik had de zooeven afgelegde kleedingstukken weer aangetrokken, nam nu de sardinenbus uit den zak van mijn jachtrok en zeide:
—Mijn broeder Winnetou heeft gelijk, ik zal het hem bewijzen. Misschien herkent hij wat ik hem zal laten zien.
Ik nam de opgerolde haarlok uit de doos en gaf hem die over. Hij strekte de hand uit, nam hem echter niet aan, maar week verschrikt achteruit, terwijl hij riep:
—Maar dat is haar van mijn hoofd! Wie heeft u dat gegeven?
—Intschu Tschuna vertelde zooeven, dat gij aan de boomen gebonden waart geweest en dat de Groote, Goede Geest u een onzichtbaren redder had gezonden. Ja, onzichtbaar was hij, want hij mocht door de Kiowa’s niet worden gezien, nu echter behoeft hij zich niet langer te verbergen. Nu zult ge me toch wel willen gelooven, als ik u zeg, dat ik niet uw vijand, maar steeds uw vriend ben geweest.
—Gij.... gij.... hebt gij ons dus losgesneden? Aan u dus hebben wij onze vrijheid te danken!—stamelde hij, hij die anders door niets en niemand van zijn stuk was te brengen. Toen nam hij mij bij de hand, bracht mij naar de plaats, waar zijn zuster stond, die ons in stilte had gade geslagen, ging voor haar staan en zeide:
—Nscho-Tschi, hier staat de dappere krijgsman, die onzen vader en mij heimelijk bevrijd heeft, toen de Kiowa’s ons aan den boom hadden gebonden, dank ook gij hem!
Na deze woorden drukte hij mij aan zijn borst en gaf mij op iedere wang een kus. Zijn zuster gaf mij de hand en het eenige wat zij zeide, was:
—Vergeef mij!
Zij moest mij danken en vroeg mij in plaats daarvan om vergiffenis? Ik begreep haar evenwel. Zij had mij in stilte onrecht aangedaan. Zij, als mijn verpleegster, had mij beter moeten kennen dan de anderen en toch had zij mijn list voor waarheid aangezien. Zij had mij voor een laffen, onhandigen knaap gehouden en zij wilde dat gaarne weer goedmaken. Ik drukte haar de hand en antwoordde:
—Nscho-Tschi zal zich alles wel herinneren, wat ik gezegd heb. Zoo is het ook uitgekomen. Wil mijn zuster mij nu voortaan gelooven?
—Ik geloof aan mijn blanken broeder!
Tangua stond in de nabijheid. Het was hem aan te zien, dat hij woedend was. Ik ging op hem toe en zeide, terwijl ik hem flink in ’t gezicht zag:
—Is Tangua, de hoofdman der Kiowa’s, een leugenaar of heeft hij de waarheid lief?
—Wilt gij mij beleedigen?—barstte hij los.
—Neen, ik wil alleen weten wat ik aan u heb, antwoord dus.
—Old-Shatterhand moest weten, dat ik de waarheid liefheb.
—Wij zullen zien! Gij houdt dus woord, als gij iets hebt beloofd?
—Ja.
—Dat moet ook, want wie niet doet wat hij zegt, wordt door iedereen veracht. Weet gij nog, wat gij mij hebt gezegd?
—Wanneer?
—Zooeven toen ik gebonden was.
—Toen heb ik zooveel gezegd.
—Zeker. Gij zult echter wel weten, wat ik bedoel.
—Neen.
—Dan zal ik het u zeggen. Gij wildet met mij afrekenen.
—Heb ik dat gezegd?—vroeg hij, de wenkbrauwen fronsend.
—Ja. En dan hebt gij verder gezegd dat gij gaarne met mij zoudt willen vechten, want gij wist zeker, dat gij mij zoudt verslaan.
Hij scheen een beetje bang te worden bij den dreigenden toon waarop ik sprak, want hij antwoordde behoedzaam:
—Ik herinner mij deze woorden niet. Old-Shatterhand moet mij verkeerd hebben verstaan.
—En zooeven toen ik gebonden was en mij niet kon verweren, hebt gij mij durven bedreigen, lafaard die gij zijt!
Hij wilde op mij toekomen, maar Winnetou stelde zich tusschen hem en mij en zeide:
—Mijn broeder Old-Shatterhand heeft gelijk. Tangua heeft hem gehoond en heeft met hem willen afrekenen. Als hij dit nu niet doet, is hij een lafaard en verdient hij door zijn stam te worden uitgestooten. Deze zaak moet dadelijk worden uitgemaakt, want niemand zal mogen zeggen, dat de krijgers der Apachen lafaards als gasten bij zich hebben. Wat denkt de hoofdman der Kiowa’s te doen?
Deze wierp voor hij antwoordde een blik om zich heen. Er waren bijna tweemaal zooveel Apachen als Kiowa’s en deze laatsten waren geheel door de anderen omsingeld; het was onmogelijk hun hulp in te roepen, nu hij zulk een groot losgeld had moeten betalen en toch eigenlijk nog een gevangene was.
—Ik zal er eens over nadenken,—zeide hij ontwijkend.
—Een dapper krijgsman behoeft hierover niet na te denken. Of hij neemt den strijd aan òf hij wordt voor een lafaard uitgemaakt. Hoort gij?
Nu richtte hij zich op en schreeuwde:
—Tangua een lafaard? Wie dat durft zeggen, dien stoot ik het mes in de borst.
—Ik zeg dat gij een lafaard zijt,—antwoordde Winnetou trotsch en kalm,—indien gij niet woord houdt.
—Ik zal het houden!
—Gij zijt dus bereid met Old-Shatterhand te vechten?
—Ja.
—En dadelijk?
—Dadelijk; ik verlang er naar zijn bloed te zien vloeien.
—Welnu, laat ons dan bepalen met welke wapens deze strijd zal worden gevoerd.
—Wie heeft dat te bepalen?
—Old-Shatterhand.
—Waarom?
—Omdat gij hem hebt beleedigd.
—Welneen, hij heeft mij beleedigd en ik ben een hoofdman, terwijl hij slechts een gewoon bleekgezicht is. Ik ben dus veel meer dan hij.
—Old-Shatterhand staat hooger dan een hoofdman der roodhuiden.
—Dat beweert hij wel, maar hij heeft het nooit kunnen bewijzen. Een bedreiging is geen bewijs.
Nu mengde ik mij in ’t gesprek.
—Tangua mag kiezen,—zeide ik;—’t is mij hetzelfde met welk wapen ik hem overwin.
—Gij zult mij niet overwinnen,—brulde hij woedend.—Denkt gij dat ik den strijd met de vuist zal kiezen, terwijl gij iedereen neerslaat, of het mes, waarmee gij het Bliksemmes hebt doorstoken, of de tomahawk, die zelfs voor Intschu Tschuna gevaarlijk was.
—Wat kiest gij dan?
—Het geweer, wij zullen op elkander schieten en mijn kogel zal uw hart treffen.
—Goed, ik heb er niets tegen. Heeft mijn broeder Winnetou nu echter gehoord, wat Tangua heeft bekend?
—Wat?
—Dat ik met het Bliksemmes heb gestreden en hem heb doorstoken. Dat deed ik, om de gevangen Apachen te redden van den folterpaal, hij loochende dit tot nu toe. Nu hoort ge, dat ik gelijk had, toen ik hem een leugenaar noemde.
—Een leugenaar? mij?—schreeuwde de Kiowa,—dat zult ge me met uw leven betalen! haal de geweren, laat de strijd dadelijk beginnen, opdat ik dezen blaffenden hond het zwijgen kan opleggen!
Hij had zijn geweer in de hand. Winnetou zond een Apache naar het Pueblo, om mijn buks en de ammunitie, welke ik bij mij gehad had, te halen. Alles was goed bewaard, omdat Winnetou, niettegenstaande hij mij voor zijn vijand hield, zoo levendig belang in mij had gesteld. Toen zeide hij tot mij:
—Mijn blanke broeder mag zeggen op welken afstand en hoeveel malen zal worden geschoten!
—’t Is mij ’t zelfde,—antwoordde ik,—laat Tangua beslissen.
—Ja, ik zal beslissen,—zeide deze,—tweehonderd pas en zooveel schoten tot één van ons neervalt en niet meer kan opstaan?
—Goed,—was Winnetou’s antwoord,—en ik zal toezicht houden! Gij schiet beurt om beurt. Ik sta met mijn geweer gereed en zal dengene, die vóór zijn beurt schiet, een kogel door den kop jagen. Wie mag eerst schieten?
—Ik natuurlijk!—riep de Kiowa.
Winnetou schudde afkeurend het hoofd.
—Tangua wil alle voordeelen hebben,—zeide hij.—Old-Shatterhand zal eerst schieten.
—Neen,—viel ik hem in de rede,—geef hem zijn zin. Hij eerst een schot en dan ik, dan is ’t uit.
—Neen—antwoordde Tangua,—wij schieten zoolang, tot een van ons beiden valt.
—Zeker, want mijn eerste schot zal u doen vallen.
—Pocher!
—Eigenlijk moest ik u doodschieten, maar dat zal ik niet doen. Gij verdient, dat ik u ’t gebruik uwer ledematen ontneem. Let op, ik zal u in de rechterknie schieten.
—Hebt gij ’t gehoord?—lachte hij.—Dit bleekgezicht, die door zijn eigen vrienden een greenhorn wordt genoemd, wil vooruit zeggen dat hij mij op tweehonderd pas afstand, in de knie zal schieten. Lacht hem uit, krijgers, lacht hem uit!
Hij zag uitdagend om zich heen, maar niemand stemde met zijn lachen in. Toen ging hij voort:
—Gij zijt bang voor hem? Ik zal u toonen, dat ik het niet ben! Kom, laat ons de tweehonderd pas afmeten!
Terwijl dit gebeurde, bracht men mij mijn berendooder. Ik onderzocht dien, hij was in orde. Beide loopen waren geladen. Om zeker te zijn van mijn zaak, schoot ik ze af en laadde opnieuw zoo zorgvuldig, als de omstandigheden waarin ik mij bevond dit vereischten. Sam kwam naar mij toe en vroeg:
—Sir, ik heb u wel honderd vragen te doen en kan daarvoor maar geen gelegenheid vinden. Zeg mij nu maar alleen dit: wilt gij werkelijk dien kerel in de knie schieten?
—Ja.
—Is die straf groot genoeg?
—Mij dunkt van wel.
—Neen, zeker niet, zulk ongedierte moest uitgeroeid worden, als ik mij niet vergis. Bedenk toch eens, wat hij niet al heeft misdreven, te beginnen met het stelen der paarden, die aan de Apachen behoorden?
—Daartoe hebben de blanken hem verleid.
—Hij mag zich niet laten verleiden! Als ik in uw plaats was, zou ik hem een kogel door den kop jagen. Hij zal wel op den uwen mikken.
—Of op mijn borst, daarvan ben ik zeker.
—Hij zal u niet treffen, de geweren van die kerels zijn niets waard.
Nu was de afstand afgemeten en wij gingen op de eindpunten staan. Ik hield mij kalm, maar Tangua deed niets dan mij allerlei verwenschingen naar het hoofd slingeren.
Daarom zeide Winnetou, die juist in het midden tusschen ons stond:
—De hoofdman der Kiowa’s moet zwijgen en opletten. Als ik drie tel wordt er geschoten, wie eerder schiet, krijgt mijn kogel in het hoofd!
Het is te begrijpen, dat alle aanwezigen vol spanning waren. Zij stonden in twee rijen, rechts en links van ons. Er heerschte diepe stilte.
—De hoofdman der Kiowa’s mag beginnen,—zeide Winnetou, een.... twee.... drie!
Ik bleef stilstaan. Bij het eerste woord had Tangua zijn geweer opgeheven, nu mikte hij en schoot af. De kogel ging rakelings aan mij voorbij.
—Nu mag Old-Shatterhand schieten!—riep Winnetou,—een.... twee....
—Halt!—viel ik hem in de rede,—ik ben eerlijk recht blijven staan, hij echter draait zich om en keert mij niet het gezicht, maar de zijde toe.
—Wie kan mij dat verbieden?—vroeg Tangua,—er is niet gezegd hoe wij moeten staan.
—Dat is waar en Tangua kan dus gaan staan, zooals hij wil. Hij keert mij zijn zijde toe, omdat hij meent, dat ik hem dan niet zoo gemakkelijk kan treffen, maar hij vergist zich: ik tref hem altijd. Ik had kunnen schieten, zonder een woord met hem te wisselen, maar ik wil eerlijk zijn, tegenover hem. Hij krijgt mijn kogel in de rechterknie, dat kan echter alleen gebeuren, wanneer hij mij het gezicht toekeert, keert hij mij evenwel de zijde toe, dan zal mijn kogel hem beide knieën verpletteren, dat is het verschil. Hij kan nu gaan staan zooals hij wil, ik heb hem gewaarschuwd.
—Schiet niet met woorden, maar met kogels!—hoonde hij, terwijl hij mijn waarschuwing in den wind sloeg en bleef staan.
—Old-Shatterhand schiet!—herhaalde Winnetou,—een.... twee.... drie!
Mijn schot viel, Tangua uitte een luiden kreet, liet zijn geweer vallen, strekte de armen uit, wankelde en viel neer.
—Oef, oef, oef!—klonk het rondom en allen drongen om hem heen om te zien, waar ik hem getroffen had.
Ik ging eveneens naar hem toe en men maakte eerbiedig plaats voor mij.
—In beide knieën, in beide knieën!—hoorde ik rechts en links zeggen.
Toen ik bij hem kwam, lag hij kronkelend op den grond. Winnetou knielde naast hem neer en onderzocht de wonden. Hij zag mij aankomen en zeide:
—De kogel is juist zoo gegaan, als mijn blanke broeder voorspeld heeft; beide knieën zijn verpletterd. Tangua zal nooit weer kunnen uitrijden om zijn oogen te werpen op de paarden van andere stammen.
Toen de gewonde mij zag, wierp hij mij een vloed van schimpwoorden naar het hoofd. Ik zag hem zoo doordringend aan dat hij voor eenige oogenblikken zweeg en zeide:
—Ik heb u gewaarschuwd en gij hebt niet naar mij willen luisteren, gij zelf zijt schuld aan uw ongeluk!
Hij waagde het niet te jammeren, omdat de Indiaan dit zelfs bij de ergste pijnen niet mag doen, maar hij beet zich op de lippen, zag somber voor zich heen en zeide knarsetandend:
—Ik ben gewond en kan niet naar huis terugkeeren, ik moet bij de Apachen blijven!
Winnetou evenwel schudde het hoofd en antwoordde zeer beslist:
—Gij zult naar huis moeten terugkeeren, want bij ons is geen ruimte voor de dieven van onze paarden en de moordenaars van onze krijgers. Wij hebben geen bloed van u geëischt, maar ons tevreden gesteld met dieren en voorwerpen, meer kunt gij niet verlangen. Voor een Kiowa is geen plaats in ons Pueblo!
—Maar ik kan niet rijden!
—Old-Shatterhand was nog zwaarder verwond dan gij en kon ook niet rijden en toch moest hij mee. Denk dikwijls aan hem, dat zal goed voor u zijn! De Kiowa’s wilden ons heden verlaten, laat hen gaan, want degenen, die wij morgen in de nabijheid van onze weideplaats aantreffen, zullen wij behandelen zooals gij Old-Shatterhand hadt willen behandelen. Ik heb gezegd. Howgh!
Hij nam mij bij de hand en trok mij mee. Toen wij uit het gedrang waren, zagen wij zijn vader aankomen met de mannen, die zijn zoon naar hem toe had gezonden. Winnetou ging hem tegemoet en ik zocht Sam Hawkins, Dick Stone en Will Parker op.
—Eindelijk, eindelijk, hebben wij u dan eens een oogenblik voor ons!—zeide de eerste.—Zeg mij toch voor alles, wat waren dat voor haren die gij Winnetou liet zien?
—Ik had ze hem afgesneden.
—Wanneer?
—Toen ik hem en zijn vader losmaakte!
—Dus gij.... duivels.... gij hebt.... gij, die greenhorn, gij.... gij hebt hen bevrijd?
—Ja zeker.
—Zonder ons er een woord van te zeggen.
—Dat was volstrekt ook niet noodig.
—Maar, hoe hebt ge dat toch aangelegd?
—Zooals een greenhorn dat pleegt te doen!
—Praat toch verstandig, sir! dat was toch een buitengewoon moeilijke zaak!
—Ja, want gij twijfeldet er nog aan, of het u zelf wel zou gelukken!
—En u is het gelukt! òf ik heb geen verstand meer, òf het staat stil!
—’t Eerste is het geval, Sam!
—Houd uw mond met uw praatjes. Zoo een stille in den lande! Bevrijdt de aanvoerders en draagt de vlecht, die wonderen kon doen, bij zich, zonder ons een woord er van te zeggen! En dan zet hij een onnoozel gezicht er bij. Wel, men kan geen mensch meer vertrouwen! En vandaag, wat is er toen gebeurd? Ik vat er niets van! Gij waart verdronken en staat plotseling weer voor ons!
Ik vertelde hun alles. Toen ik geëindigd had riep hij:
—Mensch, vriend en greenhorn, gij zijt toch een vreeselijke deugniet, als ik mij niet vergis! Ik moet u nog eens weer vragen: zijt gij werkelijk nooit in ’t Westen geweest?
—Neen.
—Ook niet in de Vereenigde Staten in ’t algemeen?
—Neen.
—Dan mag de koekoek u begrijpen, ik doe ’t niet. Gij zijt in alles een beginneling en weet toch alles. Zulk een mensch, als gij zijt, heb ik nog nooit ontmoet. Ik moet u prijzen, eerlijk prijzen. Gij hebt de zaak kranig aangepakt, hihihihi! Ons leven hing werkelijk aan een zijden draadje. Maar verbeeld u nu niet al te veel, gij zult nog wel eens dwaasheden begaan! ’t Zal mij nog eens verwonderen, of er wel ooit uit u een goede prairiejager groeit!
Hij zou zeker nog lang op deze wijze zijn voortgegaan, als Winnetou en Intschu Tschuna niet bij ons waren gekomen. De laatste zag mij lang aan, zooals zijn zoon zooeven had gedaan en zeide:
—Ik heb alles van Winnetou gehoord. Gij zijt vrij en zult ons wel willen vergeven. Gij zijt een zeer dapper en listig krijgsman en zult nog menigen vijand overwinnen. Hij, die u tot vriend heeft is machtig. Wilt gij de calumet des vredes met ons rooken?
—Ja, gaarne wil ik uw vriend en broeder zijn!
—Kom dan met mij en met mijn dochter, Nscho-Tschi naar het Pueblo! Ik wil mijn overwinnaar een woning aanwijzen, welke zijner waardig is. Winnetou moet hier beneden blijven om de orde te handhaven!
Zoo gingen wij als vrije mannen met hem en Nscho-Tschi de pyramidenburcht weder op, welke wij als gevangenen hadden verlaten!
HOOFDSTUK V.
NSCHO-TSCHI.
Toen wij nu naar het Pueblo terugkeerden en dit bereikten, zag ik eerst welk een machtig indrukwekkend bouwwerk dit eigenlijk was. Men acht de Amerikaansche Indianenstammen ongeschikt voor ontwikkeling en beschaving, maar menschen, die zulke rotsmassa’s in beweging hebben weten te brengen, en tot een, voor de toenmalige wapenen, onneembare vesting hebben weten op te stapelen, kunnen onmogelijk op den laagsten trap van beschaving hebben gestaan. Nu beweert men wel, dat de stammen, die deze bouwwerken hebben tot stand gebracht, uitgestorven zijn en dat de tegenwoordige Indianen geen afstammelingen van hen zouden wezen, maar dat geeft mijns inziens volstrekt geen recht te zeggen, dat deze Indianen, geestelijk ook niet vooruit kunnen komen. Natuurlijk, wanneer men hen daartoe geen tijd en gelegenheid gunt, moeten zij wel ondergaan.
Wij stegen langs de voorhanden zijnde ladders, tot op het derde platform, waarachter de mooiste vertrekken van het Pueblo lagen. Hier woonde Intschu Tschuna met zijn beide kinderen en hier werd ook ons een woning aangewezen.
Mijn kamer was groot. Zij had wel is waar geen vensters en kreeg het licht ook slechts door de deur, maar deze was zoo breed en hoog dat de geheele ruimte voldoende was verlicht. De kamer was ledig, maar Nscho-Tschi bracht spoedig vellen, dekens en allerlei gereedschappen en ik gevoelde mij hier weldra geheel op mijn gemak. Aan Hawkins, Stone en Parker werd te zamen een dergelijk vertrek aangewezen.
Toen mijn logeerkamer zoover in orde was, dat ik haar kon betrekken, bracht „Schoone Dag” mij een prachtig gesneden vredespijp en tabak. Zij stopte deze eigenhandig, stak ze aan en reikte ze mij over met de woorden:
—Deze pijp zendt u Intschu Tschuna, mijn vader. Hij heeft zelf de klei daarvoor uit de heilige steengroeven gehaald en ik heb den kop gesneden. Geen mensch heeft haar nog in den mond gehad en wij verzoeken u, ze van ons als geschenk aan te nemen en aan ons te denken, wanneer gij er uit rookt.
—Uw goedheid is te groot,—antwoordde ik,—zij maakt mij bijna beschaamd, want ik kan niets daar tegenover geven.
—Gij hebt ons reeds zooveel gegeven, dat wij u niet genoeg kunnen danken, gij zijt immers de redder van Intschu Tschuna en van Winnetou. Hun leven was herhaalde malen in uw hand, gij hebt hen niet gedood. Ook vandaag weer hadt gij Intschu Tschuna het leven kunnen benemen, zonder dat ge er voor gestraft zoudt zijn geworden, gij hebt het niet gedaan. Daarom zijn onze harten dankbaar gestemd en gij zult onze broeder zijn als gij ten minste toestaat, dat onze krijgers u als zoodanig beschouwen.