Chapter 1 of 50 · 3855 words · ~19 min read

Part 1

WALTER SCOTT.

WAVERLEY, of ZESTIG JAAR GELEDEN.

UIT HET ENGELSCH OP NIEUW BEWERKT DOOR Dr. M. P. Lindo.

LEIDEN, DELFT, S. C. VAN DOESBURGH. IJKEMA & VAN GIJN.

1872.

Onder welken Koning, Bezonier, dient gij? Spreek of sterf.

HENDRIK IV, Tweede gedeelte.

EERSTE DEEL.

WAVERLEY, of ZESTIG JAAR GELEDEN.

Het plan van deze uitgave legt mij de verplichting op, een paar woorden te spreken over de gebeurtenissen, die den roman van Waverley ten grondslag liggen. Zij zijn reeds aan het publiek medegedeeld door een diepbetreurden vriend, wijlen den heer William Erskine [1] (later Lord Kinnedder) in zijn overzicht in de „Quarterly Review van 1807” van de „Verhalen van mijn waard.” De daarin voorkomende bijzonderheden had de verslaggever van den schrijver zelven vernomen. Later werden ze in de voorrede van de „Kronieken van de Kanunnikspoort” medegedeeld; hier vinden ze thans hare eigenaardige plaats.

De bescherming, door Waverley en Talbot elkander wederkeerig verleend, en waarop de geheele intrigue van den roman berust, is gegrond op een dier anecdoten, die zelfs het wreede karakter van den burgeroorlog verzachten; en daar het feit even vereerend is voor beide partijen, aarzelen wij geen oogenblik de namen te noemen. Toen de Hooglanders, op den morgen van den slag van Preston in 1745, hun beroemden aanval deden op het leger van Sir John Cope, werd eene batterij van vier veldstukken aangetast en vermeesterd door de Camerons en de Stewarts van Appine. Wijlen Alexander Stewart van Invernahyle was in de voorste gelederen der aanvallers en ontwaarde een officier van het leger des Konings, die, daar hij niet in de algemeene vlucht deelen wilde, met den degen in de hand bleef staan, alsof hij besloten had zijn post tot zijn laatsten ademtocht te verdedigen. De Hooglandsche edelman riep hem toe, dat hij zich zou overgeven, en ontving tot antwoord een degenstoot, dien hij met zijn schild afweerde. De officier was nu geheel weerloos, en toen de strijdbijl van een reusachtigen Hooglander (de molenaar van Invernahyle) reeds opgeheven was om hem de hersenen te verbrijzelen, had de heer Stewart nog moeite, om hem over te halen zich over te geven. Hij droeg vervolgens zorg voor hetgeen de gevangene bezat, beschermde hem persoonlijk en verkreeg eindelijk, dat hij op zijn woord van eer in vrijheid gesteld werd. De officier bleek te zijn de kolonel Whitefoord, een hooggeacht en invloedrijk edelman uit Ayrshire, innig gehecht aan het huis van Hannover. Evenwel ontstond er, in weerwil hunner verschillende staatkundige richting, tusschen deze beide eeremannen zulk eene vertrouwelijkheid, dat, terwijl de burgeroorlog in al zijne verschrikkelijkheid woedde, en de uit het leger der Hooglanders verdwaalde officieren dagelijks, zonder de minste genade, ter dood gebracht werden. Invernahyle, die in de Hooglanden was om nieuwe recruten aan te werven, niet aarzelde, om onderweg een bezoek af te leggen bij zijn vroegeren gevangene, en een paar dagen in Ayrshire, in het gezelschap van de Whigsche vrienden van kolonel Whitefoord sleet, even aangenaam en even opgeruimd, alsof alles in het rond niets dan vrede geademd had.

Toen de slag van Culloden een einde had gemaakt aan de verwachtingen van Karel Eduard, en zijne vogelvrij verklaarde aanhangers verstrooid had, was het kolonel Whitefoord’s beurt, alle pogingen in het werk te stellen, om genade voor den heer Stewart te verwerven. Hij bezocht daartoe den opperrechter Clark en den Advocaat-Generaal, alsmede alle mogelijke autoriteiten, en bij al die bezoeken werd hem eene lijst voorgelegd, waarop achter Invernahyles naam, (zoo als de goede oude heer gewoon was zich uit te drukken) „het teeken van het beest” gezet was, als iemand die onwaardig was gunst of vergiffenis te erlangen.

Eindelijk wendde kolonel Whitefoord zich in persoon tot den hertog van Cumberland. Ook van dezen ontving hij een stellig weigerend antwoord. Hij beperkte daarop voor het oogenblik zijn verzoek tot eene bede om bescherming voor Stewarts huis, echtgenoote en kinderen. Daar ook dit door den Hertog geweigerd werd, haalde hij zijne aanstelling als officier uit den zak, en legde die met diepe aandoening op de tafel voor Zijne Koninklijke Hoogheid, terwijl hij verlof vroeg, om de dienst te verlaten van een souverein, die een overwonnen vijand niet te sparen wist. De Hertog werd getroffen en zelfs geroerd. Hij verzocht den Kolonel zijne aanstelling terug te nemen, en zeide hem de gevraagde bescherming toe. Deze vergunning kwam juist bij tijds, om het huis, het koorn en het vee te Invernahyle te redden van de soldaten, die bezig waren met wat door hen „het vijandelijke land” genoemd, werd, te verwoesten. Er werd eene kleine afdeeling troepen op de heerlijkheid van Invernahyle gelegd, die zij bleven sparen, terwijl ze in den omtrek alles uitplunderden, en overal de hoofden van den opstand, en in de eerste plaats Stewart zelven, trachtten op te sporen. Hij was echter veel dichterbij dan ze wel vermoedden, want (even als de Baron van Bradwardine) in een kelder verborgen, was hij verscheidene dagen lang zoo nabij de Engelsche soldaten, dat hij hunne namen bij het appèl kon hooren afroepen. Zijn voedsel werd hem door een zijner dochtertjes, ter nauwernood acht jaar oud, gebracht, aan wie mevrouw Stewart verplicht was geworden deze zorg op te dragen, daar al hare gangen zoowel als die der oudere leden van haar gezin, van nabij bespied werden. Met een beleid ver boven hare jaren, maakte dit kind er eene gewoonte van, zich onder de soldaten, die haar zeer lief hadden, te mengen, en nam dan het oogenblik waar, dat zij onopgemerkt het bosch kon binnendringen om haren geringen voorraad mondbehoeften op eene bepaalde plaats neder te zetten, waar haar vader dien zou kunnen vinden. Door middel van deze, op ongeregelde tijden aangebrachte hulp, werd Invernahyle gedurende verscheidene weken in ’t leven gehouden en daar hij in den slag van Culloden gewond was, werd zijne zielesmart niet weinig door lichamelijk lijden vermeerderd. Nadat de soldaten verlegd waren, ontstapte hij nogmaals op eene wonderbaarlijke wijze aan een niet minder dreigend gevaar.

Toen hij het eens waagde zich des avonds naar zijn huis te begeven, dat hij bij het krieken van den dag verliet, werd hij door een vijandelijk detachement verrast, dat hem achtervolgde en op hem vuurde. Daar hij gelukkig genoeg was aan de soldaten te ontsnappen, keerden zij naar het huis terug, en brachten eene beschuldiging tegen zijne familie in, dat zij een der vogelvrijverklaarde bannelingen een schuilplaats verleende. Eene oude vrouw bezat tegenwoordigheid van geest genoeg om tegen hen vol te houden dat het de schaapherder was geweest, dien ze gezien hadden. „Waarom bleef hij niet staan toen wij hem riepen?” zei de krijgsman. „De arme man is doof als een kwartel,” hernam de gevatte dienstbode. „Laat hem terstond hier komen.” En de schaapherder werd dien ten gevolge van den heuvel gehaald, en daar er gelegenheid was hem onderweg zijn les te geven, was hij, toen hij binnenkwam, zoo doof als noodig was om het beweerde te staven. Invernahyle werd later begrepen in de uitgevaardigde amnestie.

Schrijver dezer heeft hem zeer goed gekend en de bijzonderheden vaak uit zijn eigen mond gehoord. Hij was een edele type van den echten Hooglander, de afstammeling eener oude familie, beminnenswaardig, hoffelijk, dapper en ridderlijk. Hij had, geloof ik, deelgenomen aan den opstand van 1715 en 1745 en was gewikkeld geworden in al de woelingen, die tusschen deze beide merkwaardige tijdperken in de Hooglanden plaats hadden. Ook heb ik, onder meer andere zijner heldendaden, hooren gewagen van een tweegevecht op den sabel met den beroemden Rob Roy Mac Gregor, te Balquidder.

Invernahyle bevond zich te Edinburgh, toen de zeerover Paul Jones in de golf van Forth verscheen, en ofschoon hij een oud man was, zag ik hem onder de wapenen, terwijl ik hem hoorde juichen (om zijn eigen woorden te bezigen) in het blijde vooruitzicht van nog eens voor zijn dood den sabel te zullen trekken. Inderdaad was Invernahyle bij die merkwaardige gelegenheid, toen Schotlands hoofdstad door drie kleine sloepen of brikken, ter nauwernood in staat om een visschersdorp aan te vallen, bedreigd werd, de eenige die in staat scheen een plan tot verdediging te beramen.

Hij bood de regeering der stad aan, indien ze hem de noodige sabels en dolken wilde leveren, genoeg dappere Hooglanders uit de lagere klassen bijeen te brengen om elke bootsbemanning, die de stad binnendrong en die zich denkelijk in de nauwe, kronkelende straten zou verspreiden in de hoop op roof, in de pan te hakken. Ik weet niet, of zijn voorstel ingang vond, maar ben geneigd te gelooven, dat het aan de overheid te gevaarlijk moest toeschijnen, die zelfs toen niet verlangen kon de Hooglanders te wapenen. Een hevige westewind maakte een einde aan de zaak, door Paul Jones met zijn schepen uit de golf te verjagen.

Zoo er in deze herinnering iets vernederends ligt, is het aan den anderen kant aangenaam ze te vergelijken met die van den laatsten oorlog toen Edinburgh, behalve de gewone krijgsmacht, en de militie, een corps vrijwilligers, cavalerie, infanterie en artillerie, bijeenbracht, van ongeveer zes duizend man, geheel en al gereed om een vrij wat aanzienlijker macht, dan die van den avontuurlijken Amerikaan, het hoofd te bieden. De tijden en de omstandigheden brengen in het karakter der volken en het lot der steden een omkeer te weeg; en de Schot moge zich met welgevallen herinneren, dat de aloude roem van het voorgeslacht, sedert een halve eeuw verduisterd, herleefde, toen zijn vaderland weder aan zijn eigen zonen de verdediging van hun geboortegrond mocht opdragen.

De overige ophelderingen omtrent Waverley zal men vinden in de onmisbare noten onder aan de bladzijden. Die welke in ons oog te uitvoerig waren, om op die wijze te worden geplaatst, zal men aan het einde van het geheele werk aantreffen.

VOORREDE.

Het publiek heeft aan deze vluchtige schets der oude zeden en gewoonten van Schotland een gunstiger onthaal geschonken, dan de schrijver had durven hopen of verwachten. Met eene mengeling van dankbaarheid en bescheiden voldoening heeft hij vernomen dat zijn werk aan meer dan één vermaarden schrijver is toegeschreven. Overwegingen, die hem in zijn bijzondere positie gewichtig schenen, vergunden hem niet zijn naam op het titelblad van dit boek te doen drukken, om een einde te maken aan alle valsche veronderstellingen; zoo dat het, immers voor het tegenwoordige, nog in het onzekere blijven moet, of Waverley het werk van een dichter of een recensent, van een rechtsgeleerde of een geestelijke is, dan wel of de schrijver, om mij van de woorden van mevrouw Malaprop [2] te bedienen, „evenals Cerberus – drie personen te gelijk is.” Daar er in het werk zelf niets gevonden wordt, behalve zijne geringe waarde, dat beletten kan, dat iemand het vaderschap er van op zich zou willen nemen, laat de schrijver het aan de eerlijkheid van het publiek over, om uit de vele omstandigheden van het maatschappelijk leven, er eene te kiezen, welke er hem toe geleid heeft zijn naam ook bij deze gelegenheid te verzwijgen. Hij is wellicht een voor het eerst optredend acteur en weinig begeerig zich een titel, waaraan hij niet gewoon is, te laten aanleunen, of hij is misschien een uit de mode geraakt auteur, die zich schaamt dat hij zich te vaak heeft vertoond, en die zijne toevlucht tot deze geheimzinnigheid neemt, zooals de heldin van het oude blijspel gewoon was zich van haar masker te bedienen, om de aandacht van diegenen te trekken, aan wie haar gelaat te gemeenzaam bekend was geworden. Hij kan een deftig ambt bekleeden, waaraan de naam van romanschrijver niet dan nadeelig zou kunnen zijn, of een man uit de groote wereld, wien men het schrijven van wat ook als pedanterie zou kunnen aanwrijven. Of, in één woord, hij kan te jong zijn, om den titel van schrijver aan te nemen, of zoo oud, dat het raadzaam is daarvan af te zien.

De schrijver van Waverley heeft de opmerking omtrent zijn roman hooren maken, dat, in het karakter van Callum Beg en in het door den Baron van Bradwardine gegeven verhaal, met betrekking tot de kleine vergrijpen tegen den eigendom, waarvan hij de Hooglanders beschuldigt, hij hun nationaal karakter te hard gevallen is, en dat hij hun onrecht gedaan heeft. Niets lag meer buiten zijn wensch en bedoelingen. Het karakter van Callum Beg is dat van iemand, die van nature tot het kwade geneigd is, en die door de omstandigheden tot eene bijzondere soort van boosdoen verlokt wordt. Zij, die de belangrijke brieven over de Hooglanden [3], omstreeks 1726 uitgegeven, gelezen hebben, zullen er voorbeelden van zulke verfoeielijke karakters in hebben aangetroffen, als die welke de schrijver zelf in de gelegenheid was te leeren kennen; ofschoon het volstrekt onrechtvaardig zou zijn, dergelijke ellendige wezens te beschouwen als de vertegenwoordigers van al de Hooglanders uit dat tijdperk, even als de moordenaars van Marr en van Williamson [4] geenszins de typen zijn der Engelschen van den tegenwoordigen tijd. Wat betreft het plunderen, hetwelk voorondersteld wordt door eenige opstandelingen in 1745 gepleegd te zijn, is het noodig te herinneren, dat, hoewel de door dit ongelukkige leger afgelegde weg door verwoesting noch bloed geteekend was, maar zijn geheele marsch zich integendeel door orde en tucht kenmerkte, er evenwel geen leger wordt gevonden, dat op den weg door een vijandelijk land zich niet aan eenigen roof schuldig maakt; en een aantal vergrijpen, als die welke de Baron spottenderwijs aan de Hooglandsche opstandelingen verwijt, werd hun in die dagen werkelijk ten laste gelegd. Het bewijs vindt men in een aantal overleveringen, en vooral in die, welke van den Ridder des Spiegels tot ons gekomen zijn [5].

DE SCHRIJVER AAN EEN IEDER IN HET ALGEMEEN.

Thans, lezer, weet ge uit hart en pen Wat meening ik ben toegedaan; ’t Is noodloos dat kritiek hier schen’, Of gij aan ’t klagen wenscht te gaan; Hoor dus, daar ’k niets verandren kan, ’t Verhaal maar ân.

Soms was ’t aan weêrszij lang niet goed; Men sloeg in koelen bloede dood; Dat dêen geen liên uit aadlijk bloed, Maar wat uit lager klassen sproot, Wier dolk zelfs geen gewonde ontzag, Waar hij ook lag.

Te Preston en Falkirk was pas De nacht gezonken, toen reeds ’t zwaard Op menige’ arme aan ’t woeden was; De kreet steeg dan ook hemelwaart: Bij Wilde en Turk heerscht menschelijkheid; Ons is ze ontzeid.

Wee over zulk een moordlust, wee! Gewonden slachten op het veld! Wat loon brengt niet hun schanddaad meê, Die perk en paal te buiten snelt! Ze roepen voor hun eigen kop Het wraakstaal op.

’k Zag wat men Hooglands schoeljes heet, Met schelmen van het Hoogland, soep En kool wegkapen, steeds gereed Hun bord te smijten op de stoep; Haan, kip, schaap, zwijn – ’t werd alles prijs Naar roovers wijs.

Ik zag een Hooglandsch man; hij droeg Een krans van puddings aan een staak; Al schold hem Maggie, die hem joeg; Hij hinnikte van puur vermaak Gelijk een veulen, en hij vloog Snel uit haar oog.

Als men dit alles hun verwijt, Dan is ’t: „mijn buik is plat en leêg; Als gij verkoopt noch geeft, is ’t tijd Dat ik maar neem – en wel ter deeg. Zeg George en Georges Willem [6] goed Dat ’k eten moet.”

Soldaten zag ’k te Linton-brig; [7] Ze plunderden een man, omdat Hij daar bekend stond als een Whig; Men liet hem thuis geen droog of nat. Zijn hoed en pruik verbranden zij, En ransel toe kreeg hij.

Het woeste in ’t Hoogland had ruim baan, Zoodat het kleed noch voedsel liet Aan iemand, en de roode haan Gestoken werd in ’t dak van riet: Wie bleef er bij zoo’n ruwheid teer? ’t Ging leer om leer.

En na dat al, o schaamte en schand! Nog wreeder dan een moordnaarsstoet Werd zelfs hun hoofdman aangerand, Al plasten ze eerst in minder bloed. Die wreedheid evenaart naar ’k gis, De Paapsche wis.

En wat er in het openbaar Te Carlisle plaats had op dien dag Van woede, als menig werd gewaar, Toen deernis vast gekluisterd lag – ’k Hield bij die toegejuichte ellend Het hoofd gewend.

Wat al gevloek bij schaars gebed! Al riepen enkelen ook: „hoezee!” Men deed dien ruwen morgen met Den Schotschen muitling als met vee, Dat men, niet met meedoogendheid, Ter slachtbank leidt.

Daarom, mijn medeburgers doet Dat zelfde, ik bid u ’t, nimmermeer; Geen zucht naar wraak, geen dorst naar bloed, Geen vreeslijk slagveld als weleer: Leent d’ Engelschman uw geld, en laat Geen plaats aan haat.

Hun tartend bluffen is niets waard; Beminnen we onzen Koning! Laat Ons needrig zijn en zacht van aard; Want ’k zie: de mensch ervaart steeds kwaad Die uit een laag en ruw gemoed Het booze doet.

EERSTE HOOFDSTUK.

INLEIDING.

De titel van dit werk is niet gekozen zonder het ernstig en welberaden overleg, in zaken van gewicht aan den voorzichtige voorgeschreven. Zelfs de eerste titel of algemeene benaming, was de slotsom van meer dan gewone navorsching of overleg, ofschoon ik, op het voorbeeld van mijne voorgangers, mij slechts had meester te maken van den fraaisten en welluidendsten naam, door de Engelsche geschiedenis of plaatsbeschrijving aan de hand gegeven, om dien tevens tot den titel van mijn werk en den naam van mijn held te maken. Maar, helaas! wat zouden mijne lezers van de ridderlijke namen van Howard, Mordaunt, Mortimer, Stanley, of van de zachter en sentimenteeler klanken van Belmour, Belville, Belfield en Belgrave anders verwacht kunnen hebben dan bladzijden vol onzin, gelijk die, welke sedert eene halve eeuw aldus gedoopt zijn? Zediglijk moet ik bekennen dat ik al te weinig vertrouwen in mijne verdiensten stel, om ze aan dergelijke vooroordeelen te wagen. Om die reden heb ik, evenals een pas geslagen ridder met zijn wit schild, Waverley, een onbekenden naam, tot dien van mijn held genomen, daar die in zich zelven goed noch kwaad bevat, buiten hetgeen de lezer in het vervolg zal goedvinden er aan te hechten.

Maar mijn tweede titel was iets waarvan de keus wel zoo bezwaarlijk viel, daar die, hoe kort ook, al zeer licht beschouwd wordt als verplichtend voor den schrijver om op zekere bepaalde wijze zijn tooneel op te slaan, zijne karakters te schetsen en de lotgevallen zijner op te voeren personen te regelen. Had ik, bij voorbeeld, aan het hoofd van mijn boek Waverley, een verhaal uit den ouden tijd geplaatst, dan had ieder romanlezer al bij voorbaat gedacht aan een kasteel, niet onderdoende voor dat van Udolpho [8], van hetwelk de oostelijke vleugel al lang onbewoond, en de sleutels òf verloren òf toevertrouwd waren geweest aan de zorg van een bejaarden hof- of rentmeester, veroordeeld om met wankelende schreden, – tegen het midden van het tweede deel, – den held of de heldin naar de instortende overblijfsels te geleiden. Ja, zou niet de uil gekrast en de krekel zijn zang reeds op mijn titelblad aangeheven hebben? en zou het mij, met eenige achting voor het welvoegelijke, wel mogelijk geweest zijn er een enkel, levendiger tooneel te schetsen, dan de grappen van een lompen maar getrouwen knecht, of het woordenrijke verhaal der kamenier van de heldin, wanneer deze de door haar in de keuken gehoorde bloedige en vreeselijke geschiedenissen weder oververtelt?

En, indien ik aan mijn boek het opschrift had gegeven van: Waverley, een roman naar het Hoogduitsch, zou dan niet het stompste hoofd zich terstond een wellustigen abt, een dwingeland van een hertog, een verborgen en geheimzinnig gezelschap van Rozekruizen en Illuminati, met hunne eigenaardige uitrustingen van zwarte kappen, holen, dolken, electriseermachines, valdeuren en dievenlantaarns hebben voorgesteld? Of zoo ik verkozen had mijn werk: Een sentimenteel verhaal te noemen, zou dit dan niet voldoende geweest zijn, om daarmede eene heldin aan te kondigen met zware donkerbruine lokken en eene harp om haar te troosten in hare eenzame uren, en die ze gelukkig steeds van het kasteel naar de hut weet over te brengen, ofschoon ze zelve nu en dan genoodzaakt is uit een raam der tweede verdieping te springen, en menigmaal verdwaalt op haar tocht, alleen en te voet, of enkel begeleid door de lompe boerendeerne, wier brabbeltaal zij nauwelijks verstaan kan. – Of, eindelijk had ik mijn Waverley geheeten: Eene geschiedenis van onzen tijd, zoudt gij dan niet, vriendelijke lezer, een levendige schets van mij hebben gevorderd van de groote wereld, met een eenige anecdote van bijzondere schandalen, vooral dun omsluierd, en zoo veel te beter, indien ze wat sterk gekleurd waren; eene heldin uit Grosvenor-square [9] en een held van den „Baroucheclub” of dien der „Four-in-hand” [10], benevens een stel ondergeschikte karakters uit de Elegantes van Queen-Ann-StreetEast, of de schitterende helden van het Bureau in Bowstreet [11]?

Ik zou nog kunnen voortgaan met de belangrijkheid van een titel te bewijzen, en daardoor te gelijk mijne diepe kennis aan den dag kunnen leggen van de bijzondere bouwstoffen tot de samenstelling van romans en verhalen van allerlei aard, vereischt; maar dit zij genoeg, daar ik geen misbruik wil maken van het geduld van den lezer die ongetwijfeld reeds verlangt, de keus te leeren kennen van een schrijver, zoo door en door ervaren in de verschillende takken zijner kunst.

Terwijl ik de dagteekening van mijn verhaal dan stel op zestig jaar voor dezen tegenwoordigen eersten dag van November 1805 [12], wil ik mijn lezers daardoor te kennen geven, dat ze in de volgende bladzijden noch een ridderroman, noch een tafereel van hedendaagsche zeden zullen vinden; dat mijn held noch ijzer op zijne schouders zal hebben als in de dagen van ouds, noch aan de hielen zijner laarzen, zoo als het tegenwoordig gebruik is in Bondstreet [13]; en dat mijne dames even zoo min zullen gekleed gaan met een purperen mantel en opperkleed, gelijk Alice in de oude Ballade, als ze teruggebracht zullen worden tot de oorspronkelijke naaktheid eener hedendaagsche schoone uit de groote wereld. Uit mijne keuze van den tijd zal de verstandige recensent verder opmaken, dat mijn verhaal êer ten doel heeft, menschen dan zeden en gewoonten te beschrijven. Een tafereel van zeden moet, zal het belangrijk wezen, óf ontleend zijn aan eene oudheid, ver genoeg verwijderd om eerbiedwaardig te zijn, óf het moet een levendige afspiegeling aanbieden van die tooneelen, welke dagelijks vóor onze oogen voorbijgaan, en door het nieuwe, dat hun eigen is, belang inboezemen. De maliënkolder onzer voorvaders en de driedubbel met bont gevoerde pels onzer hedendaagsche heertjes, mogen, om verschillende redenen, even geschikt zijn voor de uitrusting van een verdicht personage: maar wie, die het kostuum van zijn held indrukwekkend verlangt te maken, zou hem opzettelijk in het hofgewaad der regeering van George II. steken, – zonder kraag, met wijde mouwen en lage zakken? Met even veel recht mag hetzelfde worden aangemerkt van de Gothische zaal, die met de donkere en beschilderde glazen, de hooge en sombere zoldering en zware eiken tafel, versierd met beerenkoppen en rozemarijn, faizanten en pauwen, zwanen en kraanvogels, een voortreffelijke werking doet in een dichterlijke beschrijving. Evenzoo zou een levendige schildering van een hedendaagsch feest, zoo als wij die in Engeland gedurig in een dagblad, onder de rubriek van: Spiegel der mode, aantreffen, het verre winnen boven de beschrijving eens feestelijken maaltijds van vóor zestig jaren; en dus ziet men gereedelijk in, hoe veel de schilder van oude tijden, of van de groote wereld van heden vooruit heeft op hem, die de zeden en gewoonten van een kort geleden tijdperk beschrijft.