Chapter 43 of 50 · 3963 words · ~20 min read

Part 43

Onder dusdanige gesprekken, en onder het behandelen van tusschenkomende zaken, verliep de tijd tot het middageten. Mackwheeble beloofde intusschen dat hij het een of ander middel zou uitdenken, om Eduard, zonder gevaar of argwaan, op Duchran, te brengen, waar Rose zich thans ophield, hetgeen lang geen gemakkelijke taak scheen, daar de heer des huizes een zeer ijverige voorstander van het Bewind was. Het kippenhok was in requisitie gesteld, en de soep, en de Schotsche lamscoteletten dampten weldra in des rentmeesters vertrekje. De kurketrekker van den gastheer was juist in den hals van een fleschje roode wijn gestoken (misschien wel bij gelegenheid uit de kelders van Tully-Veolan weggekaapt), toen het gezicht van den grijzen hit, die het raam in vollen draf voorbij rende, Mackwheeble bewoog, den wijn, hoewel met de noodige voorzichtigheid, voor het oogenblik ter zijde te stellen. Jock Scriever kwam binnen met een pakje voor den heer Stanley; het was kolonel Talbots cachet; en Eduards vingers beefden, terwijl hij het open brak. Twee officieele stukken, met alle mogelijke formaliteit geteekend en gezegeld, vielen er uit. Ze werden haastig door den rentmeester opgeraapt, die een natuurlijken eerbied had voor alles, wat naar een akte geleek, en terwijl hij de titels even inzag, vielen zijn oogen, of liever zijn bril, op: „Bescherming van wege Zijn Koninklijke Hoogheid voor den persoon van Cosmo Comyne Bradwardine, van die plaats, gemeenlijk genoemd Baron van Bradwardine, veroordeeld tot verbeuring zijner goederen, wegens deelneming aan de laatste rebellie. Het andere bleek een bescherming van gelijken inhoud te zijn voor Eduard Waverley. – Kolonel Talbots brief luidde als volgt:

„Mijn waarde Eduard,

„Ik ben pas hier gekomen, en toch heb ik mijn zaken reeds ten einde gebracht; het heeft mij echter eenige moeite gekost, gelijk gij hooren zult. Ik maakte mijn opwachting bij Zijn Koninklijke Hoogheid, onmiddellijk na mijn aankomst, en vond hem in geen zeer gunstige luim voor mijn oogmerk. Drie of vier Schotsche heeren verlieten hem juist. Nadat hij zich zeer beleefd omtrent mij uitgelaten had, zeide hij: „Kunt ge u verbeelden, Talbot, dat hier een half dozijn van de aanzienlijkste heeren en beste vrienden van het Bewind ten noorden van de Forth geweest zijn, majoor Melville van Cairnvreckan, Rubrick van Duchran en anderen, die mij, ten gevolge van hun lastigen aandrang, inderdaad een bescherming voor het oogenblik en de belofte voor een toekomstige vergiffenis hebben afgedwongen, voor dien onverbeterlijken ouden rebel, dien ze baron van Bradwardine noemen. Ze beweren, dat zijn verheven persoonlijk karakter, en de zachtheid, door hem jegens diegenen van ons volk betoond, die in handen der rebellen vielen, voor hem behooren te pleiten; inzonderheid daar het verlies van zijn bezittingen een genoegzaam zware straf voor hem schijnt te zullen weten. Rubrick heeft op zich genomen hem bij zich in huis te nemen, tot de zaken in het land zullen geregeld zijn; maar het is eenigszins hard, op die wijze gedwongen te worden, zulk een dood-vijand van het Huis van Brunswijk vergiffenis te schenken!” Dit was geen gunstig oogenblik, om mijn zaak bloot te leggen; ik zeide evenwel, dat ik mij verheugde te vernemen, dat Zijn Koninklijke Hoogheid geneigd was zulke verzoeken toe te staan, daar het gebeurde mij verstoutte, in eigen persoon een verzoek van gelijken aard te doen. Hij keek heel donker; ik gewaagde van de standvastig medewerking onzer drie stemmen in het Huis, zinspeelde zediglijk op mijn verdiensten buiten ’s lands, ofschoon deze slechts in zoo verre van waarde waren, als Zijn Koninklijke Hoogheid ze wel had willen aannemen, terwijl ik tamelijk sterk op zijn eigene betuigingen van vriendschap en genegenheid drukte. Hij was verlegen, maar onverzettelijk. Ik liet het staatkundige belang doorschemeren dat er in gelegen was, om, voor alle volgende gelegenheden, den erfgenaam van zulk een fortuin, als dat uws ooms, aan de woelingen der ontevredenen te ontrukken. Maar ik bracht niet den minsten indruk te weeg. Ik sprak van de verplichting, waaronder ik jegens Sir Everhard, en persoonlijk jegens u lag, en vroeg, als de eenige vergelding voor mijn diensten, dat het hem behagen mocht, mij de middelen te verschaffen om dankbaar te kunnen zijn. Ik merkte dat hij bij voortduring weigeren wilde, en terwijl ik mijn aanstelling uit den zak haalde, zeide ik, als een laatste toevlucht, dat, daar Zijn Koninklijke Hoogheid, onder deze dringende omstandigheden, mij geen gunst waardig keurde, die hij geen zwarigheid had gemaakt aan andere heeren te verleenen, wier diensten ik bezwaarlijk kon gelooven, dat gewichtiger waren dan de mijne, ik vergunning moest verzoeken, met de meeste bescheidenheid om mijn aanstelling in handen van Zijn Koninklijke Hoogheid neer te leggen, en de dienst te verlaten. Hierop was hij niet voorbereid; hij beval mij mijn aanstelling weder op te steken; zeide het een en ander zeer vleiends over mijn diensten, en stond mijn verzoek toe. Gij zijt derhalve weder vrij man; en ik heb in uw naam beloofd, dat gij u voortaan als een „zoete jongen” zult gedragen, en in geheugen houden, wat gij aan de zachtmoedigheid van het Bewind verschuldigd zijt. Dus ziet gij, dat mijn Prins even edelmoedig kan zijn als de uwe. Ik beweer inderdaad niet, dat hij een gunst bewijst met al die buitenlandsche gratie en complimenten, waardoor uw dolende Prins zich onderscheidt; maar hij heeft eenvoudige, Engelsche manieren, en de blijkbare tegenzin, waarmede hij uw verzoek toestaat, bewijst dat hij zijn eigene neiging aan uw wenschen ten offer heeft gebracht. – Mijn vriend, de Adjudant-Generaal, heeft mij een duplicaat bezorgd van des Barons bescherming (daar het oorspronkelijke in handen is van den majoor Melville); ik zend het u, omdat ik weet, dat, zoo gij hem vinden kunt, het u genoegen zal doen de eerste te zijn, om hem dit heuglijk bericht over te brengen. Hij zal natuurlijk, zonder tijdverlies, naar Duchran vertrekken, om daar eenige dagen quarantaine te houden. Wat u betreft, ik geef u vrijheid om hem derwaarts te vergezellen, en daar een week te blijven, dewijl ik vernomen heb, dat zekere schoone dame in die streek is. En ik heb het genoegen u te berichten, dat, welke vordering gij ook in haar gunst moogt maken, dit hoogst aangenaam zal zijn aan Sir Everhard en Freule Rachel, die u nooit voor goed gevestigd en uw vooruitzichten voor geregeld zullen houden, noch de Drie Loopende Hermelijnen in veiligheid, voor en aleer gij hun een mevrouw Eduard Waverley zult voorstellen. Nu, zekere liefdezaak van mijzelven verstoorde – een heel aantal jaren geleden – eenige maatregelen, die toen ten beste van de Drie Loopende Hermelijnen werden voorgeslagen; dus ben ik, als eerlijk man, verplicht, hun vergoeding te schenken. Maak derhalve een goed gebruik van uw tijd, want als uw week verloopen is, zal het noodig zijn, dat gij naar Londen gaat, om uw vrijspraak voor de rechters te doen gelden. Als altijd, waarde Waverley, oprecht en van ganscher harte de uwe,

Philips Talbot.”

DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Gelukkig ’t vrijen, Wil ’t ras gedijen.

Toen Eduard een weinig bekomen was van de eerste verrukking door deze uitmuntende tijdingen veroorzaakt, stelde hij den heer Mackwheeble oogenblikkelijk voor, naar het dal te gaan, om den Baron met den inhoud er van bekend te maken. Maar de voorzichtige rentmeester merkte te recht op, dat, zoo de Baron zich terstond in het openbaar vertoonde, de boeren en de dorpelingen licht tot uitspattingen in het bewijzen hunner vreugde zouden overslaan, en aanstoot geven aan „de bestaande machten,” een soort van wezens, voor wie de rentmeester altijd een onbepaalden eerbied koesterde. Hij sloeg dus voor, dat Waverley zich naar Janet Gellatley begeven, en den Baron, onder bedekking van den nacht, naar Klein Veolan brengen zou, waar hij nog eens de weelde van een goed bed zou mogen smaken. Onderwijl, zeide hij, zou hij zelf naar kapitein Forster gaan, hem de bescherming van den Baron toonen, en diens toestemming vragen, om hem dien nacht te mogen herbergen. Hij zou zorg dragen, dat er met den morgen paarden gereed waren, om hem naar Duchran te brengen, te gelijk met den heer Stanley, „welken naam ik veronderstel, dat gij voor het oogenblik zult behouden,” zeide de rentmeester.

„Zeker, mijnheer Mackwheeble; maar zoudt gij heden avond niet zelf naar het dal gaan, om uw patroon te ontmoeten?”

„Dat zou ik heel gaarne doen; en ik ben u wel zeer dankbaar, dat gij mij aan mijn schuldigen plicht herinnert. Maar ik zal eerst na zonsondergang van den kapitein terug zijn, en op dezen ongelegen tijd heeft het al een kwaden naam – daar is zoo iets met de oude Janet Gellatley, dat niet recht in den haak is. De Baron wil deze dingen niet gelooven, maar hij is altijd onvoorzichtig en roekeloos – en nooit voor mensch noch duivel bang geweest. Maar ik weet dat Sir George Mackenzie zegt, dat geen godgeleerde ontkennen kan dat er toovenaars zijn, dewijl er in den Bijbel staat: gij zult ze niet laten leven; en dat geen rechtsgeleerde het betwijfelen kan, dewijl de wet er de doodstraf op stelt. Dus is zoo wel de wet als het Evangelie er voor. En wilt gij aan Leviticus geen geloof slaan, zoo moogt gij toch het wetboek gelooven. – Maar gij kunt in dit opzicht uw eigen weg volgen; dat is Duncan Mackwheeble onverschillig. Echter zal ik heden avond om de oude Janet zenden; het is best die soort van lieden te vriend te houden, en ik zal Davie noodig hebben, om het spil te draaien; want ik zal Eppie een vette gans op tafel laten brengen voor het avondeten.”

Toen het dicht bij zonsondergang was, spoedde Waverley zich naar de hut, en hij moest bekennen, dat het bijgeloof geen ongelukkige keus had gedaan, wat de plaatselijke gelegenheid en het voorwerp zelf betrof om er een denkbeeldigen schrik op te gronden. Het een en ander geleek sprekend naar de beschrijving van Spencer:

Daar vond ze, in een diep en donker dal, Een hut uit leem en rietwerk opgeslagen, Omgeven door een breeden zoden wal. Een tooverkol, met innig zelfbehagen, Bewoonde die, als oord van weelde en lust; Ze had zich gansch met lompen toegerust, En scheen vrijwillig haar ellend te dragen, Verwijderd van de wereld, opdat niet Haar duivelskunsten en haar booze streken, Door ’s buurmans oog ter kwader uur bespied, Aan ’t licht gebracht, zich bitter zagen wreken Door kracht der wet die toovnaars nooit ontziet.

Eduard trad de stulp binnen, terwijl hij zich deze regels voor den geest riep. De arme oude Janet, gebogen door de jaren, en zwart door den rook van haar vuur, strompelde door de hut met een berkenbezem, en mompelde in zichzelve, terwijl zij haar haard en vloer wat reinigde, om de door haar verwachte gasten zoo goed mogelijk te ontvangen. Het geluid van Waverleys tred deed haar schrikken, en over alle ledematen beven, terwijl zij een schuchteren blik op hem sloeg; zoozeer waren haar zenuwen gespannen geweest voor de veiligheid van haar heer. Niet zonder veel moeite deed Waverley haar begrijpen, dat de Baron nu niets meer voor zijn persoon te vreezen had, en toen zij dit heuglijk nieuws ten slotte gevat had, viel het even moeielijk haar te doen gelooven, dat hij niet weder in het bezit van zijn goederen komen zou. „Dat behoorde toch zoo,” zeide ze „hij zou ze wel weêr krijgen; niemand zou verlangen om hem zijn eigendom te benemen, nadat men hem vergiffenis geschonken had. En wat dien Inch-Grabbit betreft, om hem zou ik soms wenschen een tooverheks te zijn, als ik niet vreesde, dat de Booze mij bij het woord zou houden.” Nu gaf Waverley haar eenig geld, en beloofde dat haar getrouwheid betoond zou worden. „Hoe kan ik beter beloond worden, mijnheer, dan juist daardoor dat ik mijn ouden meester en Freule Rose mag zien terug komen, om gebruik te maken van hetgeen hun toekomt?”

Waverley nam nu afscheid van Janet, en stond spoedig weder voor de schuilplaats van den Baron. Op een zacht gefluit, zag hij den ouden heer het hoofd buiten het hol steken, even als een oude das, die den omtrek verkent. „Ge zijt wat vroeg gekomen, mijn goede jongen,” zeide hij, terwijl hij weder naar binnen klom; „ik twijfel, of de roodrokken de taptoe reeds geslagen hebben, en vóor dien tijd zijn wij niet veilig.”

„Goed nieuws kan nooit te vroeg gebracht worden,” zeide Waverley; en met een onbeschrijfelijke vreugde deelde hij hem de gelukkige tijding mede. De oude man stond een tijdlang in stille godsdienstige aandoening verzonken, en riep toen uit: „De Heer zij geloofd! – Ik zal mijn kind weder zien!”

„Om nooit, naar ik hoop, weder van haar te scheiden,” zeide Waverley.

„Ik vertrouw, met Gods hulp, van neen, tenzij om haar de middelen tot haar onderhoud te verschaffen; want mijn zaken zijn in geen al te besten toestand; maar wat beteekenen de goederen dezer wereld?”

„En indien,” zeide Waverley bedeesd, „er een middel bestond om Freule Bradwardine tegen de wisselvalligheid der fortuin te beveiligen in den rang, waarin ze geboren is, zoudt gij daartegen hebben, waarde Baron, omdat het een uwer vrienden tot den gelukkigsten man op aarde maken zou?” De Baron keerde zich om, en keek hem met grooten ernst aan. „Ja,” ging Eduard voort, „ik zal mijn vonnis niet eer als ingetrokken beschouwen, voordat gij mij verlof geeft, om u naar Duchran te vergezellen, en –”

De Baron scheen al zijn waardigheid te verzamelen, om een gepast antwoord te vinden voor iets, dat hij, op een anderen tijd, behandeld zou hebben als een plechtige inleiding tot een voorstel van een verbintenis tusschen de huizen van Bradwardine en Waverley. Maar al zijn pogingen daartoe waren te vergeefs; de vader behield de overhand op den Baron; de trotschheid op rang en geboorte was verdwenen; – in zijn vreugdevolle verbazing hiep een lichte zenuwtrekking over zijn gelaat, terwijl hij toegaf aan de gewaarwordingen der natuur; hij sloeg de armen om Waverleys hals en snikte uit: „Mijn zoon, mijn zoon! als ik de wereld had doorzocht, zou ik mijn keus tot u bepaald hebben.” Eduard beantwoordde de omhelzing met de innigste hartelijkheid, en bewaarde voor een poos het stilzwijgen. Eindelijk werd het door Eduard afgebroken. „Maar Freule Bradwardine?” –

„Zij heeft nooit een anderen wil, dan dien haars ouden vaders gehad; daarenboven gij ziet er goed uit, bezit eerlijke beginselen en zijt van goede geboorte. – Neen, neen, zij heeft nooit een anderen dan den mijnen gehad, en in mijn schoonste dagen had ik nooit een wenschelijker bruidegom voor haar kunnen vinden, dan den neef van mijn uitmuntenden ouden vriend, sir Everard. – Maar ik hoop, jongen, dat gij niet voorbarig in deze zaak te werk gaat; ik hoop, dat gij u heb verzekerd van de goedkeuring uwer eigene vrienden en naastbestaanden, bijzonder van uw oom, die in loco parentis is? Laat ons dit toch niet vergeten.” Eduard verzekerde hem, dat sir Everard er hoogelijk door vereerd zou zijn, wanneer hij zag dat zijn aanzoek zoo vleiend werd aangenomen, en dat het zijn volkomene goedkeuring wegdroeg; ten bewijze waarvan hij den Baron kolonel Talbots brief ter hand stelde. Deze las dien met groote oplettendheid. „Sir Everard,” zeide hij, „verachtte altijd den rijkdom, in vergelijking met eer en geboorte: en, het is zoo, hij heeft weinig reden om de Diva Pecunia zijn hof te maken. En daar die Malcolm zich als een vadermoorder heeft doen kennen – want ik kan hem geen anderen naam geven, wegens het van de hand doen der familiegoederen – zou ik thans evenwel wenschen (hier vestigde de Baron zijn oogen op een gedeelte van het dak, dat boven de boomen uitkwam) dat ik Rose het oude nest had kunnen nalaten, met de prullen die er bij hooren. – En evenwel,” zeide hij, terwijl hij op zachter toon voortging, „het is misschien zoo het best; want als de baron van Bradwardine, zou ik het licht voor mijn plicht gehouden hebben, zekere voorwaarde te stellen, wat den naam en het wapen betreft, waarvan niemand het mij, nu als een edele zonder land, met een dochter zonder huwelijksgoed, tot een vergrijp kan maken wanneer ik er van afzie.”

„Nu, de Hemel zij geloofd,” dacht Eduard, „dat Sir Everard deze bezwaren niet hoort! De drie loopende hermelijnen en de kruipende beer hadden elkander gewis bij de ooren gekregen.” Hij verzekerde daarop den Baron, met al het vuur van een jeugdigen minnaar, dat hij in Roses hart en hand alleen zijn geluk zocht, en hij zich even zoo gelukkig rekende met haars vaders eenvoudige toestemming, alsof hij zijn dochter éen graafschap ten huwelijk had medegegeven.

Thans hadden zij Klein Veolan bereikt; de gans dampte op de tafel, en de rentmeester zwaaide met mes en vork. Zijn patroon en hij zagen elkander met innige blijdschap weder. Ook de keuken had haar gezelschap. De oude Janet had bij den haard plaats genomen; Davie had, tot zijn onsterfelijke eer, het spit gedraaid; en zelfs Ban en Buscar werden, in de gulheid van Mackwheebles verheugd gemoed, tot aan de keel toe met voedsel vol gepropt, en lagen thans op den vloer te snorken.

Den volgenden dag reisden de Baron en zijn jonge vriend naar Duchran, waar de eerste verwacht werd, omdat men er onderricht was van het welslagen der bijna eenstemmige pogingen, door de Schotsche vrienden van het bewind ten zijnen behoeve aangewend. Deze waren zoo algemeen en zoo krachtig geweest, dat men het bijna voor zeker hield, dat zelfs zijn eigendommen behouden zouden geweest zijn, indien zij niet gevallen waren in de roofzieke handen van zijn onwaardigen bloedverwant, wiens rechten, op de misdaad van den Baron gegrond, door geen genade van de Kroon mochten gekrenkt worden. De oude edelman zeide echter met zijn gewone opgeruimdheid, dat hij meer in zijn schik was met den schat, dien hij in de hoogachting zijner naburen bezat, dan hij zou geweest zijn met een herstelling in integrum, indien deze mogelijk ware geweest.

Wij zullen geen poging wagen, om de ontmoeting van vader en dochter te beschrijven, die elkander zoo teeder beminden, en onder zulke gevaarlijke omstandigheden van elkander waren gescheiden. Nog minder zullen wij trachten Roses hoogen blos te beschrijven, bij de ontvangst van Waverley, en alles behalve onderzoeken, of zij eenige nieuwsgierigheid aan den dag legde, wat de bijzondere aanleiding betrof tot zijn reize naar Schotland, in dit tijdsgewricht. Zelfs zullen wij den lezer niet lastig vallen met de omslachtige bijzonderheden eener vrijerij, van vóór zestig jaren. Het is genoeg te zeggen, dat, onder zulk een nauwgezetten ceremoniemeester, als de Baron, alle dingen in behoorlijken vorm behandeld werden. Hij nam, des morgens na hun aankomst, zelf de taak op zich, om Rose met Waverleys aanzoek bekend te maken, waaraan zij met een gepaste mate van maagdelijke beschroomdheid het oor leende. Het gerucht zegt evenwel, dat Waverley, den avond te voren, vijf minuten gevonden had, om haar te verwittigen van hetgeen er gaande was – juist op een oogenblik, dat het gezelschap naar drie om elkander geslingerde slangen keek, waaruit in den tuin een springende fontein haar waterstralen opzond.

Mijn schoone lezeressen mogen het zelve beoordeelen, maar, wat mij betreft, ik kan niet begrijpen, hoe zulk een gewichtige zaak in zulk een kort tijdsbestek zou kunnen worden medegedeeld; althans, zij nam een geheel uur weg op de wijze, waarop de Baron ze behandelde.

Waverley werd thans als een verklaard minnaar, in alle vormen, beschouwd. Hij werd, door middel van lachjes en knikjes van de dame des huizes, genoopt naast Freule Bradwardine aan tafel plaats te nemen, en tegenover Freule Bradwardine haar maat te zijn bij het spel. Kwam hij het vertrek in, dan was het zeker dat die van de vier jonge dames Rubrick, welke toevallig naast Rose zat, zich herinnerde, dat zij haar schaar of haar vingerhoed aan het andere einde van de kamer had laten liggen, met oogmerk, om de plaats naast Freule Bradwardine voor hem open te laten. En soms, wanneer papa en mama niet bij de hand waren, om haar in bekoorlijke deftigheid te houden, veroorloofden de dametjes zich wel eens eventjes tegen elkander te glimlachen. Ook had de oude heer van Duchran nu en dan zijn aardigheden, en de oude dame haar aanmerkingen. Zelfs de Baron kon niet altijd zijn deftigheid bewaren; maar Rose behoefde niet verlegen te zijn voor zijn grappen, want zijn vernuft was doorgaans in een Latijnsche kleeding gehuld. Ook de knechts grinnikten soms vrij zichtbaar, en de meiden schaterden wel eens tamelijk luid; in één woord, er scheen in geheel het gezin iets geheimzinnigs in wenken en houding te heerschen. Alice Bean, het knappe meisje uit het hol, die, sedert haars vaders „ongeluk” – zoo als zij het noemde – bij Rose als kamenier diende, lachte en knikte om het hardst mede, Rose en Eduard verduurden echter al deze kleine kwellingen, zoo als andere paren vóor of na hen hebben gedaan; maar zij vonden waarschijnlijk een of ander middel om zich schadeloos te stellen; want over het geheel genomen, schenen zij niet bijzonder ongelukkig te zijn, gedurende Waverleys zesdaagsch, verblijf te Duchran.

Er werd ten slotte bepaald, dat Eduard naar Waverley-Honour zou vertrekken, om de noodige schikkingen te maken voor zijn huwelijk. Vervolgens zou hij zich naar Londen begeven, om de noodige maatregelen te nemen, ter bepleiting zijner zaak, ten einde zoo spoedig mogelijk terug te keeren, en de hand zijner verloofde te ontvangen. Hij nam zich tevens voor, kolonel Talbot op zijn reis te bezoeken; maar bovenal was het zijn doel, het lot van het ongelukkig opperhoofd van Glennaquoich te leeren kennen, hem te Carlisle te gaan bezoeken, en te trachten of er iets te doen ware, zoo niet om genade te verkrijgen, dan ten minste verandering of verzachting van de straf waartoe hij bijna zeker zou worden veroordeeld; en, in het ergste geval, der lijdende Flora een schuilplaats bij Rose aan te bieden, of haar anders op alle mogelijke wijze van dienst te zijn. Het lot van Fergus scheen moeielijk af te wenden. Eduard had reeds gepoogd zijn vriend, kolonel Talbot, voor hem te winnen; maar deze had, bij zijn antwoord, duidelijk te kennen gegeven, dat zijn invloed in zaken van dezen aard geheel uitgeput was.

De kolonel bevond zich nog te Edinburgh, en was voornemens eenige maanden dáar te blijven, ten gevolge van een aantal bezigheden hem door den hertog van Cumberland opgedragen. Hij wachtte daar lady Emilia, wie door de geneesheeren was aangeraden, de reis zoo langzaam mogelijk te doen, terwijl zij haar het gebruik van geitenmelk hadden aanbevolen; zij zou den tocht naar het noorden afleggen onder geleide van Francis Stanley. Eduard ontmoette derhalve den kolonel te Edinburgh, en deze wenschte hem op de hartelijkste wijze geluk met zijn aanstaand huwelijk, en nam tevens met genoegen onderscheidene boodschappen op zich, die onze held verplicht was hem bij zijn vertrek op te dragen. Maar ten aanzien van Fergus was hij onverbiddelijk. Hij bewees Eduard inderdaad, dat zijn tusschenkomst nutteloos zou zijn. Maar bovendien bekende kolonel Talbot, dat hij, in gemoede, zijn invloed voor dezen ongelukkige niet zou kunnen bezigen. De gerechtigheid, die eenige straf voor degenen eischte, welke de geheele natie in vrees en rouw gedompeld hadden, kon wellicht geen gepaster slachtoffer gekozen hebben. Hij had de wapens opgevat met de meest volkomen kennis van den aard zijner onderneming. Hij had zijn taak wel overwogen en er al de gevolgen van berekend. Zijns vaders lot had hem geen vrees kunnen inboezemen; de zachtheid der wetten, die hem in zijns vaders eigendom en rechten hersteld had, kon hem niet vermurwen. Dat hij dapper, edelmoedig en met een aantal goede eigenschappen bedeeld was, dit alles maakte hem slechts te gevaarlijker; dat hij verlicht en kundig was, verhoogde slechts het onvergefelijke zijner misdaad; dat hij een geestdrijver was in een kwade zaak, was een oorzaak te meer om hem tot haar martelaar te maken. Maar bovenal was hij het middel geweest, om verscheidene honderden in het veld te brengen, die, buiten hem, nooit den vrede des lands zouden verstoord hebben.