Part 48
De aan Mac-Ivor toegeschreven staatkunde was werkelijk die van de meeste Hooglandsche Opperhoofden, en vooral van den beroemde lord Lovat, die deze sluwheid tot het uiterste dreef. De heer van Mac – was ook kapitein eener onafhankelijke compagnie, maar bij hem woog het goud der soldij veel te zwaar om weggeworpen te worden voor de Jacobietische zaak. Zijn krijgszuchtige echtgenoote riep zijn clan te wapen, en stelde er zich in 1745 aan het hoofd van. Maar het Opperhoofd zelf wilde zich niet met den strijd inlaten, terwijl hij zich voor dien Koning en voor geen ander verklaarde, die den heer van Mac – een guinje daags gaf.
Aanteekening T, Deel I, bl. 105: Hooglandsche krijgstucht.
Ter verklaring der krijgshaftige oefeningen op het kasteel van Glennaquoich, verzoekt de schrijver verlof om op te merken, dat de Hooglanders niet slechts de behandeling van sabel en geweer kenden, benevens al die oefeningen, waarbij kracht en vlugheid een vereischte zijn, even als in geheel Schotland, maar daarenboven nog in een andere soort van excercitie bedreven waren, overeenkomstig hun kleeding en hun wijze van oorlogvoeren. Zij hadden, bij voorbeeld, een aantal wijzen om hun plaid te dragen: éen wanneer zij rustig voorttrokken; een andere wanneer zij geloofden dat er eenig gevaar te duchten was; nog weder een andere om er zich in te wikkelen, wanneer zij meenden in te kunnen slapen zonder gestoord te worden; en wederom een andere wijze om bij het minste alarm te kunnen oprijzen met pistool en zwaard in de hand.
Vóor 1720, of daaromstreeks, was de plaid en ceintuur die, welke het meest algemeen werd gedragen; het was een plaid, waarvan dat gedeelte, hetwelk om het lijf sloot, en dat hetwelk over den schouder werd geworpen, uit éen stuk waren. Bij een wanhopigen aanval werd de plaid weggeworpen; dan rukte de clan voorwaarts zonder andere bedekking dan het buis en een kunstige schikking van het hemd, dat, even als dat der Ieren, altoos zeer ruim was, en de sporran-mollach, of tas van geitenvel.
De behandeling van den dolk en het pistool maakte ook een deel uit der krijgsoefeningen van den Hooglander, die de auteur door lieden heeft zien ten uitvoer brengen, welke het in hunne jeugd geleerd hadden.
Aanteekening U, Deel I, bl. 107: Afkeer der Schotten van varkensvleesch.
Varkensvleesch, onder welken vorm ook, werd nog niet veel jaren geleden door de Schotten veracht; heden is het evenmin een geliefkoosd voedsel bij hen: Koning Jacobus bracht dit vooroordeel naar Engeland over, en men weet van hem, dat hij even grooten afkeer van varkensvleesch had als van tabak. Ben Jonson heeft deze bijzonderheid aan de vergetelheid ontrukt, waar de gemaskerde heiden, terwijl hij de hand van den Koning onderzoekt, zegt:
„maar o, ’t spreekt uit deez lijn: Gij houdt veel van een paard en hond, maar geenszins van een zwijn.”
Het door Jacobus aan den Duivel toegedachte maal bestond uit een stuk spek en den kop van een stokvisch, met een pijp tabak voor de spijsvertering.
Aanteekening X, Deel I, bl. 107: Een Schotsche tafel.
Door het verzamelen van zulk een groot aantal personen van alle rangen aan dezelfde tafel, die echter allen niet dezelfde spijzen nuttigden, leefden de Opperhoofden een gebruik na, dat eertijds algemeen in Schotland in zwang was. „Ik zelf,” zegt een reiziger, Fynes Morrison, die op het einde der regeering van koningin Elizabeth leefde, waar hij van de Laaglanden gewaagt, toen hij er zich in die dagen bevond, „ik zelf werd bij een ridder genoodigd, die een aantal knechts had om hem te bedienen. Zij brachten het eten binnen, met hun blauwe mutsen op het hoofd. De tafel was voor meer dan de helft met groote schotels soep bedekt, waarin ook een klein stuk gekookt vleesch aanwezig was. Toen alles opgezet was, namen de knechts naast ons plaats; maar aan het boveneinde van de tafel had men een kip met eenige pruimen in de soep.” (Reizen. bl. 155).
Tot op het midden der vorige eeuw gebruikten de pachters, zelfs die van de hoogste klasse, het maal met hun daglooners. De meesters en hun ondergeschikten waren van elkander gescheiden door het zoutvat, of dikwijls ook door een met krijt getrokken lijn over de tafel. Lord Lovat, die de kunst verstond om de ijdelheid zijner onderhoorigen te vleien en hun eetlust te beteugelen, stond iederen onbeschaamden Fraser die aanspraak op den titel van Duinhé-wassel maken kon, de eer toe van aan zijn disch aan te zitten; maar tegelijker tijd zorgde hij wel dat zijn jeugdige bloedverwanten niet al te veel verzot werden op uitheemsche lekkernijen. Milord had altijd eenige geldige verontschuldigingen bij de hand, om tot op zekere grenzen het rondgaan van de Fransche wijnen en brandewijn te beperken, een gastronomische weelde, volgens hem, geschikt om den moed zijner neven te verzwakken.
Aanteekening Y, Deel I, bl. 114: Conan de Hofnar.
In de Iersche balladen op Fion (de Fingal van Mac-Pherson) treft men, even als in de oorspronkelijke poëzij van bijna alle volken, een cyclus van helden aan, waarvan ieder een bijzondere eigenschap bezit. Op deze hoedanigheden en op de avonturen van hen, die ze bezitten, zijn verscheidene spreekwoorden gegrond, die nog bij de Hooglanders in omloop zijn. Onder deze helden munt Conan uit, in zeker opzicht als een soort van Thersytes, maar een die tot vermetelheid dapper en stoutmoedig was. Hij had de gelofte afgelegd, van nooit een slag te zullen ontvangen zonder dien terug te geven. Toen hij, „even als andere helden der oudheid,” in de onderwereld was aangekomen, ontving hij van den daar regeerenden duivel een klap, dien hij terstond teruggaf, terwijl hij zich van de in den tekst aangehaalde woorden bediende: „slag om slag!”
Aanteekening Z, Deel I, bl. 117: Waterval.
De beschrijving van den waterval, waarvan in dit hoofdstuk gesproken wordt, is ontleend aan die van Ledard, bij de pachthoeve van dien naam, aan de noorderzijde van Lochard, en dicht bij het hoofd van het meer, ongeveer anderhalf uur ver van Aberfoyle. Het is een kleine waterval, maar overigens een der schoonste, die men zien kan. Te recht heeft de kritiek de verschijning van Flora met haar harp als te theatraal en te gemaakt voor haar edel en eenvoudig karakter gewraakt; maar men kan het een weinigje verschoonen om den wille van haar Fransche opvoeding; want in Frankrijk bedient men zich veel van alles wat effect kan maken.
Aanteekening AA, Deel I, bl. 130: Hooglandsche jacht.
Men heeft den schrijver dikwijls beschuldigd dat hij verdichting en werkelijkheid door elkaâr mengt. Hij acht het daarom noodzakelijk te verklaren dat de jacht, gelijk zij beschreven is, als aangelegd om den opstand van 1745 voor te bereiden, voor zoo ver hem bekend is, geheel uit de lucht is gegrepen. Maar wel bekend is het, dat er zulk een groote jacht werd gehouden in het bosch van Brae-Mar, onder bescherming van den graaf van Mar, als een voorbereidende maatregel tot den opstand van 1715, en meest al de Hooglandsche Opperhoofden, later in dien burger-oorlog gewikkeld, waren bij die gelegenheid tegenwoordig geweest.
Aanteekening BB, Deel II, bl. 200: Mac Farlane’s lantaarn.
De clan van Mac-Farlane, die den boschrijken westelijken oever van het meer Lomond bewoonde, maakte dikwijls strooptochten in de Laaglanden; en daar deze invallen doorgaans des nachts plaats grepen, heette men bij wijze van spreekwoord de maan, „Mac Farlane’s lantaarn.” Hun beroemde lied van Hoggil-Nam-Bo, de naam van den deun, die hen bijeen roept, beschrijft dergelijke practijken op deze wijze:
Wij zijn verplicht langs berg en holen Langs paden, in het hout verscholen, Den buit te voeren om en rond; En, is het helder aan de transen, Dan schenkt de maan ons trouw haar glansen Van d’avond tot den morgenstond. Geen wind, geen stof, geen koude of regen Houdt ons op onzen rooftocht tegen, Als zucht naar winst op weg ons zond.
Aanteekening CC, Deel II, bl. 201: Het kasteel van Doune.
Deze trotsche bouwval is mij dierbaar in de herinnering, omdat zij een reeks van denkbeelden mij voor den geest roept, die sedert geruimen tijd smartelijk zijn afgebroken. Doune is verrukkelijk aan de oevers van de Teith gelegen; het was een der sterkste kasteelen van Schotland. Murdoch, hertog van Albany, de stichter van dit schitterende gebouw, werd op de hoogte van Stirling onthoofd, vanwaar hij de torens van Doune, het gedenkteeken zijner vervallen grootheid, aanschouwen kon.
Gelijk in den tekst in 1745–46 legde de Prins te Doune garnizoen, hetwelk in die dagen zulk een ontredderd kasteel niet was als thans. Dit garnizoen stond onder het bevel van den heer Stewart van Balloch, als gouverneur voor prins Karel; nabij Callander bezat hij verscheidene eigendommen. In die dagen ontsnapte John Home, de schrijver van Douglas, op romantische wijze uit dat kasteel, gezamenlijk met eenige andere gevangenen, die door de opstandelingen in den slag van Falkirk waren opgesloten. De dichter, die zelf veel van die geestdrift bezat, door hem aan den held van zijn treurspel toegeschreven, had het plan voor de ontvluchting ontworpen, en blies den moed zijner makkers aan. Daar men iedere poging om met geweld te ontkomen voor onmogelijk hield, vervaardigden zij een soort van touw van hun beddelakens, en lieten zich tot onder aan den toren naar beneden glijden. Aan vier hunner, waaronder Home zelf, gelukte het zich dus te bevrijden. Maar het touw brak door de zwaarte van den vijfden, die tamelijk groot en zwaar was. De zesde, Thomas Barrow, een moedige jeugdige Engelschman, een bijzondere vriend van Home greep, toen hij besloten was het waagstuk te ondernemen, zelf onder zulke ongunstige omstandigheden, het gebroken koord, en liet zich naar beneden vallen, toen het hem niet verder van dienst kon zijn. Het gelukte zijn vrienden die reeds veilig beneden waren, zijn val te breken. Dit belette echter niet dat hij zijn enkel verstuikte, en verscheidene ribben brak. Zijn makkers waren echter gelukkig genoeg hem in veiligheid te brengen.
Den volgenden morgen zochten de Hooglanders ijverig naar hun gevangenen. Een bejaard man verhaalde den schrijver, dat hij den gouverneur Stewart door het veld had zien jagen om de vluchtelingen achterna te zetten.
Aanteekening DD, Deel II, bl. 205:
Uit te gaan of uit te zijn gegaan was in Schotland een aangenomen uitdrukking, gelijk aan de Iersche, waarmede iemand werd aangeduid die „op” was geweest, beide slaande op iemand, die aan een opstand had deelgenomen. Voor omstreeks veertig jaren werd het in Schotland voor onwelvoegelijk gehouden de uitdrukking opstand of opstandeling te bezigen, hetwelk door iemand onder de aanwezigen als een persoonlijke beleediging kon worden aangemerkt. Ook werd het beleefder geacht, zelfs door hevige Whigs, om Karel Eduard te bestempelen met den naam van „Ridder,” dan hem den naam te geven van Pretendent; en deze soort van hoffelijke overeenkomst werd altijd in gezelschap in acht genomen, waar lieden wan beide partijen op vriendschappelijken voet met elkander verkeerden.
Aanteekening EE, Deel II, bl. 240: De Engelsche Jacobieten.
De Jacobietische gevoelens werden algemeen in de westersche graafschappen en in Wales aangekleefd. Maar ofschoon de groote familiën der Wynnes, der Wyndhams en anderen, onder werkelijke verplichting waren zich bij Prins Karel te voegen, wanneer hij geland zou zijn, zoo was dit echter onder uitdrukkelijke bepaling geschied, dat hij door een hulpleger uit Frankrijk zou ondersteund worden. Daar zij zijn zaak wel waren toegedaan, en slechts op een gelegenheid wachtten, om zich bij hem te voegen, achtten zij zich evenwel, volgens eed en plicht, niet gehouden, deze overeenkomst na te leven, daar hij slechts ondersteund werd door een troep woeste Hooglanders, die een onbeschaafde taal spraken, en een vreemde kleeding droegen. Zij, die hooger op bij Derby woonden, dienden hem eer uit vrees dan uit liefde. Maar het valt moeielijk te zeggen wat de gevolgen zouden geweest zijn, indien de slagen van Preston en Falkirk gedurende den inval in Engeland gewonnen waren.
Aanteekening FF, Deel II, bl. 213: Het leger van den Ridder.
Spoedig ontstond er verdeeldheid in het kleine leger van den Ridder, niet slechts onder de onafhankelijke hoofden, die veel te trotsch waren om zich ondergeschikt aan elkander te gedragen, maar tusschen de Schotten en Karels gouverneur O’Sullivan, een Ier van geboorte, die, daar hij met enkele zijner landgenooten opgeleid was in de Iersche brigade, in dienst van den koning van Frankrijk, een invloed op den Avonturier bezat, welke vooral door de Hooglanders met leede oogen werd aangezien, die van meening waren, dat hun eigene clans de grootste kracht, of liever de eenige kracht van zijn onderneming uitmaakten. Ook bestond er een veete tusschen lord George Murray en James Murray van Broughton, den geheimschrijver van den Prins, wier oneenigheid de zaken van den Avonturier in groote verwarring bracht. In éen woord, door duizenderlei kleine grieven werd hun klein leger verdeeld, en deze werkten niet weinig mede om het eindelijk geheel te doen verloopen.
Aanteekening GG, Deel II, bl. 233: Veldstuk van het Hooglandsche leger.
Dit feit, hetwelk even als de daaraan voorafgaande beschrijving geheel historisch is, zal den lezer den oorlog in de Vendée voor den geest roepen, waarin de koningsgezinden, die hoofdzakelijk uit opgestane landlieden bestonden, een bijgeloovige gehechtheid aan den dag legden voor het bezit van een veldstuk, dat den naam van Marie Jeanne droeg. De Hooglanders van vroegere dagen waren bang voor het kanon, daar ze volstrekt niet met het gebulder en de uitwerking er van gemeenzaam waren. Door middel van een drie- of viertal kleine veldstukken behaalden de graven van Huntley en Errol, onder de regeering van Jacobus VI, een groote overwinning op een talrijk leger van Hooglanders, dat door den graaf van Argyle werd aangevoerd. In den slag bij de Brug van Dee, was de generaal Middleton aan zijn artillerie eveneens den goeden uitslag verschuldigd, daar de Hooglanders niet bestand waren tegen het losbranden van de „moeder van het geweer” zoo als ze het kanon heetten. In een oude ballade op den slag van de Brug van Dee treft men de volgende coupletten aan:
Het Hooglandsch volk is moedig volk, Als ’t schild hanteert en zwaard, Maar waar ’t geregeld strijden geldt, Bouw dan niet op hun aard,
Het Hooglandsch volk is moedig volk, Met dolk en schild en zwaard, Maar toch is dat zoo moedig volk Voor ’t kleinst kanon vervaard.
Want zomer’s nachts rolt dat kanon Als donder door de lucht; Geen man uit heel het Hoogland, die Voor ’t kleinst kanon niet vlucht.
Maar de Hooglanders van 1745 waren lang zoo eenvoudig niet als hunne voorvaderen; ze bewezen gedurende den ganschen oorlog, dat ze voor de artillerie alles behalve beducht waren, ofschoon de meest onwetenden onder hen nog eenig gewicht hechtten aan het bezit van het stuk, dat aanleiding tot deze aanteekening heeft gegeven.
Aanteekening HH, Deel II, bl. 242: Anderson van Whitburgh.
De getrouwe vriend, die den bergpas aanduidde, waarlangs de Hooglanders zich van Tranent naar Seaton begaven, was Robert Anderson van Withburgh, een rijke edelman van Oost-Lothian. Lord George Murray had hem over de mogelijkheid ondervraagd om een onbebouwd en moerasachtig terrein over te trekken, hetwelk de beide legers gescheiden hield, en dat voor geheel onbegaanbaar gehouden werd. Onder het naar huis keeren herinnerde hij zich, dat er aan den oostelijken kant een zijpad was, hetwelk door het moeras op de vlakte uitliep, en waardoor de Hooglanders in staat zouden zijn Sir John Cope’s stelling in de flank te vallen, zonder aan het vuur van den vijand te worden blootgesteld. Na er met den heer Hepburn van Keith over gesproken te hebben, die terstond al het gewicht er van inzag, werd hij door den laatste aangespoord om lord George Murray uit den slaap op te roepen en hem zijn denkbeelden mede te deelen. Lord George nam dezen raad met de levendigste dankbaarheid aan, en ging terstond prins Karel wekken, die met een bos erwtenstroo tot hoofdkussen, op den grond lag te slapen. De Avonturier ontving met de grootste blijdschap het bericht, dat er mogelijkheid bestond om een volmaakt goed uitgerust leger te dwingen den strijd met zijn ongeregelde troepen te aanvaarden. Zijn bij deze gelegenheid aan den dag gelegde vreugde strookte volstrekt niet met het verwijt van lafhartigheid, hem door Johnstone, een zijner misnoegde aanhangers gedaan, wiens gedenkschriften evenveel van een roman als van een geschiedenis hebben.
Volgens het verhaal van den Ridder zelven, bevond de Prins zich gedurende den slag aan het hoofd van het tweede gelid der Hooglanders, en de slag, zoo als hij zeide, „werd zoo spoedig gewonnen, dat wij in het tweede gelid, waar ik mij nog aan de zijde van den Prins bevond, geen andere vijanden zagen dan die, welke op den grond gesneuveld of gewond lagen uitgestrekt, ofschoon wij slechts een vijftig pas achter ons eerste gelid waren en steeds zoo snel mogelijk voorttrokken om ons er bij te voegen.”
Deze passage uit de gedenkschriften van den Ridder toont aan, dat de Prins op vijftig pas van de strijdenden was, een plaats, die hij zeker niet zou gekozen hebben, indien hij het voornemen niet gehad had zich bloot te stellen aan de gevaren van den slag. Slechts wanneer de generaals aan het verlangen van den jeugdigen Avonturier hadden toegegeven om in persoon de voorhoede aan te voeren, zou hij zich iets dichter bij den strijd hebben kunnen bevinden.
Aanteekening II, Deel II, bl. 245: Dood van Kolonel Gardiner.
De dood van dezen vromen Christen en dapperen krijgsman wordt op de volgende wijze door zijn geschiedschrijver, Dr. Doddridge, volgens de verklaring van ooggetuigen medegedeeld:
„Hij bleef den geheelen nacht onder de wapens, in zijn mantel gewikkeld en meestal onder een garstschelf, die zich toevallig op het slagveld bevond. Omstreeks drie ure des morgens liet hij zijn bedienden, ten getale van vier, bij zich komen. Drie hunner zond hij weg na een allerhartelijkste en Christelijke vermaning en met de ernstigste raadgevingen betrekkelijk de beoefening hunner plichten en de zorg voor hun wapens. Hij gaf duidelijk te kennen, dat, gelijk hij duchtte, dit naar alle waarschijnlijkheid zijn laatste vaarwel zou wezen. Er bestaan gegronde redenen om te gelooven, dat hij de weinige oogenblikken, op zijn hoogst een uur, die hem nog ten dienste stonden, bezigde tot het volbrengen zijner godsdienst-plichten, waaraan hij sedert geruimen tijd gewoon was, en waartoe destijds zoo vele omstandigheden samenliepen om hem te bewegen. Bij het aanbreken van den dag werd het leger verrast door het gerucht van het naderen der opstandelingen, en de aanval nam vóor zonsopgang een aanvang; echter was het licht genoeg om te onderscheiden wat er voorviel. Zoodra de vijand onder het bereik van het geweer was, had er een geweldig vuur plaats, en men zegt, dat de dragonders, die den linkervleugel uitmaakten, terstond op de vlucht sloegen. Op het oogenblik van den aanval, die slechts eenige minuten duurde, ontving de Kolonel een kogel in de rechterzijde, die hem ter aarde deed storten, waarop zijn bediende hem wilde overhalen zich te verwijderen, maar hij antwoordde, dat hij slechts licht gewond was, en hij ging voort met aan het gevecht deel te nemen; kort daarop kreeg hij een kogel in de rechter dij. Gedurende dien tijd zag men hem een aantal vijanden neêrsabelen, en daaronder een man, die hem eenige dagen vroeger een bezoek had gebracht, en hem verzekerd had, dat hij de grootste gehechtheid voor het bestaande Bewind koesterde.
„Gebeurtenissen van dezen aard hebben in minder tijd plaats dan er noodig is om ze te verhalen of ze te lezen. De Kolonel werd eenige oogenblikken door de zijnen ondersteund, en hoofdzakelijk door den waardigen luitenant-kolonel Whitney, die bij deze gelegenheid door een kogel in den arm werd getroffen, en eenige maanden later op het slagveld van Falkirk het leven liet, alsmede door den luitenant West, een man, wiens dapperheid boven allen lof verheven is, en door een dozijn dragonders, die tot aan zijn einde bij hem bleven. Maar, na een slecht onderhouden vuur, werd het geheele regiment door een geweldigen schrik overmeesterd, en in weerwil van de door den Kolonel en eenige andere dappere officieren aangewende pogingen om het weder te verzamelen, vluchtte het eindelijk in de grootste verwarring van het slagveld.
„Juist op het oogenblik, dat kolonel Gardiner nadacht over hetgeen door zijn plicht in zulke omstandigheden gevorderd werd, greep er een voorval plaats, dat, naar mij voorkomt, hem in het oog van ieder braaf en edelmoedig mensch, moet verontschuldigen zijn leven, na de vlucht van zijn regiment, aan zulk groot gevaar te hebben blootgesteld. Hij ontwaarde een troep infanteriesoldaten, die moedig, zonder aanvoerder, aan zijn zijde streden, en die het hem opgedragen was te ondersteunen; waarop hij met geestdrift riep, zoo als mij verhaald is door dengene, die het zelf had gehoord: „Deze dappere lieden zullen zich bij gebrek aan een aanvoeder in de pan laten hakken!” en terwijl hij dit of iets dergelijks zeide, reed hij spoorslags op hen toe met den uitroep: „Vuurt maar toe, brave jongens! vuurt maar toe, en vreest niets!” Maar juist op het oogenblik, dat hij deze woorden uitte, schoot er een Hooglander met een aan een langen stok gehechte zeis op hem af, en bracht hem zulk een geweldigen slag op den rechter arm toe, dat zijn degen hem uit de hand vloog; en op hetzelfde oogenblik, waarop anderen toegeschoten waren bij den aanval van dit vreeselijke wapen, werd hij van zijn paard geworpen. Terwijl hij ter aarde stortte, gaf een andere Hooglander, indien men zich op een getuige te Carlisle verlaten mag (en ik zou niet weten waarom men hem geen geloof zou verleenen, ofschoon de ongelukkige het in zijn stervensuur ontkend heeft), zekere Mac-Naught, die ongeveer een jaar later ter dood werd gebracht, hem op het achterhoofd een houw met een sabel, of strijdbijl (de man, die het mij verhaalde, had dit niet kunnen onderscheiden), die zijn dood veroorzaakte. Alles wat zijn getrouwe bediende verder zag, was, dat, daar zijn hoed was afgevallen, hij dien met zijn linkerhand opnam, en dien zwaaide om daardoor te kennen te geven, dat hij zich moest verwijderen, en hij voegde er bij, dat de laatste woorden, welke hij hem had hooren uiten, deze waren: „Zorg voor u zelven!” waarop hij zich dan ook verwijderd had.”
Eenige merkwaardige trekken uit het leven van den kolonel James Gardiner, door P. Doddridge. DD. Londen 1747, blz. 187.
Bij gelegenheid van dit uittreksel moet ik opmerken, dat het in den tekst gegeven verslag van den weêrstand door een gedeelte der Engelsche armee geboden, volkomen bevestigd wordt. Daar ze door een geheel nieuwen en onverwachten aanval verrast waren, kon de tegenstand noch lang, noch geducht wezen, vooral niet nadat ze door de cavalerie en door hen, die het geschut moesten bedienen, verlaten waren: maar toch heb ik, ofschoon de slag spoedig beslist was, altijd begrepen, dat het grootste gedeelte der infanterie zich geneigd toonde haar plicht te doen.
Aanteekening KK, Deel II, bl. 246: De heer van Balmawhapple.
Het behoeft nauwelijks gezegd te worden, dat het karakter van dezen jongen onbeschoften landjonker geheel en al van mijn vinding is. Toch is een edelman, die veel gelijkenis met Balmawhapple had, maar alleen wat zijn moed betreft, op de beschreven wijze te Preston gesneuveld. Een edelman uit het graafschap Perth, even eerbiedwaardig als met eergevoel bezield, die een deel uitmaakte van den kleinen hoop ruiterij, die zich aan Karel Eduard verbonden had, vervolgde bijna alleen de vluchtende dragonders tot bij Sint Clements-Wells. Daar gelukte het aan de pogingen van enkele officieren een klein aantal vluchtelingen voor een oogenblik tot staan te brengen. Toen deze bemerkten, dat ze slechts door een enkelen officier en een paar bedienden achtervolgd werden, wierpen zij zich op hem en doorstaken hem met hun sabels. Ik herinner mij, toen ik nog kind was, mij op zijn graf te hebben nedergezet, waarop het gras langen tijd welig en dik was opgeschoten, waardoor deze plek van het overige terrein werd onderscheiden. Een vrouw, die tot de familie behoorde, welke destijds bij Sint Clements-Wells haar verblijf hield, heeft mij deze geschiedenis, waarvan ze ooggetuige was, herhaalde malen verteld, en ten bewijze daarvan toonde ze mij een der zilveren vesthaken van den ongelukkigen edelman.
Aanteekening LL, Deel II, bl. 256: Andrea de Ferrara.