Part 23
„In een gewoon geval, zou ik hem gelooven,” vervolgde de magistraatspersoon, „want ze zijn even dom en pedant wat den vorm betreft, als ze verderfelijk van inhoud zijn. Maar kunt ge u verbeelden, dat iets anders, dan ingenomenheid met de beginselen, die ze verkondigen, een Jonkman van zijn jaren zou kunnen bewegen zulke prullen met zich rond te slepen? Vervolgens, nu er tijding komt dat de oproerlingen in aantocht zijn, begeeft hij zich op reis, in een soort van vermomming, terwijl hij weigert zijn naam te zeggen; en, indien die oude dweeper de waarheid spreekt, vergezeld door een allezins verdachten knaap, en gezeten op een paard, dat bekend staat als het eigendom te zijn geweest van Glennaquoich, terwijl hij daarenboven brieven bij zich heeft van zijne familie, die verregaande verbittering tegen het Huis van Brunswijk aan den dag leggen, en een afschrift van verzen tot lof van zekeren Wogan, die den dienst van het Parlement verzaakte, om zich bij de Hooglandsche opstandelingen te voegen, toen zij de wapens voerden tot herstel van het Huis van Stuart, met een korps Engelsche ruiterij – de volkomen tegenhanger van zijn eigen complot – en opgeroepen met een: Ga en doe gij desgelijks! door dien getrouwen onderdaan en onschadelijken, vreedzamen man Fergus Mac-Ivor van Glennaquoich, Vich Ian Vohr, en zoo voorts. En eindelijk,” ging majoor Melville voort, die hoe langer zoo warmer werd, naarmate hij zijn bewijzen uiteenzette, „waar vinden wij nu dit tweede exemplaar van den kavalier Wogan? Wel, juist op den geschiktsten weg om zijn voornemen te volvoeren, en den eersten den besten van ’s Konings onderdanen neêrschietende, die het waagt hem naar zijn bedoelingen te vragen.”
De heer Morton, zoo als een voorzichtig man betaamt, onthield zich ooit zelfs de minste tegenbewijzen aan te voeren, daar hij begreep dat ze den ambtenaar van het gerecht slechts zouden verharden in zijn gevoelen, en vroeg eenvoudig, „wat hij met zijn gevangene dacht te doen?”
„Dit is een tamelijk moeielijke vraag als ik den toestand van het land in aanmerking neem.”
„Zoudt gij hem, (daar hij zulk een fatsoenlijk jonkman is,) niet hier in uw huis buiten alle gevaar kunnen houden, tot deze storm overwaait?”
„Mijn beste vriend, uw huis, noch het mijne, zal lang buiten gevaar zijn, al ware het ook wettig hem hier op te sluiten. Ik heb zoo even vernomen, dat de Opperbevelhebber, die de Hooglanden binnengerukt is om de opstandelingen op te zoeken en te verstrooien, hen bij Corryerick geen slag heeft durven leveren, en, met al de beschikbare macht van het Bewind, noordwaarts optrekt naar Inverness, John o’Groath’s House, of de drommel weet waarheen, waardoor de weg naar het Laagland open en onbeschermd tegen het Hooglandsche leger gebleven is.”
„Goede Hemel! Is de man een lafaard, een verrader of een stommerik?”
„Geen van drieën, geloof ik. Hij heeft den moed van een gewoon soldaat, is eerlijk genoeg, doet wat hem bevolen wordt, maar is evenmin in staat om op zijn eigen verantwoording te handelen, in omstandigheden van belang, als ik, mijn lieve dominé, om uw kansel te beklimmen.”
Deze belangrijke tijding leidde het gesprek natuurlijk, voor eenigen tijd, van Waverley af; eindelijk evenwel werd het onderwerp weder opgevat.
„Ik geloof,” zeide majoor Melville, „dat ik dezen jongen man moet medegeven aan een der afzonderlijke partijen vrijwilligers, die onlangs uitgezonden zijn om de kwalijk gezinde districten in bedwang te houden. Ze worden nu naar Stirling teruggeroepen, en een klein korps komt morgen of overmorgen hier langs, onder bevel van den Westlander – hoe heet hij? – gij hebt hem gezien, en van hem gezegd, dat hij de echte type was van een van Cromwell’s militaire heiligen.”
„Gilfillan, de Cameronier. Ik hoop dat de jongen veilig in diens handen zal zijn. In drift en in het vuur der hartstochten gebeuren er vreemde dingen, in zulk een tijd als deze; en ik vrees dat Gilfillan tot een aanhang behoort, die vervolging geleden heeft, zonder daaruit lessen van barmhartigheid te putten.”
„Hij zal slechts belast worden den heer Waverley naar het kasteel van Stirling over te brengen; ik zal strenge bevelen geven om hem goed te behandelen. Ik kan inderdaad geen beter middel bedenken, om hem in veiligheid te brengen, en ik verbeeld mij, dat gij mij toch den raad niet zoudt geven, om de verantwoordelijkheid op mij te nemen van hem op vrije voeten te stellen?”
„Maar gij hebt er niet tegen, dat ik hem morgen eens alleen bezoek?”
„Neen, stellig niet; uwe denkwijze en karakter staan mij borg. Maar met welk doel doet gij dat verzoek?”
„Eenvoudig, om de proef te nemen, of hij er niet toe te brengen is, om mij eenige omstandigheden mede te deelen, welke hierna kunnen dienen, om zijne schuld te verlichten, zoo al niet uit te wisschen.”
Thans scheidden de vrienden en begaven zich ter ruste, beide met ernstige onrust over den toestand des lands vervuld.
DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN VERTROUWDE.
Waverley sleet een onrustigen nacht, terwijl hij door duizenderlei verwarde droomen gekweld werd. Nauwelijks was hij des morgens ontwaakt, of hij kwam tot volkomene bewustheid van het gevaar van zijn toestand. Hoe alles eindigen zou, wist hij niet. Misschien zou hij aan een militaire rechtbank overgeleverd worden, waarvan, te midden van den burgeroorlog, niet verwacht kon worden, dat zij zeer nauwgezet zou zijn in de keuze harer slachtoffers, of in het onderzoek der feiten. Ook gevoelde hij zich weinig meer op zijn gemak bij de gedachte, dat hij terechtgesteld kon worden voor een Schotsch hof van justitie, waar hij wist dat de wetten en vormen in een aantal opzichten van die van Engeland verschilden, en waar hem geleerd was te gelooven, hoezeer ook ten onrechte, dat de vrijheden en rechten der onderdanen minder zorgvuldig werden beschermd. Een gevoel van bitterheid verhief zich in zijn hart tegen het Bewind, dat hij als de oorzaak beschouwde van het gevaar, waarin hij gewikkeld was; en inwendig vervloekte hij de nauwgezetheid, die hem belet had Mac-Ivors uitnoodiging te volgen om hem in het veld te vergezellen.
„Waarom,” dacht hij in zich zelven, „gebruikte ik niet, als andere mannen van eer, de eerste gelegenheid, om den afstammeling van Engelands oude koningen en den erfgenaam van hun troon welkom te heeten? Waarom,
Waarom roeide ik terstond niet de oproerplant Met wortel uit, en riep verzaakte trouw Terug, en zocht Prins Karel op, en wierp Mij hem te voet?”
„Al wat de geschiedenis ons leert van den roem en de verdiensten van het huis van Waverley, is gegrond op hunne onwrikbare trouw aan het Huis van Stuart. Uit de wijze, waarop deze Schotsche magistraat de brieven van mijn oom en vader heeft uitgelegd, blijkt duidelijk, dat ik ze had moeten opnemen als eene uitnoodiging om den weg mijner voorvaderen te betreden; en het is mijn dwaze onnoozelheid geweest, gevoegd bij de dubbelzinnige uitdrukkingen, die ze veiligheidshalve bezigden, welke mijn oogen hiervoor gesloten heeft. Had ik de eerste goede ingeving mijner verontwaardiging gevolgd, toen ik vernam, dat men mijn eer wilde aantasten, hoe anders zou mijn toestand zijn! Ik zou dan vrijwillig in de gelederen zijn, strijdende, gelijk mijn voorouders, voor liefde, recht en roem. En nu ben ik hier, gevangen en verstrikt, ter beschikking van een achterdochtig, strak en koud mensch, om welligt overgebracht te worden naar een eenzame, sombere gevangenis, of aan de schande eener openbare terechtstelling te worden overgegeven. O Fergus, hoe waar blijkt thans uwe voorspelling, en hoe spoedig, hoe allerspoedigst is ze vervuld!”
Terwijl Eduard met deze smartelijke overdenkingen vervuld, zeer natuurlijk, ofschoon juist niet zeer rechtvaardig, den blaam op het regeerende huis wierp, die slechts aan het toeval, of, ten minste gedeeltelijk, aan zijn eigen onnadenkend gedrag was toe te schrijven, maakte de heer Morton gebruik van majoor Melville’s verlof, om hem een morgenbezoek te brengen.
Waverley’s eerste gevoel en gedachte was, te kennen te geven, dat hij verlangde met geene vragen of eenig gesprek lastig te worden gevallen; maar hij veranderde van gedachten, zoodra hij het goedhartig en eerwaardig voorkomen van den geestelijke opmerkte, die hem reeds voor het dreigende geweld der dorpelingen beschermd had.
„Ik geloof, mijnheer,” zei de ongelukkige jongeling, „dat ik, in iedere andere omstandigheid, u zoo veel dankbaarheid verschuldigd zou zijn, als mijn leven waard is; maar mijn geest is zoo geheel verward, ik ben zoo vervuld met hetgeen ik waarschijnlijk te wachten heb, dat ik u voor uwe tusschenkomst ter nauwernood dank kan zeggen.”
De heer Morton antwoordde, „dat, wel verre van eenige aanspraak te komen maken op zijn erkentelijkheid, het zijn eenige wensch, en het eenige doel van zijn bezoek was, om middelen te beramen om hem van dienst te zijn. Mijn uitmuntende vriend, majoor Melville,” ging hij voort, „gevoelt en handelt als krijgsman en openbaar ambtenaar, door welke banden ik niet gebonden ben; ook kan ik niet altijd instemmen met de begrippen die hij, misschien met al te weinig toegevendheid omtrent de zwakheden der menschelijke natuur, schijnt op te vatten.” Hij zweeg een oogenblik, en ging daarna voort: „Ik dring mij niet op als uw vertrouwde, mijnheer Waverley, met het oogmerk om de eene of andere omstandigheid te vernemen, waarvan de kennis voor u of anderen nadeelig zou kunnen wezen; maar ik betuig u dat het mijn vurigst verlangen is, met eenige omstandigheden bekend te worden, die tot uwe verontschuidiging zouden kunnen strekken. Ik kan u plechtig verzekeren, dat ze bij mij zullen zijn bewaard als bij een getrouw, en, zoover zijn vermogens reiken, ijverig behartiger uwer belangen.”
„Gij zijt, mijnheer, naar ik vermoed, een Presbyteriaansch geestelijke?” – De heer Morton boog. – „Indien ik mij door de vooroordeelen der opvoeding leiden liet, zou ik uwe vriendelijke betuigingen, in mijn geval, kunnen wantrouwen; maar ik heb opgemerkt, dat gelijke vooroordeelen in dit land gevoed worden tegen uwe ambtgenooten van de Episcopale belijdenis, en ik ben gereed om ze van weerskanten voor ongegrond te houden.”
„Schande over hem die anders denkt,” zei de heer Morton, „of die kerkbestuur en plechtigheden voor het onderpand van Christelijk geloof of zedelijke deugd houdt!”
„Maar,” ging Waverley voort, „ik begrijp niet, waarom ik u zou lastig vallen met het verhalen van bijzonderheden, waaruit ik, na ze zoo zorgvuldig mogelijk voor mijn geest teruggeroepen en overdacht te hebben, maar weinig weet op te helderen, van hetgeen men mij ten laste legt. Ik weet zeker, dat ik onschuldig ben, maar ik zie bezwaarlijk in, hoe ik hopen kan dàt te bewijzen.”
„Juist daarom, mijnheer Waverley, waag ik het uw vertrouwen te vragen. Ik heb een groot aantal kennissen onder de bewoners dezer landstreek, en als het noodig is, kan dat nog worden uitgebreid. Uw toestand zal, vrees ik, u beletten die noodzakelijke stappen, tot het verkrijgen van licht of het ontdekken van bedrog te doen, die ik gaarne voor u zou willen ondernemen; en zoo u mijn pogingen al niet mochten baten, kunnen ze u althans geen nadeel doen.”
Waverley was, na eenige minuten nadenkens, overtuigd, dat het stellen van vertrouwen in den heer Morton, voor zoo ver het hem zelf aanging, noch Bradwardine noch Fergus zou kunnen schaden, daar beide openlijk de wapenen tegen het Bewind hadden opgevat, en dat het, zoo de betuigingen van zijn nieuwen vriend zoo goed gemeend waren, als hij verzekerde, welligt eenigzins nuttig voor hem kon zijn. Hij doorliep daarom kortelijk de meeste gebeurtenissen, waarmede de lezer reeds bekend is, terwijl hij van zijn liefde tot Flora, en inderdaad van haar, noch van Rosa Bradwardine in der loop van zijn verhaal zelfs niet in de verte gewaagde.
De heer Morton scheen bijzonder getroffen door het verslag van Waverley’s bezoek bij Donald Bean Lean. „lk verheug mij,” zeide hij, „dat gij deze omstandigheid niet aan den Majoor hebt medegedeeld. Zij is juist geschikt om in een zeer verkeerd licht geplaatst te worden door dezulken, die geen acht slaan op den invloed welke de nieuwsgierigheid en een opgewonden verbeelding op het gedrag der jeugd uitoefenen. Toen ik iemand van uw leeftijd was, mijnheer Waverley, zou een dergelijke halsbrekende tocht (ik vraag u verschooning voor het woord) onuitsprekelijke bekoorlijkheden voor mij gehad hebben. Maar er zijn menschen in de wereld, die niet gelooven willen, dat men zich dikwijls aan gevaar en vermoeienis blootstelt, zonder eenige bepaalde reden, en die bijgevolg aan daden van anderen beweegredenen toeschrijven, welke geheel en al van de waarheid afwijken. Deze Bean Lean is door het geheele land als een soort van Robin Hood bekend; zijn behendigheid en stoutheid maken het onderwerp der vertellingen uit, die men elkander des winters in het hoekje van den haard doet. Men kan niet ontkennen dat hij talenten bezit, verre boven den onbeschaafden stand waarin hij zich beweegt; en daar hij niet zonder eerzucht en niet zeer nauwgezet in zijn handelingen is, zal hij zich, tijdens deze ongelukkige bewegingen, door alle mogelijke middelen trachten te onderscheiden.” – De heer Morton teekende thans zorgvuldig op de verschillende bijzonderheden van Waverley’s zamenkomst met Donald Bean, en de overige omstandigheden, die hij hem medegedeeld had.
De belangstelling, die deze brave man aan den dag scheen te leggen in zijn ongeluk, en vooral het volle vertrouwen, dat hij in zijn onschuld scheen te stellen, brachten er natuurlijk niet weinig toe bij om Eduards stemming te verzachten, daar de koelheid van den heer Melville hem op het denkbeeld gebracht had, dat de geheele wereld tegen hem samenspande, om hem te verpletteren. Hij drukte den heer Morton met warmte de hand, en, hem verzekerende, dat zijn vriendelijkheid en deelneming zijn hart van een zwaren last bevrijd hadden, zeide hij dat, wat ook zijn eigen lot wezen mocht, hij tot een familie behoorde, die zoowel dankbaarheid bezat als de macht om er de bewijzen van te leveren. De ernst zijner dankbaarheid lokte tranen in de oogen des waardigen geestelijken, die dubbel belang stelde in de zaak, waarvoor hij vrijwillig zijn diensten had aangeboden, nu hij het echte, ongeveinsde gevoel van zijn jongen vriend had opgemerkt.
Eduard vroeg thans, of de heer Morton wist waarheen men hem waarschijnlijk zou overbrengen.
„Naar het kasteel van Stirling,” antwoordde zijn vriend; „en dit doet mij om uwentwil genoegen, want de Gouverneur is zacht van aard en een man van eer. Maar, ik ben niet zoo gerust over uwe behandeling onder weg; majoor Melville is, zijns ondanks, verplicht de bewaking van uw persoon aan iemand anders toe te vertrouwen.”
„Dat verheugt mij. Ik haat dien koelbloedigen, berekenende Schotschen magistraat. Ik hoop dat we elkander nooit weêr zullen ontmoeten: hij gevoelt noch deelneming in mijn onschuld noch in mijn ongeluk; en de versteenende nauwkeurigheid, waarmede hij iederen vorm der beleefdheid in acht neemt, terwijl hij mij met zijn vragen, zijn vermoedens en zijn gevolgtrekkingen martelt, was niet minder hatelijk dan de pijnbank der inkwisitie. Verdedig hem niet, waarde heer, want dat kan ik met geen geduld aanhooren; zeg mij liever, wie belast zal worden met zulk een belangrijken staatsgevangene, als ik ben?”
„Ik geloof, dat het zekere Gilfillan wezen zal, een van de secte, waaraan men den naam van Cameroniers geeft.”
„Ik heb er nooit van gehoord.”
„Zij geven voor die nauwgezetter en strenger Presbyterianen te vertegenwoordigen, welke, in de dagen van Karel II en Jacobus II, weigerden gebruik te maken van de Tolerantie of Indulgentie, gelijk die genoemd werd, welke aan anderen van dien godsdienst werd verleend. Zij hielden vergaderingen in het open veld, en daar ze door het Schotsche Bewind met veel hardheid en wreedheid behandeld werden, vatten ze meer dan eens onder de regeering dezer beide Koningen, de wapens op. Ze ontleenen hun naam van hun aanvoerder, Richard Cameron.”
„Ik herinner het mij. – Maar deed de zegepraal van het Presbyterianisme, bij de omwenteling, deze secte niet te niet gaan?”
„In geenen deele; die groote gebeurtenis bleef verre beneden hetgeen ze zich voorstelden; want ze wilden niets minder dan de Kerk volgens de gronden van het oude Plechtige Verbond en Covenant inrichten. Inderdaad, ik geloof dat ze niet recht wisten wat ze wilden; maar daar ze in die dagen vrij talrijk, en niet onbekend waren met de behandeling der wapens, zoo hielden ze zich bij elkander, als een afzonderlijke partij in den staat, en hadden, ten tijde der vereeniging van Engeland met Schotland bijna een zeer onnatuurlijk verbond aangegaan met hunne oude vijanden, de Jacobieten, om dien belangrijken nationalen maatregel tegen te werken. Sedert dien tijd is hun aantal trapsgewijze afgenomen; maar men treft nog een menigte van hen in de westelijke landschappen aan, en verscheidenen, thans beter gezind dan in 1707, hebben de wapens opgevat ten voordeele van het Bewind. Deze Gilfillan, dien ze „de Bezielde” noemen, is lang een hunner aanvoerders geweest, en staat thans aan het hoofd eener kleine afdeeling, welke heden of morgen hier doortrekt, op weg naar het kasteel van Stirling, en majoor Melville is voornemens u onder die bewaking te laten reizen. Ik zou u wel gaarne aan Gilfillan willen aanbevelen; maar daar hij al de vooroordeelen van zijn secte met de moedermelk heeft ingezogen, en hij zelf een geestdrijver is, zou hij weinig acht slaan op het verzoek van een Erastiaanschen Godgeleerde, gelijk hij mij beleefdelijk heeten zou. – En nu, vaarwel, jonge vriend; ik moet voor het oogenblik van de toegevendheid des Majoors niet te veel vergen, opdat hij mij het verlof niet weigere, om u in den loop van den dag nogmaals een bezoek te brengen.”
VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE ZAKEN WORDEN EEN WEINIGJE BETER.
Omstreeks den middag kwam de heer Morton terug, en bracht eene uitnoodiging van den heer Melville, die den heer Waverley verzocht hem de eer van zijn gezelschap aan het middagmaal te willen schenken – in weerwil van de onaangename zaak, die hem te Cairnvreckan ophield, en waarvan het hem innig genoegen doen zou den heer Waverley geheel ontslagen te zien. De waarheid was, dat door des heeren Mortons gunstig bericht en meening, de denkbeelden van den ouden krijgsman, aangaande Eduards veronderstelde deelneming aan de muiterij in het regiment, eenigszins aan het wankelen gebracht waren; en, bij den ongelukkigen toestand des lands, mocht het bloote vermoeden van niet ingenomen te zijn met het Bewind en de zucht om zich bij de opgestane Jacobieten te voegen, zoo al schuld, dan toch zeker geen schande op iemands hoofd laden. Bovendien had een persoon, die het vertrouwen van den Majoor bezat, hem een tijding gebracht: geheel strijdig met het verontrustende nieuws van den vorigen avond. Volgens dit tweede, hadden de Hooglanders zich van de Laaglandsche grenzen teruggetrokken, met oogmerk om het leger op zijn tocht naar Inverness te volgen. De Majoor was inderdaad verlegen, hoe deze tijding overeen te brengen met de welbekende bekwaamheden van sommige heeren in het Hooglandsche kamp, maar het was waarschijnlijk de handelwijze, die weêr aan anderen het aangenaamst wezen moest. Hij herinnerde zich, dat dezelfde staatkunde hen in het jaar 1715, in het noorden had opgehouden, en hij voorzag een gelijk einde aan den tegenwoordigen opstand, als bij die gelegenheid.
Dit nieuwe bracht hem in zulk een goeden luim, dat hij gereedelijk met des heeren Mortons voorstel instemde, om eenige beleefdheid te bewijzen aan zijn ongelukkigen huisgenoot, terwijl hij uit zichzelven de hoop uitdrukte dat deze geheele zaak het gevolg was van niets anders dan jeugdige opgewondenheid, die met een korte opsluiting gemakkelijk zou te boeten wezen.
Het gelukte den vriendelijken bemiddelaar niet zonder moeite zijn jongen vriend over te halen de uitnoodiging aan te nemen. Hij durfde hem de ware beweegreden zijner handelingen niet mededeelen, die in het goedhartig verlangen bestond, om zich een gunstig verslag van Waverley’s zaak, bij den gouverneur Blakeney, te verzekeren. Uit het hooggevoelige karakter van onzen held maakte hij op, dat zoo hij deze snaar aanroerde, het slechts op het mislukken van zijn voornemen zou uitloopen. Hij beweerde uit dien hoofde, dat de uitnoodiging van den Majoor bewees, dat er in Waverley’s gedrag niets was, hetwelk den krijgsman en man van eer aan verkeerde uitlegging kon blootstellen, en dat, indien Waverley de hoffelijkheid van den Majoor van de hand wees, dit ligt zou kunnen opgevat worden als eene bewustheid dat hij deze vriendelijkheid niet verdiende. In éen woord, hij overtuigde Eduard zoowel van het gepaste als van het vereerende dat er in gelegen was den Majoor op een vriendschappelijken voet te ontmoeten, zoodat Waverley zijn geweldigen tegenzin onderdrukte, om andermaal de koude en vormelijke beleefdheid van den ouden krijgsman te ondervinden en er in toestemde zich door zijn nieuwen vriend te laten leiden.
De ontmoeting was vrij stijf en deftig. Maar daar Eduard de uitnoodiging had aangenomen, en hij zich werkelijk kalmer en meer opgebeurd gevoelde door de vriendelijkheid van Morton, achtte hij het zijn plicht zich ongedwongen voor te doen, zonder evenwel eenige hartelijkheid te kunnen betoonen. De Majoor was min of meer een bonvivant, en zijn wijn was uitnemend. Hij verhaalde van zijn voormalige veldtochten, en legde vrij wat kennis van menschen en zaken aan den dag. De heer Morton bezat een schat van bedaarde en prettige opgeruimdheid, welke zelden miste ieder klein gezelschap te bezielen, waar hij zich op zijn gemak bevond. Waverley, wiens leven op een droom geleek, gaf spoedig toe aan den indruk van het oogenblik, en werd de vroolijkste van het gezelschap. Hij had altijd veel natuurlijken aanleg voor de conversatie, ofschoon hij door ontmoediging ligt tot zwijgen werd gebracht. Maar bij deze gelegenheid maakte hij er zijn werk van, om bij zijn dischgenooten een gunstigen indruk achter te laten, als van iemand, die, onder zulke onaangename omstandigheden, het ongeluk met ongedwongen opgeruimdheid wist te dragen. Zijn geest, schoon eerst een weinig neêrgedrukt, hernam zijn gewone vlucht, en ondersteunde zijn pogingen spoedig naar behooren. Het drietal bevond zich in zeer druk gesprek, blijkbaar met elkander ingenomen, en de vriendelijke gastheer drong er op aan, om nog een derde flesch Bourgonje te nemen, toen het roeren van een trom in de verte gehoord werd. De Majoor, die, te midden der vroolijkheid van een oud soldaat, de plichten van een overheidspersoon had vergeten, verwenschte, met een gesmoorden krijgsmansvloek, wat hem tot zijne ambtsbezigheden terugriep. Hij stond op en begaf zich naar het raam, dat onmiddellijk uitzicht had op den straatweg, en werd daarin door zijn gasten gevolgd.
De tamboer kwam naderbij, terwijl hij geen geregelden krijgsmansmarsch, maar een soort van roffel sloeg, gelijk aan dien, waarmede de brandwacht de slapende ambachtslieden van een Schotsch stadje wekt. Het is het doel dezer geschiedenis iedereen recht te doen; ik moet dus, om den wille der rechtvaardigheid, van den tamboer zeggen, dat hij er zich voor uitgaf alle bekende oorlogsmarschen te kunnen slaan, die bij het Britsche leger in gebruik waren, behalve nog eenige andere vreemde, en dat hij dus met die van de tamboers van Dumbarton begonnen was, toen hem het zwijgen opgelegd werd door den bezielden Gilfillan, den aanvoerder der afdeeling, die zijn lieden niet wilde vergunnen zich naar dit profaan, en zelfs, zoo als hij zeide, vervolgziek getrommel te bewegen, en den tamboer beval den 119den psalm te slaan. Daar dit de bekwaamheid van den schaapsvelklopper te boven ging, was hij genoodzaakt zijn toevlucht te nemen tot een onschuldigen roffel, als een onnoozelen plaatsvervanger voor de gewijde muziek, die zijn instrument of zijn kunst buiten staat waren voort te brengen. Dit moge een nietige bijzonderheid schijnen, maar de tamboer in kwestie was niemand anders dan de stadstrommelslager van het stadje Anderton. En ik herinner mij zijn opvolger nog, die lid was van dat verlicht lichaam, de Britsche Conventie! Eere dus zijn aandenken!
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
TWEEDE DEEL.
WAVERLEY, of ZESTIG JAREN GELEDEN.
EERSTE HOOFDSTUK.
EEN VRIJWILLIGER VAN VOOR ZESTIG JAAR.