Chapter 14 of 50 · 3808 words · ~19 min read

Part 14

Rondom dit verblijf, hetwelk op eene verhevenheid in een smal Hooglandsch dal stond, bemerkte men geen spoor van gemakzucht, veel minder van sieraad of opschik, waardoor zich gewoonlijk de omtrek van een heerenhuis kenmerkt. Een paar perken, door steenen muren omringd, waren het eenige gedeelte van het land, dat afgesloten was; voor het overige leverden de smalle strooken vlakke grond, welke langs de beek lagen, een schraal gewas op van gerst, dat gedurig aan verwoestingen bloot stond van de kudden wilde hitten en zwart hoornvee, dat op de naburige heuvels weidde. Deze deden onophoudelijke invallen op den bouwgrond, en werden teruggejaagd door het luid, wanluidend en akelig geschreeuw van een half dozijn Hooglandsche knapen, die allen, alsof ze razend waren, rondliepen, en een half uitgehongerden hond aanhitsten, om den oogst te beschermen. Op een kleinen afstand was een kwijnend berkenbosch; de heuvels in den omtrek waren hoog en met heideplanten begroeid, maar leverden slechts een eentoonig gezicht op; zoodat het geheel eer een wild en woest, dan een grootsch en eenzaam voorkomen had. Maar zoo als het was, zou evenwel geen ware afstammeling van Ian nan Chaistel dit eigendom tegen Stow of Blenheim verruild hebben [77].

Vóor de poort van het kasteel deed zich echter een tooneel op, waar misschien de eerste bezitter van Blenheim de voorkeur aan zou gegeven hebben, boven het schoonste van den ganschen eigendom, hem door de dankbaarheid van zijn land geschonken. Dit bestond uit ongeveer een honderdtal volkomen goed gekleede en gewapende Hooglanders; op wier gezicht het Opperhoofd zich min of meer kort, en, als het ware in het voorbijgaan, jegens Waverley verontschuldigde. „Hij had vergeten,” zeide hij, „dat hij eenige lieden van zijn clan had opgeroepen, met het doel om zich te overtuigen, dat ze in een behoorlijken toestand waren om het land te beschermen, en zoodanige voorvallen te voorkomen, als hij met leedwezen hoorde, dat den baron van Bradwardine waren overkomen. Alvorens hij hen weder uiteen liet gaan, zou kapitein Waverley misschien niet ongenegen zijn, iets van hunne exercitiën te zien.”

Eduard nam dit aanbod aan, en de manschappen voerden, met groote vlugheid en nauwkeurigheid, eenige gewone bewegingen uit. Vervolgens schoten ze, een voor een, naar de schijf, en toonden uitnemend ervaren te wezen in het behandelen van pistool en snaphaan. Staande, zittende, leunende of voorover liggende, al naar hun bevolen werd, en altijd: met blijkbaar goed gevolg, gaven ze vuur. Vervolgens verdeelden ze zich, om in het voeren van den sabel, hunne bedrevenheid aan den dag te leggen, en na ieder afzonderlijk hunne behendigheid bewezen te hebben, vormden ze twee partijen en leverden een soort van spiegelgevecht, waarin aanvallen, herstellen, vluchten, vervolgen en al de bij een gevecht vereischte manoeuvres, op den klank van den grooten doedelzak, werden uitgevoerd.

Op een door het Opperhoofd gegeven teeken werd de schermutseling gestaakt, waarop ze zich in kleine partijen verdeelden. Deze liepen, worstelden, sprongen met elkander, of wierpen met een ijzeren staaf, of oefenden zich in andere spelen; in welke deze leenheerlijke militie een ongeloofelijke vlugheid, kracht en handigheid aan den dag legde, en het door haar Bevelhebber beoogde doel bereikte, namelijk om Waverley geen geringen dunk in te boezemen van hunne verdiensten als krijgslieden, zoowel als van het vermogen van hem, door wiens wenk ze bestuurd werden [78].

„En hoe groot is wel het getal van zulke flinke borsten, die het geluk hebben u hun aanvoerder te noemen?” vroeg Waverley.

„Als het de verdediging van een goede zaak betreft, en ze onder een hoofd dat ze beminnen staan, is de stam van Ivor zelden te velde getrokken minder dan vijfhonderd zwaarden sterk. Maar gij weet, kapitein Waverley, dat de acte ter ontwapening, voor omstreeks twintig jaar, hen belet in zulk een volkomen staat van voorbereiding te zijn, als in vroeger dagen; en ik houd van mijn clan niet meer onder de wapenen, dan in staat zijn om mijn eigene bezittingen en die mijner vrienden te beschermen, wanneer het land door zulke lieden verontrust wordt als uw gastheer van gisteren avond; en daar het Bewind ons geen andere middelen van bescherming heeft gelaten, moet het wel toezien, dat wij ons zelven helpen.”

„Maar, met uwe macht zoudt gij zulke benden, als die van Donald Bean Lean, licht verjagen of vernietigen kunnen.”

„Ja, ongetwijfeld; maar mijn belooning zou bestaan in een bevel, om aan generaal Blakeney, te Stirling, de weinige sabels uit te leveren, die men ons gelaten heeft; hetgeen dunkt mij, toch niet zeer staatkundig wezen zou. – Maar, kom kapitein, het geluid der doedelzakken meldt ons, dat het middagmaal gereed is. – Laat mij de eer hebben u den weg naar mijn armoedige woning te wijzen.”

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN HOOGLANDSCH FEEST.

Eer Waverley de feestzaal binnentrad, werd hem de aartsvaderlijke verfrissching van een voetbad aangeboden, wat wegens den tocht door de moerassen die hij doorwaad had, en bij het heete zomerweder, hem hoogst welkom was. Hij werd zeker bij deze gelegenheid niet zoo weelderig als de heldenreizigers in de Odyssea bediend, daar de taak der besproeiing en afdrooging niet volvoerd werd door een schoone jonkvrouw, die er op geleerd was om

Vermoeide leden te bestrijken En geurige olie uit te storten,

maar door een zwart en gerimpeld Hooglandsch oud wijf, dat zich niet bijzonder vereerd gevoelde met den haar opgelegden plicht, maar tusschen de tanden mompelde: „De kudden onzer vaderen hebben niet zoo dicht bij elkander geweid, dat ik u deze dienst behoorde te bewijzen.” Een kleine gift evenwel bevredigde de oude dienstmaagd ten volle voor de veronderstelde vernedering, en, terwijl Eduard zich naar de zaal begaf, schonk ze hem haar zegen, onder het uiten van het Gaelsche spreekwoord: „Moge de open hand het overvloedigst gevuld worden!”

De zaal, waarin het feest werd bereid besloeg de gansche ruimte van Ian nan Chaistel’s oorspronkelijk verblijf, en een zware eiken tafel nam de geheele lengte daarvan in. Het middagmaai was eenvoudig, ja zelfs meer dan eenvoudig, en het gezelschap zoo talrijk, dat het elkander bijna verdrong. Aan het hoofd van de tafel waren de hoofdman, met Eduard en twee of drie Hooglandsche bezoekers van naburige clans gezeten. Daarop volgden in rang de oudsten van zijn eigen stam, wadsetters en tacksmen [79], gelijk ze genoemd werden, die gedeelten van zijn landerijen als pachters of huurders bewoonden. Een weinig lager dan zij, zaten hunne zoons, neven en zoogbroeders, de officieren der huishouding van het Opperhoofd, ieder overeenkomstig zijn rang; en het laagst van allen, aan het einde van de tafel, de meiers of boeren, die inderdaad den grond bewerkten. Zelfs voorbij deze lange reeks van gasten kon Eduard op het veld, waarheen een paar zware geopende vleugeldeuren voerden, een menigte Hooglanders zien van nog lageren stand, die eveneens als gasten werden beschouwd, en zoowel hun deel hadden aan den door den gastheer ten toon gespreiden luister, als aan de goede sier van den dag. Op een afstand, en als golvende rondom het feestmaal, bevond zich een bonte groep van vrouwen, havelooze knapen en meisjes, bedelaars, jong en oud, groote windhonden, dashonden en speurhonden, en rekels van de slechtste soort; welke allen, meer of min onmiddellijk, aan het maal deel namen.

Deze schijnbaar onbeperkte gastvrijheid was echter aan zekere, zuinigheidsregelen gebonden. Er was eenige zorg besteed aan het toebereiden der schotels visch, wild, enz., die men aan het boveneinde van de tafel en onmiddellijk onder het oog van den Engelschen vreemdeling zette. Meer naar beneden stonden groote, grove stukken schapen- en ossenvleesch, die, behalve dat er geen varkensvleesch gevonden werd, waarvan men in de Hooglanden een afkeer had [80], de ruwe feesten der minnaars van Penelope voor den geest riepen. Maar de hoofdschotel bestond uit een eenjarig in zijn geheel gebraden lam. Het stond op zijn pooten, met een bos pieterselie in den mond, en was waarschijnlijk in dien vorm opgezet, om de ervarenheid van den kok te doen uitkomen, die zich evenwel meer op den overvloed, dan op het sierlijke van zijns meesters tafel beroemde. De ribben van het arme dier werden woedend aangevallen door de clanslieden, sommige met dolken, de anderen met zakmessen gewapend, welke gemeenlijk in dezelfde schede staken met den dolk, zoodat het spoedig een deerniswaardig schouwspel opleverde. Verder naar beneden schenen de spijzen nog veel eenvoudiger, ofschoon in voldoende hoeveelheid. Brood, uien, kaas, en het overschot van den maaltijd verkwikten de zonen van Ivor’s stam, die in de open lucht deelnamen aan het feest.

De drank werd in dezelfde evenredigheid en onder gelijke bepalingen rondgediend. Uitnemende roode wijn en champagne werden overvloedig geschonken onder de onmiddellijke tafelburen van den Hoofdman; brandewijn zuiver of aangelengd, en zwaar bier verkwikten hen die meer aan het lager einde gezeten waren. En deze ongelijkheid van bedeeling scheen niemand in het minste te beleedigen. Ieder daar tegenwoordig wist, dat zijn smaak zich schikken moest naar den rang, dien hij aan de tafel bekleedde, en bijgevolg betuigden de tacksmen en hunne afhangelingen altijd, dat de wijn te koud was voor hunne magen, en riepen, oogenschijnlijk uit verkiezing, om den drank, welke uit zuinigheid voor hen bestemd was [81]. De doedelzakspelers, drie in getal, lieten niet na, onder den maaltijd, een verschrikkelijken oorlogsdeun te doen hooren. De terugkaatsing van de gewelfde zoldering, en het geschal van den Gaelschen tongval, brachten zulk een Babelsch geraas te weeg, dat Waverley bevreesd werd dat zijn gehoorvlies er onder lijden zou. Mac-Ivor verzocht hem echter het geweld, door zulk een druk gezelschap veroorzaakt, te willen vergeven, en beriep zich op den door hem bekleeden rang, die hem eene onbeperkte gastvrijheid als plicht oplegde. „Deze mijne niet minder ledigloopende dan dappere aanverwanten,” zeide hij, „beschouwen mijne bezittingen als een algemeen goed, dat ik slechts bestuur om hen te onderhouden; en ik moet hun ossenvleesch en bier bezorgen, terwijl de guiten voor zichzelven niets doen, dan de sabel hanteeren, of rondslenteren langs de heuvelen, om te jagen, te visschen, te drinken en met de meisjes in den omtrek te vrijen. Maar wat zal ik er aan doen, kapitein Waverley? Ieder ding moet naar zijn aard behandeld worden, of het een valk of een Hooglander is.” Eduard liet niet na, in het verwachte antwoord een compliment in te vlechten over het bezit van zoo vele moedige en aan hem verkleefde manschappen.

„Het is waar,” hernam het Opperhoofd, „indien ik, als mijn vader, gezind was mij bloot te stellen, om een slag op het hoofd te ontvangen, dan geloof ik, dat de deugnieten mij niet in den steek zouden laten. Maar wie denkt daar tegenwoordig aan, nu de grondregel is – Beter een oude vrouw met een beurs in de hand, dan drie mannen met degens op zijde.” En terwijl hij zich vervolgens tot het gezelschap keerde, stelde hij in: „De gezondheid van kapitein Waverley, een waardig vriend van mijn lieven nabuur en bondgenoot, den baron van Bradwardine.”

„Hij is hier welkom,” zeide een der oudsten, „zoo hij van Cosmo Comyne Bradwardine komt.”

„Dat zeg ik niet!” antwoordde een oud man, die niet voornemens scheen met den toast in te stemmen. „Dat zeg ik niet! – zoo lang er een groen blad in het bosch is, zal er bedrog in een Comyne zijn.”

„Er is geen kwaad haar aan den baron van Bradwardine,” hernam een andere der oudsten, „en de gast die hier van hem komt behoort welkom te zijn, al kwam hij met bebloede handen, als het maar niet het bloed is van den stam van Ivor.”

De oude man, wiens beker gevuld bléef, hervatte: „Er is bloed genoeg van den stam van Ivor aan de handen van Bradwardine geweest.”

„Ach, Ballenkeiroch!” luidde het antwoord des eersten, „gij denkt meer aan het geweervuur te Tully-Veolan, dan aan het flikkeren van het zwaard, dat te Proud-Preston voor de goede zaak gestreden heeft.”

„En daar heb ik reden toe,” antwoordde Ballenkeiroch, „het geweervuur kostte mij een blonden jongen, en het flikkeren van het zwaard heeft niet veel voor koning Jacobus uitgewerkt.”

Fergus verhaalde aan Waverley met een paar woorden, in het Fransch, dat de Baron, nu omtrent zeven jaar geleden, in een schermutseling bij Tully-Veolan, den zoon van dezen ouden man had neêrgeschoten; waarna hij zich haastte om de vooringenomenheid van Ballenkeiroch weg te nemen, door hem mee te deelen, dat Waverley een Engelschman was, die door geboorte noch huwelijk in betrekking stond tot het geslacht van Bradwardine; en hierop nam de grijsaard den tot hiertoe onaangeroerden beker op, en dronk beleefdelijk op zijn gezondheid. Na deze plichtpleging, gaf het Opperhoofd een wenk aan de doedelzakken om te zwijgen, en zeide overluid; „Waar is de zang verborgen, mijn vrienden, dat Mac-Murrough dien niet kan vinden?”

Mac-Murrough, de familie-zanger, een bejaard man, gehoorzaamde terstond aan den wenk, en begon met zachte stem en snel achter elkander, een aantal Celtische verzen op te zingen, die door de toehoorders met geestdrift toegejuicht werden. Naarmate hij met zijn declamatie voortging, scheen zijn vuur toe te nemen. Hij had eerst gesproken met de oogen op den grond gevestigd; maar nu sloeg hij ze in het rond, alsof hij oplettendheid verzocht, zoo al niet gebood, en de klanken gingen in wilde en hartstochtelijke tonen over, met daarbij passende gebaren. Het kwam Eduard, die met groote belangstelling naar hem luisterde, voor, alsof hij een aantal eigennamen noemde, de dooden beweende, de afwezigen aansprak en aanwezigen vermaande, smeekte, bezielde. Waverley meende zelfs zijn eigen naam daartusschen te onderscheiden, en werd in die meening bevestigd, daar de oogen van al de gasten, op dat oogenblik, zich te gelijk naar hem keerden. De geestdrift van den dichter scheen zich aan de toehoorders mede te deelen. Hunne woeste en door de zon verbrande aangezichten namen een fiere en meer bezielde uitdrukking aan; allen hielden het hoofd naar den zanger gericht; verscheidene sprongen op en zwaaiden hunne wapens in geestvervoering, terwijl sommigen de hand aan het zwaard sloegen. Toen het gezang ophield, volgde er een diepe stilte, totdat eindelijk de opgewekte aandoeningen van den dichter en zijn hoorders langzamerhand bedaarden, en ieder zijn kalmte herkregen had.

Fergus, die, gedurende dit tooneel, eer de bij zijn gasten door den Bard opgewekte aandoeningen scheen bespied, dan hunne geestdrift gedeeld te hebben, vulde een kleinen zilveren beker, die naast hem stond, met rooden wijn.

„Breng dezen,” zeide hij tot een knecht, „aan Mac-Murrough nan fonn (d.i. der gezangen) en wanneer hij het druivensap gedronken heeft, verzoek hem dan ter wille van Vich Ian Vohr, de schelp te bewaren, waarin het vervat was.” Dit geschenk werd door Mac-Murrough met innige dankbaarheid aangenomen; hij dronk den wijn uit, en na den beker gekust te hebben, verborg hij dien eerbiedig in den plaid, die op zijn borst was toegevouwen. Vervolgens hief hij op nieuw een, zooals Waverley met recht begreep, voor de vuist vervaardigd lied aan, om zijn dank aar zijn Opperhoofd toe te brengen, en om hem te verheerlijken. Dit werd met toejuiching ontvangen, maar had niet zooveel uitwerking als zijn eerste gedicht. Het was echter blijkbaar, dat allen de edelmoedigheid van hun Opperhoofd hoogelijk goedkeurden. Een aantal luide toegejuichte Gaelsche dronken werden thans ingesteld, van welke het Opperhoofd sommigen aldus voor zijn gast vertaalde:

„Aan hem die vriend noch vijand ooit den rug toekeert” „Aan hem die zijn makker nooit verlaten heeft” „Aan hem die de gerechtigheid nooit gekocht of verkocht heeft” „Gastvrijheid den ballingen, en gebroken beenderen den tiran” „De jongens met de kilts,” [82] „Hooglanders, schouder aan schouder,” – benevens nog een aantal vurige uitdrukkingen van gelijken aard.

Eduard was bijzonder verlangend om den zin van dat gezang te kennen, dat zoo zeer de hartstochten van het gezelschap scheer te doen ontvlammen, en verborg voor zijn gastheer dezen wensch niet. „Daar ik bemerkte,” zeide Fergus, „dat gij de flesch driemaal hebt laten voorbijgaan, was ik op het punt u voor te stellen, om ons van hier te begeven, om bij mijn zuster de thee te gaan gebruiken; zij is beter dan ik in staat u zoo iets te verklaren. Ofschoon ik mijn clan niet kan stuiten in den gewonen loop van zijn feestviering, zoo ben ik echter niet verplicht aan zijn uitspattingen deel te nemen; ook houd ik,” voegde hij er lachende bij, „er geen beer op na, om het verstand van diegenen te verslinden, die het wel weten te gebruiken.”

Eduard stemde gereedelijk met dit voorstel in, en nadat het Opperhoofd eenige woorden aan degenen die rondom hem zaten, had toegevoegd, verliet hij met Waverley de tafel. Zoodra was de deur niet achter hem toegedaan, of Eduard hoorde de gezondheid van Vich Ian Vohr instellen, met een woeste en levendige vroolijkheid, waaruit het genoegen der gasten en hun innige verknochtheid aan zijn dienst allerduidelijkst bleek.

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE ZUSTER VAN DEN HOOFDMAN.

De gezelschapskamer van Flora Mac-Ivor was op de eenvoudigste wijze gemeubeleerd; want op Glennaquoich werd iedere andere soort van uitgaven zooveel mogelijk vermeden, opdat het Opperhoofd steeds in staat zou zijn, op een onbekrompen wijze gastvrijheid uit te oefenen, en het getal zijner aanhangers en vazallen onverminderd te behouden en te vermeerderen. Maar er was geen zweem van deze zuinigheid in de kleeding der dame zelve te bespeuren, die wat de stof betreft, keurig en zelfs rijk was, en opgemaakt op een wijze, welke gedeeltelijk overeenkwam met de Parijsche mode, en gedeeltelijk met de eenvoudiger dracht der Hooglanders, en met oordeel en smaak gekozen was. Het haar was niet misvormd door de kunst des kappers, maar viel in losse krullen langs haar hals, alleen teruggehouden door een rijk met diamanten bezetten haarband. Hierin schikte ze zich naar de vooroordeelen der Hooglanders, die niet verdragen konden, dat het hoofd eener vrouw, vóor haar huwelijk, bedekt werd.

Flora Mac-Ivor geleek sprekend op haar broeder Fergus; zoo sterk zelfs, dat zij Viola en Sebastiaan [83] hadden kunnen spelen, met hetzelfde schitterend gevolg, als mevrouw Henry Siddons [84] en haar broeder de heer William Murray, in deze rollen. Zij hadden hetzelfde antieke regelmatige profiel; dezelfde donkere oogen en wenkbrauwen; blanke huid; behalve dat Fergus door de zon een weinig bruiner geworden was; terwijl Flora al de fijnheid, waardoor haar geslacht zich onderscheidt, bezat. Maar de hooghartige en eenigszins strenge regelmatigheid van Fergus’ trekken was op eene wonderbaarlijke wijze in die van Flora verzacht. Hunne stemmen hadden ook veel overeenkomst met elkaâr, maar verschilden van toon. Die van Fergus, inzonderheid als hij aan zijn manschappen bij hunne krijgsoefeningen bevelen gaf, herinnerde Eduard aan een lievelingsplaats in de beschrijving van Emetrius:

„Wiens stem in ’t ronde klonk, luid als de krijgstrompet Met zilver-zuivren klank.”

Die van Flora, daarentegen, was zacht en liefelijk; „eene uitnemende gaaf bij een vrouw;” maar wanneer ze daarentegen over het een of ander uitverkoren onderwerp sprak, zoo als ze dikwijls met een natuurlijke welsprekendheid deed, bezat ze zoo wel de klanken, die ontzag en ernst inboezemen, als die van wegslepende overreding. De scherpe blik van het vurige, zwarte oog, die, in het Opperhoofd, het ongeduld verried zelfs over de stoffelijke hinderpalen die hij ontmoette, had in dat van zijn zuster een zekeren liefelijken ernst. De oogen des broeders schenen den roem, de macht, kortom al datgene te zoeken, wat hem boven anderen verheffen kon; terwijl die van de zuster, zich harer verstandelijke meerderheid bewust, eerder diegenen schenen te beklagen dan te benijden, welke naar eenige andere onderscheiding streefden. Hare gevoelens waren volkomen in overeenstemming met de uitdrukking van haar gelaat. Door de vroegste indrukken harer opvoeding, was haar hart zoowel als dat van haar broeder, met de innigste gehechtheid voor het verjaagde huis van Stuart bezield. Zij achtte het een heiligen plicht van haar broeder, van zijn clan, van iederen bewoner van Groot-Brittanje, om ten koste van welk persoonlijk gevaar ook, tot de herstelling mede te werken, waarop de aanhangers van den Ridder van St. George niet hadden opgehouden te hopen. Hiervoor was ze gereed alles te doen, alles te lijden, alles ten offer te brengen. Maar hare getrouwheid aan het verbannen geslacht, zoo ze die van haar broeder ook al in geestdrift te boven ging, won het tevens in zuiverheid van hem. Aan kleine intriges gewoon, in duizenderlei nietige en baatzuchtige overleggingen met anderen gewikkeld, even eerzuchtig van aard als hij zelf, was Fergus’ staatkundige trouw, zoo al niet besmet dan toch verdacht wegens de uitzichten op persoonlijk belang en bevordering, zoo ligt daarmede te verbinden; en op het oogenblik, dat hij zijn zwaard ontblootte, zou het moeielijk zijn te zeggen, of hij het meer deed met oogmerk om Jacobus Stuart tot koning, of Fergus Mac-Ivor tot graaf te maken. Het is waar, deze gemengde gevoelens durfde hij zich niet bekennen, maar dit nam niet weg dat ze inderdaad bestonden.

In Flora’s borst integendeel brandde het vuur der getrouwheid aan den vorst zuiver, en zonder met eenig baatzuchtig gevoel vermengd te zijn; ze zou even ligt de godsdienst tot het masker van eer- en baatzuchtige bedoelingen gemaakt hebben, als dergelijke plannen te verbergen onder de gevoelens, die ze geleerd had voor vaderlandsliefde aan te zien. Zulke voorbeelden van verknochtheid waren niet zeldzaam onder de voorstanders van het ongelukkige huis van Stuart, waarvan een aantal merkwaardige bewijzen den meesten mijner lezers voor den geest zullen treden. Maar de bijzondere oplettendheid van den Ridder van St. George en van zijn gemalin voor de ouders van Fergus en zijn zuster, en inzonderheid voor beiden toen ze weezen waren, had hunne getrouwheid versterkt. Fergus was, na den dood zijner ouders, eenigen tijd page geweest in het gevolg van des Ridders gemalin, en, om zijn schoonheid en levendige geaardheid, werd hij steeds door haar met de hoogste onderscheiding behandeld. Deze nu strekte zich insgelijks uit tot Flora, die gedurende eenigen tijd, voor rekening van de Prinses, in een klooster van den eersten rang werd geplaatst, en van daar overgebracht in haar eigen hofgezin, waar ze twee jaren sleet. Beiden, broeder en zuster, bleven daarna voortdurend de innigste dankbaarheid voor deze vriendelijkheid der Prinses koesteren.

Na aldus de voornaamste beginselen en drijfveeren van Flora’s karakter geschilderd te hebben, behoef ik het overige slechts te schetsen. Ze was met groote bekwaamheden bedeeld, en had de bevallige manieren, welke men verwachten kan van iemand, die op jeugdigen leeftijd in het gezelschap eener prinses heeft verkeerd; maar ze had niet geleerd wat ze inderdaad voelde onder een zeker vertoon van beleefdheid te verbergen. Toen ze zich in de eenzame streken van Glennaquoich gevestigd zag, bemerkte ze dat de kennis, die ze van de Fransche, Engelsche en Italiaansche letterkunde bezat, zeer weinig, en dan nog slechts ongeregeld, voortgezet kon worden; en, daar ze den overigen tijd wenschte aan te vullen, wijdde ze een gedeelte daarvan aan de muziek en de dichterlijke overleveringen der Hooglanders. Ze begon werkelijk een genoegen in deze tijdkorting te vinden, hetwelk haar broeder, wiens gevoel voor letterkundig genot niet zoo ontwikkeld was, eer voorwendde, om zich bij het volk bemind te maken, dan dat hij het, zooals zijn zuster, werkelijk smaakte. Het uitstekende welgevallen, haar door diegenen betuigd, bij wie ze zich om onderricht vervoegde, bevestigde haar in haar voornemen om hare nasporingen voort te zetten.