Chapter 41 of 50 · 3903 words · ~20 min read

Part 41

„Wie zijn dood?” vroeg Waverley, die volstrekt niet aan Davies onvermogen dacht, om een aaneengeschakeld gesprek te voeren.

„De Baron – en de rentmeester – en Saunders Saunderson – en Freule Rose, die zoo lief zong. – Allemaal dood en weg – allemaal dood en weg.”

Maar volg, ei volg mijn spoor; De glimworm licht ons voor; Ik wijs u waar, de dooden Het leven zijn ontvloden; Waar ieder rust van zorg en pijn, Terwijl de winden huilen, En zich van achter ’t wolkgordijn, Waar ze eerst zich ging verschuilen; De bleeke maan hun graf verlicht. Dat iedre vreeze zwicht; ’t Moet hem aan moed niet falen, Die in het uur van middernacht, De graven langs gaat dwalen.

Met deze woorden, die hij op woesten en somberen toon zong, gaf Davie aan Waverley een teeken om hem te volgen, terwijl hij haastig naar het uiteinde van den tuin liep, langs den oever der beek, die, zoo als men zich herinneren zal, de oostelijke grens daarvan uitmaakte. Eduard volgde hem, in weerwil van de beteekenis zijner woorden, met een onwillekeurige siddering, maar niet zonder eenige hoop er de verklaring van te zullen erlangen. Daar het huis blijkbaar door de bewoners verlaten was, kon hij niet verwachten onder de puinhoopen daarvan een verstandiger berichtgever te zullen vinden.

Davie, die vrij stevig aanstapte, bereikte welhaast het uiterste einde van den tuin, en klouterde over de brokken van den muur, die dezen eens had gescheiden van het boschachtig dal, waarin de oude toren van Tully-Veolan stond. Nu sprong hij naar beneden in de bedding van den stroom, en ging, door Waverley gevolgd, met rassche schreden voort terwijl hij over eenige rotsbrokken klom, en zich met moeite om anderen heen wendde. Zij gingen onder de puinhoopen van het huis voorbij; Waverley volgde, maar kon zijn leidsman bezwaarlijk bijhouden, daar de duisternis begon toe te nemen. Toen hij den loop van den stroom nog een weinig lager volgde, verloor hij hem geheel uit het oog; maar een flikkerend licht, dat hij nu tusschen het ineengegroeide kreupelhout en de struiken ontdekte, scheen een zekerder gids. Spoedig sloeg hij een weinig gebaand pad in, en bereikte ten laatste de deur eener ellendige hut. Een geweldig hondgeblaf klonk hem in den beginne tegen, maar kwam bij zijn nadering tot zwijgen. Van binnen liet zich een stem hooren, en hij achtte het raadzaam te luisteren, eer hij naderde.

„Wien hebt gij hier gebracht, domme deugniet?” vroeg een oude vrouw, op een toon die haar hevige drift verried. Tot eenig antwoord floot Davie Gellatley het begin van het deuntje, waardoor Eduard hem herkend had, en deze maakte nu geene zwarigheid om aan de deur te kloppen. Er heerschte terstond een doodsche stilte van binnen, die slechts door het doffe geknor der honden werd afgebroken; en vervolgens hoorde hij de meesteres van de hut de deur naderen, waarschijnlijk niet om ze te openen, maar Waverley kwam haar voor en lichtte de klink zelf op.

Voor hem stond een oude, met lompen bedekte vrouw, die hem toeriep: „Wie komt, in den nacht, op deze wijze hier in huis?” Aan de eene zijde legden twee kwade en half uitgehongerde jachthonden hunne woestheid, bij zijn verschijning, af, en schenen hem te herkennen. Aan de andere zijde, half verborgen door de geopende deur, doch blijkbaar met weerzin zich in dezen schuilhoek verbergende, stond, met een overgehaald pistool in de rechterhand, en de linker bezig om een tweede uit zijn gordel te halen, een lange, stevige en magere gedaante, in de overblijfsels eener verschoten uniform, en met een baard die in geen drie weken geschoren was.

Het was de baron van Bradwardine. – Het is onnoodig hier bij te voegen, dat hij zijn wapen op den grond wierp, en Waverley met een hartelijke omhelzing begroette.

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WEDERKEERIGE OPHELDERINGEN.

Het verhaal van den Baron was kort, wanneer men er de spreekwoorden en gemeenplaatsen in het Latijn, Engelsch en Schotsch, waarmede zijn geleerdheid het opsierde, wegliet. Hij stond lang stil bij de droefheid, die hem getroffen had over het verlies van Eduard en Glennaquoich, schetste de veldslagen van Falkirk en Culloden, en verhaalde, hoe hij, nadat alles in het laatstgenoemde gevecht verloren was, naar huis was teruggekeerd, in de meening van gemakkelijker een schuilplaats te zullen vinden onder zijn eigene boeren, en op zijn eigen landgoed, dan ergens elders. Een afdeeling soldaten was uitgezonden om zijn eigendommen te verwoesten; want barmhartigheid was niet aan de orde van den dag. Hun vernielingswerk was echter gestuit door een bevel van het Civiele Hof. Men erkende dat het landgoed niet vervallen verklaard mocht worden aan de Kroon, ten nadeele van Malcolm Bradwardine van Inch-Grabbit, den erfgenaam in de mannelijke lijn, wiens aanspraak op de baronie niet lijden mocht door de handelingen van den tegenwoordigen eigenaar, daar hij zijn recht van dezen niet ontleende, – en die dus, gelijk een aantal andere erfgenamen van leengoederen, in denzelfden toestand, er het bezit van erlangde. Maar, geheel verschillend van velen in soortgelijke omstandigheden, toonde de nieuwe heer spoedig, niet te zullen dulden dat zijn voorganger het minste voorrecht of voordeel trok van de goederen, die hem hadden toebehoord, en dat het zijn voornemen was, zich het ongeluk van den ouden Baron in zijn geheele uitgestrektheid ten nutte te maken. Dit was te onedelmoediger, daar het van algemeene bekendheid was, dat de Baron, met het romantische denkbeeld bezield, om het recht van dezen jongeling, als mannelijken erfgenaam, niet te benadeelen, de erfopvolging op zijn dochter niet had willen overdragen. Deze onrechtvaardige zelfzucht stiet de dorpelingen geweldig tegen de borst, die hun ouden meester hartelijk lief hadden, zoodat zij niet weinig verontwaardigd waren over het gedrag van zijn opvolger. In des Barons eigen woorden, „strookte deze zaak niet met het algemeen gevoelen op Bradwardine, mijnheer Waverley; en de boeren waren traag en onwillig in het betalen van het verschuldigde; en toen mijn neef in het dorp kwam, met zijn nieuwen rentmeester, den heer James Howie, om de huur in te vorderen, loste, men weet niet wie, – ik vermoed echter, John Heatherblutter, de oude jagermeester, die in het jaar vijftien met mij uittrok – een schot op hem in het donker, waardoor hij zoo bang werd, dat ik met Cicero in Catilinam wel mag zeggen, abiit, evasit, erupit, effugit [178]. Hij liep, mijnheer, om mij zoo uit te drukken, in éen adem naar Stirling. En nu heeft hij het landgoed ten verkoop aangeslagen, daar hij zelf de laatste mannelijke erfgenaam van het leen is. En indien men mij door zulke zaken grieven kon, zou dit mij meer grieven, dan de overgang van het goed uit mijn eigen bezit, dat toch, volgens den loop der natuur, binnen weinige jaren zou moeten plaats hebben; daar dit nu overgaat uit handen van het geslacht, dat het in sæcula sæculorum moest bezeten hebben. Maar, Gods wil geschiede, humana perpessi sumus [179]. Sir John van Bradwardine – Zwarte Sir John, zoo als men hem noemde – die de algemeene stamvader van ons huis en der Inch-Grabbits was, dacht weinig dat zoo iemand uit zijn geslacht zou voortkomen. Intusschen heeft hij mij beschuldigd bij den een of ander van de primates, de tijdelijke bewindhebbers, alsof ik een aanvoerder van bravo’s en sluipmoordenaars was. En er zijn soldaten hierheen gezonden, om op mijn goederen te verblijven, en jacht op mij te maken als op een veldhoen in het gebergte, gelijk de H. Schrift zegt van den goeden koning David, of als onzen dapperen Sir William Wallace, – zonder daarom mijzelven met een van beiden te vergelijken. – Ik dacht, toen ik u aan de deur hoorde kloppen, dat zij het oude wild ten laatste in zijn leger hadden overvallen; en daarom nam ik mij voor, mijn leven ten duurste te verkoopen. – Maar nu, Janet, kunt gij ons niet wat avondeten bezorgen?”

„Ja wel, mijnheer, ik zal het waterhoen braden, dat John Heatherblutter heden morgen medegebracht heeft, en gij ziet, de arme Davie is al bezig met de eieren van de zwarte kip te bakken. Ik durf zeggen, mijnheer Waverley, dat gij nooit geweten hebt dat al de eieren die zoo goed in het groote heerenhuis gebakken werden, door onzen Davie waren klaar gemaakt. Niemand haalt bij hem, die zoo knap is om met zijn vingers in de heete asch te werken en de eieren te keeren.” Davie lag gedurende al dien tijd met zijn neus bijna in het vuur, terwijl hij in de asch blies, met de hielen schopte, bij zichzelven mompelde, en zijn eieren in den gloed keerde, als ware het om het spreekwoord te weêrleggen, „dat er verstand toe noodig is om eieren te bakken,” en de lofspraak te rechtvaardigen, die Janet uitstortte

„Over hem, haar lieveling, haar arm onnoozel kind.” [180]

„Davie is zoo dom niet, als de menschen wel meenen, mijnheer Waverley; hij zou u hier niet gebracht hebben, als hij niet geweten had, dat gij een vriend waart van mijnheer – zoo waar, zelfs de honden kenden u, mijnheer Waverley, want gij waart altijd vriendelijk jegens beesten en menschen. – Maar, met mijnheers verlof, zal ik u een geschiedenis van Davie vertellen. Ge ziet, dat de edele heer die zich in deze bittere tijden moet schuil houden, en wat nog erger is, dag en nacht in het hol in het eikenbosch ligt, en ofschoon het nauw genoeg is van ingang en de goede oude man, Cors Cleugh, het van een bos stroo heeft voorzien, zoo komt evenwel, wanneer alles in den omtrek op het land stil, en de nacht recht koud is, mijnheer er soms uit kruipen, om zich te warmen bij een takkenbosch en op kussens te slapen, en dan gaat hij er ’s morgens weêr heen. En zoo, eens op een keer, – hoe schrikte ik! – hadden twee ongelukkige roodrokken den nacht doorgebracht met op de zalmvangst uit te gaan, of iets ergers, want ze doen zelden veel goeds, en zagen even een glimp van mijnheer, toen hij het bosch inging, en schoten op hem. Ik er uit, als een giervalk, en aan het roepen: – „Wat ze te schieten hadden op een brave vrouws arm, onnoozel kind?” en ik vloog naar hen toe, en riep dat het mijn zoon was, en ze vloekten en zwoeren, dat het de oude rebel was, zoo als de deugnieten mijnheer noemden; en Davie was in het bosch, en hoorde het leven, en nam, krek uit eigen beweging, den ouden grijzen mantel op, dien mijnheer weggeworpen had, om des te vlugger te kunnen beenen maken, en kwam juist uit hetzelfde gedeelte van het bosch, zich oprichtende en rondziende, zoo geheel op mijnheer gelijkende, dat zij glad misleid werden, en overtuigd werden dat zij hun geweer op mallen Sawney afgeschoten hadden, gelijk men hem noemt; en zij gaven mij een zesstuiverstuk, en twee zalmen, opdat ik er maar niets van zeggen zou. – Neen, neen, Davie is wel niet precies als andere menschen, maar hij is toch lang zoo gek niet als de menschen meenen. Het is waar, wij kunnen nooit genoeg voor mijnheer doen, daar wij en de onzen nu al twee honderd jaar op zijn land hebben gewoond; en daar hij mijn armen Jamie op school en het collegie liet gaan, en zelfs op het heerenhuis hield, tot hij hier boven een betere plaats kreeg. Hij heeft er mij voor bewaard, dat ik te Perth als een tooverheks werd terechtgesteld – de Heer vergeve het hun, die zulk een eenvoudige, arme oude vrouw aanvielen! – en den armen Davie heeft hij van voedsel en kleeding voorzien, gedurende bijna zijn gansche leven!” Waverley vond eindelijk een gelegenheid, om Janets verhaal af te breken, door een vraag naar Freule Bradwardine.

„Zij is, God dank! wél en in veiligheid te Duchran,” antwoordde de Baron; „de heer is een verre bloedverwant van ons, maar een bloedverwant van mijn kapelaan, den heer Rubrick; en, ofschoon hij de Whigsche beginselen is toegedaan, vergeet hij echter, in dezen tijd, de oude vriendschap niet. De rentmeester doet wat hij kan, om iets uit de schipbreuk voor de arme Rose te redden; maar ik vrees, ik vrees, dat ik haar nooit zal wederzien, want ik zal mijn beenderen naar een ver land moeten dragen.”

„Neen, neen, mijnheer; gij waart er in het jaar vijftien even slecht aan toe, en kreegt de kostelijke baronie terug, dat kreegt ge; en nu zijn de eieren klaar, en het waterhoen is gebraden, en daar is voor elk een bord en wat zout en een hapje witte brood, dat van den rentmeester is gekomen; en daar is nog overvloed van brandewijn in de kan, die Luckie Maclearie heeft gestuurd, en zult ge nu niet een maaltijd doen als Prinsen?”

„Ik hoop, dat ten minste één Prins van onze kennis er niet erger aan toe is,” zei de baron tot Waverley, die met hem instemde in den hartelijken wensch dat de ongelukkige Prins in veiligheid wezen mocht.

Nu begonnen ze van hunne verwachtingen in de toekomst te spreken. Het ontwerp van den Baron was zeer eenvoudig. Het was, naar Frankrijk te ontsnappen, waar hij hoopte, door den invloed zijner oude vrienden, de eene of andere bediening bij het leger te verkrijgen, waarvoor hij zich nog geschikt achtte. Hij noodigde Waverley uit hem te vergezellen; een voorslag, dien deze aannam, ingeval de invloed van kolonel Talbot te kort mocht schieten, om hem genade te bezorgen. Stilzwijgend hoopte hij, dat de Baron zijn liefde voor Rose zou goedkeuren, en hem het recht geven om hem in zijn ballingschap te ondersteunen; maar hij onthield zich hiervan te spreken, tot zijn eigen lot zou beslist zijn. Nu liep hun gesprek over Glennaquoich, omtrent wien de Baron groote bezorgheid aan den dag legde, ofschoon hij aanmerkte, dat hij „juist de Achilles van Horatius Flaccus was

Impiger, iracundus, inexorabilis, acer.

welke verzen,” zoo voegde hij er bij, „te vertalen zijn:

„Een woelig hoofd, een krijger als metaal, Zoo heet als vuur en zoo hard als staal.”

Flora had een ruim en onbekrompen deel in het medelijden van den goeden oude.

Intusschen begon het laat te worden. De oude Janet kroop in een soort van hondenhok, achter de hut; Davie sliep en snurkte al lang tusschen Ban en Buscar. Deze beide honden waren hem naar de hut gevolgd, nadat het heerenhuis verlaten was, en waren er gebleven; en hunne kwaadaardigheid, en de naam der oude vrouw, die voor een tooverheks te boek stond, droegen er niet weinig toe bij, om het dal van bezoekers te vrijwaren. Met dit inzicht voorzag de rentmeester Mackwheeble de oude Janet, ondershands van het noodige voor haar onderhoud, en insgelijks van eenige kleine voorwerpen van weelde, ten gebruike van zijn heer, waarvan de bezorging met niet weinig voorzichtigheid moest geschieden. Na eenige plichtplegingen, begaf de Baron zich naar zijn gewone legerplaats, en Waverley zette zich in een gemakkelijken leuningstoel met gescheurd fluweel, die eens de statie-slaapkamer van Tully-Veolan had versierd, (want het huisraad van dit verblijf was thans in al de hutten uit de nabuurschap vestrooid) en sliep zoo zacht in, alsof hij op een donzen bed zijn leden ter ruste gevlijd had.

EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

MEER OPHELDERING.

Met het aanbreken van den dag maakte de oude Janet allerhande rumoer in huis, om den Baron, die doorgaans zeer vast en zwaar sliep, te wekken.

„Ik moet naar mijn hol terug,” zeide hij tot Waverley: „wilt gij met mij gaan naar beneden in het dal?”

Zij gingen te zamen naar buiten, en volgden een smal voetpad, dat door hengelaars of houthakkers, in het kreupelhout, ter zijde van den stroom gebaand was. Onderweg verklaarde de Baron aan Waverley, dat hij geen gevaar te vreezen had, indien hij een dag of wat op Tully-Veolan bleef, al zag men hem daar zelfs rond wandelen, indien hij maar de voorzichtigheid gebruikte van voor te geven, dat hij naar het landgoed kwam, als agent of zaakwaarnemer van een Engelschen heer, die voornemens was het te koopen. Met dit inzicht spoorde hij hem aan, den rentmeester een bezoek te brengen, die nog op het huis, klein Veolan geheeten, omtrent een kwartier van het slot, woonde, ofschoon hij het binnen kort verlaten moest. Stanleys paspoort zou een voldoend antwoord zijn voor den officier, die de militairen kommandeerde; en wat dezen of genen van het landvolk, die Waverley herkennen mocht betrof, zoo verzekerde hem de Baron, dat er niet het minste gevaar bestond, dat hij door hen zou worden verraden.

„Ik geloof zeker, dat de helft van het volk op de baronie,” zei de oude man, „weet, dat hun oude heer hier ergens in den omtrek is; want naar ik merk, dulden zij niet zelfs dat een kind hier heen komt om vogelnestjes te zoeken, iets dat ik, toen ik in het volle bezit van mijn macht als Baron was, niet in staat was geheel en al te beletten. Ja, dikwijls vind ik het een en ander op mijn weg, dat de arme schepsels, God zegene hen! daar neêrleggen, omdat zij begrijpen, dat het mij van dienst zou kunnen zijn. Ik hoop dat zij een wijzer en niet minder goeden meester zullen krijgen, dan ik.”

Een onwillekeurige zucht besloot dit gezegde; maar er lag in de kalme gelijkmoedigheid, waarmede de Baron zijn rampen verduurde, iets eerbiedwekkends, ja zelfs verhevens. Men hoorde geen vruchteloos klagen, noch luidruchtige treurigheid; hij droeg zijn lot en de daarmede verbonden bezwaren met een opgeruimde ofschoon ernstige berusting, en veroorloofde zich nooit eenigen hevigen uitval tegen de bovendrijvende partij.

„Ik heb gedaan wat ik als mijn plicht beschouwde,” zeide de goede oude man, „en buiten twijfel doen zij, wat zij voor den hunne houden. Het doet mij somtijds wel zeer, op deze zwartgebrande muren van het huis mijner voorouders te staren; maar men weet dat officieren de hand van den soldaat niet altijd in bedwang kunnen houden, en roof en plundering tegengaan. Zelfs Gustaaf Adolf, zooals gij lezen kunt in Kolonel Munro’s Tocht met het brave Schotsche regiment, „Mackay’s regiment” genoemd, stond soms de plundering toe. Ik heb zelf inderdaad elders even treurige tooneelen van verwoesting gezien, als Tully-Veolan nu oplevert, toen ik onder den maarschalk hertog van Berwick diende. Voorwaar, wij mogen met Virgilius Maro zeggen, Fuimus Troës [181] – en ziedaar het einde van een oud liedje. Maar huizen en families en mannen hebben lang genoeg bestaan, wanneer ze staan tot zij met eere vallen; en nu heb ik een huis gekregen, dat niet kwalijk gelijkt naar een domus ultima.” [182] – zij waren nu tot den voet eener steile rots genaderd – „Wij, arme Jacobieten,” dus ging de Baron voort, terwijl hij de oogen opsloeg, „wij zijn nu gelijk de konijnen in de H. Schrift, (die de groote reiziger Pococke „jerbous” noemt) een zwak ras, dat zijn nest in de rotsen maakt. En nu; vaarwel, mijn beste jongen, tot wij elkander van avond bij Janet ontmoeten; want ik moet maken dat ik in mijn Patmos kom, wat niet al te gemakkelijk werk is voor mijn oude stijve leden.”

Dit zeggende begon hij de rots op te klimmen, terwijl hij zich met de handen steunde, om van de eene gevaarlijke trede naar de andere te komen, tot hij omtrent halverwege was, waar twee of drie struiken den ingang bedekten van een hol, hetwelk geheel en al naar een oven geleek, waar de Baron eerst zijn hoofd en schouders, en vervolgens, ofschoon vrij langzaam, het overige van zijn lichaam in bracht, terwijl de beenen en voeten het laatst verdwenen – gelijk aan een groote slang, die haar schuilplaats binnenkruipt, of aan een langen stamboom, dien men met moeite in het enge loket, van een ouderwetschen secretaire wegbergt. Waverley had de nieuwsgierigheid om naar boven te klimmen, en naar hem in zijn spelonk te zien, gelijk deze schuilplaats wel mocht heeten. Over het geheel zag zij er wel eenigszins uit als dat vernuftig stukje speelgoed, dat men een haspel in een flesch noemt, en de bewondering der kinderen opwekt, (en van sommige volwassenen, ook van mijzelven bijvoorbeeld) die het geheim niet kunnen vatten, hoe het er in gekomen is, of hoe het er uit is te nemen. Het hol was zeer nauw en zoo laag dat hij er niet staan, en nauwelijks zitten kon, hoewel hij eindelijk na eenige vergeefsche pogingen daarin slaagde. Zijn eenig vermaak bestond in het lezen van zijn ouden vriend Titus Livius, tusschenbeide afgewisseld door op den zolder en de muren zijner vesting, die van zandsteen waren, met zijn mes Latijnsche spreuken en teksten uit de H. Schrift te snijden. Daar het hol droog en met zuiver stroo en gedroogd varenkruid gevuld was, „zoo vormde het,” naar hij zeide, terwijl hij deed alsof hij zich er geheel op zijn gemak bevond, – wat wonderlijk afstak bij zijn werkelijken toestand, – „een zeer dragelijk leger voor een oud soldaat, behalve als de wind vlak uit het noorden blies.” Ook ontbrak het hem niet aan schildwachten, die op verkenning uitgingen, gelijk hij aanmerkte. Davie en zijn moeder lagen aanhoudend op den loer, om op alle gevaren te letten en ze af te wenden; en men stond verbaasd over de behendigheid, waarmede de instinctmatige gehechtheid van den armen onnoozele hem scheen te bezielen, als het de veiligheid van zijn heer gold.

Thans zocht Eduard een ontmoeting met Janet. Hij had haar, op het eerste gezicht, herkend als de oude vrouw, die hem gedurende zijn ziekte had opgepast, nadat hij uit de handen van Gilfillan verlost was. Ook de hut, hoewel een weinig opgeknapt en iets beter gemeubeld, was ongetwijfeld de plaats waar men hem had opgesloten. Hij herinnerde zich nu insgelijks op de Gemeenteweide van Tully-Veolan den stam van een grooten boom, „de minnaars-boom” genoemd, dien hij ontegenzeggelijk voor denzelfden hield, waarbij de Hooglanders, op dien merkwaardigen nacht, bijeen kwamen. Zijn verbeelding had den avond te voren dit alles reeds met elkander in verband gebracht; maar redenen, die de lezer waarschijnlijk wel zal kunnen gissen, beletten hem Janet in tegenwoordigheid van den Baron onder handen te nemen.

Thans vatte hij deze taak in goeden ernst op, en zijn eerste vraag luidde: „wie de jonge dame was, die de hut gedurende zijn ziekte bezocht had?” Janet zweeg eenigen tijd, en maakte vervolgens de opmerking, dat het geheimhouden der zaak thans niemand goed of kwaad zou doen.

„Het was een dame,” zeide zij, „die haars gelijke in de wereld niet heeft – Freule Rose Bradwardine.”

„Dan was Freule Rose Bradwardine waarschijnlijk ook de oorzaak van mijn bevrijding,” zeide Waverley, verrukt over de bevestiging van een denkbeeld, hetwelk de plaatselijke omstandigheden bij hem opgewekt hadden.

„Ik weet zeer goed, mijnheer Waverley, dat zij zelve het was; maar heel, heel boos en beleedigd zou zij geweest zijn, het arme schepsel, als zij had kunnen gissen, dat gij ooit een woord van de zaak zoudt weten; want zij gebood mij altijd Gaelsch te spreken, als gij er bij waart, om u in den waan te brengen, dat wij in de Hooglanden waren. Ik kan vrij wel met die taal terecht, want mijn moeder was een Hooglandsche.”

Nog eenige weinige vragen brachten het geheele geheim aan den dag van Waverleys bevrijding uit den staat van gevangenschap, waarin hij Cairnvreckan verliet. Nooit klonk eenige muziek zoeter in het oor eens kenners, dan de vreeselijke langdradigheid, waarmede de oude Janet iedere omstandigheid beschreef, Waverleys ooren verrukte. Maar daar de lezer niet verliefd is, moet ik zijn geduld ontzien, en trachten hetzelfde verhaal dat de oude Janet in een rede van bijna twee uren mededeelde, binnen een betamelijken omvang te beperken.