Chapter 42 of 50 · 3902 words · ~20 min read

Part 42

Toen Waverley aan Fergus den brief voorlas, dien hij, door Davie Gellatley, van Rose Bradwardine ontvangen had, en waarin hem bericht werd dat Tully-Veolan door een kleinen hoop soldaten bezet was, had deze omstandigheid den levendigen en werkzamen geest van het Opperhoofd getroffen. Daar hij verlangde de posten van den vijand te verontrusten en terug te drijven, alsmede het leggen eener bezetting zoo zeer in zijn eigene buurt wenschte te voorkomen, en hij te gelijk den Baron wilde verplichten, – want het denkbeeld van een huwelijk met Rose zweefde hem vaak voor den geest – besloot hij eenigen van zijn clan te zenden om de roodrokken te verjagen en Rose naar Glennaquoich over te brengen. Maar juist toen hij Evan met een kleine afdeeling bevel had gegeven tot deze onderneming, noodzaakte hem de tijding, dat Cope de Hooglanden was binnengerukt, ten einde de troepen van den Prins, alvorens deze zich verzamelden, te ontmoeten en te verstrooien, – zich met zijn geheele macht bij den standaard van Karel Eduard te voegen.

Voor dat Fergus vertrok, zond hij een bevel aan Donald Bean om zich bij hem te voegen; maar de sluwe vrijbuiter, die maar al te zeer de waarde van een afzonderlijk kommando kende, zond, in plaats van hem te gehoorzamen, eenige verontschuldiging, waarmede Fergus in den nood van het oogenblik, verplicht was genoegen te nemen, hetgeen hij evenwel niet deed zonder het heimelijk besluit, om, te gelegener tijd en plaats, wraak te nemen over dit uitstel. Daar hij echter aan de zaak niets veranderen kon, zond hij bevel aan Donald, om naar de Laaglanden af te zakken, de soldaten van Tully-Veolan te verdrijven, de woning van den Baron te ontzien, zich ergens in de nabijheid, tot bescherming van diens dochter en familie, te vestigen, en eindelijk om de detachementen gewapende vrijwilligers en soldaten, die hij in de buurt mocht ontmoeten, te verontrusten en te verjagen.

Daar deze last zeer onbepaald was, nam Donald zich voor dien op de voordeeligste wijze voor zichzelven uit te leggen, en daar hij niet meer in bedwang gehouden werd door de nabijheid van Fergus, dewijl hij, daarenboven uit hoofde van vroegere geheime diensten eenigen invloed in den raad des Prinsen bezat, besloot hij het ijzer te smeden, terwijl het heet was. Het kostte hem dan niet veel moeite, de krijgslieden van Tully-Veolan te verjagen; maar hoewel hij het niet waagde, eenigen inbreuk te maken op de rust van het gezin, noch Freule Rose lastig te vallen, daar hij er niet op gesteld was, zich een machtigen en onverzoenbaren vijand in des Prinsen leger te maken, en hij maar al te goed wist, hoe zwaar de wraak des Barons treffen kon, begon hij met het heffen van schatting en afpersingen op het landvolk, in éen woord, met den oorlog voor zijn bijzonder voordeel te voeren.

Intusschen zette hij de witte kokarde op, en maakte zijn opwachting bij Rose, terwijl hij een grooten eerbied aan den dag legde voor de dienst, waarin haar vader zich had begeven, en een aantal verschooningen vroeg voor de vrijheden, die hij, tot onderhoud van zijn volk, zich noodwendig moest veroorloven. Juist op dit oogenblik vernam Rose, door de nooit tot zwijgen gebrachte faam, die gewoonlijk op overdrijving belust is, dat Waverley den smid te Cairnvreckan, terwijl deze hem trachtte gevangen te nemen, had gedood, dat hij vervolgens door majoor Melville van Cairnvreckan in een gevangenis geworpen was, en binnen drie dagen door een vonnis van de militaire rechtbank zou ter dood gebracht worden. Gedreven door den wanhopigen angst, welken deze tijdingen te weeg gebracht hadden, sloeg zij Donald Bean voor, den gevangene te ontzetten. Dit was juist de soort van dienst, waarnaar hij verlangde, in de overtuiging dat hij dien als van zooveel gewicht, zou kunnen doen gelden, dat men daarom al de onbeschoftheden, waaraan hij zich, in de landstreek, mocht hebben schuldig gemaakt, in het vergeetboek stellen zou. Hij was echter zoo slim, om, terwijl hij gedurig van zijn plicht en ambt sprak, zoo lang de toeven, tot de arme Rose door smart en verlegenheid tot het uiterste gebracht, besloot hem tot de onderneming over te halen, door middel van eenige kostbare juweelen, die aan haar moeder hadden toebehoord.

Donald Bean, die in Fransche dienst was geweest, kende de waarde dezer sieraden, of berekende ze misschien zelfs te hoog. Maar aan den anderen kant bespeurde hij hoe Rose bevreesd was voor de ontdekking, dat zij hare juweelen voor de bevrijding van Waverley had gegeven. Nadat hij besloten had, dat zijn buit hem door dit bezwaar niet ontgaan zou, bood hij vrijwillig aan een eed te doen, om nooit van Freule Roses aandeel aan de zaak een woord te reppen; en, daar hij er voordeel in zag den eed te houden, en geen zweem van uitzicht op winst wanneer hij dien brak, nam hij de verbindtenis op zich – om, gelijk hij aan zijn luitenant zeide, eerlijk met de jonge dame te werk te gaan, – onder dien eenigen vorm, welken hij, volgens een stilzwijgende overeenkomst met zichzelven, voor verbindend hield – namelijk door stilzwijgendheid op zijn ontblooten dolk te zweren. Hij werd te meer tot deze daad van goede trouw bewogen, door eenige beleefdheden, welke Freule Bradwardine aan zijn dochter Alice had bewezen, en die, terwijl zij het hart van het bergmeisje wonnen, den trots van haar vader niet weinig streelden. Alice, die thans een weinig Engelsch spreken kon, was, ter vergelding van Roses vriendelijkheid, zeer openhartig, en vertrouwde haar al de papieren, die de kuiperijen met Gardiners regiment betroffen, en door haar in bewaring genomen waren, toe, terwijl zij op Roses aansporing, even gereedelijk besloot, ze, buiten haar vaders weten, Waverley in handen te spelen. „Want zij kunnen de goede Freule en den knappen jongen heer misschien plezier doen,” dacht Alice, „en wat heeft mijn vader aan eenige vellen bekrabbeld papier?”

De lezer weet, dat zij gelegenheid vond om haar voornemen, des avonds voor dat Waverley het dal verliet, ten uitvoer te brengen. Hoe Donald zijn onderneming volvoerde, is hem evenzeer bekend.

Maar de verdrijving der soldaten van Tully-Veolan had opzien gebaard en terwijl Donald op den loer lag tegen Gilfillan, werd een sterke afdeeling, die Bean Lean wel uit het hoofd zou laten te bestrijden, uitgezonden, om de opstandelingen op hun beurt terug te drijven, zich daar neêr te slaan en de landstreek te beschermen. De officier, een fatsoenlijk man en voorstander van tucht, drong zich even zoo min in bij Freule Bradwardine, wier verlaten toestand hij eerbiedigde, als hij zijn soldaten toestond de minste ongeregeldheid te plegen. Hij sloeg een klein kamp op, op een hoogte, dicht bij het huis van Tully-Veolan, en plaatste de noodige wachten bij al de verschillende bergengten in de nabijheid. Dit onaangenaam nieuws kwam ter ooren van Bean Lean, toen hij naar Tully-Veolan terug keerde. Maar, dewijl hij het loon van zijn arbeid ongaarne wilde missen, besloot hij, daar de toegang tot Tully-Veolan onmogelijk was, zijn gevangene in Janets hut te brengen, waarvan het bestaan zelfs ter nauwernood vermoed kon worden door hen, die lang in de nabuurschap gewoond hadden, als ze niet opzettelijk daarheen werden gebracht, en welke plaats Waverley zelven volkomen onbekend was. Na dit volbracht te hebben, vorderde en verkreeg hij zijn belooning. Waverleys ongesteldheid was iets dat al hun berekeningen deed falen, en Donald was genoodzaakt, met zijn bende, de buurt te verlaten, en elders een ruimer tooneel voor zijn avonturen te zoeken. Op Roses dringende bede liet hij een oud man achter, een kruidlezer, die verondersteld werd iets van de geneeskunst te verstaan, en die zich belastte met Waverley, gedurende diens ziekte.

Intusschen werd het hart der arme Rose weldra door duizend nieuwe folteringen gekweld. Zij vernam van de oude Janet, dat er een prijs op het hoofd van Waverley gesteld was, en daar hetgeen hijzelf bij zich had zoo veel waarde bezat, was er geen zeggen van of Donald wel aan de verzoeking zou kunnen weêrstand bieden. Geslingerd door vrees en smart, nam Rose het stoute besluit, om den Prins zelven het gevaar te ontdekken, waaraan Waverley was bloot gesteld, overtuigd dat Karel Eduard, niet minder als staatsman, dan als man van eer en menschelijkheid, er belang in zou stellen, om te voorkomen, dat hij in handen der vijandelijke partij viel. Eerst meende zij dezen brief naamloos te zenden; maar natuurlijk vreesde zij, dat hij er in dat geval geen acht op zou slaan. Zij zette er dus haar naam onder, hoewel met tegenzin en vrees, en vertrouwde dien aan een jong man toe, die, terwijl bij zijn boerderij ging verlaten, om zich bij het leger van den Prins te voegen, haar om de een of ander soort van geloofsbrief verzocht voor den avonturier, van wien hij een officiersplaats hoopte te verkrijgen.

De brief kwam Karel Eduard in handen, juist toen hij naar de Laaglanden afzakte, en daar hem het staatkundig belang maar al te zeer bekend was, dat er voor hem in de veronderstelling gelegen was, dat hij in verbindtenis stond met de Engelsche Jacobieten, deed hij aan Donald Bean Lean de stelligste bevelen overbrengen, om Waverley veilig en ongeschonden, zoowel in persoon als wat zijn goed betrof, bij den gouverneur van Doune-Castle te bezorgen. De vrijbuiter durfde niet ongehoorzaam zijn, want het leger van den Prins was nu zoo dicht in de buurt, dat de straf dadelijk op het verraad zou hebben kunnen volgen. Daarenboven was Donald een staatkundige, zoo wel als een roover, en niet geneigd om de gunst, welke zijn vroegere geheime diensten hem verworven hadden, bij deze gelegenheid door weerspannigheid te verspelen. Hij maakte dus uit den nood een deugd, en gaf bevel aan zijn luitenant, om Waverley naar Doune te geleiden, hetwelk op de, in een vorig hoofdstuk vermelde wijze, veilig werd volbracht. De gouverneur van Doune had order hem, als krijgsgevangen, naar Edinburgh op te zenden, daar de Prins vreesde, dat, indien Waverley in vrijheid gesteld was, hij zijn voornemen weder opvatten mocht, om naar Engeland te gaan, zonder hem gelegenheid te hebben gegeven tot een persoonlijke ontmoeting. Hier handelde hij, eigenlijk, volgens den raad van het Opperhoofd van Glennaquoich, met wien, gelijk men zich herinneren zal, de Prins zich onderhield over de wijze, waarop met Eduard moest gehandeld worden, maar zonder dezen te zeggen, hoe hem de plaats zijner opsluiting bekend was geworden.

Inderdaad beschouwde Karel Eduard den brief, dien hij over dit onderwerp ontvangen had, als een dames geheim, ofschoon Roses schrijven in de allervoorzichtigste en meest algemeene bewoordingen vervat was, en schijnbaar alleen in de pen gegeven werd door beweegredenen van menschelijkheid en ijver voor ’s Prinsen dienst. Evenwel drukte zij zulk een vurig verlangen uit, dat niemand hoegenaamd een woord er van vernemen mocht, dat zij zich met de zaak had ingelaten, dat de Prins daardoor op de gedachte kwam, van het groot belang dat zij in het behoud van Waverley stelde. Deze, overigens welgegronde, gissing verleidde hem nogtans tot valsche gevolgtrekkingen. De aandoening, die Waverley op het bal van Holyrood, bij het naderen van Flora en Rose liet blijken, werd door den Prins op rekening gesteld van de gevoelens die Eduard voor de laatste koesterde; en bij zichzelven maakte hij het besluit op, dat het voornemen van den Baron aangaande de beschikkingen over zijn landgoed, of eenig dergelijk bezwaar, hun onderlinge genegenheid dwarsboomde. Dikwijls, wel is waar, schonk het gerucht Waverley aan Freule Mac-Ivor; maar de Prins wist, dat het gerucht mild is in deze soort van giften, en terwijl hij het gedrag der beide dames jegens Waverley aandachtig gadesloeg, twijfelde hij niet, of de jonge Engelschman gevoelde volstrekt geen liefde voor Flora, terwijl hij door Rose Bradwardine bemind werd. Daar hij Waverley aan zijn dienst wenschte te verbinden, en niet minder verlangde een daad van welwillendheid en vriendschap te verrichten, nam de Prins bij den Baron de eerste de beste gelegenheid te baat, om hem over het doen overgaan van het landgoed op zijn dochter te onderhouden. De heer Bradwardine gaf zijn toestemming; maar het gevolg er van was, dat Fergus onmiddellijk besloot met zijn dubbel aanzoek, om een vrouw en een graafschap, voor den dag te komen, hetwelk door den Prins, zoo als wij gezien hebben, werd afgeslagen. De Prins, onophoudelijk met zijn eigene veelvuldige bezigheden bezet, had tot hiertoe nog geen onderhoud met Waverley over deze zaak gehad, ofschoon hij zich dikwijls voorgenomen had er over te spreken. Maar na het door Fergus betuigde verlangen, zag de Prins er de noodzakelijkheid van in, om tusschen de medeminnaars onzijdig te schijnen, in de stille hoop, dat de zaak, die zoo veel zaden van tweedracht in zich scheen te bevatten, zou kunnen blijven rusten tot na den afloop der onderneming. Maar toen, op den marsch naar Derby, de Prins aan Fergus de reden van zijn twist met Waverley gevraagd had, en het Opperhoofd als oorzaak bijbracht, dat Eduard gezind was, het aanzoek door dezen om de hand zijner zuster gedaan, in te trekken, zeide hem de Prins ronduit, dat hijzelf Freule Mac-Ivors gedrag ten opzichte van Waverley had gadegeslagen, en ten volle overtuigd was, dat er een misverstand bij Fergus heerschte in het beoordeelen van Waverleys handelwijze, die, gelijk hij alle reden had te gelooven, aan Freule Bradwardine gehecht was. De hieruit tusschen Eduard en het Opperhoofd der Mac-Ivors ontstane twist ligt, hoop ik, den lezer nog in het geheugen. – Deze omstandigheden zullen voldoende zijn, om zoodanige punten van ons verhaal toe te lichten, als wij, volgens de gewoonte van alle vertellers, gepast oordeelden vooreerst in het duister te laten, met het oogmerk om de nieuwsgierigheid van den lezer te prikkelen.

Toen Janet eenmaal de voornaamste door ons aangegeven feiten had verklaard, was Waverley gemakkelijk in staat, het kluwen, dat deze hem in handen stelde, ook voor andere geheimen van het doolhof, waarin hij verward was geweest, te gebruiken. Aan Rose Bradwardine was hij derhalve het leven verschuldigd, hetwelk hij nu meende gaarne in haar dienst te willen opofferen. Bij een weinig nadenken echter werd hij overtuigd, dat het gepaster en aangenamer was voor haar te leven, en dat, daar hij in het bezit van een onafhankelijke fortuin was, zij ze met hem zou kunnen deelen, hetzij in den vreemde, of in zijn eigen vaderland. Het genoegen van verzwagerd te zijn aan zulk een achtenswaardig man als de Baron, en van wien zijn oom sir Everard zoo veel werk maakte, was ook een aangename gedachte, al had er anders nog iets ontbroken, om het huwelijk gewenscht te maken. De zonderlinge gewoonten van den man, die hem geweldig belachelijk waren voorgekomen gedurende zijn voorspoed, schenen bij den ondergang van zijn gelukszon in volkomen harmonie met de edele trekken van zijn karakter, en er het eigenaardige van te verhoogen, zonder daarom den lachlust op te wekken. Met dusdanige ontwerpen van toekomstig geluk vervuld, begaf Eduard zich naar klein Veolan, de woning van den heer Duncan Mackwheeble.

TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Nu is Cupido een eerlijk kind. – Hij vergoedt. Shakespeare.

De heer Duncan Mackwheeble, die commissaris noch rentmeester meer was, hoewel nog in het bezit van den blooten titel der laatste waardigheid, was de verbanning ontgaan, door bijtijds de partij van den opstand te verlaten, maar bovenal door zijn volslagene onbeduidendheid.

Eduard vond hem op zijn kantoor, onder papieren en rekeningen begraven. Vóor hem stond een groote kom havermeelpap, en aan zijn linkerhand een hoornen lepel en een flesch bier. Terwijl hij zijn oog met inspanning over een groot rechtsgeleerd stuk liet gaan, stak hij van tijd tot tijd een grooten lepel vol van deze voedzame spijs in zijn wijden mond. Een tweede lijvige flesch met brandewijn, die er bij stond, gaf óf te kennen, dat de brave rechtsgeleerde reeds zijn morgenslok had genomen, óf dat hij voornemens was zijn pap door een afzakkertje te doen volgen, of wellicht had men beide veronderstellingen kunnen laten gelden. Zijn slaapmuts en nachtrok waren weleer van tartan geweest, maar, even voorzichtig als spaarzaam, had de rentmeester ze laten verwen, opdat haar oorspronkelijke, onheilspellende kleur, diegenen welke hem mochten bezoeken, niet aan zijn ongelukkigen uitstap naar Derby herinneren zou. Om zijn portret te voltooien, was zijn gelaat tot aan de oogen met snuif, en waren zijn vingers tot aan de toppen met inkt bemorst. Hij keek Waverley met een vragenden blik aan, toen deze het groene hekje binnentrad, waardoor zijn tafel en stoel voor de nadering van het gemeen beschermd werden. Niets kon den rentmeester meer kwellen, dan als een bekende aangesproken te worden door iemand der ongelukkige heeren, die nu voortaan veel meer bijstand schenen te zullen behoeven, dan ze voordeel konden aanbrengen. Maar dit was de rijke jonge Engelschman – wie wist hoe zijn toestand was? – ook was hij de vriend van den Baron – wat hier te doen?

Deze gedachten gaven iets links en neerslachtigs aan de houding van den armen man. Waverley, vervuld met de mededeeling, die hij doen wilde, vond Mackwheeble’s stemming geheel in tweestrijd daarmede, zoodat hij niet kon nalaten in een luiden lach uit te barsten, terwijl hij de neiging onderdrukte, om met Syphax, uit Addison’s Cato, uit te roepen:

„Nu Cato is de man om hem te maken tot Vertrouwling eens verliefden”

Daar de heer Mackwheeble zich maar niet kon verbeelden dat iemand hartelijk lachen kon, als hij door gevaar omringd, of door armoede gedrukt was, zoo verbande de opgeruimdheid die op Eduards gelaat te lezen stond, eenigszins het bedrukte van zijn eigen gezicht, en terwijl hij hem tamelijk hartelijk welkom op Klein Veolan heette, vroeg hij waarmede hij verkoos te ontbijten. Zijn bezoeker had in de eerste plaats, iets in het bijzonder met hem te verhandelen, en verzocht vrijheid om den grendel op de deur te mogen schuiven. Duncan was lang niet ingenomen met het nemen van deze voorzorg, die bewees dat er gevaar te duchten was; maar hij kon niet terugtreden.

Overtuigd dat hij op den rentmeester kon bouwen, daar diens belang het medebracht dat hij hem getrouw zou blijven, deelde Eduard zijn tegenwoordigen toestand, en zijn plannen voor de toekomst, aan Mackwheeble mede. De slimme vogel luisterde eerst met alle teekenen van beschroomdheid, toen hem, om te beginnen, medegedeeld werd, dat Waverley nog een staatkundige balling was – maar troostte zich eenigszins, toen hij hoorde dat hij in het bezit van een paspoort was – en zette groote oogen op, toen hij het schitterende zijner vooruitzichten vernam. – Toen hij echter zijn voornemen te kennen gaf, om zijn voorspoed met Freule Rose Bradwardine te deelen, had de verrukking den braven man bijna van zijn zinnen beroofd. De rentmeester sprong van zijn kantoorstoel op, gelijk de Pythonesse van haar drievoet, smeet zijn beste pruik uit het raam, omdat de bol, waarop ze geplaatst was, hem hinderde in zijn loop, wierp zijn muts tegen den zolder, en ving ze in het vallen weer óp, floot Tulloch-gorum, danste in ’t rond met onnavolgbare bevalligheid en vlugheid, en wierp zich daarop uitgeput in een leuningstoel, onder den uitroep van: „Lady Waverley! tien duizend pond ’s jaars, en geen duit minder! – De Heer beware me dat ik het verstand niet verlies!”

„Amen, van ganscher harte” zeide Waverley; „maar mijnheer Mackwheeble, laat ons thans tot de zaken overgaan.” Dit laatste woord bracht een min of meer bedarende uitwerking teweeg; maar des rentmeesters hoofd was, gelijk hij het zelf uitdrukte, nog „op hol.” Hij vermaakte echter zijn pen, liniëerde een half dozijn vellen papier, met een breeden rand, haalde Dallas van St. Martins „Stijl” van een plank, waar dat eerbiedwaardige werk naast Stairs Instituten, Dirletons Twijfelachtige Gevallen, Balfours Praktijk en een pak oude rekenboeken stond te vermolmen – sloeg het boekdeel bij het artikel huwelijks-contract, op, en maakte zich gereed om, zoo als hij het noemde, „een klein minuut op te maken, ten einde partijen te beletten terug te treden.”

Het kostte Waverley vrij wat moeite hem aan het verstand te brengen, dat hij een weinig overhaast te werk ging. Hij deed hem in de eerste plaats verstaan dat hij zijn bijstand zou noodig hebben, om te weten of zijn verblijf hier voor het oogenblik volkomen veilig was, door aan den officier op Tully-Veolan te schrijven, „dat de heer Stanley, een Engelsch edelman, na verwant aan kolonel Talbot, zich wegens zaken ophield bij den heer Mackwheeble, en, daar deze met den staat des lands bekend was, hem zijn paspoort opzond, om door kapitein Forster nagezien te worden.” Dit had een beleefd antwoord ten gevolge van den officier, met een uitnoodiging voor den heer Stanley, om bij hem te komen eten; waarvoor, onder voorwendsel van bezigheden, (gelijk zich gemakkelijk denken laat) werd bedankt.

Waverleys tweede verzoek was, dat de heer Mackwheeble een man te paard zou afzenden naar **, de plaats, waar kolonel Talbot hem zou schrijven, met bevel om daar zoo lang te wachten, tot de post een brief zou brengen voor den heer Stanley, en dien met den meesten spoed naar Klein Veolan te bezorgen. In een oogenblik was de rentmeester op weg om zijn leerling (of knecht, zoo als hij zestig jaar geleden werd genoemd) Jock Scriever, op te zoeken, en er was heel weinig tijd noodig om Jock op den grijzen hit te doen stijgen.

„Draag zorg dat ge hem goed rijdt, jongetje, want hij is wat kort van adem, sedert – hm, hm! – De Heere bewaar me! (met een zachte stem) ik zou hebben laten uitlekken – sedert ik spoorslags reed om den Prins te halen, ten einde Vich Ian Vohr en den heer Waverley te scheiden, en een duchtigen val voor mijn moeite kreeg. De Heer vergeve het u! Ik had den hals kunnen breken! – ja zeker, het was een erg ding van het begin tot het einde; – maar dit vergoedt alles. – Lady Waverley! – tien duizend pond ’s jaars! God zegene ons!”

„Maar ge vergeet, mijnheer Mackwheeble, dat wij de toestemming van den Baron noodig hebben, en die van de jonge dame.” –

„Geen zwarigheid, ik sta voor hen in – ik verbind mij persoonlijk voor beide! – Tien duizend pond ’s jaars! het slaat Balmawhapple mors dood – éen jaar van zulke inkomsten is geheel Balmawhapple waard, met al wat er bij behoort. De Heer make ons dankbaar!”

Om den stroom zijner aandoeningen te keeren, vroeg Eduard, of hij sedert kort iets vernomen had van het opperhoofd van Glennaquoich?

„Geen woord,” antwoordde Mackwheeble, „dan dat hij nog in het kasteel van Carlisle was, en spoedig op leven of dood voor de rechters zou worden gebracht. Ik wensch het jonge heerschap geen kwaad,” zeide hij, „maar ik hoop, dat die hem gevangen hebben, hem zullen houden, en hem niet weer naar zijn Hooglanders laten terugkeeren, om ons te kwellen met schatting en allerlei soort van tirannieke, gewelddadige en ondeugende onderdrukkingen en diefstal, hetzij voor hem in eigen persoon, hetzij voor anderen, die hij als verscheurende honden uitzond. En als hij op deze wijze geld gewonnen had, wist hij het niet eens te bewaren, maar smeet het die ijdele Prinses, ginds te Edinburgh, in den schoot – wel was het: zoo gewonnen, zoo geronnen. Voor mij, ik wensch nooit weêr een Hooglander in deze streek te zien, noch een roodrok, noch een geweer, of het mocht zijn, om een patrijs te schieten: – het is oud lood om oud ijzer; en hebben ze u kwaad gedaan, en al hebt ge getuigen en vonnis en wat niet tegen hen, wat baat het u? Ze hebben geen duit om te betalen; ge behoeft het dus niet eens te vragen.”