Chapter 28 of 50 · 3919 words · ~20 min read

Part 28

„Met uw verlof, kolonel Mac-Ivor, niet zoo gemakkelijk als ge schijnt te denken. Ik geloof gaarne, dat uw volk de Hooglanden verliet, ontdaan van allen last der bagage; maar het is niet te zeggen, welk een menigte nuttelooze prullen zij op hun marsch hebben verzameld. Ik zag een uwer knapen – ik vraag u nogmaals verschooning! – met een spiegel op den rug.”

„Ja, ja,” zeide Fergus, vroolijk gestemd, „en als ge hem gevraagd hadt, zou hij u geantwoord hebben: „een vliegende kraai vindt altijd wat.” – Maar komaan, waarde Baron, ge weet even goed als ik, dat een honderdtal Uhlanen of een kompagnie Pandoeren meer spels in een land zouden maken, dan deze ridder van den spiegel en al onze clans bij elkaâr.”

„Dat is ook zeer waar, Kolonel,” zeide de Baron; „ze zijn, gelijk een Heidensch schrijver zegt, „ferociores in aspectu, mitiores in actu; van een vreeselijk en grimmig voorkomen, maar beter in hun gedrag, dan hun voorkomen of gelaat zou doen denken. – Maar, ik sta hier, met u, jonge borsten, te praten, terwijl ik in ’s Konings park moest zijn.”

„Maar wilt ge,” zeide Fergus, „bij uwe terugkomst met Waverley en mij het middagmaal gebruiken? Ik verzeker u, Baron, dat, ofschoon ik leven kan als een Hooglander, waar de nood het vordert, ik mijn Parijsche opvoeding niet vergeten ben, en houd van la meilleure chère.”

„En wie drommel twijfelt daaraan,” viel de Baron lachend uit, „wanneer gijlieden alleen de kookkunst medebrengt, en de goede stad de bouwstoffen moet leveren? – Wel, ik heb het een en ander te doen in de stad – maar, ik zal te drie ure bij u wezen, als het middagmaal zoo lang wachten kan.”

Dit zeggende, nam hij afscheid van zijn vrienden, en ging den last volvoeren, die hem opgedragen was.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

EEN SOLDATEN MAALTIJD.

Jaap van de Naald was een man van zijn woord, wanneer de sterke drank er buiten bleef; en Callum Beg, die zich nog bij Waverley als in schuld beschouwde, omdat deze geweigerd had vergoeding aan te nemen, ten koste van den kastelein uit de Kandelaar, nam deze gelegenheid waar, om de verplichting af te doen, door de wacht te houden over den erfelijken kleedermaker van den stam Ivor, en „zat hem,” gelijk hij zich uitdrukte, „dicht op de huid, tot hij het pak af had.” Om zich van dezen dwang te ontslaan, vloog Shemus’ naald door de stof met de snelheid van den bliksem; en daar de kunstenaar niet ophield de eene of andere vreeselijke schermutseling van Fin Macoul [131] te bezingen, zoo deed hij ten minste drie steken bij den dood van elken held. De kleeding was dus spoedig gereed; want het korte vest paste, en het overige van de uitrusting vorderde weinig moeite.

Toen onze held met fierheid het gewaad van den ouden Gael aantrok, dat wel geschikt was om een voorkomen van stoutheid aan een gestalte te geven, die, hoezeer rank en welgemaakt, eer sierlijk dan krachtig was, zullen mijn lezers hem, naar ik hoop, het wel willen vergeven, indien bij zich meer dan eens in den spiegel bekeek, en niet kon nalaten te erkennen, dat het beeld dat van een knap jong mensch was. In waarheid, hier was geen verbloemen aan. Zijn lichtbruin haar – want hij droeg geen pruik, al was dit in dien tijd de algemeene mode – paste bij de muts, die het dekte. Zijn gestalte verried vastheid en vlugheid, waaraan de breede plooien van den tartan iets waardigs gaven. Zijn blauw oog scheen van die soort,

„Die smelten in liefde, en die vonklen in den strijd,”

en een schijn van bedeesdheid, die werkelijk niets anders was dan het gevolg van zijn weinigen omgang met de menschen, verleende iets belangwekkends aan zijn trekken, zonder de bevalligheid of de schranderheid, welke ze kenmerkten, te schaden. „Hij is een mooi man – een heel mooi man,” zeide Evan Dhu (nu vaandrig Maccombich) tot Fergus’ knappe gastvrouw.

„Hij is heel wel,” zeide de weduwe Flockhart, „maar op verre na zoo mooi niet als uw kolonel, vaandrig.”

„Ik wilde hem niet vergelijken,” zeide Evan, „ook sprak ik niet van zijn bijzondere schoonheid, maar alleen, dat mijnheer Waverley er netjes en vlug uitziet, en als een borst, die zich niet op de teenen zal laten trappen. En inderdaad, hij is vlug genoeg met sabel en schild. Ik heb zelf eens met hem geschermd te Glennaquoich, en ook Vich Ian Vohr dikwijls, op een Zondag namiddag.”

„God vergeve het u, vaandrig Maccombich! Ik ben er zeker van, dat de kolonel nooit zoo iets gedaan heeft.”

„Hola! hola! vrouw Flockhart; wij hebben jong bloed, moet ge weten; en jonge heiligen, oude duivels!”

„Maar gaat ge morgen vechten tegen Sir John Cope, vaandrig Maccombich?” vroeg vrouw Flockhart aan haar gast.

„Wis en zeker, dat beloof ik hem, namelijk als hij ons wachten durft, vrouw Flockhart.”

„En zult ge aan die verschrikkelijke wezens, de dragonders, het hoofd bieden, vaandrig Maccombich?” vroeg de waardin op nieuw.

„Klauw om klauw, zoo als Conan tegen den Satan zei, vrouw Flockhart en de duivel hale den kortsten!”

„En zal de Kolonel zich in het gedrang der bajonetten wagen?”

„Daar kan ik een eed op doen, vrouw Flockhart; hij zal, bij Sint Pieter, de voorste zijn.”

„Barmhartige goedheid!” riep de weduwe diep getroffen uit, „en als hij vermoord wordt door de roodrokken!”

„Zoo dat gebeurde, vrouw Flockhart, dan ken ik er een, die hem niet overleven zal om hem te beschreien. Maar laat ons ten minste vandaag nog leven en ons middagmaal gebruiken; en zie daar is Vich Ian Vohr, met den heer Waverley, die eindelijk zijn bekomst er van heeft om ginds voor den grooten spiegel te draaien, en die oude leelijke kerel, de baron Bradwardine, die den jongen Ronald van Ballenkeiroch dood schoot, op de hielen gevolgd door dat wonderlijke stuk van een mensch, dien ze Mackwheeble noemen, de heer van Kittlegabs, de Fransche kok met zijn hond, die het spit draait, achter hem drentelende; en ik heb honger als een wolf, mijn goede weduw; dus zeg aan Kaat, dat zij de soep opdraagt en zet de pinners [132] op; want gij weet, Vich Ian Vohr zal niet gaan zitten, voordat gij aan het hoofd van de tafel plaats hebt genomen, – en vergeet het fleschje brandewijn niet, hoor wijfje!”

Op dezen wenk werd het middagmaal op tafel gezet. Vrouw Flockhart, die van uit haar weduwkap, als de zon door den nevel glimlachte, plaatste zich aan het hoofd van de tafel, terwijl zij misschien bij zichzelve naging, hoe weinig zij er zich over bekommerde, of de opstand ook lang duurde, die haar in een gezelschap bracht, hetwelk zoo ver boven haar gewonen vriendenkring verheven was. Zij had Waverley en den Baron naast zich, terwijl zij het genoegen smaakte van het Opperhoofd tegenover zich te zien. De man des vredes en van den oorlog, de rentmeester Mackwheeble en vaandrig Maccombich, namen, na een aantal buigingen voor hunne meerderen en tegen elkander, plaats, ieder aan een zijde van het Opperhoofd. Tijd, plaats en omstandigheden in aanmerking genomen, was hun onthaal uitnemend, en Fergus bij uitstek opgeruimd. Zich om geen gevaar bekreunende, en luchthartig van aard, opgewonden door jeugd en eerzucht, zag hij in zijne verbeelding al zijne verwachtingen door het geluk bekroond, en liet hij zich in ’t geheel niet storen door den kans op een krijgsmansdood. De Baron verontschuldigde zich met een paar woorden dat hij Mackwheeble had meêgebracht. „Zij hadden ons onledig gehouden,” zeide hij, „met de zorgen voor de uitgaven van den oorlog. En op mijn woord,” zei de oude man, „daar ik denk dat dit wel mijn laatste veldtocht zal zijn, zoo eindig ik juist waar ik begonnen ben. – Ik heb het altijd moeielijker gevonden aan „de zenuwen van den oorlog” te komen, gelijk een geleerd schrijver de caisse militaire noemt, dan bij het vleesch „het bloed of de beenderen.””

„Hoe!” riep Fergus, „ge hebt het eenige korps ruiterij opgericht dat van beteekenis voor ons is; en hebt gij niets van de louis d’or uit de Doutelle [133] gekregen om u te ondersteunen?”

„Neen, Glennaquoich; knapper lui zijn mij voor geweest.”

„Dat is inderdaad schande,” zei de Hooglander; „maar ge zult met mij deelen wat van den mij verleenden onderstand over is. Het zal u van nacht eene angstige gedachte besparen, en morgen op hetzelfde neêrkomen, want op de een of andere wijze, zullen wij allen, eer de zon ondergaat, bezorgd zijn.” Waverley deed, sterk kleurende, maar met den grootsten ernst, hetzelfde aanbod.

„Ik dank u beiden, beste jongens,” antwoordde de baron, „maar ik wil geen inbreuk maken op uw peculium. Mackwheeble heeft de vereischte som verschaft.”

Hier draaide de rentmeester onrustig op zijn stoel, en scheen alles behalve op zijn gemak. Ten laatste, na verscheiden malen gekucht te hebben en na telkens herhaalde betuigingen van zijne toewijding aan zijns heeren dienst, bij nacht of bij dag, levend of dood, begon hij te kennen te geven: „dat de bankiers hun gereed geld in het kasteel hadden geborgen; dat, zonder twijfel, Sandie Goldie, de zilversmid, veel voor mijnheer den Baron doen zou, maar dat er niet veel tijd was om de waarborgsakten in orde te krijgen, en zeker, zoo Glennaquoich, of mijnheer Waverley het schikken konden, –”

„Laat mij van zoodanigen onzin niet meer hooren, Mijnheer,” riep de Baron, op een toon, die Mackwheeble deed verstommen, „maar handel, gelijk wij voor den eten zijn afgesproken, zoo ge in mijne dienst wenscht te blijven.”

Op dat stellige bevel waagde de rentmeester, ofschoon hij een gevoel had, alsof hij veroordeeld was om het bloed uit zijn eigene aderen in die van den Baron te doen overstorten, het niet een enkel woord meer uit te brengen. Maar na nog een poos op zijn stoel heen en weer te hebben geschoven, wendde hij zich tot Glennaquoich, en zeide hem, dat, zoo deze meer baargeld had, dan hem in het veld te pas kwam, hij het tegenwoordig voor hem kon uitzetten, in veilige handen en met groot voordeel.

Op dit voorstel schoot Fergus in een hartelijken lach, en antwoordde, toen hij weêr bij adem gekomen was: „Hartelijk dank, maar ge moet weten dat het onder ons, krijgslieden, een gewoon gebruik is; onze hospita tot onzen bankier te maken. Hier, vrouw Flockhart,” vervolgde bij, terwijl hij vier of vijf groote stukken uit een welgevulde beurs nam, en de beurs zelve, met den overigen inhoud, in haar schoot wierp, „dit zal voor mij voldoende zijn; neem gij de rest; wees mijn bankier, zoo ik leef; en mijn executeur, zoo ik sterf; maar draag zorg iets aan de Hooglandsche Cailliachs [134] te geven, die het coronach voor den laatsten Vich Ian Vohr het hardst zullen uitgalmen.”

„Dit is het testamentum militare,” zei de Baron, „hetwelk onder de Romeinen als een privilegie van mondelinge testamenten gold.” Maar het weeke hart van vrouw Flockhart smolt in haar binnenste, bij deze taal van het Opperhoofd; zij trok een bedroefd gezicht, en weigerde stellig het haar opgedragene te aanvaarden, zoodat Fergus verplicht was het terug te nemen.

„Welnu,” zei het Opperhoofd, „dan zal het, zoo ik sneuvel, den grenadier ten deel vallen, die mij de hersens inslaat, en ik zal zorgen dat hij het niet gemakkelijk verdient.”

Mackwheeble was weder in verzoeking om een woord mede te spreken; want waar het de kas gold, was het hem onmogelijk te zwijgen.

„Misschien zou het beter zijn dat hij het goud aan freule Mac-Ivor bracht, in geval van dood of eenige andere gebeurtenis. Men zou den vorm kunnen bezigen van een geschenk mortis causa, ten behoeve van de jonge dame; en het zou maar een pennestreek kosten, om het in orde te brengen.”

„De jonge dame,” zeide Fergus, „zou, indien zoo iets gebeurde, wel aan andere zaken te denken hebben, dan aan deze ellendige louis d’or.”

„Gij hebt volmaakt gelijk; – daar valt niets tegen in te brengen; maar Mijnheer weet wel, dat de zware rouw....”

„Door de meeste lieden beter te dragen is, dan een hongerige maag, niet waar, rentmeester, niet waar? Ik geloof zelfs dat er menschen zijn, die door zulk eene wijze overweging getroost zouden worden over het verlies van hunne geheele familie. Maar er is een rouw die honger noch dorst kent, en de arme Flora....” Hier zweeg hij, en het gansche gezelschap deelde in zijne ontroering.

De gedachten van den Baron bepaalden zich natuurlijk tot den onbeschermden toestand van zijne dochter, en een zware traan welde in het oog van den grijsaard. „Zoo ik kom te vallen, Mackwheeble, gij hebt al mijn papieren, en weet al mijn zaken; wees rechtvaardig omtrent Rose.”

De rentmeester was, in elk geval een mensch – van aardsche stof zoo als ieder ander – zeker voor het grootste gedeelte modder en slijk, maar hij bezat toch eenig gevoel voor billijkheid en, vooral wanneer het den Baron of zijne jonge meesteres gold. Hij hief dus een luiden jammerkreet aan. „Als die vreeselijke dag komen mocht, zou, zoo lang Duncan Mackwheeble een stuiver had, die aan freule Rose toebehooren. Hij wilde kopieërwerk doen voor een stuiver het blad, eer zij weten zou wat gebrek was; zoo inderdaad de schoone baronie van Bradwardine en Tully-Veolan, met zijne huizing en opslag (hij hield vol, bij iedere pauze, met snikken en schreien), hofstede, tuinen, veenen en gronden – buitenweiden, velden, boomgaarden, duivenhokken – met de rechten van net- en fleurvisscherij in het meer en water van Veolan – tienden, patroonschap enz. – annexis et connexis rechten van weide, turf, manschap en aanhoorigheden, hoedanig ook – (hier nam hij toevlucht tot het einde van zijn langen das, om zijne oogen af te droogen, daar zij, in spijt van hemzelven, overliepen bij de gedachten, welke deze brabbeltaal van kunsttermen te voorschijn riep) – alles breeder beschreven in de oorspronkelijke bewijsstukken en titels derzelve – en gelegen binnen de parochie van Bradwardine in het graafschap Perth – zoo deze, als voorzeid, moeten overgaan van mijns meesters kind op Inch-Grabbit, die een Whig is en een Hannoveraan, en bestuurd moet worden door zijn agent, Jamie Howie, die niet in staat is om veldwachter [135], laat staan om rentmeester te wezen.”

Het begin dezer weeklacht had inderdaad iets aandoenlijks; maar het einde maakte het onmogelijk om niet in lachen uit te barsten. „Geen nood, Mackwheeble,” zei vaandrig Maccombich, „want de goede oude tijden van rukken en plukken zijn terug gekomen, en Sneckus MacSnackus, (hij wilde waarschijnlijk annexis connexis zeggen) en de rest uwer vrienden zullen plaats moeten maken voor den langsten degen.”

„En die degen zal de onze zijn, rentmeester,” zeide het Opperhoofd, die wel zag dat Mackwheeble, bij deze kennisgeving, niet weinig verbleekte.

Wij geven hun graag onzer bergen metaal, Lillibulero, bullen a la. En in plaats van met munt doen wij af met het staal. Lero, lero, enz. Weldra zien we onzen kerfstok zoo effen als ooit, Lillibulero, enz. Want wie dùs is betaald vraagt, om afdoening nooit. Lero, lero, enz. [136]

„Maar kom, rentmeester, wees niet neerslachtig; drink uw wijn in rust; de Baron zal behouden en overwinnend op Tully-Veolan terugkeeren, en Killancureits landerijen met zijn eigen vereenigen, omdat de laffe, halfbakken knaap niet, als een braaf man, voor den Prins wil te velde trekken.”

„’t Is waar, de goederen grenzen aan elkaar,” zeide de rentmeester, terwijl hij zijn oog afveegde, „en behooren natuurlijk onder éen bestuur.”

„En ik,” ging het Opperhoofd voort, „zal ook voor mij zelven zorgen; want ge moet weten, dat ik hier een goed werk heb te verrichten, om vrouw Flockhart in den schoot der Katholieke Kerk te brengen, of ten minste halfweg, dat wil zeggen, tot aan uwe Episcopale vergaderzaal. O Baron! zoo ge haar schoone altstem hoordet, Kaatje en Matje des morgens aansporend, gij, die muziek verstaat, zoudt schrikken op het denkbeeld, van haar bij het psalmgezang van Haddo’s Hol [137] te hooren gillen.”

„De Hemel vergeve het u, kolonel, is dat doordraven! Maar ik hoop, dat de heeren thee zullen drinken, alvorens naar het paleis te gaan, en ik zal ze voor u zetten.”

Dit zeggende, liet vrouw Flockhart hen aan hunne eigene gesprekken over, die, gelijk men veronderstellen mag, hoofdzakelijk over de aanstaande gebeurtenissen van den veldtocht liepen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

HET BAL.

Vaandrig Maccombich vertrok naar het Hooglandsche kamp, werwaarts zijn plicht hem riep; de rentmeester Mackwheeble verwijderde zich, om zijn middagmaal te verteeren en als het kon ook Evan Dhu’s bedreiging van toepassing der krijgswet, in een of andere afgelegen kroeg, terwijl Waverley, de Baron en het Opperhoofd zich naar Holyrood-House begaven. De beide laatsten waren in een alleropgeruimdste stemming, en de Baron, op zijn wijze, plaagde onzen held over zijn uiterlijk, hetwelk de nieuwe kleeding zoo voordeelig deed uitkomen. „Als gij een of ander plan hebt tegen het hart van een aardig Schotsch meisje, zou ik u raden, als gij aanzoek bij haar doet, aan de woorden van Virgilius te denken:

Nunc insanus amor duri me Martis in armis, Tela inter media atque adversos detinet hostes.

welke verzen Robertson van Struan, Opperhoofd van den clan Donnochy. – tenzij de aanspraak daarop door Lude gemaakt de voorkeur moet hebben – heel sierlijk vertaald heeft.”

„Luister liever naar mijn lied,” zeide Fergus.

„Zij was niet gesteld op een Engelsch heer, Een Engelsche dame ook en wou ze niet wezen, Maar onder den plaid van Duncan Grame, Dien zij er zich uit had gelezen, Vertrok zij, en scheen niets te vreezen.”

Thans bereikten zij het paleis van Holyrood, en werden, toen ze de vertrekken binnentraden, een voor een aangediend.

Het is maar al te wel bekend, hoe vele heeren van rang, opvoeding en fortuin, deel namen aan de noodlottige en wanhopige onderneming van 1745. Desgelijks kozen ook de Schotsche dames zeer algemeen de partij van den beminnelijken en schoonen jongen Prins, die zich in de armen zijner deelnemende landslieden wierp, meer als een romanheld, dan als een wijze staatsman. Het is dus niet te verwonderen, dat Eduard, die het grootste gedeelte van zijn leven in de stille en statige afzondering van Waverley-Honour had doorgebracht, verblind werd door de levendigheid en de bevallige pracht van het tooneel, hetwelk de lang verlatene zalen van het Schotsche paleis thans opleverden. De bijzaken, het is waar, misten den noodigen luister, wegens de kortheid en de onrust van den tijd; maar dit belette niet, dat de algemeene indruk treffend was en zelfs schitterend mocht genoemd worden door den rang, dien het daar verzamelde gezelschap bekleedde.

Het duurde niet lang, of des minnaars oog ontdekte het voorwerp zijner liefde. Flora Mac-Ivor was juist bezig naar hare plaats terug te keeren, dicht aan het boveneinde van de zaal, met Rose Bradwardine aan haar zijde. In weerwil van het talrijke en luisterrijke gezelschap, hadden zij bijna de algemeene aandacht getrokken, daar ze ongetwijfeld twee van de schoonste der aanwezige vrouwen waren. De Prins maakte veel werk van beiden, bijzonder van Flora, met wie hij danste: een voorkeur, die zij waarschijnlijk aan haar buitenlandsche opvoeding en vaardigheid in de Fransche en Italiaansche talen te danken had.

Toen het algemeene gewoel, dat het einde van een dans gewoonlijk vergezelt, het toeliet, volgde Eduard, bijna werktuiglijk, Fergus naar de plaats, waar Flora gezeten was. De hoop, waarmede hij zijn genegenheid gedurende de afwezigheid van het beminde voorwerp had gevoed, scheen in hare tegenwoordigheid te verdwijnen, en gelijk iemand, die zich inspant om zich de bijzonderheden van een vergeten droom te herinneren, zou hij op dat oogenblik alles ter wereld gegeven hebben, om in het geheugen de gronden terug te roepen, waarop hij verwachtingen had gebouwd, die nu zoo ijdel en nietig schenen. Hij volgde Fergus met nedergeslagen oogen, gonzende ooren en het gevoel van een misdadiger, die, terwijl hij langzaam door de menigte henentreedt, welke vergaderd is om de voltrekking van zijn vonnis te zien, geen duidelijke bewustheid heeft, noch van het geraas dat zijn ooren treft, noch van het rumoer der menigte, waarover hij zijn verwilderde oogen laat rondwaren.

Flora scheen een weinigje – een klein weinigje – getroffen en ontroerd bij zijn nadering. „Ik breng u een aangenomen zoon van Ivor,” zeide Fergus.

„En ik ontvang hem als een tweeden broeder,” antwoorde Flora.

Er lag een ligte nadruk op het woord, die ieder oor zou ontgaan zijn, uitgenomen dat, hetwelk door koortsige vrees overmeesterd was. De toon was echter bepaald aangegeven en volkomen in overeenstemming met haar houding, en gaf blijkbaar te kennen: „Ik zal nooit aan den heer Waverley denken in eenige andere betrekking.” Eduard verstomde, boog en zag naar Fergus, die zich op de lippen beet, – een beweging van toorn, die bewees, dat hij insgelijks een ongunstige verklaring gaf aan de wijze, waarop zijn zuster zijn vriend had ontvangen. „Ziedaar dan het einde van mijn wakenden droom!” Dit was Waverleys eerste gedachte, en ze was zoo bij uitstek pijnlijk, dat ze hem voor een oogenblik doodsbleek maakte.

„Genadige Hemel!” riep Rose Bradwardine, „hij is nog niet hersteld!”

Deze woorden, welke ze met groote aandoening uitte, werden door den Prins zelven gehoord, die haastig vooruit trad, en, Waverley bij de hand vattende, vriendelijk naar zijn welstand vernam, en er bijvoegde dat hij hem wenschte te spreken. Door een krachtige en plotselinge inspanning die de omstandigheden noodzakelijk maakten, werd Waverley zichzelven in zoo verre meester, dat hij den Prins zwijgend kon volgen naar een afgelegen hoek van het vertrek.

Hier hield de Prins hem eenigen tijd op, terwijl hij een aantal vragen tot hem richtte over de groote Tory- en Katholieke familiën in Engeland, haar betrekkingen, haar invloed en haar gehechtheid aan het huis van Stuart. Op deze vragen had Eduard ten allen tijde niet anders dan algemeene antwoorden kunnen geven; en men kan gemakkelijk nagaan dat, in zijn tegenwoordige gemoedsgesteldheid, deze berichten tot verwardheid toe onnauwkeurig waren. De Prins glimlachte een paar malen over zijn ongerijmde antwoorden, maar zette hetzelfde onderhoud voort, ofschoon hij zich gedwongen vond zelf de voornaamste rol op zich te nemen, tot op het oogenblik waarin hij bespeurde, dat Waverley zijn tegenwoordigheid van geest had herwonnen. Het is waarschijnlijk dat deze lange audiëntie gedeeltelijk ten doel had om de meening te versterken, welke de Prins zoo vurig verlangde onder zijn aanhangers te zien bevorderd, dat Waverley iemand was van grooten staatkundigen invloed. Maar het bleek uit hetgeen hij later zeide, dat hij nog een andere beweegreden gehad had, om dit gesprek te rekken, een geheel verschillende reden, en wel een die van toegenegenheid vóor en belangstelling in onzen held getuigde. „Ik kan de verzoeking niet weêrstaan,” zeide hij, „om op mijn voorzichtigheid te roemen, als de vertrouwde van een schoone dame. Gij ziet, mijnheer Waverley, dat ik alles weet, en ik verzeker u, dat ik levendig belang stel in deze zaak. Maar, mijn beste jonge vriend, ge moet uw gevoelens beter weten te beteugelen. Er zijn hier een aantal lieden, wier oogen even helder zien als de mijne, maar op wier voorzichtigheid en stilzwijgendheid men niet zoo goed vertrouwen kan.”

Dit zeggende, keerde hij zich zonder gemaaktheid naar elders, terwijl hij Waverley achterliet om over zijn laatste woorden na te denken. Zoo deze woorden voor hem niet geheel verstaanbaar waren, waren ze toch voldoende om hem het noodzakelijke der hem aanbevolen voorzichtigheid te doen inzien, en terwijl hij dus een poging deed, om zich de belangstelling waardig te toonen, welke zijn nieuwe meester voor hem aan den dag had gelegd, door oogenblikkelijk diens wenk te gehoorzamen, wandelde hij op naar de plaats, waar Flora en Freule Bradwardine nog gezeten waren, en na de laatste gegroet te hebben, slaagde hij boven zijn verwachting er in om over onverschillige zaken met beide in gesprek te komen.