Chapter 46 of 50 · 3950 words · ~20 min read

Part 46

Inderdaad waren niet slechts de gevelde boomen weggeruimd, maar nadat men hunne stompen uitgegraven en de aarde rondom bespit en met gras bezaaid had was het blijkbaar, dat de sporen der vernieling, behalve voor een oog, dat van nabij met de plaats bekend was, reeds geheel uitgewischt waren. Er had een dergelijke hervorming plaats gehad met betrekking tot Davie Gellatleys uiterlijk, die hun te gemoet kwam en ieder oogenblik stilstond, om het nieuwe pak te bewonderen, dat zijn gestalte versierde, en van dezelfde kleuren was als eertijds, maar zoo fraai afgezet, dat Touchstone zelf [186] er gerust in had mogen voor den dag komen. Hij kwam aandansen met zijn gewone belachelijke sprongen, eerst naar den Baron, en toen naar Rose, terwijl hij met de handen over zijn kleederen streek en uitriep: „Schoon, Davie,” en nauwelijks in staat, door de buitensporige vreugde, die hem geheel buiten adem gebracht had, om een enkele slotrijm van zijn duizend en één liedjes uit te galmen. Desgelijks herkenden de honden hun ouden meester, met duizenderlei blijde sprongen.

„Op mijn geweten, Rose, de dankbaarheid van die stomme dieren en van dien armen hals brengen mij de tranen in de oude oogen, terwijl die schelm van een Malcolm – maar ik heb verplichting aan kolonel Talbot, dat hij zoo goed voor mijn honden heeft gezorgd, en ook voor Davidje. Maar, Rose, wij moeten niet toelaten, dat zij het landgoed als met een lijfrente blijven bezwaren.”

Terwijl hij sprak, kwam lady Emilia, aan den arm haars echtgenoots, het gezelschap aan de binnenpoort met duizend welkomstgroeten tegen. Nadat de plechtigheid der voorstelling van de onderscheidene personen voorbij was, niet weinig verkort door de voorkomendheid en uitnemende toon van lady Emilia, verontschuldigde zij zich dat zij zich een list veroorloofd had, om hen terug te brengen naar een plaats die licht eenige smartelijke herinneringen kon opwekken. „Maar daar deze van eigenaar moest veranderen, verlangden wij zeer dat de Baron – –”

„De heer Bradwardine, mevrouw, als ’t u belieft,” zei de oude heer.

„De heer Bradwardine dan, en de heer Waverley mochten zien, wat wij gedaan hebben, om het verblijf uwer vaderen in zijn vorigen toestand te herstellen.”

De Baron antwoordde met een diepe buiging. Inderdaad, toen hij het voorplein opkwam, scheen – met uitzondering van de lompe stallen, die afgebrand en door gebouwen van een lichter en bevalliger voorkomen vervangen waren – alles zoo veel mogelijk in den toestand hersteld, waarin hij het verlaten had, toen hij, slechts eenige maanden geleden te velde getrokken was. Het duivenhok was op nieuw bevolkt; de fontein zond weder met haar gewone vlugheid een waterstraal naar boven, en niet alleen de beer, die over het bekken stond, maar al de oude beeren, hoe zij er ook hadden uitgezien, waren naar hunne plaatsen teruggebracht, en met zoo veel zorg verniewd of hersteld, dat zij geen sporen van het geweld droegen, hetwelk hen nog zoo kort geleden getroffen had. Daar men in deze kleinigheden zoo zorgvuldig te werk was gegaan, is het nauwelijks noodig er bij te voegen, dat het huis zelf, zoowel als de tuinen, weder volkomen in orde gebracht waren, met inachtneming van het oorspronkelijke karakter van beide, en om, zoo veel mogelijk, alle sporen van de verwoesting weg te ruimen, die zij ondergaan hadden. De Baron staarde vol stille bewondering in het rond; eindelijk sprak hij kolonel Talbot aan.

„Terwijl ik u mijn dank betuig voor de herstelling van het wapen van onze familie, kan ik niet nalaten mij te verwonderen, dat gij nergens uw eigen wapen hebt aangebracht, kolonel Talbot, dat, naar ik meen, een bulhond is, van ouds een „talbot” genoemd. Ten minste, zulk een hond is het wapen der krijgshaftige en beroemde graven van Shrewsbury, aan wie uwe familie waarschijnlijk in den bloede bestaat.”

„Ik geloof,” zei de kolonel glimlachende, „dat onze honden, welpen zijn uit hetzelfde nest. Wat mij betreft, indien de wapens elkander den voorrang moesten betwisten, zou ik, zoo als het Engelsche spreekwoord zegt, „beeren en honden met elkander laten vechten.””

Terwijl hij dit zeide, waarbij de Baron nogmaals een lang snuifje nam, waren zij het huis binnengetreden: namelijk, de Baron, Rose, en lady Emilia, met den jongen Stanley en den rentmeester; want Eduard en het overige gezelschap bleven op het terras, om een nieuwe oranjerie te bezichtigen, die van de uitgezochtste planten voorzien was. De Baron kwam op zijn geliefkoosd onderwerp terug: „Hoezeer het u behagen moge, de eer van uw afkomst te kort te doen, kolonel Talbot, hetgeen zeker een zonderlingheid is, zoo als ik bij meer heeren van aanzien en geboorte in uw land heb waargenomen, zoo moet ik nogmaals herhalen, dat het eer zeer oud en aanzienlijk wapen is, zoowel als dat van mijn jongen vriend, Frans Stanley, hetwelk bestaat in een arend en een kind.”

„„De vogel en het jongetje”, wordt het in Derbyshire genoemd, mijnheer,” zei Stanley.

„Ge zijt een spotvogel, mijnheer,” zei de Baron, die veel met den jongeling ophad, misschien omdat hij hem somtijds plaagde, – „Ge zijt een spotvogel, en ik moet u eens onder handen nemen,” terwijl hij hem met zijn groote bruine vuist dreigde. „Maar wat ik zeggen wilde, kolonel Talbot, is, dat uw prosapia, dat wil zeggen, afkomst, zeer oud is, en daar gij dit landgoed goed en wettig hebt verkregen voor uw nakomelingen, terwijl ik het voor mij en de mijnen verloren heb, zoo wensch ik, dat het even vele eeuwen in uw familie moge blijven, als het in die der vorige bezitters geweest is.”

„Dat is inderdaad zeer beleefd, mijnheer Bradwardine, inderdaad zeer beleefd.”

„En toch verwondert het mij zeer, kolonel, dat gij, van wien ik, toen wij elkander te Edinburgh ontmoetten, heb opgemerkt, dat de amor patriæ zelfs zoo ver ging, dat gij andere landen eenigzins minachttet, verkozen hebt uw Lares of huisgoden, te plaatsen procul a patriæ finibus, en in zekeren zin u uit uw vaderland te verbannen.”

„Wel inderdaad, Baron, ik zie niet waarom, – door het geheim van deze dwaze knapen, Waverley en Stanley en van mijn vrouw, die geen zier wijzer is, te verzwijgen – waarom, zeg ik, de eene oude soldaat den ander langer om den tuin zou leiden. Gij moet dan weten, dat ik zoo zeer bezield ben met het vooroordeel ten gunste van mijn eigen land dat de som gelds, door mij tot den aankoop dezer uitgebreide baronie besteed, mij slechts een klein landgoed in **shire heeft bezorgd, Brerewood-lodge genaamd, met omtrent twee honderd en vijftig bunders land, en welks voornaamste verdienste daarin bestaat, dat het slechts op korten afstand van Waverley-Honour gelegen is.”

„En wie dan, in ’s Hemels naam, heeft dit goed gekocht?”

„De uitlegging hiervan,” zei de Kolonel, „is de zaak van dezen heer.”

De rentmeester, op wien deze woorden betrekking hadden, had al gedurig van ongeduld van den een op den anderen voet staan springen, „even als een kuiken,” gelijk hij daarna zeide, „op een heeten rooster,” en terwijl hij van tijd tot tijd lachte, mocht hij er wel hebben bijgevoegd, gelijk de genoemde kip om haar blijdschap uit te kakelen, dat ze een ei leggen moest – de rentmeester dan trad nu vooruit. „Dat kan ik, dat kan ik – Baron;” en dit zeggende, haalde hij uit zijn zak een pak papier, en maakte het roode band los, met een hand die van ongeduld beefde. „Hier is de overdracht en afstand van Malcolm Bradwardine van Inchgrabbit, goed en degelijk geteekend, en bekrachtigd volgens de eischen der wet, waarbij hij voor zekere som, bij de overdracht en naar genoegen in ponden sterling betaald, verkocht, afstand gedaan en overgedragen heeft het geheele landgoed en de baronie van Bradwardine en Tully-Veolan, enz: met de huizinge en gebouwen –”

„Om Gods wil, kom tot de zaak, mijnheer;” zei de Kolonel, „ik ken dit alles van buiten”

„Aan den heer Cosmo Comyne Bradwardine,” vervolgde de rentmeester, „zijn erfgenamen en rechtverkrijgenden, eenvoudig en zonder meer – om gehouden te worden hetzij a me vel de me –”

„Ik bid u, maak het kort, mijnheer!”

„Op het geweten van een eerlijk man, Kolonel, ik bekort mij zoo veel als bestaanbaar is met den stijl. – Onder verband en behoudens echter –”

„Mijnheer Mackwheeble, dit zou langer duren dan, een Russische winter – veroorloof mij! In het kort, mijnheer Bradwardine, uw familielandgoed is nog eenmaal het uwe in vollen eigendom, en wel ter uw volkomene beschikking, maar alleen belast met de betaalde som om het weêr in te koopen, die, naar ik vermeen, ver beneden de waarde is.”

„Voor een appel en een ei! Kijkt, als ’t u belieft, mijne heeren, in het renteboek!” riep Mackwheeble, terwijl hij zich in de handen wreef.

„En welke som,” voegde de Kolonel er bij, „voldaan zijnde door den heer Eduard Waverley, hoofdzakelijk uit de gelden van zijn, reeds genoemd en door mij van hem gekocht, vaderlijk eigendom, verzekerd wordt aan zijn vrouw, uw dochter en haar kinderen.”

„Het is een formeele overdracht;” dus viel de rentmeester met zijn rechtsgeleerde taal weder in, „aan Rose Comyne Bradwardine, thans Waverley, als lijfrente en voor de kinderen van gezegd huwelijk in leen; en ik heb een kleine minuut voor een huwelijksvoorwaarde opgemaakt, intuitu matrimonii, zoodat het hierna niet aan terugneming onderworpen zijn kan, als een gifte inter virum et uxorem.”

Het zou moeielijk te zeggen zijn, of de waardige Baron meer ingenomen was met het terugkrijgen van zijn familie-eigendom, dan wel met de kieschheid en edelmoedigheid, die hem vrij liet geheel zijn eigen wil te volgen, door er over te beschikken na zijn dood, en die zoo veel mogelijk zelfs den schijn vermeed, van hem geldelijke verplichtingen op te leggen. Toen de eerste opwelling van vreugde en verbazing een weinig geweken was, vielen zijn gedachten op den onwaardigen mannelijken erfgenaam, die, zoo als hij zeide, zijn geboorterecht, als Ezau, voor een schotel moes had verkocht.

„Maar wie kookte de pot voor hem?” riep de rentmeester, „dat zou ik wel eens willen weten! – wie, dan mijnheers onderdanige Duncan Mackwheeble? De jonge mijnheer Waverley gaf het mij in handen van den beginne af – van den eersten aanleg af, mag ik wel zeggen. Ik heb hen in het net gekregen. Ik heb het hun gebakken. Ik heb hun van onze woeste boeren en van de Mac-Ivors gesproken, die nog maar gedeeltelijk tot onderwerping gebracht waren, totdat ze geen voet over den drempel durfden zetten, uit vrees voor John Heatherblutter, of soortgelijke waaghalzen. En van den anderen kant overblufte ik iedereen met kolonel Talbot. Zou iemand het durven ondernemen, om het goed op te jagen tegen den vriend des Hertogs? Wisten ze dan niet, wie thans meester was? Hadden ze niet genoeg gezien in het voorbeeld van menigen ongelukkigen, misleiden persoon –”

„Die naar Derby ging, bij voorbeeld, mijnheer Mackwheeble?” fluisterde de Kolonel hem toe.

„Stil, Kolonel, om ’s hemels wil! Haal geen oude koeien uit de sloot! Daar waren ook brave menschen te Derby, en,” dus besloot hij, „men spreekt niet graag van de galg,” – terwijl hij een zijdelingschen blik op den Baron wierp, die in gepeins verdiept stond.

Op eens ontwaakte de Baron daaruit, nam Mackwheeble bij den knoop van zijn rok, en voerde hem naar een van de verste ramen, vanwaar slechts enkele woorden van hun gesprek het overige gezelschap bereikten. Het had gewis betrekking op gezegeld papier en perkament; want geen ander onderwerp, zelfs uit den mond van zijn patroon, en al was hij ook zelf weder een persoon van aanzien geworden, kon des rentmeesters eerbiedige en diepe aandacht zoo geboeid hebben.

„Ik versta mijnheer volkomen; het kan even gemakkelijk worden gedaan, als iedere andere notarieele acte.”

„Aan haar en hem, na mijn overlijden, en hun mannelijke erfgenamen – maar bij voorkeur aan den tweeden zoon, indien God hen met twee mag zegenen, die den naam en het wapen zal voeren van deze plaats, zonder eenigen anderen naam of wapen, hoedanig ook.”

„Akkoord! Ik zal morgen een klein stukje opmaken: het zal maar een acte van afstand in favorem kosten, en ik zal het in orde brengen tegen de volgende zitting van het Hof.”

Na dit afzonderlijk gesprek, werd de Baron geroepen, om de honneurs van Tully-Veolan jegens de nieuwe gasten waar te nemen. Deze waren majoor Melville van Cairnvreckan en de eerwaarde heer Morton, gevolgd door nog eenige bekenden van den Baron, die bericht ontvangen hadden, dat hij het landgoed zijner vaderen terug erlangd had. Ook liet zich het vreugdegejuich der dorpelingen beneden op het voorplein hooren; want Saunders Saunderson, die het geheim, gedurende verscheidene dagen, met loffelijke voorzichtigheid had bewaard, had zijn tong den vrijen teugel gelaten toen hij de rijtuigen zag aankomen.

Maar, terwijl Eduard, Melville met beleefdheid, en den predikant met de dankbaarste en hartelijkste genegenheid ontving, werd zijn schoonvader een weinig verlegen, daar hij niet wist hoe hij zich van de onvermijdelijke plichten der gastvrijheid jegens zijn bezoekers zou kwijten en de vreugde zijner pachters verhoogen. Lady Emilia hielp hem uit dezen nood, door hem te kennen te geven, dat zij, ofschoon in vele opzichten zeker een slechte plaatsvervangster van mevrouw Eduard Waverley, evenwel hoopte de goedkeuring van den Baron te zullen wegdragen, met betrekking tot het onthaal waarvoor zij, in afwachting van zoo vele gasten, de noodige voorzorgen had genomen; en dat deze zich op een wijze zouden zien ontvangen, waardoor de eer der oude gastvrijheid van Tully-Veolan eenigermate zou worden opgehouden. Het is onmogelijk het genoegen te beschrijven, dat deze verzekering den Baron verschafte, die, met een galanterie, waarin iets van den stijven Schotschen edele en van den officier in Fransche dienst lag, zijn arm aan de schoone spreekster bood, en den tocht naar de ruime eetzaal opende, met een stap, die het midden hield tusschen een menuet en een marsch, terwijl hij door het overige gezelschap gevolgd werd.

Door Saundersons aanwijzingen en inspanning, was alles hier, zoowel als in de andere vertrekken, zoo veel mogelijk op den ouden voet ingericht; en waar het noodzakelijk was geweest nieuw huisraad aan te brengen, was dit gekozen in denzelfden smaak als het oude. Er was echter iets nieuws in dit fraaije oude vertrek aangebracht, dat den ouden Baron de tranen uit de oogen perste. Het was een groote en schoone schilderij, Fergus Mac-Ivor en Waverley in hun Hooglandsche kleeding voorstellende; het tooneel verbeeldde een wilden, rotsachtigen bergpas, en op den achtergrond zag men den clan der Mac-Ivors in het dal afdalen. Deze schilderij was vervaardigd naar een schets, door een jong mensch van groot talent ontworpen, terwijl ze te Edinburgh waren, en levensgroot door een voornaam kunstenaar te Londen geschilderd. Raeburn zelf, wiens Hooglandsche opperhoofden allen op het doek schijnen te leven, had het onderwerp niet beter hebben kunnen behandelen en het vurige, trotsche en onstuimige karakter van het ongelukkige opperhoofd van Glennaquoich was goed in tegenstelling gebracht met de peinzende, afgetrokkene en dweepachtige uitdrukking van zijn gelukkiger vriend. Naast dit schilderstuk hingen de wapens, door Waverley in den ongelukkigen burgeroorlog gedragen. Het geheel droeg de algemeene bewondering weg, terwijl het tevens een nog diepere aandoening opwekte.

Men moest nogtans, in weerwil van zoo veel bewondering en zulke herinneringen, de eischen der maag laten gelden; en de Baron, die zelf zich aan het lager einde der tafel zette, stond er op, dat lady Emilia de honneurs aan het hooger einde op zich zou nemen, om, gelijk hij zich uitdrukte, het jonge volk een betamelijk voorbeeld te geven. Na een oogenblik gepeinsd te hebben over de vraag omtrent den voorrang tusschen de Presbyteriaansche en de Episcopale kerk in Schotland, verzocht hij, dat de heer Morton, als vreemdeling, het gebed zou doen, terwijl hij er de aanmerking bijvoegde, dat de heer Rubrick, die te huis was; na tafel danken zou voor het uitstekende geluk waarmede hij gezegend was geworden.

De maaltijd was uitnemend. Saunderson bediende in groot costuum, met al de mindere knechts, die men op nieuw vereenigd had, uitgenomen een paar, van wie men sedert den slag van Culloden niets had vernomen. De kelders waren van wijn voorzien, die algemeen als uitmuntend werd geprezen; en er was de noodige schikking gemaakt, dat de Beer van de Fontein, op de binnenplaats, voor dezen enkelen avond, goede brandewijnpunsch ten beste van de mindere klassen geven zou.

Toen de maaltijd afgeloopen was, sloeg de Baron, terwijl hij een dronk wilde instellen, een min of meer treurigen blik op het buffet, dat echter het grootste gedeelte van zijn zilver bevatte, voor zoover het óf verborgen geweest, óf door den naburigen adel van de soldaten opgekocht, en met innige blijdschap aan den eersten eigenaar terug bezorgd was.

„In deze tijden,” zeide hij, „moeten zij dankbaar zijn, die hun lijf en goed behouden hebben, en echter, nu ik dezen dronk wil uitbrengen, kan ik niet nalaten over het gemis van een oud erfstuk te klagen, lady Emilia – een poculum potatorium, kolonel Talbot –”

Hier werd de Baron zachtjes aan den arm gestooten door zijn majordomo, en zag hij, in handen van Alexander Ab Alexandro, den beroemden beker van St. Duthac, den gezegenden Beer van Bradwardine! Ik geloof bijna niet dat het terug erlangen van zijn landgoed hem meer vreugde verschafte. „Op mijn eer, lady Emilia,” zeide hij, „men zou bijna in uw tegenwoordigheid aan heksenwerk en toovergodinnen gelooven.”

„Ik ben recht gelukkig,” zei kolonel Talbot, „dat het, door het terugkrijgen van dit familie-erfstuk, in mijn macht geweest is, u een blijk te geven van mijn overgroote belangstelling in alles, wat mijn jongen vriend Eduard betreft. Maar, opdat gij lady Emilia niet voor een toovenares moogt houden, noch mij voor een heksenmeester, waarmede in Schotland niet te spotten valt, zoo moet ik u zeggen, dat de jonge Stanley, uw vriend, die, sedert hij Eduards verhalen van oud Schotsche zeden heeft gehoord, door een tartankoorts is geplaagd geweest, ons toevallig een beschrijving uit de tweede hand gegeven heeft van dezen merkwaardigen beker. Mijn knecht, Spontoon, die, als een echt oud soldaat, alles opmerkt en weinig spreekt, berichtte mij naderhand, dat hij het door Stanley vermelde stuk, gezien had in handen van zekere mevrouw Nosebag, die, daar ze eertijds een uitdragerij gehad had, gedurende de treurige tooneelen in Schotland, in de gelegenheid was geweest, om nog het een of ander in haar voormaligen handel te doen, waardoor ze de verzamelaarster was geworden van het kostbaarste gedeelte van den buit der halve armee. Gij kunt u verbeelden, dat de beker weêr spoedig ingekocht was, en het zal mij groot genoegen doen, indien gij mij vergunt het daarvoor te houden, dat de waarde er van niet verminderd is, omdat hij u uit mijn handen is terug bezorgd.”

Een traan mengde zich onder den wijn, dien de Baron inschonk, terwijl hij een glas van dankbaarheid wijdde aan kolonel Talbot, en, „den voorspoed der vereenigde huizen van Waverley-Honour en Bradwardine.”

Er blijft voor mij nog slechts te zeggen over, dat, daar nooit een wensch met inniger hartelijkheid geuit werd, er weinige zijn, die, de noodwendige wisselvalligheid der menschelijke zaken daargelaten, over het geheel, gelukkiger zijn vervuld geworden.

ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN NASCHRIFT, DAT EEN VOORBERICHT HAD MOETEN ZIJN.

Onze reis is nu geëindigd, waarde lezer, en indien gij alle geduld onder het lezen der voorgaande bladzijden niet verloren hebt, is het contract van uw zijde volkomen nageleefd. Evenwel, op het voorbeeld van den koetsier, die het bedongen geld voor zijn rid heeft ontvangen, verlaat ik u nog niet, en blijf ik nog een oogenblik bij u, om met alle mogelijke bescheidenheid een aanval te doen op uw edelmoedigheid, ten einde nog iets boven het bedongene te erlangen. Nogtans staat het u even zoo vrij het boek van den schrijver, die u met dit verzoek aan boord komt, weg te werpen, als de deur voor den neus van den koetsier dicht te slaan.

Dit hoofdstuk had als voorbericht moeten dienen; maar om twee redenen heb ik besloten het deze plaats te doen innemen. Ten eerste: de meeste romanlezers, zoo als mijn eigen geweten mij zegt, zijn zeer geneigd zich aan het overslaan van een voorrede te bezondigen; ten andere, is het een algemeen gebruik bij deze klasse van lezers, om met het laatste hoofdstuk van een werk te beginnen; zoodat alles wel berekend, deze opmerkingen er juist te meer kans door loopen, om op de plaats waar zij behooren, gelezen te worden.

Er is geen volk in Europa, dat in den loop van een halve eeuw, of iets minder, zulk een volslagene verandering heeft ondergaan als de Schotten. Onder de eerste oorzaken der veranderingen moeten de gevolgen van den opstand van 1745, de vernietiging van de patriarchale macht der clanhoofden en van het leenstelsel der Baronnen en des Laaglandschen adels gerekend worden; kortom, de geheele ondergang van de Jacobietische partij, die, daar zij zich niet met de Engelschen vereenigen, noch hun gebruiken wilde aannemen, er zich een geruimen tijd lang een punt van eer van maakte, de oude zeden en de Schotsche gebruiken te handhaven. De steeds toenemende rijkdom en de uitbreiding van den handel hebben er sedert toe medegewerkt, om de Schotten van onzen tijd evenzeer te doen verschillen van hun voorouders, als de hedendaagsche Engelschen geheel iets anders zijn dan zij, die onder koningin Elizabeth leefden. De gevolgen van al deze veranderingen, zoowel uit een staatkundig als uit een œconomisch oogpunt, zijn even talentvol als nauwkeurig door lord Selkirk beschreven; maar hoewel deze belangrijke omkeer vrij snel in zijn werk is gegaan, heeft die echter slechts trapsgewijze kunnen plaats grijpen, en even als zij, die met den loop van een diepen en rustigen stroom medegaan, bemerken wij de door ons gemaakte vorderingen niet, voordat wij onze oogen geslagen hebben op het reeds verwijderde punt, waarvan wij zijn uitgegaan. Diegenen onder onze tijdgenooten, die zich de laatste twintig of vijfentwintig jaren der achttiende eeuw kunnen herinneren, zullen de waarheid dezer bewering toestemmen, vooral als zij verbonden waren met een of ander lid der familiën, welke men in mijn jongenstijd „het volk van den ouden zuurdeesem” heette, uithoofde van hun onveranderlijke, ofschoon hopelooze getrouwheid aan het huis van Stuart. Dit ras is heden ten dage bijna geheel verdwenen, en met hen heeft men een aantal ontegenzeggelijk bespottelijke vooroordeelen, maar tevens ook verscheidene treffende voorbeelden van gastvrijheid en deugd, en van de aloude trouw der Schotten zien verloren gaan, benevens het bijzondere en belanglooze aankleven der grondbeginselen, die zij van hun vaderen hadden geërfd.

Het toeval heeft gewild, hoewel ik niet onder de Hooglanders geboren ben – hetgeen tot verontschuldiging moge strekken voor de tallooze fouten, die ik begaan mocht hebben als ik mij van hunne taal bediend heb – dat ik de dagen mijner kindschheid en jongelingschap in het midden van zulke personen heb doorgebracht, als waarvan ik gesproken heb. Om eenige herinnering te bewaren van deze voormalige zeden en gewoonten, die ik bijna geheel en al heb zien uitsterven, heb ik in de uit de lucht gegrepen tooneelen en met geheel en al verdichte personen een gedeelte der gebeurtenissen afgeschilderd, die ik door diegenen had hooren vertellen, welke er een werkzaam aandeel in genomen hadden; en, in waarheid, de meest romantische gebeurtenissen van dit verhaal zijn juist die, welke op werkelijke feiten gegrond zijn. De wederkeerige dienstbewijzen tusschen een Hooglander en een hoofdofficier van het leger des konings, en de stoutmoedige wijze waarop deze zijn rechten deed gelden, om aan den eersten de van hem ontvangen goede dienst te vergelden, zijn letterlijk waar. Het gebeurde met het geweerschot is een dame van adellijke geboorte overkomen, die sedert is overleden, en door wie het heldhaftig antwoord werd gegeven, hier Flora in den mond gelegd. Geen edelman, die verplicht was na den slag van Culloden zich te verbergen, of hij kon even vreemde en even zonderlinge avonturen verhalen, als die ik mijnen helden heb laten weêrvaren: de vlucht van Karel Eduard zelve zou er het merkwaardigste en treffendste voorbeeld van opleveren.