Chapter 37 of 50 · 3959 words · ~20 min read

Part 37

„Ik ben geheel tot uwe orders, zoodra het u behagen zal; de man die uw post op zich nam, is uw page daar ginds, Callum Beg.”

„Kom hier voor het gelid, Callum! Hebt gij op mijnheer Waverley geschoten?”

„Neen,” antwoordde Callum, zonder blikken of verblozen.

„Gij hebt het wel gedaan,” zeide Alick Polwarth, die reeds terug was, daar hij een ruiter ontmoet had, door wien hij den baron van Bradwardine verslag had doen toekomen van het voorgevallene, terwijl hijzelf in den ren naar zijn meester terug keerde, en zoo min de radertjes zijner sporen als de ribben van zijn paard ontzag. „Gij hebt het wel gedaan, ik zag u zoo duidelijk, als ik ooit den ouden toren van Coudingham zag.”

„Gij liegt het,” hernam Callum, met zijn gewone onverzettelijke stijfhoofdigheid. Het gevecht tusschen de heeren zou zeker, als in de oude riddertijden, door een ontmoeting der schildknapen zijn voorafgegaan; want Alick was een flinke boer uit het graafschap Merse, en vreesde den boog van Cupido veel meer, dan eens Hooglanders dolk of sabel. Maar Fergus vroeg, op zijn gewonen, beslissenden toon, om het pistool van Callum. De haan was naar beneden, de pan en het zundgat waren zwart van rook; het was pas afgebrand geweest.

„Daar,” riep Fergus, terwijl hij den jongen zoo hard hij kon met den zwaren pistoolknop op het hoofd sloeg, – „daar, neem dat voor uw handelen zonder order, en voor het liegen om het te bedekken.” Callum ontving den slag, zonder te trachten hem te ontwijken, en viel zonder teeken van leven neer. „Staat! op uw leven!” riep Fergus den overigen van zijn clan toe: „ik schiet den eersten den besten voor het hoofd, die zich tusschen mij en den heer Waverley stelt.” Ze stonden roerloos; Evan Dhu was de eenige, die blijken van angst en ontevredenheid gaf; Callum lag op den grond, en verloor vrij wat bloed, maar niemand waagde het hem den minsten bijstand te verleenen; het was of hij den doodslag ontvangen had.

„En nu wat u betreft, mijnheer Waverley! Heb de goedheid een twintig pas ver met mij de weide op te rijden.” Waverley voldeed aan zijn uitnoodiging. Toen ze zich op eenigen afstand alleen bevonden, zeide Fergus, zich tot hem keerende, met vrij wat gehuichelde bedaardheid: „Ik was zeer verwonderd, mijnheer, over de lichtzinnige wijze waarop, zooals gij mij te kennen geeft, gij van gevoelen verandert. Maar, zoo als te recht door u werd aangemerkt, geen engel had bekoringen voor u, tenzij ze een keizerrijk als bruidschat medebracht. Ik bezit thans een uitnemende verklaring van dien onduidelijken tekst.”

„Ik kan zelfs uw bedoeling niet gissen, kolonel Mac-Ivor, tenzij dat gij twist met mij zoekt.”

„Uw voorgewende onkunde zal u bitter weinig baten, mijnheer. De Prins.... de Prins zelf heeft mij met uw kunstgrepen bekend gemaakt. Ik had niet kunnen denken, dat uw afspraken met Freule Bradwardine de oorzaak waren, waarom ge van uw voorgenomen huwelijk met mijn zuster afzaagt. Naar ik gis, was het bericht, dat de Baron de bestemming van zijn nalatenschap had veranderd, een voldoende reden voor u om de zuster van uw vriend te laten glippen, en de minnares van uw vriend weg te kapen.”

„Heeft de Prins u gezegd, dat ik met Freule Bradwardine verloofd was? – Onmogelijk!”

„Het is toch zoo, mijnheer!” antwoordde Mac-Ivor woedend. Derhalve trek van leêr en verdedig u, of geef alle aanspraken op de dame op.”

„Dit is volslagen razernij,” riep Waverley, „of een onbegrijpelijk misverstand!”

„O! geen ontduiking! trek uw degen!” riep het verwoede Opperhoofd – terwijl hij den zijne reeds uit de schede had gerukt.

„Moet ik vechten om een dollemans twist, zonder te weten waarom?”

„Geef dan, nu en voor altijd, de aanspraken op Freule Bradwardines hand op.”

„Welk recht hebt gij,” riep Waverley, die zich nu niet langer meester was, „welk recht he gij, of iemand ter wereld, om mij zulke voorwaarden voor te schrijven?” En dit zeggende, ontblootte ook hij den degen.

Op dit oogenblik daagde de baron van Bradwardine, door verscheidene van zijn krijgslieden gevolgd, op. Ze snelden allen in galop toe, sommigen uit nieuwsgierigheid, anderen om deel in den twist te nemen, die, zooals ze hadden hooren mompelen, tusschen de Mac-Ivors en hun korps was uitgebroken. Toen de clan hen zag naderen, stelde deze zich in beweging, om hun Opperhoofd te ondersteunen, en er ontstond een tooneel van verwarring, dat in een bloedbad scheen te zullen eindigen. Een honderdtal tongen waren te gelijk in beweging. De Baron predikte, het Opperhoofd bulderde, de Hooglanders schreeuwden in het Gaelsch, de ruiters vloekten en tierden in het Laaglandsch-Schotsch. Eindelijk bereikten de zaken zulk een hoogte, dat de Baron dreigde op de Mac-Ivors te zullen aanvallen, indien ze niet in hun gelederen terugkeerden; en verscheidene hunner legden, wederkeerig, hunne geweren op hem en de overige ruiters aan. De verwarring werd inzonderheid gevoed door den ouden Ballenkeiroch, die niet twijfelde of de dag van wrake voor was hem gekomen; toen, plotseling, zich een kreet liet hooren: „Ruimte! Ruimbaan! Place à Monseigneur! Place à Monseigneur!”

Deze kreet kondigde de nadering van den Prins aan, die met een afdeeling van Fitz-James’ buitenlandsche dragonders, die hem als bijzondere lijfwacht dienden, in aantocht was. Zijn komst herstelde tot op zekere hoogte de orde. De Hooglanders vormden op nieuw hunne gelederen, de cavalerie vereenigde zich weder tot een escadron, en de Baron en het Opperhoofd bewaarden het diepste stilzwijgen.

De Prins riep hen en Waverley voor zich. Toen hij vernomen had, dat de twist eerst ontstaan was door het schelmstuk van Callum Beg, gaf hij bevel dezen in bewaring te stellen van den Provoost-Geweldige en hem onmiddellijk ter dood te brengen, ingeval hij de tuchtiging overleefde, die hij reeds van zijn chef ondergaan had. Maar Fergus verlangde, op een toon, tusschen het staan op een recht en het doen van een verzoek, dat hij ter zijner beschikking mocht gelaten worden, terwijl hij beloofde dat zijn straf voorbeeldig wezen zou. Een weigering zou den schijn gehad hebben alsof de Prins inbreuk had willen maken op het aartsvaderlijk gezag der opperhoofden, waarop ze zeer naijverig waren, en het zou vrij gevaarlijk geweest zijn hen thans te ontstemmen. Callum werd dus aan de gerechtigheid van zijn eigen stam overgelaten.

Vervolgens deed de Prins onderzoek naar hetgeen aanleiding had gegeven tot den twist tusschen kolonel Mac-Ivor en Waverley. Er heerschte eenige oogenblikken een diepe stilte. Beide heeren vonden in de tegenwoordigheid des barons van Bradwardine (want alle drie waren thans, op bevel, den Prins genaderd) een onoverkomelijken hinderpaal, om van een zaak te spreken, waarbij de naam zijner dochter onvermijdelijk moest worden genoemd. Ze sloegen hun oogen ter aarde, met blikken, waarin schaamte en verlegenheid met ontevredenheid waren vermengd. De Prins, die opgevoed was onder de ontevredene en muitzieke geesten van het Hof van St. Germain, waar geschillen van allerlei aard dag aan dag den onttroonden Souverein tot last waren, had zijn leerjaren voor het koningschap, gelijk de oude Frederik van Pruisen zou gezegd hebben, uitgediend. Hij gevoelde hoe dringend noodzakelijk het was de eensgezindheid onder zijn aanhangers te bevorderen of te herstellen, en dien overeenkomstig nam hij zijn maatregelen.

„Monsieur de Beaujeu!”

„Monseigneur!” zeide een zeer knappe, Fransche cavalerie-otficier, die tot het gevolg behoorde.

„Ayez la bonté d’alligner ces montagnards là; ainsi que la cavalerie, s’il vous plait, et de les remettre en marche. Vous parlez si bien l’anglais, que cela ne vous donnera pas beaucoup de peine.”

„Ah! pas du tout, Monseigneur,” hernam Monsieur le Comte de Beaujeu, terwijl hij zich bijna ter aarde boog. Terstond plaatste hij zich vol moed en vertrouwen, aan het hoofd van Fergus’ regiment, ofschoon hij geen woord Gaelsch en zeer weinig Engelsch verstond.

„Messieurs les sauvages Ecossais – dat is – heeren sauvages, hebt de goedheid u te rangeeren!”

De clan, die het bevel meer uit de gebaren, dan uit de woorden verstond, en den Prins zelf tegenwoordig zag, haastte zich op nieuw de gelederen te vormen.

„Ah! heel wel, dat is fort bien!” zei de graaf de Beaujeu. „Heeren sauvages – mais, très bien – Eh bien! – (tot een ruiter in zijn nabijheid) Qu’ est-ce que vous appellez par le flanc, Monsieur? Ah, oui! je vous remercie, Monsieur – mijneheeren, hebt de goedheid front te maken rechts, en par file, dat is bij files, Marsch! – Mais, très bien – encore Messieurs; il faut vous mettre en marche.... Marchez donc, au nom de Dieu, parceque j’ai oublié le mot anglais – mais vous êtes de braves gens, et vous me comprenez très-bien.”

Vervolgens haastte de graaf zich om de cavalerie in beweging te zetten. „Heeren cavalerie, gij moet invallen – Ah! par ma foi, ik zeide niet „afvallen!” Ik vrees, die kleine, dikke heer heeft zich bezeerd! Ah! mon Dieu! c’est le Commissaire qui nous a apporté les premières nouvelles de ce maudit fracas. Je suis trop fáché, Monsieur.”

Maar de arme Mackwheeble, die thans, terwijl hij met een degen op zijde, en een witte kokarde, zoo groot als een pannekoek, in de rol van koninklijken commissaris figureerde, over hoop geworpen was in het gewoel der ruiters, die allen haast maakten om zich, voor den Prins, in orde te scharen, viel van zijn paard, onder het uitbundig gelach der toeschouwers.

„Eh bien! Messieurs,” zeide de graaf, „draait je rechts bij de boomen – Ah! dat is! – Eh! Monsieur de Bradwardine, ayez la bonté de vous mettre à la tête de votre régimeut; car, pardieu, je n’en puis plus!”

De baron van Bradwardine was genoodzaakt, om nu Monsieur de Beaujeu, die al zijn Engelsch uitgeput had, te hulp te komen. Eén doel van den Prins was dus bereikt. Het andere, dat hij zich zelf voorstelde, was, om door de inspanning van het hooren en verstaan van bevelen in ’s Vorsten eigen tegenwoordigheid, door zulk een gebrekkigen tolk uitgevaardigd, de gedachten der soldaten in beide korpsen een afleiding te verschaffen van den toorn, die reeds van beide kanten aangroeiende was.

Karel Eduard was echter nauwelijks alleen gelaten met het Opperhoofd en Waverley, terwijl hij de overigen van zijn gevolg bevolen had zich op eenigen afstand te houden, of hij zeide: „Zoo ik minder verplichting had aan uw belanglooze vriendschap, zou ik zeer ontevreden op u beide kunnen wezen wegens deze allerzonderlingste en ongegronde kibbelarij, juist op een oogenblik dat mijns vaders dienst de meest volkomen eensgezindheid vordert. Maar het ergste in mijn toestand is, dat zelfs mijn beste vrienden meenen vrijheid te hebben, om de onbeduidendste gril, zichzelven en de zaak, die ze voorstaan, te gronde te richten.”

Beide jonge lieden gaven terstond te kennen dat ze geneigd waren hun twist aan zijn beslissing te onderwerpen. „Inderdaad,” zeide Eduard, „ik weet nauwelijks waarvan ik beschuldigd word. Ik zocht kolonel Mac-Ivor op, met geen ander oogmerk, dan om hem te zeggen, dat ik ter nauwernood aan den moordaanslag ontsnapt was, door een zijner onmiddellijke afhangelingen gepleegd, – een lafhartige wraak, die ik wist dat hij niet in staat was goed te keuren. Wat de zaak betreft, waarom hij met mij vechten wil – ik weet er niets van, dan dat hij mij, geheel ten onrechte, beschuldigt, van de genegenheid gewonnen te hebben van een jonge dame, op wie hij zelf aanspraak meent te mogen hebben.”

„Zoo er een dwaling bestaat,” zei het Opperhoofd, „dan is die toe te schrijven aan een gesprek, dat ik heden morgen met Zijn Koninklijke Hoogheid zelf had.”

„Uit een gesprek met mij?” zei de Prins, „hoe kan kolonel Mac-Ivor mij zoo verkeerd verstaan hebben?”

Nu voerde hij Fergus ter zijde, en na een ernstig gesprek van vijf minuten keerde hij in galop naar Eduard terug. „Is het mogelijk,” zeide hij – „kom, rijd aan, Kolonel, want ik houd niet van geheimen – is het mogelijk, mijnheer Waverley, dat ik dwaal in de vooronderstelling, dat gij de verklaarde minnaar van Freule Bradwardine zijt? een zaak, waarvan ik door omstandigheden, ofschoon gij er mij nooit over gesproken hebt, zoo volkomen overtuigd was, dat ik ze dezen morgen als een reden bij Vich Ian Vohr liet gelden, waarom gij, zonder hem te beleedigen, mocht ophouden naar een verbintenis te wenschen, die voor een vrij man, hoewel eenmaal afgewezen, te veel bekoorlijks bezat, om gemakkelijk ter zijde gezet te worden?”

„Uw Koninklijke Hoogheid moet,” hernam Waverley, „uw meening op omstandigheden, die mij geheel onbekend zijn, gegrond hebben, toen gij mij de uitstekende eer beweest, om in mij een erkend minnaar van Freule Bradwardine te zien. Ik gevoel al wat er eervols in deze vooronderstelling ligt opgesloten, maar ik heb er geen recht op. Voor het overige heb ik te weinig vertrouwen in mijn eigene verdiensten, om, waar ook, op een goeden uitslag te durven hopen, na eens voor goed te zijn afgeewezen.”

De Prins zweeg een oogenblik, terwijl hij hen beide strak aanzag, en zeide toen: „Op mijn woord, mijnheer Waverley, ik dacht gegronde reden te hebben, om u gelukkiger te schatten, dan gij inderdaad zijt. Maar nu, mijn heeren, vergunt mij tusschen u beide scheidsman te zijn in deze zaak, niet als Prins-Regent, maar als Karel Stuart, een broeder en deelgenoot in dezelfde eervolle onderneming. Verliest mijn rechten geheel uit het oog, en neemt alleen uw eigene eer in aanmerking. Welk een schandaal voor onze vrienden, welk een voordeel voor onze vijanden, als zij vernamen, dat, hoe gering in aantal wij zijn, er verdeeldheid heerscht onder ons. En vergeeft mij, zoo ik er bijvoeg, dat de namen der dames, van wie hier sprake is, van ons allen te veel eerbied eischen, dan dat wij ze tot onderwerpen van twist mogen maken.”

Hij trok Fergus een weinig ter zijde, en sprak, gedurende eenige minuten, zeer ernstig met hem, en daarna tot Waverley terugkeerende, zeide hij: „Ik geloof kolonel Mac-Ivor te hebben doen inzien, dat zijn gevoeligheid berustte op een misverstand, waartoe ik inderdaad zelf aanleiding gaf: en ik vertrouw dat mijnheer Waverley te edelmoedig is, om eenige herinneringen te bewaren van het voorgevallene, als ik hem verzeker, dat dit het geval was. Gij moet deze zaak op een gepaste wijze aan uw clan mededeelen, Vich Ian Vohr, om iedere nieuwe gewelddadigheid te voorkomen.” Fergus boog. „En nu, mijneheeren, laat mij de voldoening smaken u elkaar de hand te zien geven.”

Zij traden koud, en met afgemeten stappen, vooruit, beide oogenschijnlijk bevreesd om de eerste te zijn om eenige toegevendheid aan den dag te leggen. Zij eindigden echter met elkander de hand te geven, en scheidden, terwijl zij eerbiedig afscheid namen van den Prins.

Karel Eduard [169] reed nu aan het hoofd van de Mac-Ivors, sprong van zijn paard, verzocht een dronk uit des ouden Ballenkeirochs veldflesch, marcheerde een half uurtje met hen voort, terwijl hij onderzoek deed naar de geschiedenis en de betrekkingen van het geslacht van Sliochdnan Ivor, en met vrij wat behendigheid gebruik maakte van de weinige Gaelsche woorden, die hij verstond, en een groot verlangen uitte om die taal beter te leeren kennen. Hij steeg daarop weder te paard, en draafde naar de cavalerie van den Baron, die in het front was, liet de ruiters halt houden en onderzocht hunne uitrusting, en deed navraag omtrent hunne krijgstucht, wisselde eenige woorden met de voornaamste heeren en zelfs met de kadets; vroeg naar hunne dames en prees hunne paarden, reed omstreeks een uur met den baron van Bradwardine, en onderwierp zich aan drie lange verhalen over den Veldmaarschalk hertog van Berwick.

„Ah! Beaujeu, mon cher ami,” zeide hij, toen hij weder op zijn gewone plaats in den stoet terugkeerde, „que mon métier de prince errant est ennuyeuz, parfois. Mais courage, c’est le grand jeu après tout.”

VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EENE SCHERMUTSELING.

Wij behoeven den lezer nauwelijks te herinneren, dat de Hooglanders, na een op den vijfden December te Derby gehouden krijgsraad, hun wanhopig plan, om Engeland verder binnen te dringen, opgaven, en tot groot ongenoegen van hun jongen en stouten aanvoerder, stellig besloten naar het noorden terug te trekken. Dienovereenkomstig vingen zij hun terugtocht aan, en door hun uitnemende vlugheid ontsnapten zij aan den hertog van Cumberland, die hen thans met een uitgebreid corps ruiterij op de hielen zat.

Deze terugtocht was een wezenlijk opgeven van hunne hoog gespannen verwachtingen. Niemand had er zich meer van voorgesteld, dan Fergus Mac-Ivor; niemand was bijgevolg zoo bitter gekrenkt door deze verandering als hij. Hij advizeerde, of liever redetwistte, met de uiterste hevigheid, in den krijgsraad; en toen zijn gevoelen verworpen werd, stortte hij tranen van spijt en verontwaardiging. Van dat oogenblik af was geheel zijn voorkomen zoo veranderd, dat hij nauwelijks te herkennen zou geweest zijn als dienzelfde hooghartige, vurige geest, voor wien, slechts een week geleden, de aarde te eng scheen. De terugtocht was gedurende verscheidene dagen voortgezet geworden, toen Eduard, tot zijn niet geringe verbazing, des morgens vroeg van den twaalfden December, een bezoek van het Opperhoofd ontving, in zijn kwartier, op een dorpje halfweg tusschen Shap en Penrith.

Daar hij sedert het afbreken hunner vriendschap het Opperhoofd niet weder gesproken had, wachtte Eduard, niet zonder eenige beklemdheid, de verklaring der reden voor dit onverwacht bezoek, en kon zijn verbazing niet bedwingen over de verandering, die hij in het voorkomen van Fergus opmerkte. Zijn oog had veel van het vuur verloren, dat vroeger daarin schitterde, zijn wangen waren ingevallen; zijn stem was zwak; zelfs zijn gang scheen minder vast en veerkrachtig dan voorheen, en zijn kleeding, waaraan hij zoo bijzonder veel zorg placht te besteden, was hem nu onachtzaam om het lijf geworpen. Hij verzocht Eduard een wandeling met hem te doen langs het dichtbijgelegen riviertje, en glimlachte op een treurige wijze, toen hij Waverley zijn degen zag nemen en aangespen. Zoodra zij op een woest en afgelegen pad, aan de oevers van de rivier, waren, zeide hij:

„Ons schoone avontuur is nu geheel bedorven, Waverley, en ik zou gaarne weten, wat gij voornemens zijt te doen. – Ja, zie mij zoo verbaasd niet aan! Ik moet u zeggen, dat ik gisteren een pakje van mijn zuster ontving, en indien ik het vroeger had ontvangen, zou het een twist hebben voorkomen, waaraan ik niet dan met verdriet denken kan. In een brief, na ons verschil geschreven, maakte ik haar met de oorzaak er van bekend, en nu antwoordt zij mij, dat zij nooit het voornemen had, noch kon hebben, u eenige aanmoediging te geven. Het schijnt dus, dat ik als een ware dolleman gehandeld heb. – Arme Flora! zij schrijft vol moed en geestdrift; welk een verandering zal de tijding van dezen ongelukkigen terugtocht in hare stemming te weeg brengen.”

Waverley, die inderdaad zeer getroffen was door den uiterst zwaarmoedigen toon waarop Fergus sprak, verzocht hem op het hartelijkst alle gedachten aan de verwijdering, die tusschen hen bestaan had, uit zijn geheugen te verbannen, en zij drukten elkander op nieuw de hand, maar nu met ongeveinsde oprechtheid. Fergus vroeg Waverley weder, wat hij dacht te doen.

„Zou het niet beter voor u zijn, dit ongelukkige leger te verlaten, en u vóor ons naar Schotland te begeven, en daar scheep te gaan in een der oostelijke zeehavens, die nog in onze macht zijn? – Wanneer gij buiten het rijk zijt, zullen uw vrienden een amnestie voor u gemakkelijk bewerken, en, om u de waarheid te zeggen, zou ik wenschen, dat gij Rose Bradwardine als uw vrouw medevoerdet, en Flora onder uw vereenigde bescherming medenaamt.” – Eduard keek verwonderd op. – „Zij bemint u, en ik geloof, dat gij haar bemint, ofschoon gij het misschien nog niet ontdekt hebt; want gij hebt juist den naam niet, van uzelven zeer nauwkeurig te kennen.” Dit laatste zeide hij met een soort van glimlach.

„Hoe,” antwoordde Eduard, „kunt gij mij raden de expeditie op te geven, waarvoor wij ons te zamen ingescheept hebben?”

„Ingescheept?” zeide Fergus, „het vaartuig zal weldra vergaan, en het is meer dan tijd, voor ieder die kan, zich in de boot te begeven, om het te verlaten.”

„Maar wat zullen de andere heeren doen? en waarom stemden de Hooglandsche Opperhoofden tot dezen terugtocht, als die zoo verderfelijk is?”

„O,” hernam Mac-Ivor, „zij denken, dat, even als bij vroegere gelegenheden, het kop-afslaan, hangen en verbeurdverklaren van goederen den Laaglandschen adel voornamelijk overkomen zal, dat zij in hunne armoede en sterkte een veilige toevlucht zullen vinden tegen den storm, om daar, volgens hun spreekwoord, op den heuvel naar den wind te luisteren, tot het water zakt! Maar zij zullen zich bedriegen; zij zijn te vaak rustig geweest, dan dat men bij hen zoo bij herhaling alles over het hoofd zou kunnen zien, en John Bull is dit maal al te erg ongerust gemaakt, om zijn goede luim zoo spoedig terug te krijgen. De Hannoversche ministers verdienden altijd, als schurken, te worden opgehangen, maar zoo zij nu de macht in handen krijgen, – zoo als zij vroeger of later moeten, – daar er geen opstand komt in Engeland, noch hulp uit Frankrijk – zullen zij de galg verdienen als gekken, als zij een enkelen clan in de Hooglanden in staat laten, om het bewind ooit weder onrust te komen baren. Ja, zij zullen wortel noch tak sparen, daar sta ik u borg voor.”

„En, terwijl gij mij de vlucht aanbeveelt – een raad, dien ik, al zou er mijn leven mede gemoeid zijn, niet denk te volgen – welke plannen koestert gij voor u zelven?”

„O,” hernam Fergus, „mijn lot is beslist. Dood of gevangen moet ik zijn, eer de dag van morgen aanbreekt.”

„Hoe meent gij dat, vriend?” zei Eduard. „De vijand is nog een dagmarsch achter ons, en komt hij op, zoo zijn wij nog sterk genoeg, om hem in bedwang te houden. Denk aan Gladsmuir.”

„Wat ik u zeg is nogtans waar; voor zoo ver mij persoonlijk betreft.”

„Waarop grondt gij zulk een zwaarmoedige voorspelling?”

„Op iets, dat nooit een lid van mijn huis te leur stelde. – Ik heb,” zeide hij, met gedempte stem, „den Bodach Glas gezien.”

„Den Bodach Glas?”

„Ja. Zijt gij zoo lang op Glennaquoich geweest, en hebt gij nooit van het „grauwe spook” hooren spreken, al bestaat er inderdaad een zekere weerzin bij ons om het te noemen?”

„Neen, nooit!”

„Ha! het zou anders juist een historie voor de arme Flora geweest zijn, om u te vertellen. Of zoo die heuvel Benmore en dat lange blauwe meer, dat juist naar gindsche bergachtige streek kronkelt, Loch Tay, of mijn eigen Loch-an-Ri ware, – zou hetgeen ik u te verhalen heb, meer in overeenstemming zijn met het tooneel. Zetten wij ons echter op deze hoogte neder; ook Saddelback en Ulswater [170] zullen beter passen bij hetgeen ik te zeggen heb, dan de Engelsche heggen, heiningen en boerenwoningen. – Gij moet dan weten, dat, toen een mijner voorvaderen, Ian nan Chaistel, Northumberland verwoestte, hij voor dezen tocht verbonden was met een soort van Zuidlandsch Opperhoofd, of Kapitein eener bende Laaglanders, met name Halbert Hall. Bij hun terugkomst door de Cheviotsche bergen, kregen zij twist over de verdeeling van den grooten buit, dien zij behaald hadden, en het kwam van woorden tot daden. De Laaglanders werden tot op den laatsten man toe neergesabeld, en hun Opperhoofd viel het laatst, met wonden bedekt, door het zwaard van mijn voorzaat. Sedert dien tijd heeft zijn geest zich altijd aan den Vich Ian Vohr, die het hoofd van den clan is, vertoond, als er een of ander groot ongeluk op handen was, maar vooral wanneer zijn dood nabij was. Mijn vader heeft hem tweemaal gezien; eens den avond voor dat hij krijgsgevangen gemaakt werd bij Sheriff-Muir; den anderen keer op den morgen van den dag, toen hij stierf.”

„Hoe kunt gij, waarde Fergus, mij zulken onzin met een ernstig gelaat vertellen?”

„Ik verg van u niet mij te gelooven, maar ik zeg u de waarheid, gestaafd door ten minste drie honderd jaren ondervinding, en gisterennacht door mijn eigene oogen.”

„Verhaal mij in ’s Hemels naam de bijzonderheden,” hernam Waverley met aandrang.