Part 29
Zoo gij, waarde lezer, ooit in het geval geweest zijt om postpaarden te nemen te ***, of te ****, (een van welke blancos, of waarschijnlijk alle twee, ge wel in staat zult zijn met een of ander poststation in uwe nabuurschap in te vullen) dan moet gij, en waarschijnlijk met deelnemende smart, den pijnlijken angst hebben opgemerkt, waarmede de arme dieren hunne geschaafde halsen in de hamen van het tuig steken. Maar, wanneer de onweêrstaanbare aandrang van den postiljon hen gedwongen heeft een halfuurtje af te leggen, zullen ze verhard worden tegen dat gevoel, en „warm in het tuig geworden”, gelijk genoemde postiljon zich zal uitdrukken, zullen ze voortdraven, als of hunne schoften gaaf en onbezeerd waren. Deze vergelijking past zoo volkomen op den toestand van Waverleys gewaarwordingen, in den loop van dezen merkwaardigen avond, dat ik haar de voorkeur geef (en dat te meer, dewijl zij, naar ik vertrouw, geheel oorspronkelijk is) boven iedere schitterende opheldering, die Byshe’s „Kunst der Poëzy” mij zou kunnen opleveren.
Inspanning vindt, even als de deugd, hare belooning in zichzelve; en onze held had bovendien nog andere beweegredenen, om een gemaakte bedaardheid en onverschilligheid omtrent Flora’s onvriendelijk gedrag aan den dag te blijven leggen. De hoogmoed kwam hem spoedig te hulp, door op de wonden van zijn hart zijn bijtend maar heilzaam geneesmiddel aan te wenden. Kon of mocht hij, onderscheiden door de gunst van een Prins; bestemd, gelijk hij reden had te hopen, om een aanzienlijke rol te spelen in de omwenteling, welke een machtig koningrijk wachtte; waarschijnlijk uitmuntende in kundigheden boven, en ten minste gelijk staande in persoonlijke hoedanigheden met de meeste edele en aanzienlijke personen, waaronder hij zich thans bevond, jong, rijk en hoog geboren; kon, of mocht hij (zeggen wij) kwijnen onder de minachtende blikken eener grillige schoone?
„O nimf, zoo onbuigzaam en koud als graniet; Mijn hart is zoo trotsch als het uwe.”
De in deze regels uitgedrukte gewaarwordingen die toenmaals echter nog niet geschreven waren [138] brachten Waverley er toe om al zijne pogingen aan te wenden, ten einde Flora te doen gevoelen, dat hij er de man niet naar was zich door een afwijzing te laten ter nederslaan, waarbij zijn ijdelheid hem influisterde, dat hare uitzichten er niet minder onder leden, dan de zijne. En om deze verandering in zijn gevoelens te versterken, kwam hem de stille en door hemzelven niet erkende hoop te hulp, dat zij er toe mocht komen om zijn genegenheid op hooger prijs te stellen, wanneer zij niet meer van meening was dat het altijd in hare macht stond die aan te moedigen, of af te wijzen. Er was ook een geheimzinnige soort van bemoediging in des Prinsen woorden, ofschoon hij vreesde dat ze alleen betrekking hadden op Fergus’ wenschen, wat eene vereeniging tusschen hem en zijn zuster betrof. Maar de omstandigheden, de tijd, de plaats, alles liep samen om tegelijk zijn verbeelding op te wekken, en een manhaftige en standvastige houding van hem te vorderen, terwijl hij het aan het noodlot overliet om de uitkomst te regelen. Daarenboven, als hij alléén droevig en ontmoedigd scheen op den avond voor een veldslag, welke wapenen zou hij dan niet verschaffen aan den laster, die zich reeds maar al te zeer met zijn goeden naam had bemoeid! „Neen, neen,” zeide hij tot zichzelven, „ik zal hier mijn vijanden, wier haat door mij nooit is uitgelokt, geen gelegenheid geven, om zulk een voordeel boven mij te verkrijgen.”
Toegevende aan den invloed dezer gemengde aandoeningen, en nu en dan aangemoedigd door een lachje van verstandhouding en goedkeuring, zoo vaak de Prins de groep voorbijkwam, riep Waverley al zijn luim, levendigheid en welsprekendheid te hulp, en verwierf zich de algemeene bewondering van het gezelschap. Het onderhoud nam langzamerhand den toon aan, die het meest geschikt, was voor de ontwikkeling zijner talenten en kundigheden. De vroolijkheid van den avond werd eer verhoogd dan gestoord door de naderende gevaren van den volgenden dag. Alle zenuwen waren gespannen over de toekomst, en voorbereid om het tegenwoordige te genieten. Deze zielsgesteldheid is ten hoogste gunstig tot het oefenen der vermogens van de verbeelding, voor de poëzij, en voor die welsprekendheid, welke zoo nauw aan de poëzij verwant is. Waverley bezat, gelijk wij elders opmerkten, bij tijden een ongemeene welbespraaktheid; en bij deze gelegenheid deed hij meer dan eens de hoogere toonen des gevoels trillen, terwijl hij dan weder tot een wild spel van geestige aardigheden afdaalde. Hij werd ondersteund en opgewekt door bevriende geesten, die denzelfden prikkel van den tijd en de gemoedsstemming ondervonden, en zelfs zij, wier aard voor koud en berekenend gehouden werd, werden medegesleept door den stroom. Verscheidene dames weigerden deel te nemen aan den dans, al duurde deze nog steeds voort, en voegden zich, onder verschillende voorwendsels, bij het gezelschap, waaraan „de knappe jonge Engelschman” zich scheen verbonden te hebben. Hij werd aan een aantal lieden van den hoogsten rang voorgesteld, en zijn manieren, welke voor het oogenblik geheel vrij waren van de beschroomde stijfheid, waaronder ze bij mindere opwekking, leden, verwierven de algemeene goedkeuring.
Flora Mac-Ivor scheen het eenige daar tegenwoordige vrouwelijk wezen te zijn, dat hem met een zekere mate van koelheid en terughouding beschouwde; doch ook zij kon een soort van bewondering niet onderdrukken bij het ontdekken van talenten, welke zij hem, in den loop hunner kennismaking, nooit zoo luisterrijk en gelukkig had zien ontwikkelen. Ik weet niet, of ze niet misschien een oogenblik spijt gevoelde een besluit genomen te hebben omtrent het aanzoek van een minnaar, die zoo uitstekend geschikt scheen een eerste plaats in de hoogste rangen der maatschappij te bekleeden. Zeker had ze tot hiertoe onder Eduards ongeneeselijke gebreken die mauvaise honte gerekend, waaraan ze, daar zij in de hoogste kringen aan een vreemd hof opgevoed, en weinig met de stijfheid der Engelsche zeden bekend was, het denkbeeld hechtte van een beschroomdheid, die zelfs in zwakheid ontaardde. Maar, zoo er een vluchtige wensch bij haar opkwam, dat Waverley zich altijd zoo beminnelijk en aantrekkelijk mocht hebben voorgedaan, was dit toch slechts de opwelling van een oogenblik; want er hadden zich, sedert ze elkander hadden gezien, omstandigheden opgedaan, welke, in haar oog, het besluit, dat ze omtrent zijn aanzoek genomen had, beslissend en onherroepelijk maakten.
Door geheel tegenovergestelde gevoelens overmeesterd, luisterde Rose Bradwardine met geheel haar ziel naar hem. Zij gevoelde een heimelijke zegepraal, bij de algemeene schatting aan iemand betaald, wiens verdiensten ze maar al te vroeg en te hoog had leeren schatten. Zonder den minsten zweem van ijverzucht, zonder eenig gevoel van vrees, smart of twijfel, niet verontrust door een enkele baatzuchtige gedachte, gaf ze zich over aan het genot van de algemeene toejuiching waar te nemen. Als Waverley sprak, hoorde ze niet anders dan zijn stem; wanneer anderen antwoordden, vestigde haar oog zich nog op hem, om geen enkel zijner antwoorden te missen. Misschien was het geluk, dat ze in den loop van dien avond smaakte, hoewel voorbijgaand, en door veel gevolgd, in zijn aard het zuiverste en onbaatzuchtigste, dat de mensch in staat is te genieten.
„Baron,” zeide de Prins, „ik zou mijne beminde in het gezelschap van uw jongen vriend niet vertrouwen. Hij is inderdaad, ofschoon wat romanesk, een der betooverendste jonge lieden, die ik ooit gezien heb.”
„En op mijne eer, Prins,” zei de Baron, „onze vriend kan soms zoo dof zijn, als een zestiger, gelijk ik; indien Uwe Koninklijke Hoogheid hem had zien droomen en druilooren langs de heuvelen van Tully-Veolan, als een hypochonder, of, gelijk het in Burtons Anatomie heet, een Phreneticus of Lethargicus, zoudt gij u gewis verwonderen, van waar hij al deze fraaie praat en vroolijkheid en scherts zoo spoedig gehaald heeft.”
„Het is waar,” zeide Fergus Mac-Ivor, „mij dunkt, het kan alleen de ingeving van de „tartans” zijn; want ofschoon Waverley altijd een man van eer is, heb ik hem tot nu toe meestal zeer verstrooid en onoplettend in gezelschap gevonden.”
„Wij hebben dus nog te meer verplichting aan hem,” zei de Prins, „dat hij tot voor dezen avond hoedanigheden heeft verborgen gehouden, welke zelfs zijn gemeenzame vrienden niet in hem hebben kunnen ontdekken. – Maar, komt, heeren, de avond gaat voorbij en wij moeten bij tijds op de bezigheden van morgen bedacht zijn. Ieder zorge voor zijn gezelschap, en doe eer aan een klein feestmaal dat ik u aanbied.”
Hij ging hen voor naar een andere reeks van vertrekken, en zette zich in den leuningstoel, onder een verhemelte, aan het hoofd eener lange rij van tafels, met een waardigheid en hoffelijkheid tevens, welke aan zijn hooge geboorte en grootsche bedoelingen volkomen betaamden. Nauwelijks was er een uur verloopen, of de muzikanten lieten het in Schotland zoo wel bekende sein tot vertrek hooren. [139]
„Goeden nacht dan,” zeide de Prins, opstaande; „goeden nacht dan, en zij de vreugde met u allen! – Goeden nacht, schoone dames, die ten verjaagden en gebannen Prins zoo hoogelijk hebt vereerd. – Goeden nacht, mijn dappere vrienden. – Moge het geluk, dat wij heden avond genoten hebben, een voorteeken zijn van onze spoedige en zegevierende terugkomst in dit ons voorvaderlijk verblijf, en van vele, zeer vele vroolijke bijeenkomsten in het paleis van Holyrood!”
Als de baron van Bradwardine later dit afscheidswoord van den Prins vermeldde, liet hij nooit na, op droefgeestigen toon, te herhalen:
„Audiit, et voti Phœbus succedere partem Mente dedit; partem volucres dispersit in auras;”
hetwelk, zoo als hij er bijvoegde, vrij goed is weêrgegeven:
Phœbus verhoorde goedgunstig de helft van dees bede, maar hevig Floot hij in de andere helft en gaf ze den winden ten prijs.
TIENDE HOOFDSTUK.
DE MARSCH.
Het was laat toen Waverley naar huis terugkeerde, en de uitputting door de hartstochten die elkander in zijn hart bekampten, en door de ondervondene aandoeningen veroorzaakt, stortte hem in een diepen maar gezonden slaap. Zijn droomen brachten hem naar Glennaquoich, en in de zalen van Ian nan Chaistel, meende hij aan het feest, deel te nemen, dat zoo pas op Holyrood had plaats gehad. Ook het geluid der zakpijp hoorde hij duidelijk; en dit ten minste was geen bedrog; want „de trotsche stap van den voornaamsten pijper” van den clan Mac-Ivor deed zich op het plein, en wel voor de deur des verblijfs van zijn Opperhoofd hooren, en, gelijk vrouw Flockhart die blijkbaar geene vriendin van zijn muziek was, goedvond aan te merken, „deed de steenen uit den muur springen met zijn gegil.” Bij gevolg werd dat geluid spoedig sterk genoeg om Waverleys droom te verjagen, waarmede het zich eerst op een harmonische wijze had vereenigd.
Het geluid van Callums voetstappen in zijn kamer, (want Mac-Ivor had Waverley wederom aan diens oppassing aanbevolen) was het tweede teeken tot het vertrek. „Wil Mijnheer,” zeide hij, „niet opstaan? Vich Ian Vohr en de Prins zijn reeds vertrokken naar het lange groene dal achter de buurt, die zij des Konings Park noemen [140], en er is een groote menigte volks op de been, dat eer het nacht wordt door andere beenen weggedragen zal worden.”
Waverley sprong terstond op, en bracht, met Callums hulp, zijn Bergschotsche kleeding in behoorlijke orde. Callum berichtte hem tevens, dat de pakwagen een lederen en van een slot voorzien ding medegebracht had, dat op nieuw bij de bagaadje van Vich Ian Vohr en op diens wagen bezorgd was.
Waverley begreep uit deze beschrijving dat Callum van zijn mantelzak sprak. Hij dacht terstond aan het geheimzinnige pakje van het meisje uit het dal, dat hem altijd scheen te ontgaan, juist als het binnen zijn bereik was. Maar het was thans geen tijd om zijn nieuwsgierigheid te voldoen; en na vrouw Flockharts beleefd aanbod van een morgengroet, dat is een morgenslok te hebben afgeslagen, hetgeen, uitgezonderd hij, wellicht geen enkel man in het leger van den Prins zou hebben afgewezen, nam hij afscheid en vertrok met Callum.
„Callum,” zeide hij, terwijl ze over een modderig stuk land gingen, om de voorstad van Canongate te bereiken, „hoe zal ik aan een paard komen?”
„Daar moet gij niet aan denken,” hernam Callum, „Vich Ian Vohr trekt te voet op aan het hoofd van zijn volk, (om niet te spreken van den Prins, die hetzelfde doet) met zijn schild op den schouder, en gij dient wel naast hem te gaan.”
„Best, Callum! geef mij mijn schild. – Zoo, nu zijn wij klaar. – Hoe staat het mij?”
„Als de brave Hooglander, die op het uithangbord voor de groote herberg van Luckie Middlemass staat uitgeschilderd,” antwoordde Callum, waarmede hij, zooals men begrijpen zal, een fraai compliment bedoelde; want, volgens zijn gevoelen, was het uithangbord van Luckie Middlemass een uitnemend kunststuk. Maar Waverley, die de volle kracht zijner beleefde vergelijking niet gevoelde, deed hem geene verdere vragen.
Nadat zij de armoedige en vuile buitenwijken der hoofdstad doorgeworsteld, en in de open lucht gekomen waren, gevoelde Waverley zoowel zijn krachten als zijn moed verjongd; hij bepaalde zijne gedachten kalm bij de gebeurtenissen van den vorigen avond, en vestigde ze vol hoop en welberadenheid op die van den naderenden dag.
Toen hij een kleine, steenachtige hoogte, St. Leonards heuvel geheeten, beklommen had, lag het Konings Park, of het dal hetwelk zich tusschen „Arthur’s zetel” en de helling, waarop het zuidelijk gedeelte van Edinburgh thans gebouwd is, aan zijn voeten, en leverde een vreemd en
opwekkend tooneel op. Het was bezet door het leger der Hooglanders, die nu bezig waren met zich tot de marsch gereed te maken. Waverley had reeds iets van dezen aard gezien bij de jachtpartij, die hij met Fergus Mac-Ivor had bijgewoond, maar het tegenwoordige was op een veel grooter schaal, en oneindig belangrijker. De rotsen, die den achtergrond van dit tooneel uitmaakten, en de lucht zelve, weêrgalmden van den klank der doedelzakspelers waarvan ieder met zijn instrument, zijn opperhoofd en zijn clan tot den strijd opriep. De Bergschotten, die van hun leger onder den blooten hemel oprezen, met veel geraas en als een verwarde en ongeregelde menigte door elkaar krioelden even als bijen, die, in haar korven verontrust, zich tot den uitval voorbereiden, schenen al de vlugheid van geest en ligchaam te bezitten, die tot het uitvoeren van militaire bewegingen vereischt zijn. Wat zij deden, scheen zonder overleg en verward te zijn; maar zooveel orde en regelmatigheid ontstonden daaruit dat een veldheer de uitkomst moest geprezen hebben, al mocht een drilmeester ook lachen om de wijze, waarop men er toe geraakte.
Deze ingewikkelde beweging, waardoor de verschillende clans weldra onder haar bijzondere banieren gerangschikt werden, om in marschorde te geraken, schonk op zichzelf een vroolijk en levendig schouwspel. Ze hadden geen tenten op te ruimen, daar ze algemeen, en bij voorkeur, in het open veld geslapen hadden, ofschoon het al laat in den herfst werd, en het des nachts nog al begon te vriezen [141]. Een tijd lang, en terwijl ze zich ordenden, zag men ieder oogenblik een golvende en verwarde beweging van vlottende en in den wind fladderende pluimen en banieren, die de trotsche leuze van Clanronald: „Ganion Coheriga” – (spreek tegen, wie durft!) „Loch-Sloy” het wachtwoord der Mac-Farlanes; – „Forth, fortune and fill the felters,” (Voorwaarts, fortuin, en vele gevangenen!) het motto van den Markies van Tullibardine; „Bydand,” (Ferm!) dat van Lord Lewis Gordon, en de leuzen en teekens van verscheidene andere opperhoofden en clans te lezen gaven.
Eindelijk werd deze bonte en wemelende menigte tot eene smalle en dichte kolonne van groote lengte geschikt, die zich langs de geheele vallei uitstrekte. Aan het hoofd der kolonne woei de standaard uit van den Prins met een rood kruis op een wit veld en het motto „Tandem Triumphans.” [142] De weinige ruiterij, die voornamelijk uit Laaglandsche heeren, met hunne huisbedienden en meiers bestond, maakte de voorhoede van het leger uit, en hare vaandels, waarvan zij wat het aantal betreft overvloedig voorzien was, zag men aan den uitersten rand des gezichteinders wapperen. Verscheidene leden van dit korps, onder welke Waverley toevallig Balmawhapple, en zijn luitenant Jinker opmerkte, (welke laatste echter, met verscheidene anderen, volgens advies van den Baron van Bradwardine, teruggebracht was tot den stand van „overcomplete officieren” zooals hij hen noemde,) droegen bij tot de levendigheid, ofschoon geenszins tot het geregelde van het tooneel, daar ze met hunne paarden, zoo veel het gedrang dit maar toeliet, vooruitdraafden om hunne plaats bij de voorhoede in te nemen. De betooveringen der Circe’s uit de Hoogstraat, en de sterke drank, waarmede ze gedurende den nacht waren gelaafd, hadden waarschijnlijk deze helden wat langer binnen de muren van Edinburgh opgehouden, dan met hun plicht en dienst bestaanbaar was. Van zulke achterblijvers namen de voorzichtigsten den langsten en meest omloopenden, maar wel zoo vrijen weg, om hunne plaats, volgens de marschorde, te bereiken, door zich op een afstand te houden van het voetvolk, en zich een pad te banen door de tuinen ter rechterhand, waartoe ze slechts de moeite hadden te nemen om de losse steenen afscheidingen over te springen of neêr te rukken. Het onregelmatig opdagen en verdwijnen van deze kleine afdeelingen, zoo wel als de verwarring, te weeg gebracht door hen, die, schoon meestal vruchteloos, in weerwil van vloeken, verwenschingen en tegenstand, door de menigte der Hooglanders naar het front poogden te dringen, vergoedden door de schilderachtige woestheid van het tooneel wat door gemis aan militaire regelmatigheid daaraan ontnomen werd.
Terwijl Waverley op dit merkwaardig schouwspel staarde, hetwelk nog indrukwekkender werd door de kanonschoten, die nu en dan uit het kasteel op de Hooglandsche wachten werden gedaan, wanneer deze uit de nabijheid afgelost werden, om zich bij hun hoofdkorps te voegen, herinnerde hem Callum, met zijne gewone vrijmoedigheid van spreken, dat Vich Ian Vohrs volk bijna aan het hoofd van de kolonne was, en dat ze „onder het kanonvuur zeer snel optrekken zouden.” Aldus aangespoord, stapte Waverley sneller voorwaarts, hoewel hij dikwijls een blik wierp op de dichte drommen van krijgslieden, die vóor en achter hem verzameld waren. Als men het meer van nabij bezag, leverde het leger echter een eenigzins minder indrukwekkend gezicht op, dan uit de verte. Zij die aan de spits van iederen clan voorttrokken, waren goed met sabel, schild en geweer gewapend, waarbij allen den dolk en de meesten het pistool voegden. Maar deze bestonden uit heeren, dat is bloedverwanten van het opperhoofd, schoon dan ook in verwijderden graad, die eene onmiddellijke aanspraak op zijne bescherming en bijstand hadden. Schooner en geharder manschappen zouden er bezwaarlijk te vinden zijn geweest in eenig leger ter wereld; en de vrije onafhankelijke houding van elk hunner, die echter zoo goed geleerd hadden ondergeschikt te blijven aan het bevel van hun Opperhoofd, benevens de bijzondere soort van krijgstucht, bij de Hooglanders op hunne veldtochten ingevoerd, maakten hen even geducht wegens hun persoonlijken moed en hun gevoel van eigenwaarde, als wegens hunne beredeneerde overtuiging van de noodzakelijkheid, om eendrachtig te handelen, en daardoor aan hunne nationale wijze van aanval de beste kans van welslagen te verzekeren. Maar in een lageren rang dan dezen, werden lieden gevonden van een mindere soort, de boeren van het Hoogland, die, ofschoon ze niet zoo genoemd wilden worden, en dikwijls, met een schijn van recht beweerden van ouder geslacht te zijn dan de heeren die ze dienden, echter de liverei droegen der uiterste armoede, daar ze op allerlei wijze toegerust, slecht gewapend, half naakt, klein van persoon waren, en een ellendig voorkomen hadden. Iedere clan van belang had eenige dezer Heloten in zijn gevolg. – Zoo waren de Mac-Couls, ofschoon ze hunne afkomst van Comhal, den vader van Finn, of Fingal rekenden, een soort van Gibeoniten, of erfelijke slaven der Stuarts van Appine. De Macbeths, afstammende van den ongelukkigen koning van dien naam, waren onderdanen van de Morays en van den clan Donnochy, of van de Robertsons van Athole. Nog een aantal andere voorbeelden zouden kunnen worden bijgebracht, indien ik niet vreesde den licht nog bestaanden trots van het Clanschap te kwetsen, en dus een Hooglandsch onweder over den boekwinkel van mijn uitgever te brengen. Nu waren deze zelfde Heloten, ofschoon naar het slagveld gedreven door het willekeurig gezag der Opperhoofden, onder wie zij hout hakten en water droegen, in het algemeen zeer slecht gevoed, en gekleed en nog slechter gewapend. De laatste omstandigheid was voorzeker hoofdzakelijk toe te schrijven aan het door het bewind uitgevaardigde bevel tot algemeene ontwapening, dat schijnbaar zeer streng door het geheele Hoogland was ten uitvoer gelegd, hoewel het de meeste opperhoofden gelukte om de zaak te ontduiken, door de wapenen van hunne onmiddellijke clanslieden te behouden, en die van mindere waarde, bij deze geringere satellieten opgezameld, uit te leveren. Een natuurlijk gevolg hiervan was, dat, gelijk wij reeds te kennen gaven, een aantal dezer arme menschen in een allerellendigsten toestand te velde moesten trekken.
Terwijl dus de voorhoede van een clan bestond uit manschappen op hunne wijze, wonderlijk goed gewapend, scheen de achterhoede daarentegen uit wezenlijke bandieten te bestaan. De een was met een strijdbijl, de ander met een sabel zonder schede gewapend; hier zag men een roer zonder slot, daar een mes stevig aan een stok gebonden; sommige hadden ook niets dan hunne dolken en stokken, of uit de heg gesneden knuppels. Het grimmige, havelooze en woeste voorkomen dezer lieden, waarvan de meesten met al de verbazing der onwetendheid, de meest gewone voortbrengselen van het maatschappelijke leven aangaapten, verwekte opzien in de Laaglanden, maar verspreidde er tegelijkertijd den schrik. Zoo weinig zelfs waren op dat tijdstip de Hooglanden nog bekend, dat het karakter en voorkomen van hun bevolking, die op deze wijze als militaire avonturiers zich vertoonden, bij de zuidelijke Laaglanders geen mindere verbazing wekten, dan een inval van Afrikaansche Negers of Eskimo’s, uit de noordelijke gebergten van Schotland komende, zou gedaan hebben. Het kan dus geen verwondering baren, dat Waverley, die tot hiertoe de Hooglanders in het algemeen beoordeeld had naar diegenen, welke Fergus had geraden geacht hem van tijd tot tijd te doen zien, ongerust en angstig gestemd werd, als hij dacht aan de roekelooze onderneming van een legerkorps, dat geen vierduizend man sterk, en waarvan de helft op zijn best gewapend was, om een ommekeer te brengen in het lot van het Britsche rijk en het regeerende Huis door een ander te doen vervangen.
Terwijl hij langs de kolonne voorttrok, welke zich nog niet in beweging had gesteld, werd een ijzeren kanon, het eenige stuk geschut van een leger dat zulk een belangrijke omwenteling op het oog had, afgevuurd als het signaal tot den marsch. De Prins had den wensch te kennen gegeven, om dit nutteloos stuk geschut achterwege te laten; maar, tot zijn verbazing, smeekten de Hooglandsche Opperhoofden hem vurig, dat het hen op hun tocht mocht vergezellen, terwijl ze zich berispen op de vooroordeelen hunner volgelingen, die, weinig aan artillerie gewoon, een belachelijk gewicht aan dit veldstuk hechtten, en verwachtten dat het wezenlijk zou bijdragen tot een overwinning, die zij, inderdaad, niet konden hopen alléen met hunne eigene geweren en zwaarden te behalen. Twee of drie Fransche kanonniers waren dus aangewezen om dit krijgswerktuig te besturen, hetwelk door een span Hooglandsche hitten werd voortgetrokken, en, ten slotte, alleen maar gebruikt werd om seinschoten te doen. [143]
Zoodra dan het schot bij deze gelegenheid gehoord werd, kwam de geheele linie in beweging. Een woeste vreugdekreet der voorttrekkende bataljons kliefde de lucht, en werd vervolgens opgelost in den schrillen toon der doedelzakken, gelijk het geluid van deze, op hare beurt, bijna uitgedoofd werd door den zwaren stap van zoo vele manschappen, die zich te gelijk in beweging zetten. De vaandels schitterden en wapperden, en de ruiterij haastte zich om hare plaats als voorhoede in te nemen, en kleine afdeelingen op verkenning uit te zenden, ten einde de bewegingen van den vijand gade te slaan en daarvan verslag te doen. Ze verdwenen uit Waverleys oog, toen ze het voetpad van „Arthurs zetel” insloegen, onder den merkwaardigen rand van basaltrotsen, tegenover het kleine meer van Duddingston.
De infanterie volgde in dezelfde richting, terwijl ze haar pas naar een ander korps regelde, dat een meer zuidelijken weg volgde. Eduard was verplicht al zijn krachten in te spannen, om dat gedeelte der kolonne te bereiken, waar Fergus en zijn manschappen zich bevonden.
ELFDE HOOFDSTUK.
EEN TOEVAL GEEFT AANLEIDING TOT NUTTELOOS NADENKEN.