Part 3
Ik weet, men zal mij hier aan de noodzakelijkheid herinneren, om de jeugd het onderwijs aangenaam te maken, en aan Tasso’s bijvoeging van honig in de voor een kind gereed gemaakte medicijnen; maar in eene eeuw, waarin den kinderen de droogste kundigheden langs den aanlokkelijken weg van onderhoudende spelen worden geleerd, heeft men weinig reden om voor de gevolgen van eene al te ernstige of te gestreng ingerichte studie beducht te zijn. De geschiedenis van Engeland is thans tot een kaartspel gemaakt; de meetkundige voorstellen tot legkaarten en raadsels; en het rekenen kan, naar men ons verzekerd heeft, genoegzaam aangeleerd worden, door eenige uren in de week te besteden aan eene nieuwe en meer ingewikkelde inrichting van het Ganzebord. Er hapert nog maar éene schrede aan, en de artikelen des Geloofs en de Tien Geboden zullen op dezelfde wijze geleerd worden, zonder dat men het deftige gelaat, den deftigen toon en de vrome oplettendheid zal behoeven, tot hiertoe van de welopgevoede jeugd in dit koningrijk gevorderd. Intusschen mag men wel ernstig in overweging nemen, of zij, die gewoon zijn enkel door zulke middelen onderwijs te ontvangen, er niet toe zullen komen, om alles wat hun voorkomt onder de gedaante van studie, te verwerpen; of zij, die de geschiedenis door speelkaarten leeren, er niet toe zullen vervallen, om aan het middel boven het doeleinde de voorkeur te geven, en of, zoo wij de waarheden van de godsdienst spelend onderwijzen, onze kweekelingen niet langzamerhand zullen verleid worden, hun godsdienst slechts als spel te beschouwen. Voor onzen jongen held, wien het vrij gelaten werd zijn onderricht enkel volgens de neiging zijns harten te kiezen, en die, bij gevolg het slechts zoo lang zoekt, als het hem genoegen verschafte, had de toegevendheid zijner opvoeders kwade gevolgen, die gedurende geruimen tijd van invloed waren op zijn karakter, zijn geluk en zijn bruikbaarheid in de maatschappij.
Eduards verbeeldingskracht en liefde voor de letteren, schoon de eerste levendig en de laatste vurig was, ver van een middel tegen deze kwaal aan te bieden, dienden slechts om hare hevigheid te vermeerderen. De boekerij op Waverley-Honour, een ruim Gothisch vertrek, met dubbele bogen en eene gaanderij, bevatte een even gemengde als uitgebreide boekverzameling. Zij was in den loop van twee honderd jaren bijeengebracht door eene familie, die altijd rijk was geweest, en bij gevolg geneigd uit weelde, de kasten te vullen met de letterkunde van den dag, zonder veel onderzoek of nauwgezette beoordeeling. In dit uitgebreid gebied mogt Eduard vrij rondzwerven. Zijn gouverneur had zijne eigene geliefkoosde studiën; en kerkelijke politiek en godsdienstig twistgeschrijf, verbonden met de zucht tot gemak, – ofschoon hij op bepaalde uren zich bezig hield met den vermoedelijken erfgenaam van zijn beschermer, – gaven hem aanleiding om iedere verontschuldiging aan te grijpen, om geen bepaald en geregeld toezicht over al zijn studiën te houden.
Sir Everard was zelf nooit iemand van studie geweest, en hield het er voor, even als zijne zuster, Rachel Waverley, dat, als men slechts las, het doet er niet toe wat, men nuttig bezig was. Zij waren beiden overtuigd dat het volgen der letters van het alphabet met het oog op zich zelf, een verdienstelijke arbeid was, zonder dat men angstvallig behoefde te onderzoeken, welke denkbeelden of leeringen uit de schikking der letters geboren worden. Terwijl een betere opvoeding zijn zucht om zich te vermaken al spoedig in dorst naar kennis zou herschapen hebben, dreef de jonge Waverley, gelijk een schip zonder stuurman of roer, in deze zee van boeken rond. Niets groeit wellicht meer door toegevendheid aan, dan deze oppervlakkige en ongeregelde leeslust, vooral wanneer men er zulk eene gunstige gelegenheid toe vindt. Ik geloof, dat een der redenen, waarom men zoovele voorbeelden van geleerdheid in de mindere standen aantreft, hierin te zoeken is, dat de arme student, met gelijke geestvermogens, beperkt is tot een engen kring, als hij zijn lust tot lezen voldoen wil, en genoopt is zich die boeken, welke hij bezit, eigen te maken, eer hij nieuwe kan verkrijgen. Eduard, integendeel, las, evenals die lekkerbek, die zich niet verwaardigde meer dan een klein hapje uit den door de zon gekleurden kant eener perzik te nemen, geen oogenblik langer in een boek als zijne nieuwsgierigheid of belangstelling er niet meer door geboeid werd, en het noodwendig gevolg was, dat de gewoonte, om alleen deze soort van onderhoud te zoeken, het afleeren er van dagelijks moeielijker maakte; tot dat de zucht om te lezen, even als alle andere sterke begeerten, waaraan men te veel toegeeft, eene zekere verzadiging veroorzaakt.
Maar, eer hij tot deze onverschilligheid kwam, had hij zijn geheugen, hetwelk inderdaad allergelukkigst mocht heeten, met een grooten voorraad van wetenswaardige, schoon slecht gerangschikte kundigheden, verrijkt. In de Engelsche letterkunde had hij Shakespeare en Milton, alsmede de oudere tooneeldichters bestudeerd; menige boeiende en belangrijke plaats uit de kronijken kende hij van buiten; terwijl hij bijzonder vertrouwd was met Spencer, Drayton en andere dichters, die zich op het romantische gebied hebben onderscheiden; zeker de verleidelijkste werken voor een jeugdige verbeelding, eer de driften ontwaakt zijn, die een meer sentimenteele soort van poëzij eischen. Hiervoor opende zijne kennis van het Italiaansch hem later de deur. Hij had de tallooze romantische gedichten doorloopen, welke sedert den tijd van Pulci een geliefkoosde oefening zijn geweest voor Italiës schoone geesten, en had bevrediging gezocht in de talrijke verzamelingen der „Novelle,” welke, in navolging van het Decamerone, door het genie van deze smaakvolle, schoon weelderige natie voortgebracht werden. In de oude letterkunde had Waverley de gewone vorderingen gemaakt, en las hij de meest bekende schrijvers; verwijl het Fransch hem een bijna onuitputtelijken voorraad van gedenkschriften had opgeleverd, nauwelijks geloofwaardiger dan romans, en van romans, zoo welgeschreven, dat ze nauwelijks van gedenkschriften te onderscheiden waren. De schitterende bladzijden van Froissart, met zijne hartroerende en prachtige beschrijvingen van oorlog en tournooijen, behoorden tot zijn lievelingslectuur; en uit die van Brantôme en de la Noue had hij geleerd het woeste, losse en bijgeloovige karakter der edelen van de Ligue, met den strengen, stroeven en soms woeligen geest der Hugenooten te vergelijken. De Spanjaard had bijgedragen, om zijn voorraad van ridderlijke en romaneske denkbeelden te vermeerderen. De vroegere letterkunde der Noordsche natiën ontging niet aan de liefhebberij van iemand, die meer las om de verbeelding dan om het verstand te voeden. En echter mocht Eduard Waverley, ofschoon hij veel wist wat slechts weinigen bekend is, te recht voor onwetend gehouden worden, omdat hij weinig wist van hetgeen den mensch waardigheid geeft, en hem in staat stelt een hooge plaats in de maatschappij op eervolle wijze te vervullen.
Eenige oplettendheid van de zijde zijner ouders, had ligt kunnen strekken, om de ontaarding van den geest, het gevolg van zulk een ongeregelde wijze van studie, te voorkomen. Maar zijne moeder stierf in het zevende jaar na de verzoening tusschen de broeders, en Richard Waverley zelf, die na dezen tijd meestal in Londen woonde, was te zeer vervuld met zijn plannen om rijkdom en onderscheiding te verwerven, om zich niet tevreden te stellen met de verzekering dat Eduard zeer op boeken gesteld en wellicht bestemd was om Bisschop te worden. Had hij de wakende droomen van zijn zoon kunnen nagaan, hij zou dan tot eene geheel andere gevolgtrekking gekomen zijn.
VIERDE HOOFDSTUK.
LUCHTKASTEELEN.
Ik heb reeds een wenk gegeven, dat de grillige en ziekelijke wansmaak, door overdaad van beuzelachtige lectuur aangekweekt, onzen held niet slechts ongeschikt maakte voor ernstige en gezette bezigheid, maar hem zelfs eenigermate een weerzin had ingeboezemd in hetgeen tot hiertoe zijn liefhebberij was geweest.
Hij had zijn zestiende jaar bereikt, toen zijn afgetrokken aard en zijn zucht naar eenzaamheid zoo sterk in het oog vielen, dat Sir Everards bezorgdheid opgewekt werd. Hij poogde deze neiging tegen te gaan, door zijn neef uittenoodigen tot allerhande jachtvermaken, waarin de voornaamste uitspanning van zijn eigen jeugd bestaan had. Maar, schoon Eduard voor een enkel saizoen het jachtroer gretig opnam, verloor hij, zoodra hij geleerd had er zich met eenige behendigheid van te bedienen, alle genoegen in deze tijdkorting.
In het volgend voorjaar bracht des ouden Izaäk Walton’s „Volmaakte hengelaar” hem er toe, om een ijverige beoefenaar van diens kunst te worden. Maar van alle uitspanningen, welke het vernuft ooit heeft uitgevonden om ledigheid te verdrijven, is het visschen het allerminst geschikt om iemand te vermaken, wiens traagheid zijn ongeduld evenaart, en de hengelroede van onzen held werd spoedig ter zijde gelegd. Goed gezelschap en voorbeeld, waardoor onze driften sterk beteugeld en beheerscht worden, zouden wel hunne gewone uitwerking op onzen jeugdigen dweeper hebben kunnen uitoefenen; maar de buurt was dun bevolkt, en de te huis opgevoede jonge lieden, die men er aantrof, behoorden niet tot de klasse, waaruit makkers voor Eduard konden gekozen worden, en nog veel minder waren ze in staat om zijn naijver op te wekken bij die veldvermaken, welke zij als het hoofddoel van hun leven beschouwden.
Er waren eenige andere jongelieden, die eene betere opvoeding ontvangen hadden en van veel minder bekrompen aard; maar onze held was eenigermate van hun kring uitgesloten. Sir Everard had, na den dood van koningin Anna, zijne plaats in het Parlement opgegeven, en, met de klimmende jaren, terwijl het aantal zijner tijdgenooten verminderde, zich langzamerhand uit de zamenleving teruggetrokken; zoodat, wanneer Eduard weleens met knappe en welopgevoede jonge lieden van zijn stand en vooruitzichten in aanraking kwam, hij zijn minderheid gevoelde, niet zoo zeer uit gebrek aan onderwijs en kennis, als uit gemis aan oefening, om hetgene hij wist voor te dragen en te pas te brengen. Eene sterke, dagelijks toenemende gevoeligheid deed dezen afkeer van het gezellig verkeer aangroeijen. De vrees van het minste vergrijp tegen de wellevendheid begaan te hebben, was voor hem ondragelijk; want misschien veroorzaakt de schuld van het kwaad zelf bij sommige gemoederen zulk een pijnlijk gevoel van schaamte en wroeging niet, als een zedig, gevoelig en onervaren jongeling ondervindt, bij het bewustzijn, dat hij de maatschappelijke vormen uit het oog verloren of zich belachelijk gemaakt heeft. Waar wij niet op ons gemak zijn, daar kunnen wij niet gelukkig wezen; en daarom is het niet vreemd, dat Eduard Waverley in den waan verkeerde, dat hij onbemind was en ongeschikt voor het gezellig verkeer, alleen omdat hij de gave nog niet verkregen had, er zich met gemak te bewegen, en anderen genoegen te geven of het zich zelven te verschaffen.
De uren door hem bij zijn oom en tante gesleten, werden verbeuzeld met telkens herhaalde vertellingen van den praatzieken ouderdom. Doch zelfs daarbij werd zijn verbeelding, het overheerschend vermogen van zijn geest, menigmaal opgewekt. Familie-overlevering en geslachtkundige historie, waarover Sir Everard meestal sprak, is juist het tegenovergestelde van den barnsteen, die, schoon op zich zelven een kostbare zelfstandigheid, toch doorgaans vliegen, stroohalmpjes en andere prullen bevat; terwijl de genoemde studiën, op zich zelve hoogst onbeduidend en beuzelachtig, nogtans dienen, om zeer veel van hetgeen in de oude zeden zeldzaam en belangrijk is, voor de vergetelheid te bewaren, en een aantal wetenswaardige kleinigheden in herinnering te houden, die door geen ander middel te bewaren, of tot ons over te brengen zouden zijn. Zoo derhalve Eduard Waverley van tijd tot tijd geeuwde bij het oplezen van den droogen catalogus van de namen zijner voorvaderen, en bij het opsommen hunner onderling aangegane huwelijken, en in zijn hart de koude en langdradige nauwkeurigheid verwenschte, waarmede de waardige Sir Everard de onderscheidene trappen van verwantschap naging, die er bestonden tusschen het huis van Waverley-Honour en de dappere baronnen, ridders en heeren, met welke het vermaagschapt was; zoo hij (in weerwil zijner verplichting aan de drie hermelijnen) soms met al de drift van een Hotspur, in zijn hart vloekte op de poespas der wapenkunde, hare griffioenen, hare monsters en hare draken verwenschte, waren er echter oogenblikken, waarin zijn verbeelding opgewekt en zijne oplettendheid geboeid werd.
De daden van Wilibert van Waverley in het Heilige Land, zijn lange afwezigheid en gevaarlijke avonturen, zijn veronderstelde dood en zijn terugkomst op den avond, toen zijn geliefde den held gehuwd had, die haar tegen beschimping en verdrukking had beschermd; de edelmoedigheid, waarmede de kruisridder zijn aanspraken opgaf en in het naburig klooster den eeuwigen vrede zocht, [20] – naar deze en soortgelijke verhalen kon hij luisteren tot zijn hart gloeide en zijn oog glinsterde. En niet minder was hij aangedaan, wanneer zijn tante Rachel, van het lijden en de dapperheid van Alice Waverley, gedurende den grooten burgeroorlog, verhaalde. De vriendelijke gelaatstrekken van de bejaarde jonkvrouw namen een verhevener uitdrukking aan, als ze verhaalde, hoe Karel, na den slag van Worcester, voor een dag toevlucht vond op Waverley-Honour, en hoe, toen een troep ruiterij naderde, om het huis te doorzoeken, Lady Alice haar jongsten zoon uitzond, van een handvol huisbedienden vergezeld, met het bevel, om ten koste van hun leven, een uur uitstel te bewerken, ten einde den Koning den tijd te verschaffen om te ontvluchten. „En, God zij haar genadig,” dus placht Freule Rachel voort te gaan, terwijl zij hare oogen op de beeltenis der heldin vestigde, en er bijvoegde, „wel kocht ze het behoud van haar koning duur met het leven van haar meest geliefd kind. Hij werd hier heen gebracht als gevangene, doodelijk gewond; en gij kunt nog de sporen van zijn bloed zien, van de groote zaaldeur, langs de kleine gaanderij en verder op naar de kamer waar hij werd nedergelegd, om aan de voeten zijner moeder te sterven. Maar ze troostten elkander; want hij zag aan het schitteren van zijn moeders oog, dat het doel zijner wanhopige verdediging bereikt was.” „Ach! ik herinner mij,” ging zij voort, „ik herinner mij nog iemand gezien te hebben, die hem kende en beminde. Om zijnentwil leefde en stierf Lucie St. Aubin ongehuwd, schoon een der schoonste en rijkste partijen in dit koninkrijk; het geheele land liep haar na, maar geheel haar leven lang droeg ze den zwaren rouw, om den armen Willem; want zij waren verloofd, ofschoon niet getrouwd, en ze stierf in – ik herinner mij den datum niet; maar wèl, dat in November van datzelfde jaar, toen ze gevoelde dat hare krachten begonnen af te nemen, ze nog eenmaal verlangde naar Waverley-Honour gebracht te worden. Ze bezocht toen al de plaatsen waar ze met zijn oudoom geweest was, en liet de tapijten opnemen, om het spoor van zijn bloed te zien, en als tranen in staat waren geweest het uit te wisschen, zou het er niet meer aanwezig zijn; want er was geen droog oog in het geheele huis. Gij zoudt gemeend hebben, Eduard, dat zelfs de boomen om haar treurden; want naast haar vielen de bladeren af, zonder dat het geringste koeltje zich bewoog; en waarlijk ze zag er uit als iemand, die ze nooit weder groen zou zien.”
Na het hooren van zulke legenden sloop onze held doorgaans weg, om zich aan de mijmeringen over te geven, daardoor opgewekt. In den hoek van de uitgestrekte en sombere boekerij, bij geen ander licht, dan hetgeen de smeulende blokken op den breeden haard verspreidden, kon hij uren lang die inwendige tooverij uitoefenen, waardoor gebeurtenissen uit het verledene of die welke de verbeelding oproept, voor het oog van den droomer als het ware leven. Nu eens zag hij voor zich een langen en rijken sleep van schitterende vizioenen verrijzen: het bruiloftsfeest binnen het kasteel van Waverley; de ranke en vermagerde gestalte van den rechtmatigen heer in zijn pelgrims gewaad, als een onopgemerkt toeschouwer der vreugde van zijn gewaanden erfgenaam en van zijne bestemde bruid; den elektrieken schok door de ontdekking veroorzaakt; het grijpen der vazallen naar de wapenen; de verbazing van den bruidegom; de schrik en verwarring van de bruid; de bittere smart waarmede Wilibert opmerkte, dat zij van ganscher harte in het huwelijk toestemde; de houding die getuigde van waardigheid, en diep gevoel, waarmede hij het half ontbloote zwaard weder in de schede stak, en het huis zijner voorvaders verliet om het voor altijd den rug toe te keeren. Dan liet hij wederom het tooneel veranderen, en de fantazie moest hem gehoorzamen en tante Rachels treurspel vertoonen. Hij zag Lady Waverley zitten in het prieel, geheel en al oor om het minste geluid op te vangen, terwijl haar hart van angst klopte, nu eens luisterende naar de wegsmeltende klanken van den hoefslag van ’s konings paard, en toen deze verstierven, in elk windje, waardoor de boomen in het park bewogen werden, het geraas der verwijderde schermutseling hoorende. Een geluid in de verte wordt vernomen, als het ruischen van een bergstroom; het komt nader, en Eduard kan duidelijk het draven der paarden, het getier en geschreeuw der manschappen, en daaronder het knallen van pistoolschoten onderscheiden; alles hoe langer hoe meer het kasteel naderende. De dame springt op – een ontsteld bediende stort binnen. – Maar waartoe zulk eene beschrijving vervolgen?
Daar het leven in deze denkbeeldige wereld onzen held dagelijks aangenamer werd, zoo was het hem naar evenredigheid onaangenaam gestoord te worden. De uitgebreide landerijen, waardoor het slot omringd was, die, daar ze den omvang van een park ver te boven gingen, gemeenlijk Waverley Jacht genoemd werden, waren oorspronkelijk boschgrond geweest, en bezaten, schoon afgewisseld door uitgestrekte open vakken, waarin de jonge reeën dartelden, nog geheel het woeste karakter van eertijds. Het land was doorsneden met breede lanen, op vele plaatsen half begroeid met kreupelhout, waar de schoonen van vroegere dagen hare standplaats plachten te kiezen, om het hert door de windhonden te zien vervolgen, of eene gelegenheid te vinden om met den armboog op te mikken. Op éen plek, kenbaar door een met mos begroeid gothisch gedenkteeken, dat nog den naam van koninginneplek behield, had Elizabeth, naar men zeide, met eigen hand zeven herten doorschoten. Dit was een lievelingsplek van Eduard Waverley. Op andere tijden was hij gewoon met het jachtroer en zijn hond, die als voorwendsel voor anderen moesten dienen, en met een boek op zak, dat misschien als voorwendsel voor hemzelven dienen moest, eene dezer lange lanen in te slaan, die na anderhalf uur klimmens, zich allengs vernauwde tot een ruw, smal pad door den steenachtigen en dichtbegroeiden pas, Het Zwarte dal genaamd, en eensklaps een uitzicht schonk op een diep en donker meertje, om dezelfde reden Het Zwarte meer genoemd. Daar stond in vroeger tijd een eenzame toren op eene rots, bijna geheel door water omringd, die den naam verkregen had van „de sterkte van Waverley,” omdat hij vaak in gevaarlijke tijden tot toevluchtsoord der familie had gediend. Daar voerden, gedurende de oorlogen van York en Lancaster, de laatste aanhangers van de Roode Roos, die hare zaak durfden voorstaan, een onafgebroken en vernielenden krijg, tot de sterkte door den vermaarden Richard van Gloucester werd veroverd. Hier hield ook een troepje Koningsgezinden zich lang staande onder Nigel Waverley, den ouderen broeder van dien Willem, wiens lotgevallen tante Rachel gewoon was te vertellen. Op deze plekken schiep Eduard er behagen in, zich in zoete en bittere overdenkingen te verdiepen, terwijl hij, gelijk een kind te midden van zijn speelgoed, uit den schitterenden maar nutteloozen voorraad van beelden en droomen zijner fantazie, gebouwen optrok, die even luisterrijk waren, maar even spoedig verdwenen als die eener avondwolk. Welke uitwerking dit toegeven aan zijn lievelingsgewoonte op zijn gemoed en karakter had, zal in het volgende hoofdstuk blijken.
VIJFDE HOOFDSTUK.
KEUZE VAN EEN BEROEP.
Wegens de uitvoerigheid, waarmede ik Waverleys bezigheden, en de richting die ze aan zijn verbeelding gaven, geschetst heb, zal de lezer in de volgende geschiedenis wellicht eere navolging verwachten van den bekenden roman van Cervantes. Maar door dit te veronderstellen, zou hij mijne wijsheid te kort doen. Het is mijn voornemen niet de voetstappen van dien onnavolgbaren schrijver te drukken, in het schilderen van die geheele verbijstering des verstands, welke de voorwerpen verwart, zoo ras ze zich voordoen, maar ik wensch die meer gewone afwijking van het gezonde oordeel te schetsen, die de zaken zooals ze werkelijk bestaan opneemt, doch daaraan een zweem van eigen romanesken toon en kleur mededeelt. Eduard Waverley was er zoo verre van af, om te veronderstellen dat hij bij anderen zijne wijze van zien en gevoelen vinden zou, of te wanen dat de tegenwoordige toestand der maatschappij geschikt was om de droomen te verwezenlijken, waaraan hij zich zoo gaarne overgaf, dat hij niets meer vreesde dan de gevoelens die de vrucht waren van zijne mijmeringen, door anderen ontdekt te zien. Hij had geen vertrouwde, en wenschte er geen te hebben, om hem zijne droomerijen mede te deelen, waarvan hij het belachelijke zoo zeer gevoelde, dat, als hij had moeten kiezen tusschen een straf waaraan geen schande verbonden was, en de noodzakelijkheid om een koel en bedaard verslag te geven van de denkbeeldige wereld, waarin hij het beste deel van zijn leven doorbracht, hij, geloof ik, niet geaarzeld zou hebben zich aan de eerste te onderwerpen. Deze afzondering werd hem dubbel dierbaar, toen hij, met den loop der jaren, den invloed der ontwakende hartstochten gevoelde. Vrouwelijke vormen van uitstekende bevalligheid en volmaakte schoonheid begonnen een rol te spelen in zijne denkbeeldige avonturen en het duurde niet lang of hij begon rond te zien, en de scheppingen zijner verbeelding met de vrouwen uit de werkelijkheid te vergelijken. De lijst der schoonen, die hare bevalligheden wekelijks in de kerk van Waverley ten toon spreidden, was talrijk noch uitgelezen. Verre weg de dragelijkste was jufvrouw Sissly, of zoo als ze liever wilde genoemd worden, Cecilia Stubbs, de dochter van den heer Stubbs van de pachthoeve. Ik weet niet of het door het „eenvoudigste toeval van de wereld” was, eene spreekwijze, die op vrouwelijke lippen niet altijd den voorbedachten raad uitsluit, of dat het uit overeenstemming van smaak kwam, dat Cecilia meer dan eens Eduard op zijn lievelingswandeling in het Waverleys-Park ontmoette. Hij had den moed nog niet gehad haar bij deze gelegenheid aan te spreken; maar de ontmoeting was niet zonder uitwerking gebleven. Een romaneske minnaar is een zonderlinge afgodendienaar, die er zich soms weinig aan stoort, uit welke stof hij het voorwerp zijner aanbidding vormt, althans zoo de natuur dit voorwerp slechts wat uiterlijke schoonheid geschonken heeft, kan hij gemakkelijk den Juwelier en den Dervish, in de oostersche vertelling [21] spelen, en haar overvloedig, uit de voorraadschuren zijner eigene verbeelding, met bovennatuurlijke bekoorlijkheden en al de rijkdommen van geest en hart voorzien.
Maar eer de bekoorlijkheden van Cecilia Stubbs haar wezenlijk tot een godin gemaakt, of ten minste haar even hoog geplaatst hadden als de heilige van dien naam, vatte Rachel Waverley eenige vermoedens op, welke haar bewogen de aanstaande apotheose of heiligverklaring te voorkomen. Zelfs de eenvoudigste en onergdenkendste der vrouwen (God zegene haar!) bezitten een aangeboren instinct in soortgelijke zaken, welke soms zoo ver gaat, dat ze neigingen bespeuren, die nooit bestaan hebben, en maar zelden missen die te ontdekken, welke onder het bereik harer waarneming vallen. Freule Rachel legde er zich met groote voorzichtigheid op toe, niet om het naderend gevaar te bestrijden, maar om het te voorkomen, en bracht haren broeder aan het verstand, dat de erfgenaam van zijn huis noodzakelijk iets meer van de wereld moest zien, dan mogelijk was bij zijn aanhoudend verblijf op Waverley-Honour.
Sir Everard had in den beginne geen ooren naar een voorstel, waardoor hij van zijn neef zou gescheiden worden. Eduard was eenigzins op boeken gesteld; dat stemde hij toe; maar de jeugd, zooals hij altijd gehoord had, was de tijd om te leeren, en er bestond geen twijfel of hij zou, als zijn leeslust gestild, en zijn hoofd met kundigheden vervuld was, zich van zelf op de vermaken der jacht en de belangen van de landstreek toeleggen. Ook hij had het, zeide hij, dikwijls betreurd, dat hij in zijn jeugd niet een weinig tijd aan de studie besteed had: hij zou er niet minder goed om geschoten of gejaagd hebben, en het Parlementsgebouw met langere redevoeringen hebben doen weergalmen, dan de driftige „Neen’s”, waarmede hij, als lid van het Huis onder het bestuur der Whigs, zich tegen elken maatregel van het Bewind verzette.