Part 2
Wanneer men nu de nadeelen opsomt, onafscheidelijk van dit gedeelte van mijn onderwerp, zal men wel van zelf begrijpen, dat ik besloten heb ze zoo veel mogelijk te ontwijken, door juist de kracht van mijn verhaal te leggen in de karakters en hartstochten der personen – hartstochten, den mensch eigen in alle standen der maatschappij, en die zijn hart even zeer bewogen hebben, hetzij het klopte onder het stalen keurslijf der vijftiende eeuw, den geborduurden rok der achttiende, of den blauwen frak en het wit diemiten vest van den tegenwoordigen tijd [14]. Het is zeker waar, dat de toestand van zeden en wetten eene kleur aan deze hartstochten geeft; maar, in de taal der heraldiek blijven de wapens dezelfde, hoewel de kleuren niet slechts verschillend, maar in de sterkste tegenspraak met elkander zijn mogen. De toorn onzer voorvaderen, bij voorbeeld, was „geel” gekleurd; hij gaf zich tucht door daden van openbaar en bloedig geweld tegen de voorwerpen zijner woede: van onze vijandelijke gevoelens daarentegen, die bevrediging langs minder rechtstreeksche wegen moeten zoeken en de hinderpalen ondermijnen, die ze niet openlijk kunnen omverwerpen, kan men eer zeggen dat ze „sable” gekleurd zijn. Maar de onweerstaanbare aandrift is in beide gevallen dezelfde; en de trotsche pair die nu zijn naaste slechts te gronde kan richten volgens de wet, door eindeloos gerekte rechtsgedingen, is de echte afstammeling van den baron, die het kasteel van zijn mededinger in brand stak en hem den kop kloofde, als hij aan de vlammen poogde te ontsnappen. Het is uit het groote boek der natuur, hetzelfde door een duizendtal uitgaven heen, hetzij gedrukt met een gothische letter, of op velijn papier en gesatineerd, dat ik stoutmoedig beproefd heb het publiek een hoofdstuk voor te lezen. Een gunstige gelegenheid tot tegenstellingen deed zich aan mij voor, in den toestand der maatschappij in het noordelijk gedeelte des eilands, ten tijde mijner geschiedenis; en deze mogen tegelijk dienen ter afwisseling en opheldering van de zedelessen, die ik gaarne zou wenschen, dat men als het voornaamste deel van mijn werk beschouwde; al gevoel ik ook hoe weinig ze haar doel zullen bereiken, als ik buiten staat ben, om ze tevens onderhoudend te maken, – eene taak op verre na niet zoo gemakkelijk, als „zestig jaar geleden”.
TWEEDE HOOFDSTUK.
WAVERLEY-HONOUR. [15] EEN TERUGBLIK.
Het is, dus, zestig jaren geleden, dat Eduard Waverley, de held der volgende bladzijden, afscheid nam van zijne familie, om zich te voegen bij een regiment dragonders, waarbij hij onlangs een officiersplaats erlangd had. Het was een treurige dag op Waverley-Honour, toen de jeugdige krijgsman afscheid nam van Sir Everard, zijn hem hartelijk genegen ouden oom, van wiens naam en familiegoed hij de vermoedelijke erfgenaam was. Verschil van staatkundige gevoelens had lang geleden den baronet in onmin gebracht met zijn jongeren broeder, Richard Waverley, den vader van onzen held. Sir Everard had van zijne voorouders den geheelen sleep van Tory en streng-kerkelijke neigingen en vooroordeelen geërfd, waardoor het huis van Waverley sedert den grooten burgeroorlog zich onderscheiden had. Richard daarentegen, die tien jaar jonger was, zag zich beperkt tot de fortuin van een jongeren broeder, en vond in het spelen van die rol even weinig eer als voordeel. Hij zag al spoedig in, dat, wil men op den levensweg vooruitkomen, het noodzakelijk is, zoo min mogelijk op zijne schouders te laden. De schilders spreken van de moeielijkheid, om gemengde hartstochten in dezelfde trekken, op hetzelfde oogenblik, uit te drukken; voor den zielkundige zou het niet minder bezwaarlijk zijn, de onderscheidene drijfveeren na te vorschen, waarvan onze daden afhankelijk zijn. Met behulp der geschiedenis en van het gezond verstand kwam Richard Waverley tot de overtuiging, volgens de woorden van het oude liedje dat:
Lijdlijke gehoorzaamheid maar spel, Zich niet verzetten onzin was.
Waarschijnlijk echter, zou geen redeneering in staat geweest zijn het erfelijk vooroordeel te weren, indien Richard voorzien had, dat Sir Everard, die zich eene eerste ongelukkige liefde sterk aantrok, tot op zijn twee-en-zeventigste jaar een oude vrijer zou blijven. Het vooruitzicht op de erfenis, hoe verwijderd ook, zou in dat geval er hem toe gebracht hebben, zich te getroosten, het grootste deel zijns levens als „Jonker Richard van het Kasteel, de broeder van den baronet,” door te brengen, in de hoop dat hij vóór zijn dood, den titel zou voeren van Sir Richard Waverley van Waverley-Honour, erfgenaam van een vorstelijk goed en van grooten staatkundigen invloed in het graafschap, waar zijne bezittingen gelegen waren. Maar zulk een loop der dingen liet zich bezwaarlijk verwachten in Richard’s jeugd, toen Sir Everard in den bloei des levens was, en zeker kon zijn van in bijna iedere familie als een aannemelijke partij te zullen worden beschouwd, hetzij rijkdom of schoonheid door hem mocht worden nagejaagd, en op een tijd toen inderdaad het gerucht van zijn aanstaand huwelijk de buurt geregeld eenmaal ’s jaars in rep en roer bracht. Zijn broeder zag dus geen weg tot onafhankelijkheid, dan dien van zijn eigene krachten in te spannen, en een staatkundig geloof te omhelzen, meer overeenkomstig zoowel met de rede als met zijn eigen belang, dan de erfelijke verkleefdheid van Sir Everard aan de Orthodoxe Kerk en het huis van Stuart. Bij zijn intrede in de wereld veranderde hij dus van partij en deed zich als een openbare Whig en vriend der Hannoversche troonsopvolging kennen.
Het ministerie van dien tijd streefde er wijselijk naar om de macht der oppositie te verzwakken. De Tory-adel, die zijn luister van den zonneschijn des troons ontleende, was sedert korten tijd begonnen zich langzamerhand met het nieuwe regeerende huis te verzoenen. Maar de rijke Engelsche land-edellieden, eene klasse die, bij veel van de oude zeden en oorspronkelijke onbedorvenheid, een groote mate van stijfzinnig en onbuigzaam vooroordeel behield, bleven op een afstand, terwijl zij een trotschen en wreveligen tegenstand boden en menigen blik van gemengde spijt en hoop op ’s Hertogenbosch, Avignon en Italië wierpen. [16]
Het toetreden des naastbestaanden van een dezer onverzettelijke tegenstanders, werd als een middel beschouwd om meer bekeerlingen te maken, en dien ten gevolge werd Richard Waverley veel meer dan zijne bekwaamheden of zijn staatkundig gewicht eischten, door de ministers begunstigd en bevorderd. Men had trouwens ontdekt, dat hij vrij wat aanleg had voor het staatkundig leven; en eenmaal bij den Minister toegelaten, werd hij ook spoedig bevorderd. Sir Everard zag uit de openbare nieuwsberichten eerst, dat de heer Richard Waverley tot lid van het Lagerhuis gekozen was, om een ministerieelgezind plaatsje te vertegenwoordigen; daarna, dat de heer Richard Waverley een belangrijk deel had genomen in de debatten over de Accijnswet, ten gunste van het bewind; en eindelijk, dat de heer Richard Waverley, vereerd was met het lidmaatschap van een dier colleges, waar het genoegen van zijn land te dienen gepaard gaat met andere belangrijke voordeelen, die, om ze des te aannemelijker te maken, geregeld elk kwartaal terugkomen.
Ofschoon deze gebeurtenissen elkander zoo spoedig opvolgden, dat de schrandere redacteur van een hedendaagsch nieuwsblad de twee laatste zou voorzegd hebben, op het eigen oogenblik dat hij de eerste aankondigde, bereikten ze Sir Everard echter slechts langzaam en, als het ware druppelsgewijs, uit den kouden en tragen distilleerketel van Dyer’s „Weekblad.” [17] Want in het voorbijgaan zij hier aangemerkt, dat, in plaats van die postkarren, door middel waarvan ieder ambachtsman in zijn stuiversclub des avonds uit twintig elkander tegensprekende dagbladen het nieuws van den vorigen dag uit de hoofdstad kan ontvangen, in die dagen een wekelijksche post op Waverley-Honour een wekelijksche courant bracht, die, nadat ze Sir Everard’s nieuwsgierigheid, benevens die zijner zuster en van een ouden keldermeester had bevredigd, geregeld gebracht werd van het slot naar de pastorie, en vervolgens van de pastorie naar den heer Stubbs op de boerderij, vandaar, naar des baronets rentmeester, in zijn net wit huis op de heide; van den rentmeester naar den schout, en van dezen, door een uitgebreiden kring van eerzame vrouwen en bazen, door wier harde en hoornachtige handen ze gemeenlijk omtrent eene maand na hare uitkomst aan flarden was gescheurd.
Dit langzame overbrengen van berichten was in het geval van Richard Waverley niet zonder eenig nut, want, als al de gruwelen door hem gepleegd, op eens Sir Everard’s ooren bereikt hadden, zou buiten twijfel de nieuwbenoemde ambtenaar slechts weinig reden gehad hebben, zich op zijn staatkundigen voorspoed te verheffen. Het karakter van den baronet, ofschoon hij onder de zachtaardigste der menschen behoorde, had ook zijn gevoelige zijde; zijns broeders gedrag had hem diep gekwetst; het famieliegoed Waverley was een vrije bezitting (want het was nooit bij iemand der voormalige eigenaars opgekomen, dat een hunner nakomelingen zich schuldig zou kunnen maken aan de afschuwelijkheden, aan Richard door Dyer’s nieuwsblad thans te laste gelegd,) en al ware het dit ook niet, dan moest toch het huwelijk van den bezitter voor zijn broeder als erfgenaam volstrekt noodlottig worden. Deze verschillende denkbeelden verdrongen elkander in het brein van Sir Everard, zonder dat hij evenwel tot eenig bepaald besluit kwam.
Hij onderzocht zijn stamboom, die, opgeluisterd met menig zinnebeeldig teeken van eer en heldendeugd, aan den rijk versierden wand der groote zaal hing. De naaste afstammelingen van Sir Hildebrand Waverley, bij ontstentenis van die van den oudsten zoon Wilfred, (van wien Sir Everard en zijn broeder de eenige vertegenwoordigers bleven,) waren (gelijk dit hooggeschatte register hem berichtte, en hij inderdaad zelf wel wist) de Waverleys van Highley-Park, in het graafschap Hampshire met welke de hoofdtak of liever de stamhouders van het huis, sedert het groote rechtsgeding in 1670, alle gemeenschap had opgegeven. Deze zijtak had een tweede vergrijp jegens het hoofd en den oorsprong van zijn adel gepleegd, door het huwelijk van diens vertegenwoordiger met Judith, erfgename van Olivier Bradshawe, van Highley-Park, wiens wapen, hetzelfde als dat van Bradshawe den koningsmoordenaar, door haar met het oude en eerbiedwaardige der Waverleys vereenigd was geworden. Deze beleedigingen echter waren, in de hitte zijner gramschap, uit het geheugen van Sir Everard verdwenen, en zoo de procureur Duitendief, dien hij met zijn rijtuig opzettelijk had laten halen, slechts een uur vroeger aangekomen ware, zou deze het buitenkansje hebben gehad om eene nieuwe erfregeling van de heerlijkheid en het rechtsgebied van Waverley-Honour met alle aanhoorigheden op te stellen. Maar een uur van koel overleg is van geen luttel belang, als het gebezigd wordt om de wederzijdsche gebreken van twee maatregelen te wikken en te wegen, welke ons geen van beide werkelijk aanstaan. De procureur vond zijn cliënt in een diep gepeins gewikkeld, hetwelk hij te eerbiedig was om anders te storen, dan door het te voorschijn halen van zijn papier en lederen inktkoker, ten bewijze dat hij gereed was de bevelen van „mijnheer” op te teekenen. Doch zelfs deze kleine beweging hinderde Sir Everard, die ze voor een verwijt zijner besluiteloosheid aanzag. Hij zag naar den procureur met een soort van verlangen, om zijn vonnis uit te spreken, toen de zon, die van achter een wolk te voorschijn kwam, op eens haar schitterend licht door de geschilderde glazen in het donker kabinet wierp, waar zij zaten. Zoodra de baronet zijn oog naar dien glans ophief, viel het juist op het middelste schild, waarop hetzelfde devies prijkte, door zijn voorzaat, gelijk men zeide, in het veld van Hastings gevoerd: drie hermelijnen in zilver op een azuren veld, met de eigenaardige spreuk, „sans tache” „Moge onze naam eer vergaan,” dacht Everard, „dan dat dit oude en geëerde wapen vereenigd zou worden met het onteerde schild van een verraderlijken rondhoofd!”
Dit alles was het uitwerksel van een invallenden zonnestraal, die den procureur het noodige licht gaf om zijne pen te vermaken. De pen werd te vergeefs versneden. De rechtsgeleerde werd weggezonden, met verzoek om zich op het eerste bevel gevel gereed te houden.
De verschijning van den procureur op het kasteel gaf aanleiding tot vrij wat gissingen in dat gedeelte der wereld, waarvan Waverley-Honour het middelpunt uitmaakte. Maar de oordeelkundige staatslieden dezer kleine wereld voorspelden nog ergere gevolgen voor Richard Waverley, toen kort na zijn verzaking der familie-politiek zijn broeder iets anders ondernam. Dit was niets minder dan een uitstapje van den baronet in de koets met zes paarden, met een gevolg van vier bedienden in rijk liverei, om een bezoek van eenigen duur af te leggen bij een edelen Pair, op de grenzen van het graafschap, van onbevlekte afkomst en standvastige Tory-beginsels, en de gelukkige vader van zes ongehuwde, wel opgevoede dochters. Sir Everards ontvangst in dit gezin was, zoo als men licht begrijpt, gunstig genoeg; maar van de zes jonge dames viel ongelukkig zijn smaak op Lady Emilia, de jongste, die zijn oplettendheden met een verlegenheid aannam, welke terstond verried, dat zij ze niet durfde afwijzen, maar tevens, dat ze haar alles behalve aangenaam waren. Sir Everard moest wel iets buitengewoons bespeuren in de onderdrukte aandoening, die zij liet blijken bij de voorkeur, welke hij haar schonk; maar gerustgesteld door de verstandige gravin, die ze voorstelde als slechts de natuurlijke gevolgen eener afgezonderde opvoeding, zou het offer licht volbracht zijn geworden, zoo als zeker dikwerf geschiedt, ware dit niet verhinderd door den moed eener oudere zuster, die den rijken minnaar openbaarde, dat Lady Emilia haar hart geschonken had aan een jong soldaat zonder fortuin, een harer naastbestaanden. Op deze tijding, welke hem in een bijeenkomst met de jonge dame door haar zelve, schoon in den vreeselijksten angst voor haars vaders gramschap, werd bevestigd, legde Sir Everard eene groote ontroering aan den dag. Eer en edelmoedigheid waren erfelijke eigenschappen van het huis Waverley. Met eene bevalligheid en kieschheid, een romanheld waardig, gaf Sir Everard zijn aanzoek om de hand van Lady Emilia op. Het gelukte hem zelfs vóor zijn vertrek van den vader de toestemming te verkrijgen tot hare vereeniging met het voorwerp harer keuze. Welke drangredenen hij bezigde, kan niet nauwkeurig opgegeven worden; maar onmiddellijk na deze onderhandeling klom de jonge officier in het leger met eene snelheid op, die de gewone bevordering naar verdienste zonder bescherming, verre te boven ging.
De schok, dien Sir Everard bij deze gelegenheid ondervond, hoewel verzacht door het bewustzijn van braaf en edelmoedig gehandeld te hebben, bleef niet zonder invloed op zijn volgend leven. Zijn besluit om te trouwen was in een vlaag van toorn genomen; de moeite van het vrijen strookte niet al te wel met de deftige gemakzucht zijner leefwijze; hij was maar even aan het gevaar ontsnapt, van eene vrouw te huwen, die hem nooit kon beminnen, en zijn trots kon bezwaarlijk zeer gevleid zijn door den afloop der liefdesgeschiedenis, al ware het ook dat zijn hart er niet onder geleden had. De slotsom van de gansche zaak was, dat hij naar Waverley-Honour terugkeerde, zonder zijne genegenheid op iemand anders te hebben overgebracht, niettegenstaande de zuchten en kwijnende blikken der schoone snapster, die, uit zuiver zusterlijke liefde, het geheim van Lady Emilia had geopenbaard, en in weerwil van de knikjes, wenken en toespelingen der gedienstige, vrome moeder, en de deftige lofspraken, die de graaf achtereenvolgens hield over de ingetogenheid, het gezond verstand en den bijzonder goeden aanleg zijner eerste, tweede, derde, vierde en vijfde dochter. De herinnering aan zijn mislukte liefde was voor Sir Everard, zoo als voor vele anderen van zijn aard, die tevens koel, trotsch, licht geraakt en traag zijn, eene waarschuwing: om zich niet andermaal aan soortgelijke teleurstelling, droefheid en vergeefsche moeite te wagen. Hij bleef op Waverley-Honour leven als een oud Engelsch edelman, van hooge afkomst en groot fortuin. Zijne zuster Freule Rachel Waverley, zat aan ’t hoofd van zijne tafel, en zij werden langzamerhand een oud vrijer en eene oude vrijster, de zachtaardigste en vriendelijkste van allen, die ooit de gelofte om ongehuwd te blijven hadden afgelegd.
Sir Everards verstoordheid op zijn broeder, hoe hevig ook in den beginne, was slechts van korten duur; zijn afkeer nogtans van den Wigh en den rijks-ambtenaar, schoon niet sterk genoeg, om hem een of anderen, voor Richards belangen nadeeligen maatregel te doen nemen, vermeerderde op den duur de tusschen hen bestaande vervreemding. Richard kende de wereld en zijn broeder te goed om niet te begrijpen, dat eenige onvoorzichtige of overhaaste toenadering van zijn kant, den passieven afkeer van den baron, tot handelen zou opwekken. Het toeval bracht echter ten laatste eene toenadering te weeg. Richard had een jonge vrouw van goeden huize getrouwd, in de hoop dat de invloed van hare bloedverwanten en van haren rijkdom zijne bevordering in de hand zou werken. Door haar werd hij bezitter van eene heerlijkheid van eenige waarde, op eenige mijlen afstands van Waverley-Honour.
De kleine Eduard, de held onzer geschiedenis, toen in zijn vijfde jaar, was hun eenig kind. Op zekeren morgen liep de jongen met de meid, aan wier zorgen hij toevertrouwd was, een half uur verder dan de oprijlaan van Brere-Wood-Lodge, zijns vaders plaats. Hunne aandacht werd getrokken door eene koets met zes deftige, zwarte langstaart paarden bespannen, en met zoo veel snijwerk en verguldsel dat het zelfs den Lord Mayor eere zou hebben aangedaan. Het rijtuig wachtte op den eigenaar, die, op een kleinen afstand, zich onledig hield met het nagaan der vorderingen van een half gebouwde pachterswoning. Ik weet niet of de „bonne” van den knaap eene vrouw uit Wallis of uit Schotland [18] geweest was, of op welke wijze hij een wapenschild met drie hermelijnen met het denkbeeld van persoonlijk eigendom in verband bracht; maar zoodra hij het wapen der familie zag, besloot hij stoutweg zijn recht te doen gelden op het schitterende rijtuig, waarop het geschilderd was. De baronet kwam terug, terwijl de meid het kind te vergeefs van zijn voornemen poogde terug te brengen, om zich de vergulde koets met zes paarden toe te eigenen. De ontmoeting had op een gelukkig oogenblik voor Eduard plaats, daar de aandacht zijns ooms juist, met een zeker weemoedig gevoel was gevallen op de flinke knapen van den forschen landman, wiens woning volgens zijne plannen gebouwd werd. In het ronde, blozende gelaat van den kleinen engel dáar, vóor hem, die zijn oog had, zijn naam droeg en eene erfelijke aanspraak op zijn bloedverwantschap, genegenheid en bescherming bezat, krachtens een band, door Sir Everard even heilig geacht, als de Kouseband of de Blauwe mantel [19], scheen de Voorzienigheid hem juist het meest geschikte voorwerp toe te zenden, om de leegte in zijne toekomst en in zijn hart aan te vullen. Het kind en de meid werden in het rijtuig terug gezonden naar Brere-Wood-Lodge, met eene boodschap, welke voor Richard Waverley de deur van verzoening met zijn ouderen broeder openzette. Hun omgang evenwel bleef eer stijf en beleefd, dan broederlijk en hartelijk; maar voldeed aan de wenschen van beide partijen. Sir Everard genoot in het gezelschap van zijn kleinen neef de voldoening voor zijn trots, dat zijn geslacht niet zou uitsterven, terwijl hij tegelijker tijd zijn hartelijke genegenheid aan het kind schenken kon. Wat Richard Waverley betreft, deze zag, in de toenemende liefde tusschen oom en neef, het middel om de toekomst van zijn zoon te verzekeren, zoo al niet om zijn eigen erfopvolging te bevorderen, die hij besefte, eer in gevaar geraken, dan bevorderd zou worden door een poging zijnerzijds, tot een meer innigen omgang met een man van Sir Everards gewoonten en gevoelens.
Op deze wijze verkreeg de kleine Eduard, volgens eene soort van stilzwijgend verdrag, vrijheid om het grootste gedeelte van het jaar op het Kasteel door te brengen, terwijl hij daardoor tot beide huisgezinnen in dezelfde nauwe betrekking scheen te staan, ofschoon de gemeenschap tusschen deze, voor het overige, zich tot stijve boodschappen en nog stijver bezoeken bepaalde. De opvoeding van den knaap werd beurtelings naar den smaak en de gevoelens van zijn oom en van zijn vader geregeld. Doch hiervan meer in het volgende hoofdstuk.
DERDE HOOFDSTUK.
DE OPVOEDING.
De opvoeding van onzen held, Eduard Waverley, was van eenigzins ongeregelden aard. In zijn kindsheid leed zijn gestel, of werd verondersteld te lijden (hetgeen volmaakt hetzelfde is) van de Londensche lucht. Zoodra derhalve ambtsbezigheden, parlementszittingen of het najagen van belang- en eerzuchtige doeleinden zijn vader naar de stad riepen, waar hij doorgaans acht maanden van het jaar zijn verblijf hield, werd Eduard naar Waverley-Honour gebracht, en had er zoowel eene verandering van meesters en van lessen als van woning plaats. Dit zou men hebben kunnen voorkomen, indien zijn vader hem aan de zorgen van een vasten gouverneur had toevertrouwd. Maar hij begreep, dat iemand van zijne keuze waarschijnlijk niet welgevallig op Waverley-Honour zou geweest zijn, en dat eene keuze, zoo als Sir Everard ligt doen zou, indien de zaak aan dezen overgelaten werd, hem zelven met een lastigen huisgenoot, zoo al niet met een staatkundigen spion, in zijn huisgezin zou bezwaard hebben. Hij haalde daarom zijn secretaris, een jong man van smaak en kunde over, een uur of twee aan Eduards opvoeding te besteden, zoolang deze op Brere-Wood Lodge was, en liet zijn oom verantwoordelijk voor zijne vorderingen in de letterkunde, gedurende het verblijf op het kasteel.
Ook hiervoor werd in zekere mate behoorlijk gezorgd. Sir Everards Kapelaan, van de Oxfordsche academie, die zijn betrekking aldaar verloren had omdat hij, bij de troonsbeklimming van George I, geweigerd had den gevorderden eed af te leggen, was niet slechts een uitstekend beoefenaar der oude letterkunde, maar ook vrij bedreven in de wetenschappen, en in de meeste nieuwe talen. Hij was echter bejaard en toegevend, en de herhaalde tusschenregeering, gedurende welke Eduard geheel van zijne tucht ontslagen was, bracht zulk eene verslapping van gezag te weeg, dat de knaap in ruime mate vrijheid had te leeren, zoo als hij wilde, wat hij wilde en wanneer hij wilde.
Deze ongeregeldheid zou verderfelijk geweest zijn voor een jongen van geringe geestvermogens, die, gevoelende hoe moeielijk het verwerven van kundigheden is, ze geheel en al zou verwaarloosd hebben, zoo hij niet daartoe door zijn meester werd aangezet, en even gevaarlijk zou zij ligt gebleken zijn voor een knaap, wiens levenslust sterker was dan zijn verbeelding of gevoel, daar de onweerstaanbare invloed van vrouw natuur op een krachtig gestel, hem gewis van den morgen tot den avond tot het najagen van veldvermaken zou hebben aangespoord. Maar Eduard Waverleys karakter was van beide evenver verwijderd. Zijn bevatting was zoo ongemeen vlug, dat ze bijna op intuïtie geleek, en de voornaamste zorg van zijn onderwijzer was, om hem, gelijk een jager zich zou uitdrukken, voor het voorbijloopen van het wild te bewaren, dat wil zeggen, voor het verwerven van kunde op eene vluchtige, oppervlakkige en onvoldoende wijze. En hier had de meester nog eene andere neiging te bestrijden, maar al te vaak met een schitterende verbeelding en levendigen geest gepaard, – namelijk die traagheid van aard, welke alleen te overwinnen is door vurige zucht naar voldoening, en die de studie laat varen, zoodra de nieuwsgierigheid voldaan, het genoegen in het overwinnen van moeielijkheden gelegen, voorbij, en de nieuwheid van het onderzoek ten einde is. Eduard legde zich met geestdrift op een of anderen hem door zijn meester voorgelegden klassieken schrijver toe; en maakte zich in zoo verre met diens stijl bekend, dat hij het boek begreep, en als dit hem beviel of belang inboezemde, las hij het uit. Maar het was te vergeefs dat men zijn aandacht op taalkundige fijnheden, op het verschil van tongval, op de schoonheid eener gelukkige uitdrukking of op de kunstmatige verbindingen der syntaxis poogde te bepalen. „Ik kan een Latijnsch schrijver lezen en verstaan,” zei de jonge Eduard, met het zelfvertrouwen en de vermetele lichtzinnigheid van een vijftienjarigen knaap, „en Scaliger of Bentley konden niet veel meer.” Helaas! hij voorzag niet, dat, terwijl hem vrijheid gegeven werd, om slechts voor zijn vermaak te lezen, hij voor altijd de gelegenheid verloor, om zich de gewoonte van gezette en ijverige studie eigen te maken en om de kunst te leeren, al de vermogens zijner ziel op eenig ernstig onderzoek te bepalen – eene kunst veel degelijker dan het opgaren zelfs van die vertrouwde kennis der klassieke letteren, die het voornaamste doel der studie uitmaakt.