Chapter 24 of 50 · 3979 words · ~20 min read

Part 24

Toen majoor Melville het ongewenschte tromgeroffel hoorde, opende hij haastig een schuifdeur, en trad op een soort van terras, dat zijn huis scheidde van den weg, van waar de krijgsmuziek zijn ooren getroffen had. Waverley en zijn nieuwe vriend volgden hem, ofschoon hij misschien hun bijzijn wel kon missen. Spoedig ontwaarden zij een plechtigen optocht, eerst den trommelslager, vervolgens eene groote vlag, in vier afdeelingen gescheiden, waarop de woorden, verbond, kerk, koning, koningrijken met groote letters te lezen stonden. De persoon, die de eer had het vaandel te dragen, werd gevolgd door den bevelhebber der afdeeling, een schraal, somber man met een streng uitzigt, en omstreeks zestig jaar oud. De geestelijke hoogmoed, welke in den kastelein uit de Kandelaar in een soort van verwaande schijnheiligheid was overgegaan, werd, op het gelaat van dezen man, verhoogd en overschaduwd door oprechte en ontwijfelbare dweepzucht. Het was onmogelijk hem te zien, zonder dat de verbeelding hem te midden van een of andere vreemde crisis verplaatste, waarin godsdienstijver de hoofdrol speelde. Een martelaar aan de paal, een soldaat in het veld, een eenzaam en verbannen zwerveling, door de kracht en veronderstelde zuiverheid van zijn geloof getroost over ieder aardsch gemis; misschien een wreedaardige inquisiteur, even verschrikkelijk in de uitoefening zijner macht, als onbuigzaam in den tegenspoed; voor al deze rollen scheen dit personaadje bijzonder geschikt. In weerwil van deze sterke trekken, had hij een gemaakte afgepastheid en deftigheid van uitdrukking en manieren, die aan het belachelijke grensde; zoodat, naarmate van de stemming waarin men hem ontmoette, en het licht waarin zich Gilfillan vertoonde, men voor hem gesidderd, hem bewonderd of om hem gelachen zou hebben. Zijne kleeding was die van een boer uit de Westelijke graafschappen, wel is waar, van betere stof dan die der laagste standen, maar in geen opzicht noch naar de mode van den tijd, noch naar die der Schotsche fatsoenlijke wereld, van welke eeuw ook. Zijne wapenen bestonden in een sabel en pistolen, welke, wegens hun ouderwetsch maaksel, de nederlaag hadden kunnen bijwonen van Pentland-hill of van Bothwell-Brigg.

Hij deed eenige schreden voorwaarts, om majoor Melville te gemoet te treden, en toen hij plechtig, maar slechts eventjes, zijne geweldige groote en over de oogen hangende blauwe muts aanraakte, ter beantwoording van den groet des Majoors, die beleefdelijk zijn kleinen driekanten hoed met gouden zoom had opgeligt, kon Waverley het denkbeeld niet weêrstaan, dat hij een aanvoerder der Rondhoofden van eertijds aanschouwde, in gesprek met een van Marlboroughs kapiteins.

De troep van omstreeks dertig gewapende mannen, die dezen bezielden aanvoerder volgde, was van tamelijk gemengde soort. Zij droegen de gewone Laaglandsche kleeding van verschillende kleuren, welke, in tegenstelling met hunne wapens, hun een ongeregeld voorkomen, als van een oproerigen hoop, gaven: zoo zeer is het oog gewend om eenvormigheid van kleeding bij een militairen stoet te wachten. In het front bevonden zich eenige mannen, die blijkbaar de geestdrijverij van hun leidsman deelden, voorzeker vreeselijk in een strijd, waarbij hun aangeboren moed door godsdienstijver verhoogd werd. Andere liepen met het hoofd in den nek en stapten als hanen, trotsch op het gewigtige voorrecht om de wapens te mogen dragen en op de nieuwheid van de positie, terwijl de overigen, oogenschijnlijk vermoeid door den marsch, hunne ledematen traag voortsleepten, of van hunne kameraden afdwaalden, om de verfrisschingen te zoeken, die de naburige woningen en kroegen opleverden. „Zes grenadiers van Ligonier’s,” dacht de majoor bij zichzelven, terwijl hij een terugblik wierp op zijn eigene militaire loopbaan, „zouden deze knapen heel spoedig het hazenpad doen kiezen.”

Terwijl hij den heer Gilfillan echter beleefd groette, verzocht hij te mogen weten, of hij den brief had ontvangen, dien hij hem op zijn marsch had toegezonden, en of hij de zorg voor den staatsgevangene, daarin vermeld, tot aan het kasteel van Stirling kon op zich nemen. „Ja,” luidde het beknopte antwoord van den Cameronischen aanvoerder, met eene stem die uit de penetralia van zijn persoon scheen voort te komen.

„Maar uw escorte, mijnheer Gilfillan, is niet zoo sterk, als ik verwacht had.”

„Een deel van het volk,” hernam Gilfillan, hongerde en dorstte op, den weg, en toefde tot hunne arme zielen verkwikt waren door het Woord.”

„Het spijt mij, mijnheer,” antwoordde de Majoor, „dat gij met het verkwikken uwer lieden niet tot Cairnvreckan gewacht hebt; alles wat mijn huis bevat, is ter beschikking van mannen, die zich in ’s Konings dienst bevinden.”

„Ik sprak niet van de verkwikkingen van den uitwendigen mensch,” hernam de andere, terwijl hij majoor Melville aanzag, met iets dat naar een minachtenden glimlach zweemde, „intusschen dank ik u; maar het volk bleef wachten op den dierbaren heer Jabesh Rentowel, en het uitspreken van de namiddagspreek.”

„En hebt gij, mijnheer,” zeide de Majoor, „terwijl de rebellen op het punt staan om zich over dit landschap te verspreiden, wezenlijk een groot deel van uwe manschappen bij eene veldpredikatie gelaten?”

Gilfillan grijnsde op nieuw met minachting, terwijl hij dit dubbelzinnig antwoord gaf, – „Alzoo zijn de kinderen dezer wereld wijzer dan de kinderen des lichts in hun geslacht.”

„Intusschen, mijnheer,” zei de Majoor, „daar gij dezen heer naar Stirling hebt te brengen, en hem, met deze papieren, in handen van den gouverneur Blakeney te leveren, verzoek ik u eenige regelen van krijgstucht in acht te nemen op uw marsch. Bij voorbeeld, ik zou u raden uwe manschappen meer aaneen gesloten te houden, zoo dat elk zijn nevenman dekken kan, in plaats van door elkander te loopen als ganzen op een gemeentewei; en, om niet overvallen te worden, beveel ik u verder aan, een kleine voorhoede van uw beste manschappen te vormen, met een enkele vidette in het front, zoo dat, als gij een dorp of bosch nadert,” – hier viel de Majoor zichzelf in de rede – „maar daar ik niet zie, dat gij naar mij luistert, mijnheer Gilfillan, zoo kan ik mij de moeite besparen, om meer over deze zaak te zeggen. Gij zijt, zonder twijfel, een beter beoordeelaar van de noodige maatregelen dan ik; maar éen ding hoop ik, dat gij wel in acht zult nemen, dat gij dezen heer, uw gevangene, met geen gestrengheid of onbeleefdheid behandelt, en hem aan geen anderen dwang onderwerpt, dan noodig is om hem te bewaren.”

„Ik heb mijn lastbrief ingezien,” hernam de heer Gilfillan, „onderteekend door een waardig en vroom edelman, Willem graaf van Glencairn, en ik zie daarin niet vermeld, dat ik eenige lasten of bevelen, betreffende mijn handelingen, te ontvangen heb van majoor William Melville van Cairnvreckan.”

Majoor Melville werd rood tot achter zijn welgepoederde ooren, die onder zijn nette militaire pruik voor den dag kwamen, en dit te meer, daar hij bespeurde dat de heer Morton op hetzelfde oogenblik glimlachte. „Mijnheer Gilfillan,” antwoordde hij met eenige scherpheid, „ik verzoek tienduizendmaal verschooning, dat ik mij met de zaken van zulk een gewichtig persoon, als gij zijt, bemoeid heb. Ik dacht evenwel, dat, daar gij grootgebracht zijt als vetweider, zoo ik het niet mis heb, er gelegenheid zou kunnen zijn, om u het onderscheid tusschen Hooglanders en Hooglandsch vee te herinneren, en zoo het gebeuren mocht dat gij een of ander fatsoenlijk man ontmoettet, die den dienst kende, zou ik mij nog al verbeelden dat, als gij naar hem luisterdet, het u in het geheel geen kwaad zou doen. Maar ik heb het mijne gezegd, en behoef nog slechts dezen heer zoo wel aan uwe beleefdheid, als aan uwe hoede aan te bevelen. – Mijnheer Waverley,” voegde de Majoor er bij, „het smart mij inderdaad, dat wij op deze wijze moeten scheiden: maar ik vertrouw, dat, zoo gij eens weder in deze streken komt, ik in staat zal zijn, om Cairnvreckan aangenamer voor u te maken, dan de omstandigheden bij deze gelegenheid hebben veroorloofd.”

Dit zeggende, drukte hij onzen held de hand. Morton nam insgelijks een hartelijk afscheid, en nadat Waverley zijn paard bestegen had, met een soldaat die het aan den toom leidde, en een rij aan weerszijde om zijn ontsnapping te beletten, begon hij zijn tocht met Gilfillan en zijn troep. Zoolang ze in het dorpje waren werd hun uitgeleide gedaan door het gejouw der kinderen, en het geschreeuw: „He! kijkt den Zuidlandschen heer, die men gaat ophangen omdat hij langen Jan Mucklewrath, den smid, heeft doodgeschoten!”

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN ONVERWACHT VOORVAL.

De etenstijd in Schotland, zestig jaar geleden, was ten twee ure. Het was dus ongeveer vier uur op even aangenamen herfstmiddag, dat de heer Gilfillan zijn tocht voortzette, in de hoop dat, ofschoon Stirling achttien mijlen ver lag, hij in staat zou zijn, dien avond dáar aan te komen, als men een paar uren van den nacht doormarcheerde. Hij spande alle pogingen in en trok moedig op, aan het hoofd van zijn volk, terwijl hij van tijd tot tijd een blik op onzen held wierp, alsof hij verlangde met hem in dispuut te komen. Eindelijk, buiten staat de verzoeking te wederstaan, vertraagde hij zijn pas, tot hij naast het paard van zijn gevangene was, en na eenige weinige schreden stilzwijgend aan zijn zijde gegaan te hebben, vroeg hij op eens: – „Kan je me ook zeggen, wie de kerel was met den zwarten rok en het gekrulde haar, bij den heer van Cairnvreckan?”

„Een Presbyteriaansch geestelijke,” antwoordde Waverley.

„Presbyteriaan! zeg een ellendige Erastiaan, of liever een vermomde prelatist, – een begunstiger van die jammerlijke Indulgentie, – een dier stomme honden, die niet kunnen blaffen; ze geven een gil van verschrikking, een gesnater van troost in hunne predikatiën, zonder eenigen zin, geur of leven. – Jij bent zeker ook in die kudde opgevoed, naar ik denk?”

„Neen, ik ben van de Engelsche Kerk,” zeide Waverley.

„O, dat is zoo wat hetzelfde,” antwoordde de Covenanter, „en dus geen wonder dat ze zoo wel met elkander zijn. Wie zou gedacht hebben dat het goede gebouw der Schotsche Kerk, door onze vaderen in 1642 opgetrokken, door vleeschelijke belangen en het bederf der tijden, zou zijn verwoest? Ach, wie zou gedacht hebben, dat het gesneden werk des heiligdoms zoo spoedig zou zijn omvergeworpen!”

Op deze jammerklacht, die een paar uit het gezelschap met een diepen zucht begeleidden, achtte het onze held onnoodig iets te antwoorden. Waarop de heer Gilfillan, die wilde dat hij ten minste een toehoorder, zooal geen tegenspreker zijn zou, met zijn Jerimiade voortging.

„En nu, is het te verwonderen, als, door gebrek aan oefening, ten aanzien van de roeping tot den dienst en de dagelijksche plichten, de predikanten tot zondige toegevendheid vervallen omtrent patroonaten en vrijheden en eeden en verbonden en andere verderfelijke dingen? Is het te verwonderen, vraag ik, dat gij, mijnheer, en andere soortgelijke ongelukkige wezens, u bezig houdt om uw eigen Babel der ongerechtigheid op te bouwen, even als in de bloedige vervolging- en moorddagen? Ik vertrouw, dat, zoo ge niet verblind waart door de gunsten en voordeelen, de diensten en genietingen, en ambten en bezittingen dezer booze wereld, ik u met den Bijbel zou kunnen bewijzen, op welke prullen en vodden gij uw vertrouwen stelt; en dat uwe koorkleeden, uwe tabbaarden en kerkgewaden slechts afgescheurde versierselen zijn van de groote hoer, die op de zeven heuvelen zit en uit den beker des gruwels drinkt. Doch ik twijfel niet, of gij zijt zoo doof als een adder aan dat oor; ja, gij zijt gevangen door hare betooveringen, en gij drijft handel met hare koopwaren, en gij zijt dronken door den beker harer ontucht!”

Hoe lang nog de theologische krijgsman op deze wijze zou zijn uitgevaren, niemand sparende dan het verstrooide overblijfsel van zijne eigene secte, is geheel onzeker. Zijn stof was rijk, zijn stem sterk en zijn geheugen onuitputtelijk; zoodat er weinig hoop bestond dat hij zijn vermaning zou eindigen, voor dat de afdeeling Stirling bereikte, indien zijn aandacht niet getrokken ware geworden door een marskramer, die zich langs een zijweg bij hem gevoegd had, en met groote regelmatigheid zuchtte of steunde bij elke voegzame gelegenheid onder ’s mans leerrede.

„Maar wie zijt gij toch, vriend?” vroeg de bezielde Gilfillan.

„Een arme marskramer, die naar Stirling moet, en verzoekt om de bescherming van uwe manschappen, in deze bange tijden. Och! edele heer! gij bezit een schoone gave ter nasporing en verklaring van de geheime, och ja, de geheime en onbegrijpelijke oorzaken van het verval des lands; ja, gij, edele heer, raakt den wortel zelven van het kwaad.”

„Vriend,” zeide Gilfillan op veel zachter en welwillender toon, dan hij tot hiertoe gebezigd had, „geef mij zoo’n hoogen titel niet; ik ga niet uit naar de kasteelen en de dorpen en de vlekken, om de menigte en de boeren en de burgers hunne mutsen voor mij te zien afnemen, gelijk ze doen voor majoor Melville van Cairnvreckan, en mij edele heer of kapitein, of hoogedelgestreng te laten noemen; – neen, mijn kleine bezitting, die niet boven de twintig duizend mark beloopt, neemt toe onder den Goddelijken zegen, maar de hoogheid van mijn hart is daarmede niet toegenomen; ook houd ik er niet van, „kapitein” genoemd te worden, ofschoon ik de aanstelling als zoodanig bezit, onderschreven door den goeden Evangeliegezinden edelman, den graaf van Glencairn, waarin ik zoo betiteld word. Zoo lang ik leef, ben ik, en wil ik genoemd worden Habakuk Gilfillan, die vast denkt te staan in de leer, vastgesteld door de van ouds beroemde Kerk van Schotland, voor dat zij handelde met den gevloekten Achaz – zoo lang hij een duit in zijn beurs, of een droppel bloeds in zijn lichaam heeft.”

„Och,” zei de marskramer; „ik heb uw land gezien bij Mauchlin – een vruchtbare plek! uw angels zijn gevallen in liefelijke plaatsen! – en zulk vee vindt ge op geen ander land geheel Schotland door.”

„Ge spreekt de waarheid, – ge spreekt de waarheid, vriend,” hernam Gilfillan verrukt; want bij was, op dit punt, niet ontoegankelijk voor vleierij. „Ge spreekt de waarheid; het zijn echte Lancastershire koeien, en haars gelijken zijn er niet, zelfs niet op de velden van Kilmaurs. En hierop trad hij in een beschouwing van haar voortreffelijkheden, die onze lezers waarschijnlijk even zoo onverschillig zullen zijn, als ze onzen held waren. Na dezen uitstap, keerde de aanvoerder van den troep weder tot zijn godgeleerde beschouwingen terug, terwijl de marskramer, niet zoo goed in deze diepzinnige zaken onderlegd, zich tevreden hield met zuchten en het betuigen zijner stichting, zoo vaak daartoe gelegenheid was.

„Welk een zegen zou het zijn voor de arme, verblinde Paapsche volken, onder welke ik verkeerd heb, indien ze zulk een licht op hunne paden hadden! Ik ben zelfs in Moskovie geweest, om den wille van de kleine koopmanschap die ik gedreven heb; en ik heb Frankrijk en de Nederlanden en Polen en het grootste gedeelte van Duitschland doorgereisd, en, o! het zou den edelen heer in de ziele grieven, het geprevel te hooren en het gezang en het gelees van missen in de kerken, en het gespeel op de straten en het Heidensche gedans en gedobbel op den sabbath!”

Deze uitroep schonk Gilfillan de gelegenheid om uit te weiden over het Boek der Vermaken en het Covenant, over de Engagisten, de Protestanten en den inval der Whiggamoren, over de vergadering der theologanten te Westminster, den grooten en den kleinen catechismus, den kerkban van Torwood, en eindelijk over den moord van den Aartsbisschop Sharp. Dit bracht hem weder op de wettigheid van wapens ter zelfverdediging, bij welk onderwerp hij veel meer verstand aan den dag legde, dan zich uit vele andere deelen van zijn rede verwachten liet, zoodat dit zelfs Waverley’s aandacht trok, die tot hiertoe in zijn eigene treurige overdenkingen verzonken was geweest. De heer Gilfillan overwoog vervolgens de wettigheid daarvan, dat een ambteloos persoon zou optreden als bestrijder der openbare verdrukking; en terwijl hij met grooten ernst de zaak bepleitte van Mac James Mitchell, die een pistoolschot had gelost op den Aartsbisschop van St. Andreas, eenige jaren voordat Magus Muir dezen prelaat vermoord had, viel er iets voor, waardoor zijn rede werd afgebroken.

De laatste zonnestralen schitterden nog aan den gezichteinder, toen de afdeeling een hollen weg en een vrij steil pad insloeg, hetwelk naar den top van een heuvel leidde. Het land was open, want het maakte een gedeelte van een zeer uitgebreid heiveld of gemeente weide uit; maar het was ver van effen of vlak, terwijl het op een aantal plaatsen kuilen met brem en heesters gevuld, en weder op andere, kleine dalen vol kreupelhout opleverde. Een boschje van de laatste soort kroonde ook den heuvel, waartegen de afdeeling oprukte. De voorsten van de bende, die de knapste en vlugste waren, hadden reeds de hoogte bereikt en waren thans buiten het gezicht. Gilfillan, met den marskramer en de kleine partij, die Waverley’s meer onmiddellijke wacht uitmaakten, waren digt bij den top van den heuvel genaderd, en het overige gedeelte slenterde hun, op een aanmerkelijken afstand, na.

Zoodanig was de staat van zaken, toen de marskramer, die zooals hij zeide, een klein hondje vermiste, bleef stilstaan en om het dier begon te fluiten. Dit meer dan eens herhaalde sein ergerde zijn gestrengen reisgezel, te meer omdat het onoplettendheid verried met betrekking tot de schatten van godgeleerde kennis, welke hij te zijner stichting uitpakte. Hij gaf dus tamelijk ruw te kennen, dat hij zijn tijd niet kon verspillen met wachten op een nutteloozen rekel.

„Maar als de edele heer belieft te letten op het geval met Tobias?” –

„Tobias!” riep Gilfillan, met vuur; „Tobias en zijn hond zijn beide heidens en apokrief, en niemand dan een prelatist of papist zou die aanhalen. Ik vrees dat ik mij in u bedrogen heb, vriend!”

„Zeer waarschijnlijk,” antwoordde de marskramer, met groote bedaardheid; „maar evenwel zal ik de vrijheid nemen om nogmaals den armen hond te fluiten.”

Dit laatste sein werd op een weinig verwachte wijze beantwoord, want een achttal stevige Hooglanders, die in de struiken en tusschen het kreupelbosch loerden, sprongen in den hollen weg en vielen hen met hunne zwaarden aan. Gilfillan, niet verdacht op deze onverwachte verschijning, riep dapper uit, „Het zwaard des Heeren en van Gideon!” en zou, terwijl hij zijn sabel trok, waarschijnlijk zoo veel eer gedaan hebben aan de oude goede zaak, als de beste onder de dappere kampvechters te Drumclog [119], toen de marskramer, die een geweer van den naast hem staanden man greep, de kolf er van met zoo veel geweld op het hoofd van zijn onderwijzer in de geloofsbelijdenis der Cameroniers liet neêrkomen, dat deze oogenblikkelijk ter aarde zeeg. In de hierop volgende verwarring werd het paard, dat onzen held droeg, neêrgeschoten door een van Gilfillans manschappen, die zijn geweer in het wild losbrandde. Waverley viel met en onder zijn paard, en ontving eenige zware kneuzingen. Maar hij werd bijna oogenblikkelijk van onder het gevallen ros door twee Hooglanders weggetrokken, die, terwijl zij hem elk bij een arm grepen, hem wegrukten van de kampplaats en van den grooten weg. Zij liepen met grooten spoed, terwijl ze onzen held half steunden, half droegen, die van tijd tot tijd nog eenige losse schoten, op de plaats, welke hij verlaten had, vernam. Deze kwamen, zoo als hij naderhand hoorde, van Gilfillans afdeeling, die zich nu verzameld had, daar de afgedwaalden naar voren en achteren zich bij de overigen gevoegd hadden. Op hunne nadering weken de Hooglanders; maar niet voor dat zij Gilfillan en twee van zijn volk, die zwaar gewond op de plaats achterbleven, hadden uitgeplunderd. Eenige weinige schoten werden tusschen hen en de Westlanders gewisseld; maar de laatsten, thans zonder aanvoerder, en beducht voor eene tweede hinderlaag, deden geene ernstige poging om hun gevangene terug te krijgen, daar ze het verstandiger oordeelden hun tocht naar Stirling voort te zetten, terwijl ze hun gewonden kapitein, en kameraden met zich voerden.

DERDE HOOFDSTUK.

WAVERLEY VERKEERT STEEDS IN GEVAAR.

De snelheid, of liever het geweld, waarmede Waverley voortgesleurd werd, beroofde hem bijna van zijn bewustzijn; want, door zijn val was hij zoo gekneusd geworden, dat hij zich niet zoo goed redden kon, als hij anders zou gedaan hebben. Toen zijne geleiders dit bespeurden, riepen zij nog twee of drie van het gezelschap te hulp, wikkelden onzen held in een hunner plaids, verdeelden dus zijn gewicht onder elkander, en voerden hem met dezelfde snelheid voort, zonder dat het hem zelven eenige inspanning behoefde te kosten. Ze spraken weinig en dit nog in het Gaelsch, en verminderden hun pas niet, voor dat ze bijna drie kwartier ver geloopen hadden, toen ze hun schreden vertraagden, maar nog altijd zeer stevig doorstapten, en elkander nu en dan aflosten.

Onze held beproefde thans met hen te spreken, maar verkreeg geen verder antwoord, dan „Cha n’eil Beurl’ agam,” dat wil zeggen: „wij verstaan geen Engelsch,” hetgeen, zoo als Waverley maar al te goed wist, het vaste bescheid van een Hooglander is, wanneer hij óf een Engelschman of Laaglander niet verstaat, óf niet verkiest te antwoorden. Hij noemde toen den naam van Vich Ian Vohr, daar hij overtuigd was, dat hij aan diens vriendschap zijn verlossing uit de klauwen van dezen Gilfillan verplicht was; maar ook dit bracht geen teeken van herkenning bij zijn geleide te weeg.

De schemering had plaats gemaakt voor den maneschijn, toen de troep halt maakte op den steilen rand van een diep dal, dat, daar het gedeeltelijk door de maan werd verlicht, vol boomen en dicht kreupelhout scheen. Twee der Hooglanders gingen, langs een klein voetpad, gebukt verder, alsof zij alle schuilhoeken wilden onderzoeken. Een hunner, die binnen weinige minuten terugkeerde, zeide iets aan zijn medgezellen, die terstond hun last opnamen, en hem met groote zachtheid en zorg het nauwe pad, dat naar het dal voerde, afdroegen. Evenwel kwam, in weerwil van hunne voorzorgen, Waverley’s lichaam meer dan eens vrij ruw in aanraking met de vooruitstekende stompen en takken, die over het pad hingen.

Toen ze onder aan de helling, en, naar het scheen, aan de oevers van eene beek kwamen, (want Waverley hoorde het ruischen van eene aanmerkelijke hoeveelheid water, ofschoon de stroom, in de duisternis, onzichtbaar was,) hielden zijn geleiders weder stil voor eene kleine, ruw betimmerde hut. De deur was open, en het inwendige scheen even slecht ingericht en van alle gemakken ontdaan als het uitwendige voorspelde. Er was hoegenaamd geen schijn van bevloering; het dak was op verscheidene plaatsen open; de muren bestonden uit losse steenen en zoden, en het dak uit boomtakken. Het vuur lag in het midden en vulde de geheele stulp met rook, die zich zoo wel door de deur, als door eene ronde opening in het dak een uitweg baande. Eene oude Hooglandsche sybille, de eenige bewoonster van dit verlaten gebouw, scheen met de toebereiding van eenig voedsel bezig te zijn. Bij het schijnsel van het vuur, kon Waverley zien, dat zijn gezelschap niet van den clan van Ivor was, want Fergus was zeer streng in zijn eisch, dat zijn aanhangers den tartan, met de strepen van hun eigen clan zouden dragen; een onderscheidingsteeken oudtijds onder de Hooglanders algemeen, en nog door die Opperhoofden behouden, welke trotsch waren op hun afkomst of naijverig op hun onafhankelijk en onverdeeld gezag.

Eduard had lang genoeg te Glennaquoich vertoefd om dat onderscheidingsteeken op te merken, waarvan hij herhaalde malen had hooren spreken. Overtuigd dat hij geen invloed kon uitoefenen op degenen, die hem met zich gevoerd hadden, wierp hij een hopeloozen blik door het binnenste der hut. Het eenige huisraad, buiten een waschtobbe en een houten kast, in Schotland een „ambry’’ genoemd, en in vrij slechten toestand, bestond in een ruime houten bedstede, volgens het gebruik aan alle kanten met planken betimmerd en van een schuifdeur tot ingang voorzien. In deze schuilplaats legden de Hooglanders Waverley neder, nadat hij, door gebaren, iedere verversching had afgewezen. Hij sluimerde onrustig en zonder eenige verkwikking te ondervinden; vreemde gezichten gingen hem voor de oogen, en standvastige en herhaalde inspanning was noodig om ze te verdrijven. Huivering, geweldige hoofdpijn en pijn door alle leden volgden deze verschijnselen op; en des morgens bleek het ten volle aan zijn Hooglandsche oppassers of wachters (want hij wist niet goed, in welk licht hen te beschouwen) dat Waverley volstrekt buiten staat was om verder te reizen.