Part 13
„Wel neen! het gaat eens menschen verstand te boven, te zeggen waar hij zich bij tijden ophoudt; er is geen hoek of grot, of hol in geheel het land, die hij niet op zijn duim kent.”
„En zijn er nog andere dan uw meester, die hem beschermen?”
„Mijn meester? Mijn meester is in den hemel,” antwoordde Evan met fierheid; hij voegde er echter terstond met gewone hoffelijkheid bij: „maar gij bedoelt mijn opperhoofd; neen, hij beschermt Donald Bean Lear, noch iemand van zijns gelijken, hij staat hem (met een glimlach) slechts hout en water toe.”
„Geen groote gunst, dunkt mij, Evan, waar beide zoo overvloedig schijnen te zijn.”
„Ha! ge verstaat mij niet. Als ik zeg, hout en water, meen ik de meeren en de bergen; en ik verbeeld mij, dat Donald er leelijk aan toe zou zijn, als de heer met een zestig man naar hem kwam kijken in gindsch bosch van Kailychat; en onze booten, met nog een goede twintig er bij, door mij of een ander knap man aangevoerd, het meer af naar Uaimh an Ri kwamen afzakken.”
„Maar gesteld, dat er een sterke bende tegen hem uit het Laagland kwam opzetten, zou uw opperhoofd hem dan niet verdedigen?”
„Neen, hij zou geen schot kruit voor hem wagen, als ze vanwege het gerecht kwamen.”
„En wat zou Donald dan doen?”
„Hij zou genoodzaakt zijn het land te verlaten, en zich terug te trekken, misschien wel de bergen over, naar Letter-Scriven.”
„En als hij ook dáar werd nagezet?”
„Dan wed ik, dat hij naar zijn neef te Rannoch gaan zou.”
„En als ze hem ook tot Rannoch vervolgden?”
„Dat,” zeide Evan, „laat zich volstrekt niet denken, en inderdaad, om u de waarheid te zeggen, geen Laaglander in geheel Schotland zou de vervolging verder durven voortzetten, dan een eindje voorbij Bally-Brough, zoo hij niet door den Sidier Dhu werd bijgestaan.”
„Wien bedoelt gij daarmede?”
„De Sidier Dhu?” de zwarte soldaten; dat zijn, wat men de onafhankelijke compagniën noemt, die opgericht werden om orde en rust in de Hooglanden te bewaren. Vich Ian Vohr had het bevel over een van deze afdeelingen, en ik zelf was er sergeant bij. Men noemt hen Sidier Dhu, om de kleur van hunne plaids – even als men het volk van koning George, Sidier Roy – dat wil zeggen „roode soldaten”, noemt.”
„Goed; maar zoo gij in dienst van koning George stondt, Evan, dan waart gij zeker ook koning George’s soldaten?”
„Wel zeker! maar daar moet gij Vich Ian Vohr maar eens naar vragen; want wij zijn voor zijn Koning, en bemoeien er ons weinig mede, wie dat is. In allen gevalle kan niemand zeggen, dat wij thans koning George’s mannen zijn, daar wij nu in twaalf maanden geen duit van hem gezien hebben.”
Tegen dit laatste was niets aan te voeren, en Eduard beproefde het zelfs niet; ook verkoos hij het gesprek op Donald Bean Lean terug te brengen. „Bepaalt Donald zich tot vee, of neemt hij, zoo als gij het noemt, alles wat hem voor de hand komt?”
„Zeker! hij neemt het niet zoo nauw, en rooft van alles, maar in de eerste plaats hoornvee, paarden of levende Christenen; want met schapen is niet vlug uit den weg te komen, en huisraad is nog al zwaar te dragen, en men kan er in dit land niet gemakkelijk geld van maken.”
„Maar voert hij mannen en vrouwen weg?”
„Dat geloof ik! Hebt gij hem niet hooren spreken van den baljuw van Perth? Dezen kostte het vijf honderd marken, eer hij weêr den zuidkant van Bally-Brough bereikt had. – Maar eens had Donald een aardige grap [70]. Er zou een bruiloft zijn van een lady Cramfeezer, op de hoogte van de Mearns, (zij was de weduwe van den ouden Baron, en zelve niet zoo jong meer, als ze wel geweest was) met den jongen Gilliewhackit, die zijn erfgoed en bezittingen als een echt heer, bij hanengevechten, harddraverijen en dergelijke had doorgelapt. Donald Bean Lean dan, die wist hoezeer de bruidegom in trek was en geld noodig had, pakte Gilliewhackit behendiglijk weg, op een nacht, dat hij half slapende naar huis reed, (want hij had meer gedronken dan gegeten) en bracht hem met behulp van zijn knapen, snel als een bliksemstraal, tusschen de heuvels, zoodat hij eerst tot zich zelven kwam in het hol van Uaimh an Ri. Nu had het heel wat in om den bruidegom vrij koopen; want Donald vorderde geen duit minder dan duizend pond”
„Te drommel!”
„Wel te verstaan Schotsche ponden. En de dame had het geld niet, al had ze haar japon ook verpand; en zij vervoegde zich bij den gouverneur van Stirlingcastle, en bij den majoor van de Zwarte Wacht; en de gouverneur zeide, dat de zaak verder noordwaarts behoorde, en buiten zijn district was; en de majoor zeide, dat zijn manschappen naar huis waren gegaan om de schapen te scheren, en dat hij hen niet terug wilde roepen, om al de Cramfeezers in de wereld, laat staan in de Mearns, want dat dit tot nadeel van het land zou strekken. En ondertusschen kon men niet beletten, dat Gilliewhackit de kinderpokken kreeg. Er was geen doctor in Perth of Stirling, die naar den armen drommel wilde zien, en ik kon het hun niet kwalijk nemen; want Donald was te Parijs door de doctors mishandeld, en hij had gezworen, den eersten den besten, die hij aan deze zijde van den pas in handen zou krijgen, in het meer te zullen werpen. Eenige oude vrouwen echter, die Donald in zijn macht had, pasten Gilliewhackit zoo goed op, dat hij, met de frissche lucht in de grot, en de versche wei, misschien beter genas dan hij gedaan zou hebben in eene kamer met glasruiten en een bed met gordijnen, en gevoed met rooden wijn en wittebrood. En Donald had er zooveel last van gehad, dat, toen hij weêr frisch en gezond was, hij hem zelfs geheel vrij naar huis zond, met de bijvoeging dat hij tevreden zou zijn met alles wat men hem zou verkiezen te geven voor al de onuitstaanbare kwellingen, die hij om Gilliewhackit had geleden. Ik kan u niet juist zeggen, hoe de zaak afliep, maar ze waren zoo over elkander tevreden, dat Donald genoodigd werd om in zijn Hooglandsch costuum op de bruiloft te komen dansen, en men zegt, dat er vóor noch na dien tijd ooit meer geld in zijn beurs heeft gerammeld. En daarenboven beloofde Gilliewhackit, dat, zoo hij ooit het geluk had, om over Donald als lid van de jury te zitten, en al mocht zijn schuld ook nog zoo wel bewezen zijn, hij hem aan niets hoegenaamd zou schuldig vinden, als het maar geen brandstichting, of moord met misbruik van vertrouwen was.”
Onder zulk een gebabbel en onsamenhangend gesnap ging Evan voort den toestand der Hooglanden te schetsen, misschien tot grooter vermaak van Waverley, dan van onze lezers. Eindelijk, na over berg en dal, over mos en heide te zijn voortgestapt, begon Eduard, ofschoon met de Schotsche onbekrompenheid in het berekenen van afstanden niet onbekend, te begrijpen, dat Evans „uur of wat”, vrij wat meer beteekende. Hij gaf zijn verwondering te kennen over de ruime maat, door de Schotten met betrekking van hun grond gebezigd, in vergelijking met de gehalte van hun geld, waarop Evan met de oude aardigheid antwoordde: „De drommel hale hem, die de kleinste pintjes heeft!” [71]
En nu hoorde men een geweerschot en men zag een jager met zijn honden en knecht aan het andere einde van het dal. „Stil,” zeide Dugald Mahony, „daar is het Opperhoofd.”
„Dat is niet zoo!” zeide Evan op gebiedenden toon. „Denkt gij, dat hij een Saksischen Duinhé-wassel zoo, zonder statie te gemoet zou komen?”
Maar toen hij een weinig nader gekomen was, bekende hij met een gevoel van spijt: „hij is het toch waarlijk, en dat wel zonder zijn sleep; – daar is geen levend schepsel bij hem dan Callum Beg!”
Inderdaad, Fergus Mac-Ivor was iemand van wien een Franschman, zoo van eenigen Hooglander, had mogen zeggen: „Qu’il connait bien son monde.” Hij dacht er niet aan, om zich in de oogen van een Engelschman van aanzien te verheffen, door met een gevolg van leêgloopende Hooglanders te verschijnen, wanneer de gelegenheid het niet volstrekt vereischte. Hij wist maar al te goed, dat zulk eene noodelooze vertooning Eduard eer belachelijk dan eerbiedwekkend zou schijnen; en terwijl weinigen meer gehecht waren aan het denkbeeld van leenheerlijke macht, en van het aanzien eens Opperhoofds dan hij, was hij om diezelfde reden schroomvallig om met uitwendige teekens van waardigheid te schitteren, anders dan op tijden en plaatsen, waarop ze een machtigen indruk moesten maken. Schoon hij derhalve, indien hij een medeopperhoofd had moeten ontvangen, waarschijnlijk gevolgd zou zijn geworden door dien geheelen stoet, door Evan met zoo veel zalving beschreven, oordeelde hij het betamelijker, Waverley te gemoet te gaan met een enkelen bediende, een zeer welgemaakten Hooglandschen knaap, die zijns meesters weitasch en sabel droeg, zonder welke hij zelden een voet buiten ’s huis zette.
Toen Fergus en Waverley elkander ontmoetten, was deze getroffen door de bijzondere, bevalligheid en waardigheid van des hoofdmans verschijning. Van meer dan middelmatige lengte, en schoon gebouwd, stelde de Hooglandsche kleeding, die hij op de eenvoudigste wijze droeg, zijn persoon in het gunstigste licht. Hij droeg de trews of nauwe zwarte overbroek, met roode en witte ruiten; voor het overige was zijn kleeding volkomen gelijk aan die van Evan, uitgenomen dat hij geen wapen voerde, behalve een zeer rijk met zilver versierden dolk. Zijn page droeg, zoo als we gezegd hebben, zijn sabel; en het geweer, dat Fergus in de hand hield, scheen enkel voor de jacht bestemd. Hij had onder weg eenige jonge eendvogels geschoten; daar, schoon de „verboden” tijd toen onbekend was, het broedsel der korhoenders nog te jong voor den jager was. De trekken van zijn gelaat waren bepaald Schotsch, met al de eigenaardigheden der physionomie van het Noorden; zij bezaten echter zoo weinig van de daarmede verbonden hardheid en overdrevenheid, dat men ze in elk land schoon zou genoemd hebben. Het krijgshaftig aanzien van de muts, met een enkele adelaarsveder [72] als onderscheidingsteeken versierd, vermeerderde niet weinig het manhaftige, waardoor zijn hoofd zich kenmerkte, dat bovendien met een veel natuurlijker en bevalliger bos zwarte krullen bedekt was, dan ooit bij een mode-kapper te koop werd aangeboden.
Iets ronds en vriendelijks vermeerderde den gunstigen en treffenden indruk van dit bevallig uiterlijk. Nogtans zou een ervaren gelaatkenner minder tevreden zijn geweest, op het tweede dan op het eerste gezicht. De wenkbrauw en de bovenlip kondigden aan, dat hij gewoon was onbeperkt te heerschen en onbetwiste meerderheid op anderen uit te oefenen. Zelfs zijn beleefdheid, schoon open, vrij en onbedwongen, scheen aan te duiden, dat hij zijn persoonlijk overwicht gevoelde; en als men hem tegenstond, of hem het een of ander toevallig ontroerde, verried een plotselinge, schoon spoedig voorbijgaande blik van het oog, een driftig, trotsch en wraakzuchtig karakter, hetwelk niet minder te duchten was, al werd het ook meestal in bedwang gehouden. In éen woord, het gelaat van het Opperhoofd geleek op een lachenden zomerdag, waarop wij niet te min, aan zekere, ofschoon nauwelijks merkbare teekens, bespeuren dat het vóor het vallen van den nacht ligt donderen of bliksemen zal.
Het was echter niet bij hunne eerste ontmoeting, dat Eduard gelegenheid had deze minder gunstige waarneming te doen. Het Opperhoofd ontving hem als een vriend van den baron van Bradwardine, met de warmste betuiging van vriendschap en verplichting voor zijn bezoek. Hij verweet hem, op beleefde wijze, dat hij den vorigen nacht zulk een slecht verblijf gekozen had, en trad in een levendig gesprek met hem over Donald Bean’s huishouding, maar zonder de minste zinspeling op zijn rooversleven, of de onmiddellijke aanleiding tot Waverley’s bezoek; een onderwerp, dat, daar het opperhoofd niet verkoos het op het tapijt te brengen, ook door onzen held ontweken werd. Terwijl ze vroolijk naar het huis van Glennaquoich voortwandelden, volgde Evan, die zich thans eerbiedig naar de achterhoede begeven had, hem met Callum Beg en Dugald Mahony.
Wij zullen de gelegenheid waarnemen, om den lezer met eenige bijzonderheden van Fergus Mac-Ivor’s karakter en geschiedenis bekend te maken, die Waverley eerst later vernam, na eene kennismaking, welke, ofschoon door zulk een toeval ontstaan, gedurende een geruimen tijd den belangrijksten invloed had op zijn karakter, daden en vooruitzichten. Maar, daar dit een gewichtig onderwerp is, moeten we daarmede een nieuw hoofdstuk beginnen.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
HET OPPERHOOFD EN ZIJN VERBLIJF.
De vernuftige Licentiaat Francisco de Ubeda klaagt in den aanvang zijner geschiedenis van La Picara Justina Diez, – hetwelk, in het voorbijgaan gezegd, een van de zeldzaamste boeken der Spaansche letterkunde is, – dat er een haar in zijne pen geraakt is, en begint terstond daarop, met meer welsprekendheid dan gezond verstand, een vriendelijken redetwist met dit nuttige werktuig, het verwijtende, dat het de slagpen is van een gans – een vogel van nature lichtzinnig, daar hij in drie elementen, water, aarde en lucht leeft, en gevolgelijk, bij éen ding nooit standvastig is. Nu verklaar ik u bescheiden, lezer, dat ik, wat deze zaak betreft, veel verschil van Francisco de Ubeda, en dat ik het voor de nuttigste eigenschap van mijne pen houd, dat ze spoedig kan overgaan van het deftige tot het vroolijke, en van beschrijving en samenspraken tot verhaal en karakterschildering. Als dus mijne pen geen andere eigenschap van hare moeder de gans bezit, dan hare veranderlijkheid, zal ik er mij waarlijk wel goed bij bevinden, en alles leidt er toe dat ook gij, mijn waarde vriend, er niet boos om wezen zult. Van het onverstaanbaar gesnap der Hooglandsche knapen, ga ik derhalve over tot het karakter van hun Opperhoofd. Het is een gewichtig onderzoek, en daarom moeten wij, gelijk Dogberry [73], al ons verstand er bij te hulp roepen.
De stamvader van Fergus Mac-Ivor had, voor omstreeks drie eeuwen, aanspraak gemaakt om als opperhoofd erkend te worden van den talrijken en machtigen clan, waartoe hij behoorde, en waarvan het niet noodig is, den naam op te geven. Toen hij de neêrlaag geleden had door een tegenstander, die meer recht, of ten minste meer macht bezat, begaf hij zich met degenen die hem aanhingen, zuidwaarts, om, als een tweede Æneas, nieuwe woonplaatsen te zoeken. De toestand waarin de Hooglanden van het graafschap Perth verkeerden, begunstigde zijn ontwerp. Een der voornaamste Baronnen van die landstreek, was onlangs ontrouw geworden aan de kroon; Ian, zoo was de naam van onzen gelukzoeker, vereenigde zich met hen die door den Koning waren afgezonden met den last om hem te tuchtigen, en bewees zulke goede diensten, dat hem de landerijen werden geschonken, waarop hij en zijn nakomelingen zich later vestigden. Hij volgde den Koning ook, toen deze den oorlog naar de vruchtbare gewesten van Engeland overbracht, waar hij zijn vrije uren zoo nuttig besteedde in het heffen van onderstandsgelden bij de landlieden van Northumberland en Durham, dat hij, bij zijn terugkeer, in staat was een steenen toren, of sterkte, te bouwen, die zoo zeer de bewondering zijner onderhoorigen en naburen opwekte, dat hij, die tot hiertoe den naam had gevoerd van Ian Mac-Ivor, of Jan, de zoon van Ivor, daarna, zoowel in gezangen als geslachtsregisters, met den grootschen titel van Ian van Chaistel, of Jan van den Toren werd onderscheiden. De nakomelingen van dezen waardigen man waren zoo trotsch op hem, dat het regeerend Opperhoofd altijd den geslachtsnaam droeg van Vich Ian Vohr, zoon van Jan den Groote en de clan in het algemeen, om niet met dien, van welken hij zich afgescheiden had, verward te worden, werd Sliochd nan Ivor, de stam van Ivor, genoemd.
De vader van Fergus, de tiende in de rechte lijn van Jan van den Toren, wijdde zich met hart en ziel aan den opstand van 1715, en werd genoodzaakt naar Frankrijk te vluchten, na den treurigen afloop van de ten gunste der Stuarts dat jaar gewaagde onderneming. Gelukkiger dan andere vluchtelingen, verkreeg hij een aanstelling in Fransche dienst, en huwde eene dame van zekeren rang in dat koninkrijk, uit welk huwelijk twee kinderen, Fergus en zijn zuster Flora, sproten. De Schotsche goederen waren verbeurd verklaard en te koop aangeslagen, maar werden voor geringen prijs gekocht op naam van den jongen eigenaar, die zich toen op zijn erfgoederen kwam nederzetten [74]. Men bemerkte weldra, dat hij iemand was van een bijzonder geslepen en eerzuchtig karakter, dat, naarmate hij meer en meer met den toestand des lands bekend werd, een zonderlinge mengelmoes van hoedanigheden aanbood, alleen een zestigtal jaar geleden mogelijk.
Zoo Fergus Mac-Ivor zestig jaar vroeger geleefd had, zou hij, naar alle waarschijnlijkheid, de beschaafde manieren en wereldkennis gemist hebben, waardoor hij zich thans onderscheidde; en indien hij zestig jaar later geleefd had, zouden zijn eer- en heerschzucht het voedsel gemist hebben, dat de tegenwoordige omstandigheden opleverden. Hij was inderdaad, binnen zijn kleinen sfeer, een even volkomen staatsman als Castruccio Castrucani zelf. Hij legde zich met den grootsten ernst toe, om alle veeten en twisten, die dikwijls tusschen de clans in zijn nabuurschap ontstonden, te sussen, zoodat hij telkens door hen als scheidsman werd ingeroepen. Zijn eigene, aartsvaderlijke macht vermeerderde hij door vele geldelijke opofferingen, en wendde zijn middelen inderdaad vrijgevig aan, om die ruwe, maar overdadige gastvrijheid te onderhouden, welke de meest gewaardeerde eigenschap van een Opperhoofd was. Om dezelfde reden bezette hij zijn landerijen met boeren, gehard en geschikt voor den oorlog, maar die het getal ver te boven gingen, dat de grond in staat was te voeden. Zijn voornaamste macht bestond uit lieden van zijn eigen clan, van welke hij nooit duldde dat iemand zijn landen verliet, als hij in de mogelijkheid was het te beletten. Maar hij onderhield daarenboven ook een groot aantal gelukzoekers, die een minder oorlogzuchtig, hoewel rijker Opperhoofd verlieten, om Fergus Mac-Ivor te huldigen. Ook andere personen, die zelfs dit voorwendsel niet hadden, werden toegelaten om hem trouw te zweren; hetgeen inderdaad aan niemand geweigerd werd, die, zoo als Poins [75], hunne handen tot hunne dienst hadden, en genegen waren den naam van Mac-Ivor aan te nemen.
Het gelukte hem deze manschappen aan orde en tucht te gewennen, toen hij het bevel verkreeg over een der onafhankelijke compagniën, door de regeering opgericht, om de rust in de Hooglanden te bewaren. In deze betrekking gaf hij bewijzen van kracht en moed, en handhaafde hij de grootste orde in de onder zijne tucht gestelde landerijen. Hij liet zijn vazallen bij beurten in zijne compagnie opnemen, en er voor zekeren tijd bij dienen, waardoor hun allen een algemeen begrip van krijgstucht werd ingeboezemd. In zijn veldtochten tegen de bandieten merkte men op, dat hij zich in de hoogste mate die willekeurige macht aanmatigde en uitoefende, welke, daar de wet en het recht geen vrijen loop in de Hooglanden hadden, begrepen werd het recht der militaire macht te zijn, die te hulp geroepen was om de orde te bewaren. Hij ging, bij voorbeeld, met groote en min of meer verdachte zachtheid te werk jegens die vrijbuiters, welke, aan zijn oproeping gevolg gaven, en zich persoonlijk aan hem onderwierpen; terwijl hij al zulke boosdoeners, die zijn aanmaningen of bevelen durfden versmaden, streng vervolgde, en aan de justitie uitleverde. En aan den anderen kant, als eenige rechterlijke ambtenaren, geregelde militaire kolonnes, of anderen zich verstoutten, zonder zijn toestemming of medewerking, dieven of struikroovers te vervolgen op zijn grondgebied, was het zeker dat ze een belangrijke nederlaag zouden lijden; bij welke gelegenheden Fergus Mac-Ivor de eerste was om hen te beklagen; en, na hen over hunne onvoorzichtigheid vriendelijk gekapitteld te hebben, liet hij nooit na, den wetteloozen toestand des lands luide te bejammeren. Deze klachten zusten echter de verdenkingen niet, waaronder hij lag, en welhaast werden de zaken in dier voege aan het Hoog Bewind voorgesteld, dat ons Opperhoofd van zijn militair gouvernement werd ontslagen [76].
Wat hij bij deze gelegenheid ook gevoelde, hij bezat de kunst, om elken schijn van ontevredenheid geheel te verbergen; maar weldra begon het omliggende land de droevige gevolgen zijner afzetting te ondervinden. Van Donald Bean Lean en de andere lieden van zijn soort, wier rooverijen zich tot nog toe tot de omliggende streken hadden bepaald, bleek het dat ze zich van toen af op deze ongelukkige kust hadden nedergezet; en hunne strooperijen vonden weinig tegenstand, daar de Laaglandsche grondbezitters voornamelijk Jacobieten en ontwapend waren, Dit dwong een aantal inwoners, om contracten aangaande beschermgeld met Fergus Mac-Ivor te sluiten, waardoor hij niet alleen hun Beschermheer werd, en hij zich grooten invloed op al hunne handelingen verschafte, maar hij daarenboven fondsen verkreeg om die ridderlijke gastvrijheid te bestrijden, welke door het intrekken van zijn traktement anders ligt aanmerkelijk had moeten ingekort worden.
Met zich aldus te gedragen, had Fergus een veel uitgestrekter doel, dan alleen de groote heer in den omtrek te spelen en onbepaald over een kleinen clan te heerschen. Van zijn kindsheid af had hij zich toegewijd aan de zaak van het verbannen koningshuis, en zich overtuigd, niet slechts dat de herstelling der Stuarts op den troon van Groot-Brittanje spoedig zou plaats hebben, maar tevens dat zij, die tot dat doel zouden hebben medegewerkt, tot eer en aanzien zouden verheven worden. Met dit vooruitzicht deed hij het mogelijke om de Hooglanders te verzoenen, en zijn eigene macht zóo veel mogelijk uit te breiden, ten einde bij de eerste gelegenheid de beste dadelijk tot den opstand gereed te zijn. Met ditzelfde oogmerk zocht hij de gunst te winnen van zoodanige Laaglandsche heeren in de nabuurschap, die de goede zaak waren toegedaan; en om dezelfde reden bediende hij zich, nu hij ongelukkig in twist geraakt was met den baron van Bradwardine, die, in weerwil van zijn zonderling karakter, zeer gezien was in den omtrek, van den strooptocht van Donald Bean Lean, om het geschil, op de wijze door ons beschreven, uit den weg te ruimen. Sommigen waren inderdaad van meening, dat Fergus zelf Donald tot die onderneming had doen aansporen, met oogmerk om den weg ter verzoening te banen, welke, indien die veronderstelling gegrond was, den heer van Bradwardine twee goede melkkoeien kostte. Dezen ijver voor haar zaak beloonde de familie Stuart met veel vertrouwen in hem te stellen, met een telkens herhaalden onderstand in Louis d’or, een overvloed van schoone woorden en een perkament met een zwaar zegel er aan vastgehecht, hetwelk een grafelijk patent moest verbeelden, van wege geen geringer personage, dan Jacobus III, Koning van Engeland, en VIII Koning van Schotland, aan zijn bijzonderen, lieven, getrouwen Fergus Mac-Ivor van Glennaquoich, in het graafschap Perth en het koninkrijk Schotland.
Met het oog op deze toekomstige grafelijke waardigheid, nam Fergus een zeer werkzaam deel aan de onderhandelingen en samenzweringen van dat ongelukkig tijdstip. Even als alle ijverige deelnemers in dusdanige zaken, stelde hij zijn geweten gemakkelijk gerust omtrent eenige handelingen, waarvan zijn eer en trots hem zouden hebben teruggehouden, als hij niets anders dan de onmiddellijke bevordering van zijn eigen persoonlijk belang op het oog had gehad. Na dezen blik in een stoutmoedig, eerzuchtig en vurig hart geworpen te hebben, zullen wij den afgebroken draad van ons verhaal weder opvatten.
Fergus en zijn gast hadden nu het huis van Glennaquoich bereikt, hetwelk bestond uit Ian nan Chaistel’s aloud verblijf. Het was een groote, plompe, vierkante toren, waaraan Fergus’ grootvader een gebouw van twee verdiepingen had gevoegd, toen hij van dien merkwaardigen tocht in de Westersche graafschappen, wel bekend onder den naam van den Hooglandschen oorlog, terugkeerde. Bij gelegenheid van dezen tocht tegen de Ayrshiresche Whigs en Covenanters, was de Vich Ian Vohr van dien tijd waarschijnlijk even voorspoedig geweest als zijn voorganger, in het plunderen in Northumberland, en liet dus aan zijn nakomelingschap mede een gebouw achter, dat daarmede moest wedijveren, als een gedenkstuk van zijn grootheid.