Chapter 16 of 50 · 3844 words · ~19 min read

Part 16

„o Gij kunt niet gelooven, hoeveel ge verloren hebt! De bard heeft, volgens zijn verschuldigden plicht, drie lange coupletten gericht tot Vich Ian Vohr, waarin hij diens groote eigenschappen optelt, en niet vergeten heeft in te vlechten, dat hij een vriend is van den harpenaar en den bard – „een gever van milde giften.” Daarenboven zoudt ge een treffende toespraak hebben gehoord aan den schoongelokten zoon des vreemdelings, levende in het land, waar het gras altijd groen is – den ruiter op het glinsterend krijgsros, welks huid is als dat der raven, en welks brieschen als het geschreeuw van den arend, die hunkert naar den strijd. Deze dappere ruiter wordt met warmte bezworen zich te herinneren, dat zijn voorvaderen zich zoo wel onderscheidden door hun getrouwheid aan den vorst, als door hun moed. – Dit hebt ge alles gemist; maar daar uwe nieuwsgierigheid niet voldaan is, zoo maak ik uit het verre fluiten mijns broeders op, dat ik nog even den tijd zal hebben om de slotcoupletten te zingen, eer hij komt om met mijn vertaling den spot te drijven.”

Dappre zoons van ’t gebergte, van eiland en meer, Stroomt uw heuvelen af, daagt van heinde en van veer, – Hoort! de horen schalt rond, maar hij roept niet ter jacht, Hoort! de zakpijp gonst luid, maar geen feest dat u wacht.

Maar hij roept er de helden ter zege of ten val, Als de vaandelen wuiven om heuvel en dal! Maar hij roept om den dolk, om het schild, om het zwaard, Tot den marsch, tot den aanval – uw vaderen waard!

Voere elk hoofdman het wraakstaal, als Fingal de held! Stroome ’t bloed door zijn aadren met bruisend geweld! Breekt het juk van den vreemde als uw vaadren weleer, Of sterft als die vaadren, en duldt het niet meer!

DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

WAVERLEY VERLENGT ZIJN VERBLIJF TE GLENNAQUOICH.

Nauwelijks had Flora haar lied geëindigd, of Fergus stond voor hen. „Ik wist, dat ik ook zonder de hulp van mijn vriend Bran, u hier zou vinden. Iemand met een eenvoudigen smaak, zoo als de mijne, en die niet naar het verhevene zoekt, zou aan de springende fontein van Versailles boven dezen waterval, met al zijn rotswerk en geplas de voorkeur geven; maar, kapitein Waverley, dit is Flora’s Parnassus, en deze stroom haar Helicon. Ze zou mijn kelders geen geringe dienst bewijzen, zoo zij haar coadjutor, Mac-Murrough, van de uitnemende kracht dezer bron kon overtuigen; hij heeft nog pas een halve flesch brandewijn opgedronken, om, zoo als hij zeide, de koude van den rooden wijn wat te temperen. Kom, laat mij de kracht er eens van beproeven.” Hij slurpte een weinig water uit de holte van de hand, en begon dadelijk met een theatrale houding:

„Gegroet, o schoone der woestijn! Der Gaelsche zangkunst oogelijn! In ’t fraai en vruchtbaar land verwekt, Waar gras noch graan den grond bedekt.”

„Maar de Engelsche poëzij gelukt nooit onder den invloed eens Hooglandschen Helicons: Allons, courage! De Fransche taal zal mij beter van dienst zijn:

O vous qui buvez à tasse pleine A cette heureuse fontaine, Où l’on ne voit sur le rivage Que quelques vilains troupeaux Suivis de nymphes de village, Qui les escortent sans sabots.”

In ’s hemels naam, lieve Fergus, verschoon ons van deze allervervelendste en laffe personages uit Arcadië. Laat, bid ik u, Coridon en Lindor niet op ons los.”

„Wel! zoo ge geen smaak kunt vinden in den herderstaf en de schalmei, dan zal ik u op een heldendicht onthalen.”

„Beste Fergus, gij hebt zeker meer geproefd uit Mac-Murrough’s beker, dan uit den mijnen.”

„Dat ontken ik, ma belle demoiselle, al moet ik ook verklaren, dat die mij het best van de twee zou behagen. Wie uwer ijlhoofdige Italiaansche romancedichters zegt er:

Io d’ Elicona niente Mi curo, in fe de Dio, che’l bere d’acque (Bea chi ber ne vuol) sempre mi spiacque. [93]

Maar zoo gij aan het Gaelsch de voorkeur geeft, kapitein Waverley, zal hier de kleine Cathleen Drimmindhu voor u zingen. – Kom, Cathleen, (mijn beste), begin slechts; geene komplimenten!”

Cathleen droeg zeer levendig een Gaelsch liedje voor, waarin een landman op tragi-komische wijze het verlies zijner koe betreurt. Schoon Waverley niets verstond van de taal waarin ze het zong, moest hij meer dan eens om het komieke van de voordracht lachen.” [94]

„Uitmuntend, Cathleen,” riep het Opperhoofd, „ik moet binnen kort een knap man voor u onder mijn clanslieden uitzoeken.”

Cathleen lachte, bloosde en verschool zich achter haar gezellin.

Op hun terugtocht naar het kasteel, drong het Opperhoofd bij Waverley met warmte aan een paar weken te blijven, ten einde getuige te wezen van een jachtpartij, waaraan hij en eenige andere Hooglandsche heeren voornemens waren deel te nemen. De tooverkracht van schoonheid en muziek had te diepen indruk op het hart van Waverley achtergelaten, dan dat hij in staat zou geweest zijn voor deze vriendelijke uitnoodiging te bedanken. Men kwam dus overeen, dat hij een briefje naar den baron van Bradwardine zou zenden, waarin hij zijn voornemen te kennen gaf, om een veertien dagen te Glennaquoich te blijven, terwijl hij hem verzocht door den brenger (een gilly, of loopjongen, van het Opperhoofd) de brieven te laten bezorgen, die voor hem mochten gekomen zijn.

Dit bracht het gesprek op den Baron, dien Fergus als edelman en soldaat hoog roemde. Zijn karakter werd nog wel zoo juist en fijn geschetst door Flora, die beweerde dat hij inderdaad het model was van een oud Schotschen ridder, met al zijn zonderlingheden en deugden. „Het is een soort van mensch, kapitein Waverley, die langzamerhand verdwijnt; want de edelste trek er van, was eerbied voor zich zelf, dien men tot nu toe nooit uit het oog verloren had. Maar thans worden de heeren, wier beginselen hun niet toelaten aan het tegenwoordige Bewind hun hof te maken, verwaarloosd en vernederd, en velen gedragen zich daarnaar, en onderwerpen zich, gelijk enkele lieden, die ge op Tully-Veolan ontmoet hebt, aan gewoonten en gezelschap, die onbestaanbaar zijn met hunne geboorte en in strijd met hun opvoeding. De onbarmhartige partijwoede schijnt de slachtoffers, die zij, hoe onrechtvaardig ook, brandmerkt, inderdaad te vernederen. Maar laat ons hopen dat er een helderder dag aanbreekt; dat een Schotsch landedelman een geleerde zal kunnen zijn, zonder de pedanterie van onzen vriend den Baron; een liefhebber van de jacht zonder de onfatsoenlijke manieren van den heer Falconer; en een oordeelkundig landbouwer, zonder een lompe tweebeenige os te worden, als Killancureit.”

Aldus voorspelde Flora een omwenteling, die inderdaad door den tijd is teweeg gebracht, ofschoon op eene geheel andere wijze, dan zij zich voorstelde.

Zij sprak vervolgens over de beminnelijke Rose, en hield de warmste lofspraken op haar schoonheid, manieren en inborst. „Een onwaardeerbare schat,” zeide Flora, „zal den man ten deel vallen die het voorwerp van Rose Bradwardine’s genegenheid wordt; het bezit van haar hand en haar hart zal hem voorzeker gelukkig maken. Ze is geheel en al bezield met haar „t’huis”, en ze smaakt in de uitoefening van al de vreedzame deugden der huiselijkheid haar hoogste genoegen. Haar echtgenoot zal voor haar zijn, wat haar vader nu is, het voorwerp van al haar zorg, teederheid en liefde. Ze zal niets zien, en aan niets anders denken dan door hem en aan hem. Zoo hij een verstandig en braaf man is, zal ze zijn verdriet met hem gevoelen, zijn zorgen verzachten, zijn vermaken deelen. Wordt ze de vrouw van een strengen echtgenoot, of van iemand, die haar verwaarloost, dan zal ze zich insgelijks naar zijn zin schikken, want ze zal zijn onvriendelijke behandeling niet lang beleven. En, helaas! hoe groot is de kans, dat zulk een onwaardig lot mijn arme vriendin te beurt zal vallen! Waarom ben ik geen Koningin, om den beminnelijksten en waardigsten jongeling van mijn rijk te kunnen bevelen zijn geluk, te gelijk met de hand van Rose Bradwardine, te zoeken!”

„Intusschen zou ik wel wenschen, dat ge haar geliefdet te bevelen, en attendant mijne hand aan te nemen,” zei Fergus lachende.

Ik weet niet door welke opwelling het kwam, dat deze wensch, hoewel in scherts geuit, Eduard eenigszins schokte, in weerwil van zijn toenemende genegenheid voor Flora, en zijn onverschilligheid omtrent Freule Bradwardine. Dit is een dier geheimen van het menschelijk hart, welke wij vermelden, zonder te pogen er een verklaring van te geven.

„Uwe hand, broeder?” antwoordde Flora, terwijl ze hem strak in het gelaat zag. „Neen! ge hebt een andere bruid – de Eer; en de gevaren die ge loopen moet om het bezit harer mededingster, zouden de arme Rose het hart breken.”

Onder dit gesprek bereikten ze het kasteel, en Waverley had spoedig zijn brief voor Tully-Veolan gereed gemaakt. Daar hij wist dat de Baron op zulke zaken zeer nauwlettend was, wilde hij zijn schrijven verzegelen met het familiewapen, doch hij vond het cachet niet aan zijn horlogie, en begreep dat hij het op Tully-Veolan had laten liggen. Hij sprak met een paar woorden over dit geleden verlies, en verzocht intusschen het zegel van zijn gastheer te mogen gebruiken.

„Zeker,” zeide freule Mac-Ivor, „Donald Bean Lean zou niet –”

„Ik sta met mijn leven borg voor hem in zulke omstandigheden,” antwoordde haar broeder: „daarenboven zou hij gewis het horloge niet vergeten hebben.”

„Hoe het zij, Fergus,” zeide Flora, „en wat ik ook toegeef, het verbaast mij toch, dat ge dien man kunt voorspreken.”

„Ik hem voorspreken! – Mijn vriendelijke zuster zou u wel diets maken, kapitein Waverley, dat ik zijn medeplichtige ben, – of, om duidelijker te spreken, dat de roover, bij wijze van schatting, een deel van zijn buit heeft moeten afstaan aan den landheer, over wiens gebied hij met zijn prooi getrokken is. Twijfel er geen oogenblik aan, zoo ik geen middel weet te vinden om Flora’s tong te breidelen, dan zal nog de generaal Blakeney een sergeant met eenige manschappen uit Stirling zenden, (dit zeide hij op trotschen en spotachtigen toon) om Vich Ian Vohr, zoo als men mij noemt, in zijn eigen kasteel gevangen te nemen.”

„Kom, kom, Fergus! moet onze gast niet gevoelen, dat dit alles kinderpraat en gekheid is? Ge hebt lieden genoeg tot uw dienst, zonder bandieten er onder op te nemen, en uw eigen eer is boven allen blaam verheven. – Waarom zendt ge dezen Donald Bean Lean, dien ik om zijn lage vleierij en dubbelhartigheid, nog meer dan om zijn rooverij haat, niet dadelijk uw land uit? Niets ter wereld zou mij kunnen bewegen om zulk een mensch te dulden.”

„Niets ter wereld, Flora?” zei het Opperhoofd, met nadruk.

„Niets, Fergus! zelfs dat niet, wat mij het naast aan het hart ligt. Bespaar me het ongeluk van zulke onwaardige bondgenooten te hebben.”

„Maar, hoor, zuster!” hernam het Opperhoofd op vroolijken toon, „ge denkt niet aan mijn achting voor la belle passion. Evan Dhu Maccombich is verliefd op Donald’s dochter Alice, en ge kunt niet verwachten, dat ik hem in zijn liefde zal dwarsboomen. Wel, de geheele clan zou zeggen, dat het schande was! Ge kent een hunner wijze gezegden, dat een bloedverwant een gedeelte is van iemands lichaam; maar dat een zoogbroeder een gedeelte is van iemands hart.”

„Nu, Fergus, er is met u geen twisten; ik wensch maar dat alles goed afloopen moge.”

„Een vrome wensch, mijn lieve en profetische zuster! en het best mogelijke middel om een eind te maken aan een zwak argument. Maar, hoort ge de doedelzakken niet, kapitein Waverley? Misschien zult ge meer lust hebben, om bij den klank dier muziek te dansen, dan door de harmonie te worden doof gemaakt, zonder deel te nemen in de lichaamsbeweging, waartoe ze ons uitngodigen.”

Waverley nam Flora’s hand. Het dansen, zingen en feestvieren werd druk voortgezet, en besloot den vroolijken dag op het kasteel van Vich Ian Vohr. Eduard trok zich eindelijk terug; maar, door een aantal nieuwe en strijdige gewaarwordingen geslingerd, kon hij gedurende langen tijd geen rust vinden, terwijl hij in dien niet onaangenamen toestand gehouden werd, waarbij de verbeelding het roer in handen neemt, en de geest veeleer lijdelijk voortdrijft op den snellen en ongeregelden stroom der gedachten, dan wel eenige moeite doet, om ze aan te vatten, te schikken of te onderzoeken. Hij viel laat in slaap, en in zijn droomen stond het beeld van Flora Mac-Ivor voor hem.

VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN HERTEJACHT EN DE GEVOLGEN DAARVAN.

Zal dit een kort of een lang hoofdstuk zijn? – Dat is een vraag, waarin ge, geachte lezer, geen stem hebt, hoezeer ge ook in de gevolgen moogt betrokken wezen; juist zooals ge (even als ik zelf) niets te maken hebt met het opleggen eener nieuwe belasting, uitgenomen de onbeduidende omstandigheid, dat gij ze betalen moet. Evenwel zijt ge zeker ruim zoo gelukkig in het tegenwoordige geval; want ofschoon het aan mij staat, mijn stof naar verkiezing te rekken, kan ik u echter niet voor den rechter dagen, zoo het u mocht goeddunken mijn verhaal niet te lezen. Laat mij dus eens overleggen. Het is waar, dat de jaarboeken en stukken, die ik in handen heb, slechts weinig van deze Hooglandsche jacht zeggen; maar daarentegen kan ik elders overvloedige bouwstoffen vinden, om er een beschrijving van te geven. Want de oude Lindsay [95] van Pitscottie ligt naast me opengeslagen, met zijn beschrijving der jacht in het Atholsche bosch, en „zijn hoog en geribd paleis van groen hout, met allerlei soort van drank, die men krijgen kon in steden en in dorpen, als ale, bier, wijn, muskadel, malvoizij, hypocras en aqua vitæ; benevens wittebrood, bruinbrood, koek, ossenvleesch, schapenvleesch, lamsvleesch, kalfsvleesch, wild, ganzen, jonge varkens, kapoenen, konijnen, kraanvogels, zwanen, patrijzen, pluivieren, eenden, pauwen, zwarte faizanten, korhoenders, enz.”, niet te vergeten „de kostelijke ligging, het vaatwerk en tafellinnen,” en minst van allen „de bekwame hofmeesters, allerknapste baksters, voortreffelijke koks en suikerbakkers, zoo min als de ingelegde en gedroogde confituren voor het nagerecht.” Behalve de bijzonderheden, die men verzamelen kan in de beschrijving van dit Hooglandsche feest, (welks luister des Pausen Legaat noopte om een gevoelen te verzaken, dat hij tot hiertoe gekoesterd had, namelijk dat Schotland het – ja, het uiterste einde van de wereld was); behalve deze bijzonderheden, zou ik immers mijn verhaal wel mogen opluisteren met behulp van Taylor den waterpoëet [96], die deze jachtpartij beschreef op de heide van Mar:

Langs heide en mos, door poel en kreek, waarin het vorschje kwaakt; Op ruwen rotstop en gebergt, waarlangs de bliksem blaakt; Wordt haas en bok en ree gejaagd, gejaagd door mensch en hond; En in een tweetal uren dekt een twintigtal den grond. o Laagland! laag is steeds uw jacht, als wat ge biedt aan ’t oog; Maar als het Hoogland jaagt of speelt, is ’t altijd stout en hoog.

Maar zonder mijn lezers langer te kwellen, of mijn uitgebreide belezenheid verder uit te kramen, zal ik me tevreden stellen met het aanhalen van een enkele bijzonderheid uit de merkwaardige jacht te Lude, welke in de Verhandeling over de Caledonische Harp van den geleerden heer Gunn voorkomt; en ik derhalve mijn geschiedenis vervolgen met al de kortheid, welke mijn eigene wijze van stellen (die wel iets heeft van hetgeen door geleerden de omschrijvende en uitvoerige manier, maar door het gemeen met den naam van omslachtige bestempeld wordt), mij vergunnen zal.

Om onderscheidene redenen werd de groote jachtpartij drie weken uitgesteld. De tusschentijd werd door Waverley met veel genoegen te Glennaquoich gesleten; want de indruk, dien Flora, bij de eerste ontmoeting, op hem had gemaakt, nam met iederen dag toe. Ze was juist iemand, om een jong mensch van levendige verbeelding te betooveren. Hare manieren, hare gesprekken, hare gaven in de poëzij en de muzijk, zetten aan haar persoonlijke bevalligheid nieuwe bekoorlijkheden bij. Zelfs in haar vroolijke oogenblikken was ze, in zijn schatting, boven de gewone dochters van Eva verheven, en scheen ze slechts voor enkele oogenblikken zich te vernederen tot die uitspanningen en nietigheden, waarvoor zoovele vrouwen schijnen te leven. Door den omgang met deze betooverende schoone, terwijl de jacht zijn morgenuren in beslag man, en de avond met dans en gezang voorbijging, werd Waverley met iederen dag meer ingenomen met zijn gullen gastheer, en meer verliefd op diens bekoorlijke zuster.

Eindelijk brak de bepaalde tijd voor de aangekondigde jachtpartij aan, en Waverley en het Opperhoofd vertrokken naar de plaats der vereeniging, een dagreize noordwaarts van Glennaquoich gelegen. Fergus had bij deze gelegenheid een gevolg van omstreeks driehonderd manschappen uit zijn clan, wel gewapend en uitgerust in hun besten tooi. Waverley schikte zich in zoo verre naar de gewoonte des lands, dat hij de trews droeg, maar kon er niet toe besluiten om den kilt aan te nemen; ook droeg hij de brogues en de muts als de meest geschikte kleeding voor de jacht die hij bijwonen zou, en welke hem daarenboven minder blootstelde om als vreemdeling te worden aangegaapt, wanneer zij op de bepaalde plek aankwamen. Zij troffen ter bedoelde plaatse een aantal aanzienlijke Opperhoofden aan. Waverley werd plechtig aan deze voorgesteld en met hartelijkheid door hen ontvangen. Hunne vazallen en clanslieden, tot wier leenplicht het behoorde op zulke bijeenkomsten te verschijnen, kwamen zoo talrijk op, dat ze een klein leger vormden. Deze vlugge lieden verspreidden zich wijd en zijd over het land, terwijl ze om mij van den kunstterm te bedienen, een kring of tinchel vormden. Deze kring, die hoe langer hoe nauwer werd, dreef de herten in troepen bijeen naar het dal, waar de Opperhoofden en voorname jagers op hen loerden. In den tusschentijd bivakkeerden de groote heeren op de bloemrijke heide, in hun plaid gewikkeld, welke wijze om een zomernacht door te brengen, door Waverley lang niet onaangenaam gevonden werd.

Gedurende verscheidene uren na zonsopgang, heerschte er op de heuvels, bergruggen en passen de gewone stilte en eenzaamheid; de Opperhoofden, met hun gezelschap, vermaakten zich met allerhande tijdkortingen, waaronder de genoegens van „de schelp,” zooals Ossian die beschrijft, niet vergeten werden. Anderen waren ter zijde gezeten op een afgelegen heuvel; waarschijnlijk even diep verzonken in de behandeling van staatszaken en nieuwstijdingen, als Milton’s geesten in hunne metaphysische gesprekken. Eindelijk werd het signaal gegeven dat het naderen van het wild aankondigde. In de verte aangeheven kreten weergalmden van dal tot dal, naarmate de verschillende afdeelingen der Hooglanders, onder het beklimmen der rotsen, het doorworstelen van het kreupelhout, het doorwaden der beken, het kruipen door riet en struiken, meer en meer elkander naderden, en de verbaasde herten en andere wilde dieren, die voor hen henen vluchtten, in een nauwer omtrek voor zich uitdreven. Elk oogenblik vernam men het geluid van geweerschoten door duizenden echo’s teruggekaatst. Het bassen der honden voegde zich welhaast bij het koor, dat met ieder oogenblik luider en luider werd. Op het laatst begon de voorhoede der herten zichtbaar te worden, en toen ze bij twee of drietallen den bergpas kwamen afspringen, toonden de Opperhoofden hunne bedrevenheid in het uitkippen der vetste beesten, en hunne behendigheid in het dooden der dieren met hunne jachtroeren. Fergus legde een bijzondere vaardigheid aan den dag, en Eduard was mede zoo gelukkig, de opmerkzaamheid der jagers tot zich te trekken en hunne toejuiching te verwerven.

Maar nu begon de gansche hoop van herten zich in het dal te vertoonen en maakte, in een zeer nauwen doorgang bijeen gejaagd, zulk een ontzaglijke phalanx uit, dat hun gewei op een afstand, op de aangrenzende hoogte, een bladerloos bosch scheen te vormen. Hun aantal was zeer groot; en, op het zien van de dreigende houding die ze aannamen, terwijl ze zich in slagorde schaarden met de grootste der herten vooraan, onder het aangapen van de groep, welke hun den doortocht van het dal betwistte, begonnen de bedrevenste jagers gevaar te voorspellen. Doch nu ving tevens het werk der verwoesting aan alle kanten aan. Honden en jagers waren aan het werk, en geweerschoten weerklonken uit iederen hoek. De herten, tot wanhoop gedreven, deden ten laatste een vreeselijken aanval juist op de plek, waar de beste schutters zich geplaatst hadden. Er werd terstond gewaarschuwd in het Gaelsch, dat men zich op het aangezicht zou werpen; maar Waverley, voor wiens Engelsche ooren de klank verloren ging, was bijna het slachtoffer geworden van zijn onkunde in deze aloude taal. Fergus, die het gevaar bemerkte, sprong op en wierp hem juist op het oogenblik tegen den grond, dat de geheele kudde op hem losbrak. Daar de aandrang onwederstaanbaar was, en de wonden van een hertengewei hoogst gevaarlijk zijn [97], zoo kan men gerust zeggen, dat de vlugheid van het Opperhoofd, bij deze gelegenheid zijn gast het leven gered had. Hij hield hem met vaste hand op den grond uitgestrekt, tot de geheele kudde over hen heen was gevlogen. Nu wilde Waverley opstaan; maar hij voelde dat hij eenige belangrijke kneuzingen ontvangen had, en bij nader onderzoek bleek het, dat hij zijn enkel geweldig verstuikt had.

Dit stoorde de vreugde der bijeenkomst; ofschoon de Hooglanders, aan zulke voorvallen gewoon en daarop voorbereid, zelven geen last geleden hadden. In een oogenblik was er een hut opgericht, waarin Eduard op een leger van heide werd nedergelegd. De chirurgijn, of hij die zich als zoodanig aanmeldde, scheen de hoedanigheden van een paardendocter en een toovenaar in zich te vereenigen. Hij was een oude, uitgedroogde Hooglander, met een eerwaardigen grijzen baard, en wiens geheele kleeding uit een rok van donkere tartan bestond, waarvan de panden tot op de knie afdaalden, en, daar hij van voren dicht was, tevens tot wambuis en broek diende [98]. Hij naderde Eduard met groote deftigheid, en wilde, ofschoon onze held van pijn kromp, niet tot eenige kunstbewerking overgaan, om ze te verligten, voor en aleer hij zijn bed driemaal was rondgegaan, waarbij hij zich van het oosten naar het westen, volgens den loop der zon bewoog. Dit, de Deasil [99] genoemd, scheen door den dokter en de omstanders beschouwd te worden als een zaak van het uiterste belang, alvorens de kuur volbracht werd; en Eduard, wien de pijn buiten staat stelde, iets daartegen in te brengen, en die zich ook inderdaad weinig heil daarvan voorspelde, onderwierp zich stilzwijgend.

Nadat deze plechtigheid behoorlijk volbracht was, tapte de oude Esculaap Eduard, door middel van een kopglas, met vrij wat behendigheid, eenig bloed af, en begon, terwijl hij gedurig bij zich zelven in het Gaelsch mompelde, zekere kruiden te koken, waarvan hij een pap maakte. Daarop legde hij deze op de deelen, die geleden hadden, terwijl hij geen oogenblik met het mompelen van gebeden of bezweeringen ophield. Waverley kon niet onderscheiden, welke van beide het waren, daar zijn oor niets opving dan Gasper-Melchior-Balthazar-maxprax-frax, en dergelijke brabbeltaal. Het pappen miste de gewenschte uitwerking niet: de pijn en de zwelling verminderden, hetgeen door onzen held aan de kracht der kruiden of het gevolg der warmte, doch door de omstanders eenstemmig aan de tooverspreuken, welke de operatie hadden vergezeld, werd toegeschreven. Men gaf Eduard te verstaan, dat geen enkele der geneesmiddelen geplukt was, dan bij volle maan, en dat de kruidkenner, onder het inzamelen, onophoudelijk een tooverspreuk had opgezegd, die in het Engelsch aldus luidde:

O wees gegroet, gij heilig kruid, Ontkiemd op heilgen grond; ’t Was op d’ Olijfberg, dat men u Het allereerste vond. Voor menig kneuzing hebt gij baat, Gij heeldet menig wond; In naam van onze Lieve Vrouw Raap ik u van den grond. [100]