Part 4
Tante Rachels bezorgdheid echter schonk haar de behendigheid om haar plan door te drijven. Ieder hoofd van hun huis had vreemde landen bezocht, of bij het leger gediend, alvorens zich op Waverley-Honour neêr te zetten, en ze beriep zich voor de waarheid harer verzekering op den stamboom, een gezag dat nooit door Sir Everard weersproken werd. Met éen woord, er werd een voorstel aan den heer Richard Waverley gedaan, om zijn zoon te laten reizen, onder toezicht van zijn gouverneur, den heer Pembroke, terwijl de Baronet op een gepaste en milde wijze in de reiskosten zou voorzien. De vader had niet het minste bezwaar; maar toen er aan de tafel van den Minister over gesproken werd, trok de groote man een bedenkelijk gezicht. De reden werd den vader in ’t geheim medegedeeld. „De ongelukkige staatkundige richting van Sir Everard,” merkte de Minister op, „maakte dat het hoogst ongeschikt was een jongeling van zulke groote vooruitzichten op het vaste land te laten reizen, met een gouverneur, buiten alle kijf, door zijn oom gekozen om hem in diens voetstappen en naar zijn voorschriften te leiden. Hoedanig zou mijnheer Eduard Waverleys gezelschap te Parijs, hoedanig dat te Rome zijn, waar alle soort van strikken door den Pretendent en zijn zoons gelegd werden? Dit waren alle maal punten waarover de heer Waverley zich nog wel tweemaal bedenken mocht. De minister zelf kon zeggen, dat Zijn Majesteit de diensten van den heer Richard Waverley op zulk een hoogen prijs stelde, dat, indien zijn zoon voor eenige jaren in dienst wilde gaan, hij rekenen kon op een escadron van een der dragonderregimenten, die onlangs uit Vlaanderen waren terug gekomen.”
Een op deze wijze gegeven wenk liet zich niet straffeloos veronachtzamen, en ofschoon zeer bevreesd om de vooroordeelen van zijn broeder te krenken, besloot Richard Waverley de hem aldus voor zijn zoon aangeboden plaats niet te weigeren. De waarheid is, dat hij in ruime mate, en te recht, rekende op Sir Everards liefde tot Eduard, die niet liet voorzien, dat hij hem een stap kwalijk zou nemen, door hem uit onderwerping aan zijns vaders wil gedaan. Twee brieven kondigden dit besluit den Baronet en diens neef aan. In den laatsten bepaalde hij zich alleen tot de mededeeling van de zaak, terwijl daarin tevens de toebereidselen werden opgegeven, die hij te maken had om zich bij het regiment te voegen. Aan zijn broeder schreef Richard uitvoeriger en zeer omzichtig. Hij stemde, op de vleijendste wijze, toe, dat het voor zijn zoon zeer goed zou wezen, iets meer van de wereld te zien, en hij drukte zelfs in de nederigste bewoordingen zijn dankbaarheid voor den aangeboden bijstand uit; maar hij gaf zijn leedwezen te kennen, dat Eduard thans ongelukkig niet, bij machte was volkomen te handelen overeenkomstig het plan, door zijn besten vriend en weldoener ontworpen. Hij zelf had met smart gedacht aan de werkeloosheid van den jongen, op een leeftijd, dat al zijn voorvaders de wapens gedragen hadden; ja de Koning zelf had zich verwaardigd te vragen, of de jonge Waverley thans niet in Vlaanderen was, op een leeftijd dat zijn grootvader reeds zijn bloed voor zijn Koning, in den grooten burgeroorlog gestort had? Deze vraag ging met de aanbieding van een escadron vergezeld. Wat kon hij doen? Er was geen tijd om zijn broeder te raadplegen, al ware het ook, dat er zwarigheden van zijn zijde mochten bestaan, om zijn neef de roemrijke loopbaan van diens voorvaderen te laten betreden. En, om kort te gaan, dat Eduard thans (na de mindere graden van Kornet en Luitenant met een buitengewone vlugheid te zijn overgesprongen) kapitein Waverley bij de dragonders van Gardiner was, en hij zich binnen eene maand te vervoegen had bij zijn regiment te Dundee, in Schotland.
Sir Everard Waverley ontving deze mededeeling met gemengde gewaarwordingen. Toen het geslacht van Hannover den troon van Engeland beklom, had hij zich uit het Parlement teruggetrokken, en zijn gedrag in het gedenkwaardige jaar 1715 was niet geheel en al onopgemerkt gebleven. Er liepen geruchten van bijzondere monsteringen van boeren en paarden te Waverley bij maneschijn, en van kisten vol in Holland gekochte en aan den Baronet geadresseerde geweren en pistolen; maar deze laatste werden onderschept door de waakzaamheid van een ambtenaar der accijnsen, die later op een donkeren nacht, voor zijn gedienstigheid door eenige moedige boerenknapen afgestraft werd. Ja, wat meer is, men had zelfs gezegd, dat bij het arresteren van Sir Willem Wyndham, den aanvoerder der Tory-partij, een brief van Sir Everard in den zak van diens rok was gevonden. Maar er liet zich geene openbare aanklacht op bouwen; en het Bewind, tevreden met den opstand van 1715 onderdrukt te hebben, achtte het voorzichtig noch raadzaam zijn wraak verder uit te strekken, dan tot de ongelukkigen, die openlijk de wapenen hadden opgevat.
Sir Everard legde ook niet de minste vrees aan den dag ten opzichte der geruchten omtrent zijn persoon onder zijn Whigsche buren verspreid. Het was wel bekend, dat hij verscheidene in ongelegenheid geraakte Noord-Engelschen en Schotten met geld had bijgestaan, die na te Preston, in Lancashire, gevat te zijn, in de gevangenissen van Newgate en Marshalsea waren opgesloten; en het was zijn zaakwaarnemer en gewone raadsman, die zich met de verdediging van sommigen dezer ongelukkigen belast had. Algemeen was men van gevoelen, dat, zoo de Ministers een wettig bewijs in handen gehad hadden van Sir Everards deelneming aan den Opstand, hij dan niet zou gewaagd hebben de bestaande regeering te tarten, of wèl dat hij dit niet straffeloos zou hebben gedaan. De gevoelens echter, die hem toen beheerschten, waren die van den jongeling, en wel in een veel bewogen tijd. Sedert was Sir Everards Jacobietisme langzamerhand verkoeld, gelijk een vuur dat uit gebrek aan brandstof uitdooft. Van tijd tot tijd vond hij gelegenheid om zijne Torysche en kerkelijke beginselen te versterken, bij verkiezingen en vergaderingen; maar betrekkelijk het erfelijke troonrecht waren zijn denkbeelden zoo wat in doodslaap gevallen. Intusschen schokte het zijn gevoel niet weinig, zijn neef bij het leger te zien onder de Brunswijksche dynastie; en dat te meer, daar, behalve zijn nauwgezette begrippen van het vaderlijk gezag, het onmogelijk, of ten minste hoogst onvoorzichtig zou geweest zijn, om de zaak met geweld te keer te gaan. Deze onderdrukte ergernis gaf aanleiding tot veel zuchten en steunen, hetgeen op rekening gesteld werd van een opkomenden aanval van jicht, tot de waardige Baronet, na om de ranglijst gezonden te hebben, zijn troost zocht in het optellen van de afstammelingen der huizen van erkende staatkundige eerlijkheid: de Mordaunts, Granvilles en Stanleys, wier namen hij hier aantrof. Terwijl hij nu al zijn ingenomenheid met familieëer en oorlogsroem te hulp riep, besloot hij volgens eene logica, niet ongelijk aan die van Falstaff, dat, zoo er oorlog op handen was, ofschoon het schande zou zijn, zich bij eene andere partij dan bij die éene te scharen, het echter nog grooter schande wezen zou bij dien strijd stil te zitten, dan om te strijden voor den slechtste van allen, al was die bij overweldiging op den troon gekomen. Wat tante Rachel betreft, haar plan was wel niet juist volgens hare wenschen gelukt, maar zij was in de noodzakelijkheid zich aan de omstandigheden te onderwerpen. Zij vond ook afleiding voor hare droefheid in het gereedmaken der uitrusting van haren neef, en niet weinig vergoeding in het vooruitzicht van hem in volle uniform te zien schitteren.
Eduard Waverley zelf ontving de geheel onverwachte kennisgeving met levendige en onuitsprekelijke verbazing. Het was, gelijk een fraai, oud gedicht het uitdrukt „een vuur in de heide ontstoken,” dat een eenzamen heuvel met smook bedekt en dien te gelijk door een somber vuur verlicht. Zijn gouverneur, of liever de heer Pembroke, want hij heette slechts zelden gouverneur, vond in Eduards kamer eenige fragmenten van verzen, die hem schenen ingegeven te zijn door het onverwachte opslaan van deze bladzijde uit zijn levensboek. De geleerde, die alles voor poëzij hield, wat door zijn vrienden vervaardigd, en in fraaie rechte regels, waarvan allen met een hoofdletter begonnen, geschreven werd, deelde dezen schat aan tante Rachel mede, die, haar bril met tranen bevochtigd op den neus, ze overschreef in haar zakboekje, onder uitgezochte recepten voor de keuken of de apotheek, lievelingsteksten en fragmenten van godsdienstige boeken naar haren smaak, als ook een paar liedjes van krijgshaftigen en Jacobietischen inhoud, die ze in hare jonge dagen placht te neuriën; uit welke verzameling de dichterlijke proeven van haar neef werden getrokken, toen het boek zelf, met andere authentieke stukken van de familie Waverley, ter inzage werden gegeven aan den onwaardigen uitgever van deze merkwaardige geschiedenis. Indien ze het genoegen van den lezer al niet verhoogen, zullen ze ten minste beter dan eenig verslag den woesten en ongeregelden aard van onzen held doen kennen.
Toen ’s avonds laat de herfst zijn rood En goud op het Zwarte-meer-dal goot, Gaf, stil en zedig, ’t effen meer De purpren wolk en goudgloed weêr, En beeldde ’t vloeijend bergkristal Het bergland af en ’t lage dal. Daar spiegelde in den heldren stroom Zich elke bloem en elke boom En rots en toren trouw en teêr, Als lag daar onder ’t vredig meer, Bevrijd van de onrust, zorg en smart, Het deel van ieder menschenhart, Een wereld, die, naar allen schijn, Nog schooner dan onze aard moest zijn.
Maar, ver en buldrend opgestaan, Verhief zich plotseling de orkaan, En wekte snel den Geest van ’t meer Hij hoorde ’t buldren van het weêr En ’s eiken kreunend dof gebrom; Hij sloeg den zwarten mantel om, Gelijk de krijgsman op den kreet Van d’ oorlog zich in ’t pantser kleedt. Maar als de stormwind nader toog, Betrok zijn forsche wenkbrauwboog, En werd zijn wang van kleur beroofd. De helmpluim schudde er op zijn hoofd, Toen hij het golvend wed beval Te dondren door ’t misvormde dal. Die ideale wereld ging Op eens in wilden warrelkring Met d’ opgejaagden vloed te loor. Van kalmte en rust geen enkel spoor. En wrak bij wrak dier zaligheid Lag op den oever ver verspreid.
Toen zag ’k dien ommekeer met vreugd, Ja, met een wondervreemd geneugt. Terwijl de wind, in wilden trots, Den kamp bestond met golf en bosch, Stond ’k op den toren. ’t Was alsof Mij toen een vreemd geheimnis trof, En aan zijn zoet gevlei mijn hart, Hoe langs zoo meer gekluisterd werd; Toen treurde ik ras, door ’t stormenheer Omringd, om ’t stil tooneel niet meer.
Zoo breekt de waarheid ook eens heel Des jonkheids lokkend luchtkasteel; Zoo bant ze elk toovrend droomgezigt Dat, als het landschap, rijk aan licht En glans en schoon, op ’t meervlak scheen, Eer ’t voor den najaarsstorm verdween. En voor verbeeldings scheppend oog Is nu die vorm, die langs mij toog, En mij dus ketende om zijn schoon, Geborgen bij geliefde doôn; Want liefdes droom en liefdes bloem Maakt plaats voor krijgsgewoel en roem.
In eenvoudig proza, want misschien drukken deze verzen het niet bepaald genoeg uit, werd het vluchtige beeld van Cecilia Stubbs in kapitein Waverley’s hart uitgewischt, te midden van de beslommeringen zijner nieuwe stemming. Zij zelve verscheen, wel is waar, in vollen glans, in haar vaders bank, op den Zondag toen hij voor het laatst de dienst in de oude dorpskerk bijwoonde; bij welke gelegenheid hij, op verzoek van zijn oom en van tante Rachel (zonder, om de waarheid te zeggen, er zich lang toe te laten bidden) werd overgehaald, om zich in volle uniform te vertoonen.
Het beste middel om geen al te hoog denkbeeld van anderen te koesteren, is zeer met zich zelven ingenomen te zijn. Jufvrouw Stubbs had wel alle hulp ingeroepen, die de kunst aan de schoonheid verleenen kan; maar helaas! hoepelrok, moesjes, golvende lokken en een nieuw kleed van echt Fransche zijde, vermochten niets op een jongen dragonder-officier, die voor het eerst zijn met goud omboorden hoed, zijn rijlaarzen en sleepsabel droeg. Ik weet niet, of, gelijk de kampioen in de oude ballade,
Zijn hart alleen voor de eere sloeg, En liefde bleef verzaken; Geen vrouw, in ’t land had kracht genoeg, Om ’t ijskoud hart te raken,
dan of de schitterende en met goud geborduurde rok, die thans zijn borst beschermde, Cecilia’s blikken trotseerde; maar hare pijlen werden te vergeefs op hem afgeschoten.
Toch zag ik, waar Cupido’s schichtje vloog; Het viel niet neêr op ’t bloemrijk westerveld, Maar trof een knaap, de bloem van heel het west, Heer Jonas Cubertfield, ’s rentmeesters zoon.
Terwijl ik verschooning vraag voor mijn heroica (waaraan ik in zekere gevallen niet kan nalaten lucht te geven), moet ik tot mijn leedwezen berichten, dat wij hier afscheid dienen te nemen van de schoone Cecilia, die, gelijk menige dochter van Eva, na het vertrek van Eduard, en het vervliegen van zekere ijdele door haar gevoede droomen, zich stilletjes tevreden stelde met een pis-aller, en na verloop van zes maanden hare hand schonk, aan voornoemden Jonas, zoon van des baronets rentmeester, en erfgenaam (geen gering vooruitzicht!) van eens rentmeesters fortuin, behalve het fraaie verschiet van zijn vader in zijn post op te zullen volgen. Al deze voordeelen bewogen den heer Stubbs, evenals het bruine gelaat en de manhaftige gestalte van den vrijer, zijn dochter, het punt van „afkomst” over ’t hoofd te zien, en zoo kwam het huwelijk tot stand. Niemand scheen meer in haar schik dan tante Rachel, die tot hiertoe het ingebeelde juffertje wel een weinig schuins had aangekeken (voor zoo ver hare goedhartigheid dit toeliet), maar die bij de eerste verschijning van het jonggehuwde paar in de kerk, de bruid met een glimlach en een diepe buiging vereerde, in tegenwoordigheid van den predikant, den kapelaan, den koster en de geheele vergadering der vereenigde gemeenten van Waverley en Beverley.
Ik verzoek, eens voor altijd, verschooning van den lezer, die een roman enkel tot vermaak in handen neemt, dat ik hem zoo lang kwel met ouderwetsche staatkunde en Whig’s en Tory’s en Jacobieten en Hannoveranen; maar de waarheid is, dat ik niet zou kunnen beloven, dat de geschiedenis zonder dat verstaanbaar, of niet ongerijmd wezen zou. Mijn ontwerp vordert dat ik de beweegredenen ontwikkel, waaruit de handeling voortvloeit; en deze beweegredenen berusten noodwendig op de gevoelens, vooroordeelen en partijschappen dier tijden. Ik noodig mijne schoone lezeressen, wier kunne en ongeduld haar het grootste recht geven om over deze uitweidingen te klagen, niet in een vliegenden wagen, door gevleugelde paarden getrokken, of door tooverkracht in beweging gebracht, mede te gaan. Ik bezit slechts een eenvoudige Engelsche reiskoets op vier wielen en langs den straatweg loopende. Zij wien dit rijtuig niet bevalt, mogen het op de eerste pleisterplaats verlaten en wachten op Prins Hussein’s tapijt of des wevers Malek’s [22] vliegend schilderhuisje. Zij die mij willen blijven vergezellen, zullen van tijd tot tijd blootgesteld zijn aan de onaangenaamheid van moeielijke wegen, steile heuvels, modderpoelen en andere wereldsche bezwaren. Maar, met tamelijk goede paarden en „een geschikten voerman,” (zoo als men in de advertentiën leest) verbind ik mij zoo spoedig mogelijk een schilderachtiger en romanesker landstreek te bereiken, indien mijn passagiers eenig geduld met me willen hebben op de eerste stations. [23]
ZESDE HOOFDSTUK.
HET AFSCHEID VAN WAVERLEY.
Op den avond van dezen merkwaardigen zondag trad Sir Everard de boekerij binnen, waar hij onzen jongen held bijna had betrapt, bezig met het oude zwaard van Sir Hildebrand in het rond te zwaaijen, dat als een erfstuk bewaard, gewoonlijk boven den schoorsteen in de boekerij, onder een portret van den ridder en zijn paard hing, wiens gelaatstrekken bijna geheel bedekt waren door des ridders vreeselijk zware krulpruik, terwijl het door hem bereden strijdros verborgen was onder den ontzachlijken mantel van de Bath-orde, waarmede hij omhangen was. Sir Everard trad binnen, en na een blik op de schilderij en een tweeden op zijn neef geslagen te hebben, begon hij eene kleine deftige aanspraak, die echter spoedig overging in zijne natuurlijke eenvoudige spreekwijze, bij deze gelegenheid door meer dan gewone aandoening verlevendigd. „Neef,” zeide hij „dat is, mijn lieve Eduard, het is Gods wil, en insgelijks de wil van uw vader, wien het, naast God, uw plicht is te gehoorzamen, dat gij ons verlaat, om het krijgsmans beroep te volgen, waarin zoovelen uwer voorvaderen zich onderscheiden hebben. Ik heb de noodige schikkingen gemaakt die u zullen in staat stellen, om in het veld te verschijnen als hun afstammeling en als de stamhouder van het huis Waverley; en, op ’t slagveld zult ge niet vergeten, welken naam gij draagt. Maar Eduard, mijn lieve jongen, herinner u insgelijks, dat gij de laatste van dien stam zijt, en dat alleen op u de hoop berust, dat hij niet zal uitsterven; en daarom, zoo ver plicht en eer zulks toelaten, vermijd het gevaar – ik meen, noodeloos gevaar – en houd u niet op met gemeene knapen, spelers en Whigs, waarvan er zoo als te vreezen is, maar al te veel in de dienst gevonden worden, waarin gij treden zult. Uw Kolonel is, naar men mij bericht heeft, een uitmuntend man – voor een Presbyteriaan; maar gij zult uw plicht in het oog houden jegens God, de kerk van Engeland en den – (deze gaping had volgens de orde behooren aangevuld te worden met het woord koning; maar daar dit woord ongelukkig een dubbelen en onzekeren zin had, de éen doelende op het feitelijk bezit en de ander op het recht, zoo vulde de ridder het aan) – de kerk van Engeland en alle ingestelde machten.” Vervolgens, daar hij zich niet verder als redenaar waagde, bracht hij zijn neef naar den stal, om de paarden te zien, die hij voor hem bestemd had. Twee waren er zwart, de kleur van het regiment, beide uitmuntend schoone dieren; de drie andere waren stevige, vlugge rijpaarden, voor de reis, of voor Eduards bedienden bestemd; twee dezer waren uit die van het slot gekozen; een derde, die als staljongen dienst zou doen, zou in Schotland wel te krijgen zijn.
„Gij zult slechts met een klein gevolg vertrekken,” zei de baronet, „in vergelijking met Sir Hildebrand, toen hij voor de poort van zijn slot een talrijker troep ruiterij monsterde; dan uw geheele regiment. Ik zou graag gezien hebben, dat de twintig jonge lieden van mijn goederen, die dienst hebben genomen bij uw regiment, te gelijk met u naar Schotland hadden kunnen vertrekken. Het zou ten minste iets geweest zijn; maar men heeft mij gezegd, dat zulk een gevolg in den tegenwoordigen tijd als iets ongewoons beschouwd zou worden, nu allerlei nieuwe en dwaze gewoonten ingevoerd zijn om de natuurlijke banden, die het volk aan zijne landheeren hechten, te verzwakken.”
Sir Everard had zijn best gedaan, om deze onnatuurlijke richting van den tijdgeest te verbeteren; want hij had de banden van gehechtheid tusschen de recruten en hun jongen kapitein verstrekt, niet alleen door een overvloedigen maaltijd van vleesch en bier, bij wijze van afscheidsfeest, maar tevens door een ruim geschenk in geld, hetwelk eer strekte om de genoegens dan wel om de orde en tucht op hun marsch te bevorderen. Na de paarden in oogenschouw genomen te hebben, bracht Sir Everard zijn neef terug naar de bibliotheek, waar hij een met zorg toegevouwen brief voor den dag haalde, volgens ouder gewoonte omwonden met een strookje ongesponnen zijde, en verzegeld met een nauwkeurig afdruksel van het Waverleysche wapenschild. Deze brief was, met alle deftigheid van dien tijd, geadresseerd „Aan den Hoogwelgeboren Heere Cosmo Comyne Bradwardine, van Bradwardine, op zijn residentie Tully-Veolan, graafschap Perth, Schotland. – Ter vriendelijke bezorging van kapitein Eduard Waverley, neef van Sir Everard Waverley, van Waverley-Honour, Baronet.”
De edelman aan wien dit breedvoerig adres gerigt was, en over wien wij in het vervolg meer zullen te spreken hebben, had in ’t jaar 1745 de wapens gevoerd voor het verbannen koninklijke huis van Stuart, en was te Preston, in Lancashire, gevangen genomen. Hij was iemand van zeer oude familie, maar van niet onbezwaard vermogen; een geletterde, naar de gewone wijze der Schotten, dat is te zeggen, eerder omslachtig dan nauwkeurig, en meer een belezen man dan een taalkenner. Men verhaalde van hem, dat hij van zijn liefde tot de oude schrijvers een zeer bijzonder blijk had gegeven. Op weg tusschen Preston en Londen gelukte het hem aan zijn wachters te ontsnappen; maar toen men hem naderhand vond, rondslenterende in de nabijheid van de plaats waar zij den vorigen nacht verblijf gehouden hadden, werd hij herkend en andermaal gevat. Zijn medgezellen, en zelfs zijn geleiders, stonden verbaasd over zijn onvoorzichtigheid, en konden niet nalaten te vragen, waarom hij, eenmaal in vrijheid, niet zijn best gedaan had, om eene veilige schuilplaats te bereiken; waarop hij antwoordde, dat dit zijn voornemen was geweest, maar dat hij, om de waarheid te zeggen, was teruggekeerd om zijn Titus Livius te zoeken, dien hij in de haast van zijn vlucht vergeten had [24]. Dit eenvoudig verhaal trof den heer, die, zoo als wij reeds gezegd hebben, de verdediging van sommige dezer ongelukkige lieden, voor rekening van Sir Everard, en van misschien nog eenigen van zijne partij, had op zich genomen. Hij was daarenboven zelf een bewonderaar van den ouden Paduaschen geschiedschrijver, en schoon zijn eigen geestdrift hem niet ligt tot zoo iets buitensporigs zou vervoerd hebben, zelfs om de uitgaaf van Sweynheim en Pannartz (die men voor de editio princeps houdt) terug te krijgen, achtte hij echter de gehechtheid van den Schot daaraan niet minder hoog, en deed hij zoo zijn best om alle bewijzen tegen hem te ontzenuwen, of te verzwakken, om rechtsgeleerde bezwaren tegen de vervolging te ontdekken en zoo voorts, dat het hem gelukte Cosmo Comyne Bradwardine’s volkomen vrijspraak en ontheffing van zekere alles behave prettige gevolgen van een veroordeeling wegens hoogverraad te redden.
De baron van Bradwardine, want zoo werd hij in Schotland doorgaans genoemd, (schoon zijn gemeenzame vrienden hem Tully-Veolan, of nog korter Tully noemden) stond niet zoo ras rectus in curia (als gezuiverde voor de rechtbank), of hij begaf zich per post naar Waverley-Honour om er zijn hulde en dankbetuiging te brengen. Eén zelfde zucht voor veld en jachtvermaken, en een algemeene overeenstemming in staatkundige gevoelens, legden den grond tot zijne vriendschap met Sir Everard, al verschilden hunne gewoonten en liefhebberijen in andere opzichten nog al aanmerkelijk: en nadat hij verscheidene weken op Waverley-Honour had doorgebracht, vertrok hij met tallooze betuigingen van achting, terwijl hij bij den Baronet er met warmte op aandrong, dat deze zijn bezoek zou beantwoorden, en in een volgend saizoen deel nemen aan de korhoender-jacht, op zijn veengronden in Perth. Kort daarop maakte de heer Bradwardine uit Schotland eene som tot afdoening der kosten, bij ’s Konings Hoog Gerechtshof te Westminster gemaakt, over; welke som, schoon juist niet zoo ontzaglijk groot, in Engelsch geld berekend, in haar oorspronkelijken vorm van Schotsche ponden, schellingen, enz. [25] zulk eene verbazende uitwerking had op het gestel van Duncan Mackwheeble, des Barons vertrouwden zaakwaarnemer, rentmeester en rechterhand, dat hij een aanval van kolijk kreeg, die vijf dagen aanhield, eeniglijk en alleen, zooals hij zeide, veroorzaakt door dat hij het ongelukkige werktuig moest worden, om zulk eene belangrijke som uit zijn geboorteland aan die valsche Engelschen over te maken. Maar, gelijk vaderlandsliefde het schoonste gevoel is, zoo is zij ook dikwijls de meest verdachte dekmantel van geheel andere aandoeningen; en velen met den heer Mackwheeble bekend, beweerden, dat zijne betuigingen van spijt niet geheel belangeloos waren, en dat hij veel minder zou gezucht hebben over het uitbetalen der gelden aan de deugnieten te Westminster, wanneer ze niet waren geheven op de goederen van Bradwardine, een fonds dat hij meer bijzonder als het zijne beschouwde. Dan de rentmeester betuigde, dat hij volstrekt geen eigen belang kende:
„Wee, wee om Schotland, maar geen zier om mij!”