Chapter 27 of 50 · 3952 words · ~20 min read

Part 27

Het geslepen Opperhoofd van den stam van Ivor begreep het belang, om Waverley tot deze persoonlijke kennismaking met den koninklijken avonturier te dwingen. Geheel vreemd aan de innemende taal en manieren van een beschaafd hof, waarin Karel hoogst bedreven was, drongen diens woorden en vriendelijkheid diep in het hart van onzen held, en verbanden weldra alle overwegingen der voorzichtigheid. Aldus persoonlijk om hulp te worden aangezocht door een Prins, wiens gestalte en manieren, even als de moed door hem in de tegenwoordige onderneming ten toon gespreid, zoo geheel en al des jongelings denkbeelden van een romanheld verwezenlijkten – door hem gevleid te worden in de oude zalen van zijn vaderlijk paleis, herwonnen door het zwaard, dat hij reeds wette voor nieuwe veroveringen, was reeds genoeg om Eduard, in zijne eigene oogen, de waardigheid en het gewicht weder te geven, die hij meende verbeurd te hebben. Verstooten, belasterd en bedreigd door de tegenpartij, werd hij onweêrstaanbaar tot de zaak aangetrokken, welke hem door de vooroordeelen der opvoeding, en de staatkundige beginselen zijner familie reeds als de rechtvaardigste aangeprezen werd. Deze gedachten overweldigden hem en overwonnen alle bedenkingen – daarenboven liet de tijd geen aarzelen toe – en terwijl Waverley voor Karel Eduard neder knielde, wijdde hij zijn hart en zijn degen aan de handhaving van diens rechten.

De Prins (want, daar hij slechts ongelukkig was door de misslagen en dwaasheden zijner voorouders, kunnen wij hem hier en elders den titel geven, aan zijne geboorte verschuldigd) haastte zich Waverley op te richten, en omhelsde hem met een uitdrukking van dankbaarheid, te warm om niet oprecht te zijn. Desgelijks dankte hij Fergus Mac-Ivor herhaalde malen, dat hij hem zulk een aanhanger had bezorgd, en stelde Waverley voor aan de verschillende edellieden, opperhoofden en officieren, die hem omringden, als een jong edelman van de hoogste verwachtingen en vooruitzichten, in wiens stoute en vurige omhelzing van zijn zaak zij een bewijs konden zien van de gevoelens der aanzienlijkste Engelsche geslachten, op dit beslissend tijdstip [124]. Dit was inderdaad een punt, hetwelk onder de aanhangers der Stuarts nog al aan twijfel onderhevig was, en daar een welgegrond wantrouwen ten opzichte van de medewerking der Engelsche Jacobieten een aantal Schotsche lieden van rang terughield om zijn standaard te volgen, en den moed dergenen die zich daarbij gevoegd hadden, verkleinde, zoo kon niets den Prins beter te stade komen, dan dat de eenige afstammeling van het huis van Waverley, zoo lang wegens moed en getrouwheid aan zijne zaak bekend, zich openlijk als zijn aanhanger verklaarde. Dit had Fergus van den aanvang af gezien. Hij hield wezenlijk van Waverley, omdat hunne gevoelens en ontwerpen nooit in botsing kwamen: hij hoopte hem met Flora vereenigd te zien, en verheugde zich dat zij werkelijk in dezelfde onderneming betrokken waren. Maar, gelijk wij vroeger opmerkten, hij verheugde zich desgelijks, als staatsman, dat hij een bondgenoot van zooveel gewicht aan zijne partij zag toegevoegd; en hij was alles behalve ongevoelig voor de achting, waarin hij zelf bij den Prins steeg, door zoo krachtig te hebben medegewerkt tot deze aanwinst.

Karel Eduard, van zijn kant, scheen verlangend om hun, die hem omringden, de waarde te doen kennen, welke hij aan dezen nieuwen aanhanger zijner zaak hechtte, door hem onmiddellijk in zijn vertrouwen te nemen, met betrekking tot de omstandigheden, waarin hij zich bevond. „Men heeft u zoo zeer van alle inlichtingen verstoken gelaten, mijnheer Waverley,” zeide hij, „om redenen, die ik maar half begrijp, dat gij, naar ik veronderstel, tot op dit oogenblik met de belangrijkste bijzonderheden van mijn tegenwoordigen toestand onbekend zijt. Gij hebt echter gehoord van mijne landing in het afgelegen district Moidart [125], met slechts zeven personen, en van de talrijke opperhoofden en clans, wier oprechte geestdrift voor de goede zaak den verlaten avonturier op eens aan het hoofd van een dapper leger plaatste. Gij zult, denk ik, ook vernomen hebben dat de opperbevelhebber van den Hannoverschen Keurvorst, de Hooglanden binnentrok, aan het hoofd eener talrijke en welgeregelde krijgsmacht, met oogmerk om ons slag te leveren, maar dat de moed hem ontbrak, toen wij nog slechts een marsch van drie uren van elkander verwijderd waren, zoodat hij ons netjes ontsnapte, en noordwaarts naar Aberdeen aftrok, terwijl hij het Laagland open en onbeschermd liet. Om zulk eene gunstige gelegenheid niet te verzuimen, trok ik op deze hoofdstad aan, dreef twee regimenten paardenvolk voor mij uit, die gedreigd hadden iederen Hooglander in de pan te hakken, die het wagen mocht voorbij Stirling te komen; en terwijl men overlegde, bij de regeering en de burgers, of men zich zou verdedigen of overgeven, bespaarde mijn goede vriend Lochiel (dit zeggende legde hij de hand op den schouder van dit bekwaam en dapper opperhoofd) hun de moeite van verdere overweging, door met vijf honderd Camerons de poort binnen te dringen. Tot dus verre, derhalve, hebben wij het goed gemaakt; maar nu de zenuwen van dien dapperen bevelhebber versterkt zijn door de lucht van Aberdeen, heeft hij zich ingescheept naar Dunbar, en ik heb zoo even het stellige bericht ontvangen dat hij gisteren dáar is geland. Het moet ontwijfelbaar zijn voornemen zijn op ons af te komen, om weder in het bezit van de hoofdstad te geraken. Nu zijn er twee gevoelens in mijn krijgsraad: het eene, dat, daar wij waarschijnlijk minder sterk in getal zijn, en zeker minder sterk in krijgstucht en hulpmiddelen, gezwegen van ons volslagen gebrek aan geschut, en de zwakheid onzer ruiterij, het voorzichtig zal zijn ons in het gebergte terug te trekken, en daar den oorlog te rekken, totdat er versche hulp uit Frankrijk komt, en al de Hooglandsche clans de wapens voor ons hebben opgevat. Het tegenovergestelde gevoelen is, dat eene achterwaartsche beweging, in onze omstandigheden, zeker het grootste wantrouwen in onze zaak en in onze wapens met zich zal voeren, en, wel verre van ons nieuwe medestanders te verwerven, het middel zal zijn om diegenen te ontmoedigen, welke zich aan onze zijde hebben geschaard. De officieren, die dit laatste aanvoeren, en onder wie uw vriend Fergus Mac-Ivor behoort, houden staande, dat, zoo de Hooglanders vreemd zijn aan de gewone krijgstucht van Europa, de soldaten, die zij te bestrijden hebben, niet minder vreemd zijn aan de vreeselijke wijze van aanvallen die hun eigen is: dat men omtrent de gehechtheid en den moed der opperhoofden en heeren geen twijfel kan voeden; en dat, daar zij zich midden in de vijandelijke rangen zullen werpen, hunne clanslieden hen zeker zullen volgen; in één woord, dat, daar wij het zwaard getrokken hebben, wij de schede moeten wegwerpen, en onze zaak aan den strijd en aan God toevertrouwen, die de overwinning geeft. Wil de heer Waverley, in deze moeielijke omstandigheden, ons ook zijn gevoelen mededeelen?”

Waverley bloosde, half van genoegen en half uit zedigheid, over de onderscheiding die in dit verzoek lag opgesloten, en antwoordde met even veel verstand als vlugheid, dat hij niet wagen kon een gevoelen in het midden te brengen, hetwelk op de krijgskunst gegrond was; maar dat die raad hem verreweg het meest welkom zou zijn, waardoor hem de eerste gelegenheid verschaft zou worden om zijn ijver te toonen in de dienst van Zijne Koninklijke Hoogheid.

„Als een Waverley gesproken!” antwoordde Karel Eduard; en „opdat gij een rang moogt bekleeden, eenigermate overeenkomstig uw naam, zoo veroorloof mij u, in stede van de kapiteinsplaats, welke gij verloren hebt, den rang aan te bieden van majoor in mijne dienst, waaraan ik de betrekking van mijn adjudant verbind, totdat gij bij een regiment kunt aangesteld worden, van welke ik hoop spoedig een aantal opgericht te zien.”

„Uwe Koninklijke Hoogheid vergeve mij” antwoordde Waverley, want hij herinnerde zich Balmawhapple en diens armoedige bende, „zoo ik weiger eenigen rang aan te nemen, tot ik macht genoeg bezit om een genoegzaam voltallig corps op te richten, om mijn bevelhebberschap van eenig nut voor de dienst van Uwe Hoogheid te doen zijn. Intusschen hoop ik, dat gij mij veroorloven zult als vrijwilliger onder mijn vriend Fergus Mac-Ivor te dienen.”

„Vergun mij dan ten minste,” zei de Prins, blijkbaar ingenomen met dezen voorslag „het genoegen, van u op de wijze der Hooglanders te wapenen.” Dit zeggende ontgespte hij den sabel, dien hij droeg, en welks draagband met zilver versierd was, terwijl het stalen gevest rijk en keurig was ingelegd. „De kling,” zei de Prins, „is eene echte Andrea Ferrara; het is een soort van erfstuk in onze familie geweest; maar ik ben overtuigd, dat ik het in betere handen dan de mijne stel, en ik zal er pistolen van hetzelfde werk bij voegen. – Kolonel Mac-Ivor, gij zult uw vriend zeker veel te zeggen hebben; ik wil u niet langer van een vertrouwelijk gesprek terughouden, maar herinner u, dat wij u beiden verwachten, om ons heden avond gezelschap te houden. Het zal misschien wel de laatste nacht zijn, dien wij in deze zalen doorbrengen, en daar wij met een goed geweten te velde trekken, willen wij den avond voor den slag in vroolijkheid slijten.”

Na aldus verlof bekomen te hebben om zich te verwijderen, verlieten het Opperhoofd en Waverley de audiëntiezaal.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

HET GEHEIM BEGINT OPGEHELDERD TE WORDEN.

„Hoe vindt ge hem?” was Fergus eerste vraag, terwijl ze den grooten steenen trap afgingen.

„Een Prins, om voor te leven en te sterven,” was Waverleys opgetogen antwoord.

„Ik wist dat gij zoo over hem denken zoudt, als ge hem zaagt, en het was mijn oogmerk dat ge elkander vroeger zoudt ontmoeten, maar het werd door uw gekneusd been verijdeld. En toch heeft hij zijne zwakheden, of liever hij heeft een moeielijk spel te spelen, en de Iersche officieren [126], die hem op den duur omringen, zijn maar ongelukkige raadslieden, – ze weten geen behoorlijk onderscheid te maken tusschen de talrijke eischen die door den hoogmoed gedaan worden. Zoudt gij wel gelooven – ik ben op dit oogenblik verplicht geweest, eene aanstelling tot graaf, voor diensten tien jaren geleden reeds bewezen, achterwege te houden, uit vrees van ijverzucht vooral van C– en M–, op te wekken. Maar ge hebt wel gelijk gehad, Eduard, om de plaats van adjudant te weigeren. Er zijn inderdaad twee plaatsen vacant, maar Clanronald, Lochiel, en meest al de clanhoofden hebben er ééne verzocht voor den jongen Aberchallader, en de Laaglanders en de Iersche partij verlangen de andere voor den heer van F–. Zoo dus een van deze twee ten uwen gevalle werd voorbij gegaan, zoudt gij u vijanden maken. En daarenboven verbaast het mij, dat de Prins u eene betrekking als majoor aanbood, daar hij zeer wel weet, dat niets minder dan die van luitenant-kolonel anderen voldoen zal, die geen honderd vijftig man te velde kunnen brengen. Maar, „geduld, neef, en de kaarten geschud!”.... Alles is voor het oogenblik heel wel, en wij moeten u, vóor den avond, behoorlijk hebben uitgerust in uw nieuw kostuum; want, om de waarheid te zeggen, uw uitwendige mensch past niet al te best voor het hof.”

„Wel,” zeide Waverley, terwijl hij een blik op zijn met slijk en stof bespatte kleederen sloeg, „sedert onze scheiding ben ik niet uit mijn jagtbuis geweest; maar dit weet ge waarschijnlijk even goed, zoo niet beter, dan ik.”

„Gij doet mijne alwetendheid te veel eer aan. Wij waren zoo druk bezig, eerst met het plan om Cope slag te leveren, en daarna met onze krijgsoperatiën in de Laaglanden, dat ik slechts algemeene bevelen kon geven aan diegenen van ons volk, welke wij in Perthshire achterlieten, om u te ontzien en te beschermen, zoo zij u op hun weg ontmoetten. Maar, laat mij de geheele geschiedenis uwer avonturen hooren, daar zij op een zeer eenzijdige en verminkte wijze tot ons gekomen is.”

Nu verhaalde Waverley in het breede de omstandigheden, die den lezer reeds bekend zijn, waarnaar Fergus met groote oplettendheid luisterde. Inmiddels hadden zij de deur van Mac-Ivors kwartier bereikt, dat hij in een klein geplaveid binnenhof van de Canongate genomen had, en wel ten huize van een vroolijke veertigjarige weduwe, die het knappe jonge opperhoofd zeer vriendelijk scheen toe te lachen, daar zij een dier vrouwen was, bij wie goed humeur, en een goed gezicht zeker konden zijn welkom te wezen, welke staatkundige gevoelens hij ook mocht aankleven, die daarmede begiftigd was. Hier ontving hem Callum Beg met den glimlach eener oude kennis. „Callum,” zeide het Opperhoofd, „roep Shemus an snachad, (Jacob van de naald). Dit was de lijf-kleedermaker van Vich Ian Vohr. „Shemus’!” zeide het opperhoofd, „de heer Waverley gaat de cath dath dragen; zijn broek moet binnen de vier uren gereed zijn. Ge kent de maat van een welgemaakt man. Twee dubbele „nails” [127] voor het dunne van het been.”

„Elf van de heup tot de hiel, zeven rondom het middel – ik geef mijnheer vrijheid om Shemus op te hangen, zoo er een schaar in de Hooglanden is, die een stouter snede heeft dan de mijne voor de „cumadh an truais,” (het fatsoen der Schotsche broek).

„Neem een plaid van Mac-Ivors kleuren, met een sjerp,” vervolgde het Opperhoofd, „en een blauwe muts van het patroon zoo als die van den Prins bij meester Moruats, den kramer. Mijn kort groen vest met zilver belegsel zal hem volkomen passen; ik heb het nooit gedragen. Zeg den vaandrig Maccombich, dat hij een knap schild uit de mijne uitkieze. De Prins heeft den heer Waverley sabel en pistolen gegeven, ik zal hem van dolk en tas voorzien; doe er slechts een paar laaggehielde schoenen bij, en dan, mijn beste Eduard, (terwijl hij zich tot hem keerde) zult ge volmaakt een zoon van Ivor zijn.”

Na deze noodzakelijke bevelen, kwam het Opperhoofd op het onderwerp van Waverleys avonturen terug. „Het is blijkbaar,” zeide hij, „dat gij onder de hoede van Donald Bean Lean zijt geweest. Gij moet weten, dat, toen ik met mijn clan aftrok, om mij bij den Prins te voegen, ik dat waardig lid der maatschappij opdroeg, een zekere dienst te verrichten; na de volbrenging daarvan moest hij mij met al de macht, die hij op de been zou kunnen brengen, volgen. Maar, in plaats van dit te doen, achtte de brave man, nu hij de baan klaar vond, het beter, voor eigene rekening oorlog te voeren. Hij liep het land af, terwijl hij, geloof ik, vriend en vijand plunderde, onder voorwendsel van schatting te heffen, soms als op mijn order en soms (vervloekt zij zijne onbeschaamdheid!) in zijn eigen grooten naam. Op mijn woord van eer, als ik het beleven mag Benmore weêr te zien, zal ik in verzoeking komen dien knaap te laten ophangen. Nu herken ik zijne hand vooral in de wijze, waarop gij aan de klauwen van dien prekenden rekel Gilfillan ontrukt zijt, en ik twijfel er geen oogenblik aan, of Donald zelf speelde de rol van marskramer bij die gelegenheid; maar hoe het komt, dat hij u niet uitgeschud of losgeld gevraagd heeft; of zich, op eene of andere wijze, van uw gevangenschap tot zijn eigen voordeel bediend heeft, gaat mijn verstand te boven.”

„Wanneer en hoe hebt ge van mijne opsluiting gehoord?” vroeg Waverley.

„De Prins zelf vertelde het mij,” zeide Fergus, „en deed tot in de minste kleinigheden naar alles wat u betreft onderzoek. Daarop berichtte hij mij, dat gij op dat oogenblik in de macht waart van een onzer noordelijke afdeelingen – ge begrijpt, ik kon hem geene bijzonderheden vragen – en vroeg hij mijn gevoelen, op hoedanige wijze met u te handelen. Ik gaf den raad, u herwaarts te doen overbrengen als gevangene, omdat ik u niet verder benadeelen wilde bij het Engelsche bewind, als gij bij uw voornemen bleeft volharden om naar het zuiden terug te keeren. Gij zult u wel herinneren, dat ik niets wist van de tegen u ingebrachte beschuldiging van anderen tot hoogverraad aangezet en hen daarin bijgestaan te hebben, hetwelk, naar ik vermoed, wel eenig deel heeft aan de verandering in uw eerste plannen. Die stomme, tot niets bruikbare ellendeling van een Balmawhapple, werd gezonden, om u, van Doune af aan, te geleiden, met hetgeen hij zijn korps ruiterij noemt. Wat zijn gedrag betreft, zoo vermoed ik, dat, behalve zijn natuurlijken afkeer van alles wat naar een fatsoenlijk man gelijkt, zijn avontuur met Bradwardine hem nog op het hart drukt, en wel te meer, omdat ik niet twijfel, of de wijze waarop hij die geschiedenis verteld heeft, iets bijgedragen heeft tot de nadeelige geruchten, die van u bij uw voormalig regiment zijn ingekomen.”

„Niets is waarschijnlijker,” zeide Waverley; „maar nu, mijn waarde Argus, zult gij zeker wel tijd hebben, om mij iets van Flora te vertellen.”

„Wel zeker! Maar ik kan u alleen zeggen, dat zij welvarende is, en zich voor het oogenblik bij een naastbestaande in deze stad ophoudt. Ik achtte het beter dat ze naar hier kwam, daar, sedert onzen voorspoed, een goed aantal vrouwen van rang onze militaire hofhouding volgen; en ik kan u verzekeren, dat er een soort van gewicht gehecht wordt aan de nauwe betrekking tot zulk een persoon als Flora Mac-Ivor, en wanneer er een botsing plaats heeft van elkander kruisende vorderingen en verzoeken, gelijk hier, dan moet iedereen alle gepaste middelen bij de hand nemen, om zijn invloed te vermeerderen.”

Er was iets in dit laatste gezegde, dat Waverleys gevoel kwetste. Hij kon het denkbeeld niet verdragen, dat Flora beschouwd zou worden, als dienstig om de bevordering haars broeders in de hand te werken, door de bewondering, welke zij noodwendig tot zich moest trekken; en ofschoon dat denkbeeld in de nauwste overeenstemming stond met verscheidene andere trekken van Fergus’ karakter, schokte het Waverley als zelfzuchtig en zoowel der edele ziel van de zuster onwaardig, als beneden den hooghartigen, onafhankelijken aard van het Opperhoofd. Fergus, wien zulke kunstgrepen gemeenzaam waren, daar hij aan het Fransche hof opgevoed was, bemerkte den ongunstigen indruk niet, dien hij onbedachtzaam op het gemoed van zijn vriend gemaakt had, en besloot met te zeggen, „dat ze Flora bezwaarlijk zouden zien vóor den avond, als wanneer ze tegenwoordig zou zijn op een concert en bal, hetwelk men voornemens was aan het gevolg des Prinsen te geven. Wij hebben een kleinen twist gehad, omdat ze u niet heeft veroorloofd afscheid van haar te nemen. Ik heb geen lust om het tooneel te vernieuwen, door haar te verzoeken u heden morgen toe te laten; want niet alleen zou ik ligt worden afgewezen, maar er zou ook misschien gevaar bestaan dat ge elkander heden avond niet zaagt.”

Terwijl ze dus praatten, hoordde Waverley op de binnenplaats, onder de ramen van hun vertrek, een welbekende stem. „Ik verzeker u, mijn waarde vriend,” zeide de spreker, „dat het een volslagen afwijking is van de krijgswetten, en zoo ge niet in zeker opzicht een nieuweling waart, zou uw handelwijze de gestrengste afkeuring verdienen. Want een krijgsgevangene mag om geene reden bezwaard worden met boeien, of opgesloten in ergastulo, zoo als het geval zou geweest zijn, indien gij dezen heer in de put te Balmawhapple afgelaten hadt. Ik stem toe, dat zulk een gevangene, veiligheidshalve, mag gebracht worden in carcere, dat is in een openbare gevangenis.”

De grommende stem van Balmawhapple, die zich verwijderde, liet zich nu hooren; het scheen dat hij tamelijk ontevreden heenging; maar het woord „landlooper” was het eenige dat ten volle verstaanbaar was. Hij was vertrokken, voordat Waverley den binnenhof had bereikt, om den waardigen baron van Bradwardine te begroeten. De uniform, die hij thans droeg, namelijk: een met goud galon opgelegde blauwe rok, een scharlaken rood vest en wijde broek en laarzen scheen een nieuwe strakheid en stijfheid aan zijne ranke, magere gestalte te hebben bijgezet; en het hooge gevoel, dat hij een militair kommando en gezag bekleedde, had in gelijke mate de gemaakte waardigheid van zijn houding en het didaktische van zijn toon nog vermeerderd.

Hij ontving Waverley met zijn gewone vriendelijkheid, en gaf met ongeduld zijn verlangen te kennen, om de reden te vernemen, waarom hij zijn plaats als officier onder de dragonders van C– verloren had; „niet,” zeide hij, „omdat hij de minste vrees koesterde, dat zijn jonge vriend iets zou hebben uitgericht, hetwelk zulk eene onedelmoedige behandeling, als hij van het Bewind had ondergaan, verdienen mocht; maar omdat het billijk en voegzaam was, dat de baron van Bradwardine, zoo wel voor zich zelven als voor anderen, volkomen in staat mocht wezen om alle lasteringen te weêrleggen, met betrekking tot den erfgenaam van Waverley-Honour, dien hij zoo veel recht had als zijn eigen zoon te beschouwen.”

Fergus Mac-Ivor, die zich nu bij hen gevoegd had, liep spoedig over het met Waverley gebeurde heen, en besloot zijn verhaal met de vleiende wijze, waarop hij door den jongen Prins ontvangen was. De Baron luisterde stilzwijgend toe, en toen Fergus geëindigd had, drukte hij Waverley hartelijk de hand, en wenschte hem geluk, dat hij in de dienst van zijn wettigen vorst getreden was. „Want,” voegde hij er bij, „ofschoon het te recht bij alle natiën voor schandelijk en onteerend gehouden is, het sacramentum militare te schenden, en zulks, hetzij dit aangegaan ware door elken soldaat afzonderlijk, hetgeen de Romeinen per conjurationem noemden, of door éen soldaat, in naam van de overigen, zoo twijfelde niemand ooit, of de dus bezworen verplichting werd opgeheven door de dismissio, of het ontslag van een soldaat. Ware dit anders, dan zou de betrekking van den soldaat even hard zijn, als die der kool- of zoutmijngravers en andere adscripti glebæ [128]. Uw geval heeft wel iets van de beschimping, door den geleerden Nanchez beschreven, in zijn werk De jure-jurando, hetwelk ge bij deze gelegenheid zonder twijfel geraadpleegd hebt. Wat hen betreft, die u gelasterd hebben, ik verklaar bij den Hemel, dat ik ze beschouw als met recht vallende in de bepaalde straf der Lex Memnonia, insgelijks Lex Rhemnia genoemd, waarop zich Cicero beroept in zijn oratio In Verrem. Ik zou echter van oordeel zijn geweest, mijnheer Waverley, dat gij, alvorens u tot eenigen bijzonderen dienst van den Prins te bepalen, hadt kunnen onderzoeken, welken rang de baron van Bradwardine daar bekleedde, en of hij zich niet bijzonder gelukkig zou geacht hebben, zich van uwe hulp te mogen bedienen in het regiment, paardenvolk, dat hij voornemens is te werven.”

Eduard ontdook dit verwijt, door zich op de noodzakelijkheid te beroepen, van onmiddellijk op ’s Prinsen voorslag te antwoorden, en op de onzekerheid waarin hij op dat oogenblik verkeerde, of zijn vriend de Baron bij het leger, of elders met eenigen dienst belast was.

Nadat deze kleine kibbelpartij dus was bijgelegd, vroeg Waverley naar Freule Bradwardine, en vernam dat zij met Flora Mac-Ivor te Edinburgh gekomen was, onder bescherming van een afdeeling van Fergus’ manschappen. Deze stap was inderdaad noodzakelijk geweest; want Tully-Veolan was een zeer onaangename, en zelfs gevaarlijke verblijfplaats geworden voor een jonge dame zonder bescherming, daar de plaats in de nabijheid der Hooglanden, en insgelijks bij een of twee groote dorpen gelegen was, die, zoo wel uit afkeer van de Catherans, als uit ijver voor het Presbyterianisme, zich hadden verklaard voor het Bewind, terwijl ze onregelmatige korpsen van partijgangers vormden, welke gedurig schermutselingen hadden met de bergbewoners, en soms de huizen der Jacobietische landbezitters aanvielen.

„Ik wenschte u voor te stellen,” zeide de Baron, „naar mijn kwartier in the Luckenbooth [129] te wandelen, en in het voorbijgaan de High-street [130] te bezien, welke, ongetwijfeld, veel schooner is dan eenige straat, hetzij in Londen of in Parijs. Maar Rose, het arme kind, is vreeselijk beangst voor het vuren van het kasteel, ofschoon ik haar uit Blondel en Coehoorn bewezen heb, dat een kogel deze gebouwen onmogelijk bereiken kan; en bovendien heb ik van Zijn Koninklijke Hoogheid in last, om naar het kamp of de legerplaats onzer armee te gaan, om te zorgen voor het conclamare vasa – dat wil zeggen, te maken dat de manschappen hun pak en zak opbinden voor den marsch van morgen.”

„Dat zal voor de meesten onzer gemakkelijk te doen zijn,” zei Fergus Mac-Ivor lachend.