Part 10
Freule Bradwardine, zooals wij haar hebben beschreven, eenvoudig en weetgierig als iemand gewoonlijk is, die van de wereld afgezonderd leeft, greep gretig iedere gelegenheid aan, om den kring harer letterkundige kennis uit te breiden, die haar door Eduard’s verblijf werd aangeboden. Hij zond naar zijn garnizoen om eenige van zijn boeken, en deze openden Rose een bron van genot, waarvan zij tot nu toe geen denkbeeld had gehad. De beste Engelsche dichters in ieder genre, en andere werken over fraaie letteren, maakten een gedeelte dezer kostbare bezending uit. Haar muzijk, zelfs haar bloemen, werden verwaarloosd; en Saunderson treurde niet alleen, maar begon zelfs tegenzin in den arbeid te krijgen, waarvoor hij ter nauwernood meer een bedankje ontving. Deze nieuwe genoegens werden van tijd tot tijd verhoogd, doordat zij ze met iemand van gelijken smaak deelde. Eduard’s gereedheid tot verklaren, tot voorlezen, tot uitleggen van moeielijke plaatsen, maakte zijn hulp onbetaalbaar; en zijn romantische richting betooverde een meisje, dat te jong en onbedreven was om er de gebreken van op te merken. Voor de onderwerpen die hem belang inboezemden, en wanneer hij geheel op zijn gemak was, bezat hij dien vloed van natuurlijke en min of meer bloemrijke welsprekendheid, welke evenzeer als voorkomen, beschaafde manieren, roem of fortuin in staat zijn, om het hart eener vrouw te winnen. Er lag dus in dezen bestendigen omgang een toenemend gevaar voor de gemoedsrust der arme Rose, daar haar vader te zeer werd afgetrokken door zijn studieën, en te zeer vervuld was met zijn eigene waardigheid, om er aan te denken, dat zijn dochter iets te vreezen had. De dochters van den huize Bradwardine waren, naar zijn gevoelen, gelijk die van den huize van Bourbon of Oostenrijk, ver boven de wolken der hartstochten verheven, die het brein van mindere vrouwelijke wezens mochten benevelen; zij bewogen zich in een anderen sfeer, werden door andere gewaarwordingen bezield, en gedroegen zich naar andere regels, dan die eener ijdele en grillige genegenheid. Met éen woord, hij sloot zijn oogen zoo vast voor de natuurlijke gevolgen van Eduard’s gemeenzaamheid met freule Bradwardine, dat al zijn buren tot het besluit kwamen, dat hij ze geopend had voor de voordeelen van een huwelijk tusschen zijn dochter en den rijken Engelschman, en zij hem voor minder dwaas verklaarden, dan hij zich doorgaans betoond had, in zaken waarin zijn belang op het spel stond.
Zoo de Baron evenwel werkelijk aan zulk een verbindtenis had gedacht, zou Waverley’s natuurlijke onverschilligheid een onoverkomelijke hinderpaal voor zijn plan zijn geweest. Nu onze held meer met de wereld in aanraking gebracht was, had hij geleerd met groote schaamte en verlegenheid aan zijne geheime legende van de heilige Cecilia te denken; en het onaangename van dit gepeins scheen, althans voor eenigen tijd, op te wegen tegen de natuurlijke ontvlambaarheid van zijn hart. Bovendien bezat Rose Bradwardine, hoe schoon en beminnelijk zij, volgens onze beschrijving, ook was, juist niet die soort van schoonheid of bekoorlijkheden, die in staat zijn om eene romaneske verbeelding in de eerste jeugd te boeien. Zij was te open, te vertrouwelijk, te goed – ongetwijfeld beminnelijke eigenschappen, maar doodelijk voor dat wonderbaarlijke, waarmede een jongeling, met een levendige verbeelding begaafd, vermaak vindt de koningin van zijn hart op te sieren. Was het Eduard mogelijk zich neder te werpen, te beven, voor het beschroomde, nog speelzieke jonge meisje, of wel haar te aanbidden, die hem nu eens vroeg hare pen te vermaken, dan weder eene stanza van Tasso te vertolken, en straks weder hoe zij een lang, heel lang woord in hare overzetting daarvan spellen moest? Al deze dingen hebben voor het hart op een zekeren leeftijd iets betooverends, maar niet wanneer een jongeling het leven pas intreedt, en naar een voorwerp zoekt, welks genegenheid hem in zijn eigene oogen verheft, in plaats van af te dalen tot eene die om deze zelfde onderscheiding tot hem opziet. – Vandaar, ofschoon er geen vaste regel voor zulk een grilligen hartstocht als de liefde bestaat, kan men ten minste aannemen, dat een jeugdig minnaar gewoonlijk door de eerzucht in zijn eerste keus wordt geleid; of, hetgeen op hetzelfde neêrkomt, dat hij (gelijk in het geval der legende van de heilige Cecilia voormeld), die zoekt in omstandigheden, welke ruim baan laten aan le beau ideal, hetwelk de wezenlijkheid van een vertrouwelijken en innigen omgang verzwakt en beperkt. Ik heb een zeer wel opgevoed jongeling gekend, die van zijn vurige liefde voor een schoon meisje genezen werd, wier talenten niet in overeenstemming waren met haar gelaat en hare gestalte, door de vergunning een geheelen namiddag in haar gezelschap door te brengen. Even zeker is het ook, dat, indien Eduard zulk een gelegenheid had gehad om zich met jufvrouw Stubbs te onderhouden, tante Rachels voorzorg geheel onnoodig zou zijn geweest; want hij zou dan even min op haar als op de keukenmeid hebben kunnen verliefd worden. En, ofschoon freule Bradwardine een geheel ander meisje was, is het te vermoeden, dat juist hun gemeenzame omgang hem belette iets anders voor haar te gevoelen, dan de genegenheid van een broeder voor zijn beminnelijke en talentvolle zuster; terwijl de aandoeningen van de arme Rose, langzamerhand en zonder dat zij het wist, van een veel teederder genegenheid getuigden.
Ik had moeten vermelden, dat Eduard, toen hij naar Dundee om de vermelde boeken had gezonden, verlof verzocht en verkregen had, om zijn afwezigheid te verlengen. Maar de brief van zijn commanderenden officier bevatte eene vriendelijke aanbeveling, om zijn tijd niet uitsluitend door te brengen met lieden, van wie, hoe achtenswaardig zij in het algemeen ook wezen mochten, men niet veronderstellen kon, dat zij een bewind zeer genegen waren, hetwelk ze weigerden te erkennen, door het doen van den huldigingseed. De brief gaf verder, hoewel met de meeste kieschheid, te kennen, dat, schoon zekere familieverbindtenissen het voor kapitein Waverley noodzakelijk mochten maken met heeren omtegaan, die onder onaangename verdenking lagen, de betrekkingen en het verlangen van zijn vader hem nogtans moesten beletten deze beleefdheid tot vertrouwelijkheid te laten aangroeien. Ook waarschuwde men hem, dat, terwijl zijn staatkundige grondbeginselen gevaar liepen door den omgang met lieden van deze soort, hij zich eveneens wachten moest verkeerde indrukken te ontvangen van de episcopaalsche geestelijkheid, die zoo verkeerd te werk ging met de koninklijke prerogativen in gewijde zaken te laten gelden.
Deze laatste wenk verleidde waarschijnlijk Waverley, om dien even als de voorafgegane raadgevingen, aan vooroordeelen van zijn Overste toe te schrijven. Hij was er gevoelig voor, dat de heer Bradwardine met de meest nauwgezette kieschheid ieder gesprek vermeden had, dat slechts de minste strekking had, om invloed uit te oefenen op hem, of hem tot zijn staatkundige gevoelens over te halen, schoon hij zelf niet alleen een bepaalde voorstander van de verbannen familie was, maar hem ook, op verschillende tijden, belangrijke zendingen door haar waren opgedragen. Daar hij dus volkomen overtuigd was, dat hij geen gevaar liep van zijn getrouwheid aan de dynastie te worden afgebracht, kwam het Eduard voor, dat hij den ouden vriend zijns ooms onrecht zou doen, door een huis te verlaten, waar hij genoegen smaakte en verschafte, enkel om zich te schikken naar een bevooroordeeld en kwalijk gegrond vermoeden. Hij antwoordde, uit dien hoofde, in zeer algemeene bewoordingen, terwijl hij zijn chef verzekerde, dat zijne getrouwheid volstrekt niet bedreigd werd, en bleef bij voortduring een geëerd gast en bewoner van het huis Tully-Veolan.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
EEN ROOFTOCHT EN DE GEVOLGEN DAARVAN.
Eduard had bijna zes weken te Tully-Veolan doorgebracht, toen hij op zekeren morgen, terwijl hij zijn gewone wandeling voor het ontbijt deed, een buitengewone beweging in huis ontdekte. Vier barrevoetsche melkmeiden, elk met een ledigen melkemmer in de hand, liepen, met aan het waanzinnige grenzende gebaren rond, onder het slaken van luide kreten van verbazing, smart en gramschap. Uit haar voorkomen zou een heiden zich hebben verbeeld, dat ze een afdeeling van die befaamde Beliden [52] uitmaakten, welke zoo even van hare „uithoozende” straftaak terug kwamen. Daar uit dit zinneloos koor echter niets dan „Heere, bewaar ons!” en „Och, och!” te halen was, welke uitroepingen geen licht over haar ongeluk verspreidden, keerde Waverley dus naar het voorplein van het huis terug, waar hij den heer Mackwheeble zag, die op zijn grijzen hit, met al den spoed dien hij maar maken kon, de laan opdraafde. Hij was, naar het scheen, tengevolge van een dringende boodschap gekomen, en werd door een tiental boeren uit het dorp gevolgd, welke het niet moeielijk viel, gelijken tred met hem te houden.
De rentmeester, die het veel te druk had en al te zeer met zijn eigen gewicht vervuld was, om Eduard het een of ander te verklaren, liet terstond Saunderson roepen, die opdaagde met een gelaat, waarop droefheid met deftigheid was vermengd, en zij begonnen met elkander in ernstig overleg te treden. David Gellatley bevond zich mede onder den hoop, maar hij liep even achteloos als Diogenes te Sinope rond, terwijl zijn medeburgers zich tot het beleg voorbereidden. Zijn levendigheid nam telkens toe, met ieder, hetzij goed of kwaad voorval, waardoor drukte veroorzaakt werd, en hij hield niet op met huppelen, dansen, springen en het zingen van het slotrijm eener oude ballade:
„Ons geld is weg!”
totdat hij, te dicht langs den rentmeester komende, een vermanenden wenk ontving van diens karwarts, waardoor zijn vroolijk gezang in een klagelijk gehuil veranderd werd.
Terwijl hij vandaar naar den tuin ging, zag Waverley den Baron in persoon, met snelle schreden en een wolk van verontwaardiging en gekrenkten trots op zijn gelaat het terras op en neder loopen; zijn geheele houding verried, dat elk onderzoek naar de oorzaak zijner ontevredenheid hem smartelijk, zoo al niet beleedigend, zou zijn. Waverley sloop derhalve in huis, zonder hem aan te spreken, en begaf zich naar de ontbijtkamer, waar hij zijn jonge vriendin Rose vond, die, ofschoon ze noch de gevoeligheid van haar vader toonde, noch de beleedigde deftigheid van Mackwheeble, noch de wanhoop der melkmeiden, echter verdrietig en nadenkend scheen. Een enkel woord verklaarde hem het geheim. „Uw ontbijt zal niet zeer rustig wezen, kapitein Waverley. Een bende roovers heeft ons in den afgeloopen nacht overvallen, en al onze melkkoeien weggedreven.”
„Een bende roovers?”
„Ja; roovers uit de naburige Hooglanden. Wij plachten geheel vrij van hen te zijn, zoo lang wij schatting aan Fergus Mac-Ivor Vich Ian Vohr betaalden; maar mijn vader achtte het beneden zijn rang en geboorte het langer te betalen, en dit is de oorzaak van ons ongeluk. Het is niet de waarde van het vee, kapitein Waverley, dat mij hindert; maar mijn vader is verontwaardigd over deze beleediging, en zoo opgewonden en driftig dat ik vrees dat hij met geweld trachten zal het vee terug te krijgen; en zoo hij daarbij al zelf niet gewond wordt, zal hij eenige van deze woeste menschen wonden, en dan zal er misschien ons leven lang geen vrede tusschen hen en ons zijn. Wij kunnen ons niet meer als in vroegere tijden verdedigen, want het bewind heeft al onze wapenen weggenomen, en mijn vader is zoo vreeselijk voortvarend – och, wat zal er van ons worden?” – Hier verloor de arme Rose geheel den moed en barstte in een vloed van tranen los.
Op dit oogenblik kwam de Baron binnen, en bestrafte haar met meer bitsheid, dan Waverley hem ooit jegens iemand had hooren bezigen. „Was het geen schande,” zeide hij, „dat ze zich voor een fatsoenlijk man in zulk een licht vertoonde; en dat ze tranen stortte om een kudde hoorn- en melkvee, alsof ze de dochter van een boer ware! – Kapitein Waverley, ik moet u verzoeken haar droefheid van de gunstigste zijde te beschouwen, daar zij voortspruit, althans enkel behoort voorttespruiten uit de omstandigheid, dat haars vaders landgoed blootstaat aan de roof- en plunderzucht van gemeene dieven en landloopers, omdat het ons niet geoorloofd is een dozijn geweren er op na te houden, om ons goed te verdedigen of het terug te halen.”
Mackwheeble trad onmiddellijk hierna binnen, en bevestigde, door zijn verslag omtrent wapenen en ammunitie, deze bewering, terwijl hij den Baron op treurigen toon berichtte, dat, ofschoon het volk, de bevelen van hun Heer zeker zou gehoorzamen, er echter geen kans was om het vee met eenigen goeden uitslag achterna te zitten, daar alleen de lijfbedienden van den Baron zwaarden en pistolen hadden, en de roovers uit twaalf, volkomen op de wijze van hun land gewapende Hooglanders bestonden. – Nadat hij deze smartelijke waarheid verkondigd had, nam hij een houding aan van zwijgende neerslachtigheid, terwijl hij zijn hoofd langzaam met de beweging van een slinger, wanneer hij begint op te houden, schudde en vervolgens stokstijf bleef staan, en zijn ligchaam met een scherper hoek voorover boog dan gewoonlijk, en het achterste gedeelte van zijn lichaam naar evenredigheid uitstak.
Intusschen liep de Baron de kamer, in zwijgende verontwaardiging op en neder, terwijl hij ten laatste zijn oog op een oud portret vestigde in volle wapenrusting, en met een gelaat dat grimmig uit een zwaren haarbos te voorschijn kwam, waarvan een gedeelte afhing tot op de schouders, en een ander de kin en bovenlip tot op de borstplaat van zijn harnas bedekte. – „Die heer, kapitein Waverley, mijn grootvader, versloeg en verjoeg met twee honderd man paardenvolk, die hij binnen zijn eigene grenzen ligtte, meer dan vijf honderd van deze Hooglandsche roovers, die altijd lapis offensionis en petra scandali, een steen des aanstoots en eene rotse der ergernis voor de Laaglandsche nabuurschap zijn geweest. – Hij versloeg hen, zeg ik, toen zij de roekeloosheid hadden van hunne bergen af te komen, om deze landstreek te verontrusten, ten tijde der burgertwisten, in het jaar onzes Heeren zestien honderd twee en veertig. En nu, Mijnheer, wordt ik, zijn kleinzoon, zoo als ge ziet, door zulke onwaardige menschen mishandeld!
Hier volgde een pijnlijk stilzwijgen, waarna het geheele gezelschap, zoo als gewoonlijk in moeielijke gevallen, allerlei ongerijmden raad begon te geven. Alexander ab Alexandro stelde voor iemand te zenden, om met de dieven te onderhandelen, die, zoo als hij zeide, zeker hunne prooi voor een daalder het stuk zouden teruggeven. De rentmeester oordeelde, dat zulk een onderhandeling, een afkoop van diefstal zou worden; hij ried dus aan, een geschikt persoon naar de dalen te zenden, om, als voor zich zelven, den best mogelijken koop te sluiten, zoodat de Baron in de onderhandeling niet zou worden betrokken. Eduard stelde voor, naar het naaste garnizoen om een peloton soldaten en een bevelschrift van den magistraat te zenden, en Rose, voor zoo ver ze durfde, poogde het middel aan te raden, om de achterstallige schatting te betalen aan Fergus Mac-Ivor Vich Ian Vohr, die, zoo als zij allen wisten, indien hij wel gezind was, gemakkelijk de teruggave van het vee bewerken kon.
Geen van deze voorslagen droeg de goedkeuring van den Baron weg. Het denkbeeld van schikking, rechtstreeks of zijdelings, scheen hem onteerend; de raad van Waverley bewees slechts, dat hij onbekend was met den toestand des lands en der staatkundige partijschappen, die het verdeelden, en daar de zaken met Fergus Mac-Ivor Vich Ian Vohr waren zoo als ze stonden, zoo wilde de Baron niets toegeven, al ware het, zeide hij, om restitutie in integrum te verkrijgen van elke koe of kalf, dat zijn geslacht had gestolen sedert de dagen van Malcolm Canmore.
Hij was dus inderdaad nog voor den strijd gestemd en hij stelde voor, om renboden te zenden naar Balmawhapple, Killancureit. Tulliellum en andere heeren, die aan dezelfde rooverijen blootgesteld waren, om hen uit te noodigen zich met hem te vereenigen ten einde de roovers te verjagen; „en dan, Mijnheer, zullen deze nebulones nequissimi, gelijk Leslæus hen noemt, het lot ondergaan van hun voorganger Cacus.
Elisos oculos, et siccum sanguine guttur.” [53]
De rentmeester, die in geenen deele met, deze oorlogzuchtige raadgeving gediend was, haalde hier een reusachtig zakuurwerk te voorschijn, van de kleur en ongeveer ter grootte van een koperen beddepan, en maakte de aanmerking, dat het reeds namiddag was, en dat de roovers in den pas van Ballybrough kort na zonneopgang waren gezien; zoodat, eer de verbondene strijdkrachten zich zouden kunnen verzamelen, zij met hunne prooi reeds buiten het bereik zouden zijn van alle mogelijke vervolging, en in veiligheid te midden dier ongebaande wildernissen, waar het evenmin raadzaam was hen te volgen, als mogelijk hen na te sporen.
Deze opmerking was onwederlegbaar. De raadsvergadering ging dus uiteen, zonder tot eenig besluit te komen, zooals meermalen met vrij wat gewichtiger vergaderingen gebeurd is: alleen werd er bepaald, dat de rentmeester zijn drie melkkoeien zou opzenden naar de hoeve van Tully-Veolan, ten gebruike van de familie des Barons, en dat men bij hem dun bier zou brouwen ter vervanging der melk. Met deze schikking, welke door Saunderson werd voorgeslagen, stemde de rentmeester gereedelijk in; zoowel uit een aangeboren ontzag voor de familie Bradwardine, als uit overtuiging dat zijne beleefdheid, op de eene of andere wijze, tienvoudig zou worden vergoed.
Nadat de Baron insgelijks was heen gegaan, om eenige noodige bevelen te geven, maakte Waverley van de gelegenheid gebruik, om te vragen, of die Fergus, met den zoo moeielijk uittespreken naam, de voornaamste dievenvanger van het district was.
„Dievenvanger!” antwoordde Rose lachende, „hij is een edelman van groot aanzien en gewicht, het hoofd [54] van een onafhankelijken tak van een machtigen Hooglandschen „clan”, en die zeer ontzien wordt, zoo wel om zijn eigen macht, als om die van zijn aanhang, maagschap en bondgenooten.”
„En wat heeft hij dan met de dieven te doen? Is hij een magistraat, of behoort hij tot het vredegerecht?” vroeg Waverley.
„Tot het oorlogsgerecht veeleer, zoo er zulk een ding is,” zeide Rose; „want hij is een lastige buur voor diegenen die niet tot zijn vrienden behooren, en hij houdt een grooter gevolg op de been, dan menigeen die driemaal zoo rijk is als hij. Wat zijn verbindtenis of betrekking tot de dieven aangaat, hieromtrent kan ik u geen duidelijke verklaring geven: maar dit weet ik, dat de stoutste onder hen nooit een stuk van iemand zal stelen, die schatting aan Vich Ian Vohr betaalt.”
„Schatting! aan hem?”
„Ja – een soort van beschermgeld, dat heeren en landbezitters uit het Laagland, die dicht bij de Hooglanden wonen, aan het Hooglandsche opperhoofd betalen, opdat hij zelf hun geen leed doe, noch dulde dat het hun door anderen aangedaan wordt. Wanneer zijn vee gestolen is, heeft men hem er slechts bericht van te zenden, en hij bezorgt het terstond terug; of anders zal hij koeien uit een of ander afgelegen oord, waarmede hij in twist is, wegdrijven en ze ter goedmaking van het verlies geven.”
„En wordt deze soort van Hooglandsche struikroover in gezelschap toegelaten, en geeft men hem den naam van fatsoenlijk man?”
„Zeer zeker! De twist tusschen mijn vader en Fergus Mac-Ivor ving ook op eene graafschaps-vergadering aan, waar hij op het punt stond, zich den voorrang aan te matigen boven al de toen aanwezige Laaglandsche heeren; mijn vader was de eenige die dit niet duldde. En toen verweet hij mijn vader, dat hij onder hem behoorde en hem schatting betaalde. Mijn vader werd geweldig driftig, want Mackwheeble, die dergelijke zaken op zijn eigene wijze behandelt, had een middel gevonden om de betaling van de schatting geheim te houden, en in zijne rekening onder de andere belastingen optenemen. En er zou een tweegevecht uit ontstaan zijn; maar Fergus Mac-Ivor zeide zeer beleefd, dat hij nooit de hand zou opheffen tegen een grijs hoofd, dat zoo zeer geëerbiedigd was, als dat van mijn vader. – O, wat zou ik er niet om geven als ze bevriend gebleven waren!”
„En hebt gij dezen mijnheer Mac-Ivor ooit gezien, zoo dàt zijn naam is, freule Bradwardine?”
„Neen, zoo is zijn naam niet; en hij zou, zoo gij hem mijnheer noemdet, dit voor een soort van beleediging houden: het komt alleen daar van daan dat gij een Engelschman zijt en niet beter weet. Maar de Laaglanders noemen hem, even als andere heeren, naar zijn landgoed, Glennaquoich; en de Hooglanders noemen hem Vich Ian Vohr, dat is, de zoon van Jan den Groote; doch wij hier op de grenzen geven hem, al naar het voorkomt, beide namen.”
„Ik vrees, dat ik er mijn Engelsche tong nooit toe brengen zal, hem bij den eenen of anderen te noemen.”
„Maar hij is een zeer beleefd, knap maan,” ging Rose voort: „en zijn zuster Flora is een der schoonste, talentrijkste jonge dames van het land: zij werd in een klooster in Frankrijk opgevoed, en was eene groote vriendin van mij, vóor dit ongelukkig verschil. Beste kapitein Waverley, wend al uw invloed bij mijn vader aan, om de zaak in orde te brengen. Ik ben zeker, dat dit slechts het begin onzer kwellingen is, want Tully-Veolan is nooit een veilig of rustig verblijf geweest, als wij met de Hooglanders overhoop lagen. Toen ik nog een kind van een jaar of tien was, viel er een schermutseling voor tusschen een twintigtal hunner en mijn vader met zijn bedienden, en zoo dichtbij waren ze dat de kogels verscheidene ruiten in de ramen aan de noordzijde van ons huis verbrijzelden. Drie van de Hooglanders sneuvelden, en men bracht ze binnen, in hunne plaids gewikkeld, en legde ze op den steenen vloer van de voorzaal. Den volgenden morgen kwamen hunne vrouwen en dochters, terwijl ze zongen, in de handen sloegen, den lijkzang gilden, en de doode lichamen wegdroegen, voorafgegaan door een troep, die op den doedelzak speelde. Ik kon zes weken lang niet slapen, zonder op te springen en mij te verbeelden, dat ik deze vreeselijke kreten nog hoorde; gedurig zag ik weder de lijken op de voortrappen liggen, geheel stijf en gewikkeld in hunne bloedige plaids. Maar na dien tijd kwam er een deel van het garnizoen te Stirling, met een mandaat van den Opperrechter of een dergelijk groot man, die al onze wapens weg nam; en hoe zullen wij ons tegen de Hooglanders beschermen, als ze met eenige macht afkomen?”
Waverley schrikte bij het aanhooren van een verhaal, dat zoo zeer op een zijner eigene wakende droomen geleek. Hier zag hij een meisje van nauwelijks zeventien jaar voor zich, de bevalligste van haar kunne, zoo wel door hare geaardheid als haar voorkomen, die met eigen oogen getuige was geweest van zulk een tooneel, als hij gewoon was voor zijn verbeelding op te roepen, maar als iets dat slechts in oude tijden kon plaats grijpen, en waarover zij heel bedaard sprak alsof het iets was dat zich ligtelijk op nieuw kon voordoen. Hij gevoelde tegelijk den prikkel der nieuwsgierigheid, en van het gevaar, welke slechts dient, om de belangstelling te verhoogen. Hij had met Malvolio kunnen zeggen: „Neen, men zal mij niet langer voor gek aanzien, en zeggen, dat ik mij door mijn verbeelding laat foppen; ik ben nu werkelijk in het land van krijgshaftige en romaneske avonturen, en er blijft nog maar over te zien, welk deel ik er aan nemen zal.”
Alles wat Waverley omtrent den toestand van het land, waarin hij zich bevond, vernam, scheen hem even nieuw als buitengewoon. Hij had wel dikwijls gehoord van Hooglandsche roovers, maar maakte zich geen voorstelling van de systematische wijze, waarop zij hunne rooverijen pleegden. Nooit had hij kunnen denken dat hunne eigene hoofden die gewelddadigheden oogluikend aanzagen, en zelfs aanmoedigden omdat ze meenden dat deze strooptochten niet slechts dienden om de lieden van hunne clans aan de behandeling der wapenen te gewennen, maar ook om een heilzamen schrik onder hunne Laaglandsche naburen levendig te houden, en, gelijk wij gezien hebben, schatting van dezen onder den titel van beschermgeld te heffen.