Chapter 5 of 50 · 3909 words · ~20 min read

Part 5

Wat den edelman betreft, deze was verheugd, dat zijn waardige vriend Sir Everard Waverley van Waverley-Honour terugbetaling ontvangen had der kosten, welke hij voor rekening van het huis Bradwardine had gemaakt. Het was van belang, zeide hij, voor de eer van zijn familie, en van het koninkrijk Schotland in het algemeen, dat deze verschotten terstond betaald werden, en het uitstellen zou een openbare schande zijn. Sir Everard, gewoon om veel grootere sommen met onverschilligheid te behandelen, ontving de drie honderd pond sterling zonder eens op te merken, dat deze betaling van internationaal belang was, en zou waarschijnlijk de gansche zaak vergeten hebben, indien Mackwheeble bedacht geweest was, om zijn kolijk te verzachten door het gezondene te onderscheppen. Van dit oogenblik dateerde echter eene jaarlijksche correspondentie bestaande in een korten brief, een mand wild en een paar gevulde vaten, tusschen Waverley-Honour en Tully-Veolan, terwijl de Engelsche toezending in groote kazen en sterk bier, faizanten en reeën, en het Schotsche tegengeschenk uit korhoenders, hazen, gezouten zalm en eigengestookte jenever bestond. Al deze geschenken werden gegeven en ontvangen, als bewijzen van standvastige vriendschap en genegenheid tusschen twee edele huizen. Natuurlijk vloeide hieruit voort, dat de stamhouder van Waverley-Honour Schotland niet gevoeglijk kon bezoeken, zonder van een geloofsbrief bij den baron van Bradwardine voorzien te zijn.

Nadat dit onderwerp uitgelegd en geregeld was, gaf de heer Pembroke zijn wensch te kennen, om een afzonderlijk afscheid van zijn waarden kweekeling te mogen nemen. Des goeden mans vermaningen aan Eduard, om zijn leven en zeden onbevlekt te bewaren, en aan de beginselen van het Christendom trouw te blijven, het godloos gezelschap van spotters en vrijgeesten te vermijden, die er maar al te veel bij het leger waren, bleven niet onvermengd met zijn staatkundige vooroordeelen. Het had den Hemel behaagd, zeide hij, Schotland (ontwijfelbaar om de zonden zijner voorvaderen in 1642) in een nog treuriger staat van duisternis te houden, dan zelfs het ongelukkige koninkrijk van Engeland. Hier immers, schoon de kandelaar der kerke van Engeland eenigermate van zijne plaats was verzet, bestond ten minste nog een schemerlicht: er was eene hierarchie, schoon kettersch en vervallen van de beginselen, door die groote kerkvaders Sancroft [26] en zijne broederen aangekleefd en voorgestaan; er was een liturgie, schoon jammerlijk verdraaid in sommige der voornaamste gebeden. Maar in Schotland was het volslagen duisternis, en, uitgenomen eenige steeds vervolgde overgeblevenen, hier en daar verstrooid, waren de kansels overgelaten aan Presbyterianen, en gelijk hij vreesde aan secten-mannen van allerlei aard. Het was zijn plicht, zijn lieven kweekeling in staat te stellen, aan zulke heillooze en gevaarlijke leeringen in kerk en staat, die hij van tijd tot tijd zou moeten vernemen, weerstand te bieden.

Hier haalde de heer Pembroke twee geweldige pakken voor den dag, die ieder een geheelen riem dicht geschreven stukken schenen te bevatten. Het was de arbeid van ’s waardigen mans geheele leven; en nooit gingen arbeid en ijver zoo volslagen te loor. Hij was eens naar Londen gegaan, met het voornemen om ze aan de wereld te schenken, door middel van een boekverkooper, wel bekend door den handel in dergelijke geschriften en tot wien men hem gezegd had zich te wenden met zekere woorden en met een zeker teeken, dat, naar het schijnt, in die dagen gangbaar was onder de Jacobieten. Nauwelijks had de heer Pembroke het schibboleth met den vereischten klem uitgebracht, of de boekverkooper begroette hem, in weerwil van alle tegenbetuiging, met den titel van doctor; en na hem in zijn achterwinkel gebracht, en overal te hebben nagezien, waar iemand al of niet verborgen kon zijn, begon hij: „Wel doctor! – wel! – alles onder de roos. – Alles dicht – er is hier zelfs geen gat voor een Hannoversche rat om in te kruipen. Wel zoo, – he! goed nieuws van onze vrienden aan den overkant? – en hoe vaart de waardige koning van Frankrijk? – Of misschien komt gij nu uit Rome – want Rome moet eindelijk gaan handelen – de Kerk moet hare kaars aan de oude lamp opsteken. – He – wat – beschroomd? Gij bevalt mij des te beter; maar wees onbevreesd.”

Hier brak de heer Pembroke met eenige moeite een stroom van vragen af, vergezeld van teekens, knikjes en wenken; en na eindelijk den boekverkooper overtuigd te hebben dat hij hem te veel eer aandeed, door te vooronderstellen dat hij een zendeling van het verdreven koningshuis was, gaf hij hem te verstaan wat zijn bedoeling was.

De uitgever ging nu, met een veel deftiger houding, tot het onderzoeken der handschriften over. De titel van het eerste was: „Eene Dissentie van de Dissenters, of de Comprehensie weerlegd, betoogende de onmogelijkheid van alle bijlegging der geschillen tusschen de Kerk en de Puriteinen, Presbyterianen of Sectarissen van welken aard ook, opgehelderd uit de Schriftuur, de Kerkvaders en de voortreffelijkste godgeleerden.” De uitgave van dit werk werd door den boekverkooper stellig geweigerd. „Wèl gemeend,” zeide hij, „en geleerd, buiten twijfel; maar de tijd is voorbij. In klein-Cicero-formaat gedrukt, zou het acht honderd bladzijden beloopen en nooit de kosten goed maken. Ik verzoek dus er van verschoond te blijven – ik bemin en eer de ware kerk van ganscher harte, en was het eene predikatie geweest over het martelaarschap of een kleinigheid van twaalf stuivers – wel nu, ik zou iets wagen, voor de eer van het geestelijk kleed. – Maar, kom, laat ons het andere zien. „Het erfelijke Recht gerecht.” – Ha! daar is eenige zin in, Hm – hm – hm – bladzijden zooveel – papier zooveel, – drukloon, – Hm – evenwel wil ik u zeggen, doctor, gij moet er wat van het Grieksch en Latijn uitgooien; zwaar, doctor, verd....d zwaar – (met verlof) en zoo gij er wat zout bij doet – ik ben er de man niet naar om ooit mijn schrijvers in ongelegenheid te brengen – ik heb uitgegeven voor Drake en Charlwood Lawton en voor den armen Amhurst. [27] – Ach Caleb! Caleb! Wel, het was schande den armen Caleb te laten verhongeren, en er zijn zoo veel vette predikers en heeren onder ons! Eens in de week had ik hem ten eten: maar goede Hemel, wat is eens in de week, als iemand niet weet, waar hij de andere zes dagen wat krijgen zal! – Kom ik moet het handschrift den kleinen Tom Alibi laten zien, die al mijn rechtsgeleerde zaken waarneemt – ik moet onder de lei blijven – het gemeen was laatst al heel onvriendelijk – allen Whigs en Rondhoofden, allen Willemiten en Hannoversche ratten.”

Den volgenden dag ging de heer Pembroke weder bij den uitgever: maar bevond dat Tom Alibi’s advies dezen van de onderneming had doen afzien. „Niet, dat ik niet (wat wilde ik ook zeggen?) om den wil der kerk naar de strafkoloniën wou gaan; met genoegen – maar, doctorlief ik heb vrouw en kinderen; – doch, om mijn ijver te toonen, ik wil de karwei aan mijn buurman Trimmel aanprijzen – hij heeft vrouw noch kind, en niet veel omhanden, dus zal eene zeereis hem niet zoo ongelegen komen.” Maar de heer Trimmel was ook onverbiddelijk, en de heer Pembroke, gelukkig misschien voor hem zelven, was genoodzaakt naar Waverley-Honour terug te keeren met zijn verhandeling ter handhaving der echte grondbeginselen van Kerk en Staat in den mantelzak gepakt.

Daar, door de baatzuchtige lafhartigheid van den boekhandel, naar alle waarschijnlijkheid het publiek beroofd zou worden van het voordeel, hetwelk er van zijn onvermoeiden arbeid te hopen was, besloot de heer Pembroke twee afschriften van deze verbazende manuscripten, ten gebruike van zijn leerling, te maken. Hij gevoelde dat hij, als gouverneur, wat lui was geweest; en daarenboven kwelde hem zijn geweten, dat hij in het verzoek van den heer Richard Waverley had toegestemd, om Eduard geene denkbeelden in te boezemen, die met de tegenwoordige inrichtingen in Kerk en Staat onbestaanbaar waren. „Maar nu,” dacht hij, „mag ik, zonder mijn woord te verbreken, daar hij niet langer onder mijn opzicht is, den jongeling de middelen in handen geven om voor zichzelven te oordeelen, en heb ik slechts zijn verwijtingen te vreezen, dat ik hem zoolang het licht heb onthouden, hetwelk in zijn ziel zal opgaan, na volbrachte lectuur.” Terwijl hij aldus aan de droombeelden van een schrijver en een staatkundige toegaf, stopte zijn geliefde leerling, die weinig uitlokkends in den titel der verhandelingen zag, en door het aantal dicht ineen geschreven regels afgeschrikt werd, het handschrift in een hoek van zijn reiskoffer.

Tante Rachel’s vaarwel was kort maar teeder; alleen waarschuwde zij haar dierbaren Eduard, dien ze waarschijnlijk zeer vatbaar geloofde, voor de betoovering der Schotsche schoonen. Zij stemde toe, dat in het noordelijke gedeelte van het eiland eenige oude familiën woonden; maar het waren alle Whigs en Presbyterianen, uitgenomen de Hooglanders, en wat deze betrof, kon ze niet nalaten te zeggen dat er niet veel kieschheid onder de dames kon heerschen, waar de gewone dracht der heeren, gelijk men haar verzekerd had, om er het minste van te zeggen, zeer vreemd en alles behalve welvoegelijk was. Zij besloot met eene vriendelijke en roerende zegenbede en gaf den jongen officier, als een bewijs harer liefde, een kostbaren diamanten ring, een in die dagen veel door de mannen gedragen sieraad, en een beurs vol zware goudstukken, die insgelijks zestig jaar geleden vrij wat algemeener waren, dan in later tijd.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

EEN GARNIZOEN IN SCHOTLAND.

Onder verschillende aandoeningen, waarvan de voornaamste was een algemeen beklemmend en tevens plechtig gevoel, dat hij op het punt stond om nu grootendeels aan zijn eigen beheer en leiding te worden overgelaten, verliet Waverley den volgenden morgen het kasteel, te midden der zegenwenschen en tranen van al de oude bedienden en inwoners van het dorp, vermengd met een of ander bescheiden verzoekje, om sergeants- en korporaals-strepen, enz. van hen, die betuigden dat zij er nooit aan gedacht zouden hebben Jacob, Gillis en Jonathan soldaat te laten worden, tenzij om, volgens hun plicht, hunnen jongenheer te vergezellen. Volgens Eduards plicht, maakte hij zich van die beden af met minder beloften, dan men ligt van een jonkman van zoo weinig wereldkennis zou hebben verwacht. Na een kort bezoek te Londen reisde hij te paard, destijds het algemeen gebruik, naar Edinburgh, en vandaar naar Dundee, een zeehaven aan de oostkust van Angus, waar zijn regiment in garnizoen lag.

Thans trad hij een nieuwe wereld in, waar hem een tijdlang alles mooi toescheen, omdat het nieuw was. Kolonel Gardiner, de bevelvoerende officier was zelf een studie voor een romanesk en tevens nadenkend jongeling. Hij was rank, knap en vlug, ofschoon niet meer jeugdig. In zijn jonge jaren was hij, wat men, verzachtender wijze, een pretmaker noemt, geweest; en er waren zonderlinge verhalen in omloop omtrent zijn plotselinge bekeering van twijfelzucht, zoo niet van ongeloof, tot eene ernstige en zelfs geestdrijvende stemming. Men fluisterde elkander in het oor, dat een bovennatuurlijke invloed, die zelfs voor de zinnen was waar te nemen geweest, dezen wonderbaarlijken ommekeer had te weeg gebracht, en schoon sommigen den nieuwbekeerden een dweeper noemden, dacht er niemand aan, hem voor een huichelaar te houden. Deze vreemde en geheimzinnige omstandigheid verleende den kolonel Gardiner iets bijzonder indrukmakends in het oog des jongen krijgsmans. [28] En men mag met grond veronderstellen, dat onder de officieren van een regiment, door zulk een achtbaren man aangevoerd, een bedaarder en ordelijker geest heerschte, dan gewoonlijk; en dat Waverley daardoor aan menige verzoeking ontkwam, waaraan hij anders zou hebben blootgestaan.

Intusschen werd zijn opvoeding als krijgsman voortgezet. Daar hij reeds goed te paard zat, werd hij ingewijd in de kunsten der hoogere rijschool, die, tot volkomenheid gebracht, de fabel van den Centaurus bijna verwezenlijken, daar het besturen van het paard veeleer alleen van des rijders wil schijnt af te hangen dan van eenig uitwendig teeken of beweging. Desgelijks ontving hij onderwijs in den velddienst. Maar ik moet bekennen, dat, na het bekoelen van het eerste vuur, zijne vorderingen, wat het laatste betreft, niet zoo waren, als hij gewenscht en verwacht had. Het beroep van officier, het eerbiedwekkendste van allen voor een onervaren ziel, omdat het met zooveel uiterlijke pracht gepaard gaat, is in den grond iets zeer droogs en afgetrokkens, daar het hoofdzakelijk op rekenkunstige verbindingen berust, die veel oplettendheid vorderen, benevens een koel en beredeneerd hoofd, om ze in werking te brengen. Onze held was onderworpen aan aanvallen van verstrooidheid, bij welke gelegenheid zijn misslagen gelach, ja somtijds berisping uitlokten. Dit gaf hem een pijnlijk gevoel van minderheid in die hoedanigheden, welke bij oudgedienden van groote waarde schenen en door hen het meest geëerbiedigd werden. Hij vroeg zich zelven te vergeefs, waarom zijn oog niet even goed over afstand en ruimte kon oordeelen, als dat van dezen en genen zijner makkers; waarom zijn hoofd niet altijd slaagde in het ontwarren der verschillende afzonderlijke bewegingen, tot het uitvoeren van een bepaalde verrichting vereischt; en waarom zijn geheugen, in de meeste gevallen zoo vlug, de kunsttermen en kleinere punten van etiquette, of krijgstucht, niet nauwkeurig wist te onthouden. Waverley was zedig van aard, en verviel dus niet tot den groven misslag van te denken, dat zulke kleinigheden van de dienst zijn aandacht niet verdienden, of zich te verbeelden, dat hij voor generaal in de wieg gelegd was, omdat hij slechts een zeer middelmatig ondergeschikt krijgsman was. De waarheid was, dat de ongeregelde en vluchtige wijze van lezen, die hij gevolgd had, op zijn tot afzondering en mijmering overhellenden aard, haar invloed uitoefende, en hem die weifelende neiging had medegedeeld, welke in volslagen strijd is met eigenlijke studie en gestadige oplettendheid. Inmiddels was hij geweldig met zijn tijd verlegen. De adel uit de nabuurschap was ongunstig voor de regeering gestemd, en betoonde den militairen bezoekers weinig gastvrijheid; en de stedelingen, die hoofdzakelijk in den handel hunne bezigheden vonden, waren geen lieden, met wie Waverley wenschte in betrekking te komen. Het begin van den zomer, en het verlangen om iets meer van Schotland te leeren kennen, dan hij op een wandelrid kon waarnemen, brachten hem er toe voor eenige weken verlof te vragen. Hij besloot eerst den ouden vriend en correspondent van zijn oom te bezoeken, met het oogmerk om den tijd van zijn verblijf naar gelang der omstandigheden te verlengen of te bekorten. Hij reisde natuurlijk te paard, en met een enkelen bediende, en bracht den eersten nacht door in een ellendige herberg, waar de waardin schoenen noch kousen droeg, en de waard, die zich een fatsoenlijk man noemde, veel lust had zijn gast onbeschoft te behandelen, omdat deze het genoegen van zijn gezelschap bij het avondeten niet had verzocht. [29] Den volgenden dag trok Eduard een opene, onomheinde landstreek door, en naderde langzamerhand de Hooglanden van Perth, die in het eerst zich als een blauwe streep aan den gezichteinder hadden vertoond, maar nu tot zware reusachtige massa’s aangroeiden, die dreigende op de vlakte onder haar nederzagen. Dicht aan den voet van dezen geweldigen scheidsmuur, echter nog in het Laagland, woonde Cosmo Comyne Bradwardine van Bradwardine; en zoo de grijze oudheid eenig geloof verdient, dan hadden zijne voorvaderen, met al hunne erven er gewoond sedert de aloude dagen van den edelen koning Duncan.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

EEN SCHOTSCH HEEREN-HUIS, ZESTIG JAAR GELEDEN.

Het was omstreeks den middag, dat kapitein Waverley het wijd uit elkaar gebouwde dorp, of liever gehucht, van Tully-Veolan binnenreed, in welks nabijheid het huis van den heer der plaats gelegen was. De woningen zagen er jammerlijk uit, inzonderheid voor hem, die aan de bevallige netheid der Engelsche boerderijen gewoon was. Zonder dat er eenigen regel bij in acht genomen was, stonden ze aan weerszijde van een soort van slingerenden oneffen weg, waar kinderen, bijna in den oorspronkelijken staat van naaktheid, lagen te spartelen, als om door de hoeven van het eerste het beste voorbijkomende paard vertrapt te worden. Nu en dan, wel is waar, wanneer zulk eene gebeurtenis onvermijdelijk scheen, schoot een grootje, dat het oog op hen hield, met haar kap, spinrokken en klos te voorschijn, stormde, als een bezetene, een der ellendige hutten uit, en wierp zich midden op den weg, terwijl ze uit den hoop van door de zon verbrande bengels den haren oppakte, hem met een duchtigen stomp begroette en in haar hol terugbracht, gedurende welken tijd het witharige knaapje uit al zijne macht schreeuwde en een gillenden tremolo aanhief, tot accompagnement van de grommende bestraffingen van het verwoede wijf. Eene andere partij van dit concert werd uitgevoerd door een twintigtal nut- en werkelooze honden, die onophoudelijk knorrende, blaffende en huilende de paarden vervolgden en aanvlogen; een overlast te dien tijd in Schotland zoo algemeen, dat een Fransch tourist, die, even als andere reizigers, een goeden en redelijken grond voor alles wat hij opmerkte wenschte te vinden, als een der merkwaardigheden in Schotland heeft opgeteekend, dat de Staat in ieder dorp een troep honden er op nahield, die dienen moesten om de chevaux de poste (te uitgehongerd en uitgeput, om zonder zulk een prikkel aan den gang gehouden te worden) van het eene dorp naar het andere te jagen, tot het volgende station. De kwaal en het middel (hoe het ook zij) bestaan nog. Maar dit ligt buiten ons tegenwoordig bestek, en werd alleen aangehaald ten gevalle der inzamelaars van belasting, het gevolg van des heeren Dent’s „Wet op het houden van honden.”

Naarmate Waverley voortreed, strompelde hier en daar een oud man, evenzeer door arbeid als door jaren gebukt, met oogen rood van ouderdom en rook, naar de deur van zijn hut, om de kleeding van den vreemdeling, en den gang zijner paarden aan te gapen, en verzamelde zich dan met zijn buren in een groep bij de smidse, om de waarschijnlijkheid te bespreken, van waar de reiziger kwam en waarheen hij ging. Drie of vier dorpsmeisjes, die van de bron of de beek terugkeerden met emmers en kruiken op hare hoofden, leverden een aangenamer tafereel op, en herinnerden, met hare dunne, korte rokken, haar bloote armen, beenen en voeten, ongedekte hoofden en gevlochten haar, eenigszins aan de vrouwen die een Italiaansch landschap opluisteren. Ook kon geen liefhebber van het schilderachtige, iets afdingen op de bevalligheid van haar kleeding, noch de evenredigheid van haar gestalte, ofschoon, om de waarheid te zeggen, een Engelschman, naar het comfortable zoekende, een woord aan zijne vaderlandsche taal bijzonder eigen, de kleederen minder schamel, de voeten en beenen wat meer gedekt tegen het weder, en hoofd en aangezicht tegen de zon beschermd gewenscht, of zelfs gedacht zou hebben, dat de geheele persoon en kleeding aanmerkelijk winnen konden door een ruime toediening van bronwater, benevens de benoodigde hoeveelheid zeep. Het tooneel in het algemeen was niet opwekkend, want het getuigde op het eerste gezicht, zeker van gebrek aan industrie, en misschien aan verstandelijke ontwikkeling. Zelfs de nieuwsgierigheid, de vurigste hartstocht van den ledigganger, scheen in het dorp Tully-Veolan in een staat van lusteloosheid te verkeeren; – alleen de straksgenoemde rekels legden in dit opzicht eenige bedrijvigheid aan den dag; maar bij de dorpelingen was alles lijdelijk. Ze stonden den knappen jongen Officier en zijn knecht na te gapen, maar zonder dat ze door de levendige bewegingen en begeerige blikken de zucht verrieden, waarmede zij, die te huis aan een eentoonig gemakkelijk leven gewoon zijn, daar buiten naar vermaak uitzien. En toch lag er in het uitzicht van het volk, meer van nabij bekeken, alles behalve onverschilligheid of stompheid; hunne trekken waren ruw, maar opmerkelijk schrander; ernstig, maar niet dof; en onder de jonge vrouwen of meisjes, zou een kunstenaar meer dan éen model hebben kunnen kiezen, in gelaatstrekken en vorm voor eene Minerva. Desgelijks hadden de kinderen, wier huid zwart gebrand en wier haar wit gebleekt was, een levendigen en belangstellenden blik. Het scheen over het algemeen, als of armoede, en luiheid, haar maar al te getrouwe gezellin, zich vereenigden, om den aangeboren aanleg en de verkregen kundigheden van een krachtigen, schranderen en nadenkenden boerenstand te onderdrukken.

Dergelijke gedachten doorkruisten het hoofd van Waverley, terwijl hij zijn paard langzaam door de oneffene met steenen bezaaide straat van Tully-Veolan liet stappen, in zijn bespiegelingen slechts gestoord door de kromme sprongen, waartoe zijn ros herhaaldelijk gedreven werd door de aanvallen van die jankende kozakken, – de voornoemde keffers. Het dorp was omtrent een kwartier gaans lang; want de onregelmatig verspreid liggende woningen waren door tuinen, of „erven,” gelijk de inwoners ze noemden, van elkander gescheiden, waarin, want het is zestig jaar geleden, de nu algemeene aardappel onbekend was, maar die bepoot waren met reusachtige koolplanten, omringd door heggen van brandnetels, waartusschen hier en daar een hoog opgeschoten dolle-kervel-steng of de nationale distel, die een deel der geringe omtuining overschaduwden wiessen. De ongelijke grond, waarop het dorp gebouwd was, was nooit geëffend: zoodat deze omheinde veldjes hellingen van allerlei steilte opleverden, hier rijzende als terrassen, daar weder diep dalende als looierskuilen. De steenen muren, welke deze hangende tuinen van Tully-Veolan beschutten, of schenen te beschutten, want ze waren vol gaten, waren gescheiden door een nauwen-gang, die naar de gemeente-weide heenvoerde, waar door den gemeenschappelijken arbeid der dorpelingen strooken rogge, haver, garst en boonen gekweekt werden, elk van zulk eene geringe uitgestrektheid, dat de wonderlijke verscheidenheid der oppervlakte op een geringen afstand, op het stalenboek van een kleermaker geleek. Het was eene gunstige uitzondering, zoo hier of daar achter de hut een ellendig afdak gevonden werd, uit aarde, losse steenen en zoden bijeengebracht, waar de vermogende een uitgehongerde koe of een kreupel paard kon stallen. Maar bijna iedere hut was van voren beschut door een grooten, zwarten hoop turf aan de eene zijde van de deur, terwijl aan de andere de mesthoop zich in edelen naijver verhief.

Op een afstand van nog geen tweehonderd el van het einde des dorps ontwaarde men de omheiningen, met vrij wat ophef de parken van Tully-Veolan genaamd. Ze bestonden uit eenige vierkante velden, omringd en afgescheiden door steenen muren ter hoogte van vijf voet. In het midden der buitenste omheining was de groote poort, bestaande uit een boog met kanteelwerk van boven, en versierd met twee verweerde en verminkte steenbrokken, welke, indien men aan de dorpsoverlevering geloof mag slaan, eens twee staande beeren, het familiewapen van Bradwardine verbeeld hadden, of althans hadden moeten verbeelden. De rijweg achter de poort was recht en tamelijk lang; hij liep tusschen een dubbele rij zeer oude wilde kastanjes, om den anderen afgewisseld door ahornboomen, welke tot zulk eene verbazende hoogte waren opgeschoten, en zoo weelderig groeiden, dat hunne takken boven den breeden weg een dicht gewelf vormden. Achter dit eerwaardig geboomte, en daarmede evenwijdig, bevonden zich twee hooge schijnbaar even oude muren, met klimop, kamperfoelie en andere soortgelijke gewassen begroeid. De laan scheen zeer weinig begaan, en dan nog alleen door voetgangers; zoodat, daar ze zeer breed en aanhoudend beschaduwd was, ze met dik en welig gras was begroeid, uitgezonderd waar een pad, door enkele voetgangers gebezigd, den weg van de buiten naar de binnenpoort aanwees. Deze ingang bevond zich, even als de voorgaande, in het front van een muur, met eenig ruw beeldhouwwerk, en van boven met kanteelwerk versierd, waaroverheen de door het geboomte van de laan half verborgene, hooge, steile daken en smalle trap gevels van het heerenhuis uitstaken, en de hoeken met kleine torentjes voorzien waren. Een der groote deuren van deze poort was open, en daar de zon haar volle licht op het plein naar binnen wierp, drong een lange, schitterende straal door de opening in de donkere lommerrijke laan. Dit leverde een dier effecten op, welke de schilders zoo gaarne wedergeven, en het schitterende licht vermengde zich bevallig met de schemering, die zich een weg door de dichte takken baande, welke de breede, groene laan overwelfden.