Chapter 18 of 50 · 3928 words · ~20 min read

Part 18

Zonder uitstel dus schreef Eduard eenige koele regels, waarin hij zijn Kolonel voor vroegere beleefdheden bedankte, en zijn leedwezen betuigde, dat hij had kunnen goedvinden de herinnering daaraan uit te wisschen, door jegens hem een geheel anderen toon aan te nemen. De strekking van zijn brief, zoowel als hetgeen Eduard begreep zijn plicht te zijn, in de tegenwoordige crisis, drongen hem zijn ontslag in te zenden. Hij sloot dus zijn formeelen afstand van een betrekking in, die hem tot zulk eene onaangename briefwisseling noodzaakte, en verzocht kolonel Gardiner de goedheid te willen hebben, om dien aan de bevoegde autoriteit op te zenden.

Toen hij dezen hooghartigen brief geschreven had, wist hij niet recht, in welke bewoordingen hij zijn ontslag moest aanvragen, en hij besloot Fergus Mac-Ivor dienaaangaande te raadplegen. In het voorbijgaan moeten wij aanmerken, dat de stoute en vlugge wijze van denken, handelen en spreken, welke dit jonge Opperhoofd eigen was, hem een aanmerkelijken invloed op Waverley had verschaft. Met ten minste gelijke verstandsvermogens begaafd, en met veel meer smaak, bezweek Eduard nogtans voor de onversaagde en vastberadene werkzaamheid van een geest, die zoowel door de gewoonte om naar een voorbedacht en geregeld stelsel te handelen, als door uitgebreide wereldkennis gescherpt was.

Toen Eduard bij zijn vriend kwam, had de laatste nog de courant in handen, die hij doorgeloopen had, en ging hem te gemoet met de verlegenheid van iemand, die onaangenaam nieuws heeft mede te deelen. „Bevestigen uwe brieven het onaangename bericht, kapitein Waverley, dat ik in dit blad vind?”

Hij reikte hem het blad over, waarin met de bitterste bewoordingen, waarschijnlijk overgenomen uit een Londensch dagblad, verslag werd gedaan van zijns vaders ongenade. Aan het einde van het stuk stond deze opmerkelijke zinspeling:

„Wij vernemen dat deze Richard, welke al het genoemde gedaan heeft, het eenig voorbeeld niet is van de weifelende eer van W.v.r.l.y-H.n.r. Zie de Staats-courant van heden.”

Met bevende en koortsachtige drift zocht onze held de aangehaalde plaats, en vond daarin vermeld: „Eduard Waverley, kapitein bij het ** regiment dragonders, geschorst wegens afwezigheid zonder verlof;” en op de lijst der bevorderingen bij hetzelfde regiment, ontdekte hij vervolgens deze woorden: „Luitenant Julius Butler, kapitein, ter vervanging van Eduard Waverley, geschorst.”

Het hart van onzen held gloeide van de verontwaardiging, welke onverdiende en blijkbaar opzettelijke beleediging wel moest opwekken bij iemand, die naar eer had gestreefd, en nu zoo schandelijk aan openbaren hoon en minachting werd prijs gegeven. Toen hij de dagteekening des briefs van zijn Kolonel met die van het artikel in de courant vergeleek, ontwaarde hij, dat aan de bedreiging om van zijn afwezigheid rapport te maken, letterlijk gevolg was gegeven, en naar het scheen zonder het geringste onderzoek, of Eduard zijn aanmaningen ontvangen had, of gezind was zich daarnaar te gedragen. Het geheel scheen dus een vastberaamd plan, om hem in de oogen van het publiek te vernederen; en het denkbeeld, dat dit geslaagd was, vervulde hem met zulke bittere aandoeningen, dat hij, na verscheidene pogingen om ze te verbergen, zich ten laatste in de armen van Mac-Ivor wierp, en vrijen loop liet aan de tranen, door schaamte en verontwaardiging hem afgeperst.

Het behoorde niet tot de gebreken van het Opperhoofd, dat hij onverschillig was omtrent het onrecht zijnen vrienden aangedaan; en voor Eduard koesterde hij, onafhankelijk van zekere plannen, die hij gesmeed had, en waarin deze voor een gedeelte betrokken was, een hartelijke en oprechte belangstelling. Deze handelwijze kwam hem even vreemd voor, als Eduard ze gevonden had. Hij wist, wel is waar, beter dan Waverley, de redenen, waarom hij zoo stellig bevel had ontvangen om zich bij zijn regiment te vervoegen. Maar dat de bevelvoerende Officier, geheel strijdig met zijn algemeen bekend karakter, zonder verder onderzoek naar omstandigheden of onoverkomelijke beletselen, op zulk een barsche en ongewone wijze was te werk gegaan, bleef hem een onoplosbaar raadsel. Hij troostte intusschen onzen held zoo goed hij kon, en begon diens gedachten met het uitzicht op wraak voor zijn beleedigde eer te streelen.

Eduard greep dit denkbeeld met vuur aan. „Wilt gij een uitdaging voor mij aan kolonel Gardiner brengen, mijn waarde Fergus, en mij levenslang verplichten?”

Fergus zweeg een poos. „Het is een vriendschapsdienst, waarover ge zoudt mogen beschikken, als die van nut kon zijn, of er toe leiden om uwe eer te herstellen; maar in het tegenwoordige geval twijfel ik, of uw Overste u een ontmoeting zou toestaan, op grond dat hij maatregelen genomen heeft, die, hoe hard en pijnlijk ook, toch binnen de grenzen van zijn plicht lagen. Daarenboven is Gardiner een strenge Hugenoot, die zekere denkbeelden koestert omtrent het zondige der tweegevechten, welke men hem niet gemakkelijk kan doen verzaken, vooral daar zijn moed boven alle verdenking verheven is. En bovendien, ik – ik – om de waarheid te zeggen – ik durf, om zeer gewichtige redenen, mij op dit oogenblik, niet zoo dicht bij deze of gene garnizoensplaats van het tegenwoordig bewind begeven.”

„En moet ik dan rustig en stil het mij aangedane onrecht dragen?”

„Dat zal ik mijn vriend nooit aanraden. Maar ik zou liever zien dat de wraak het hoofd en niet de hand trof; – het overheerschend en onderdrukkend bewind, dat deze opzettelijke en herhaalde beleedigingen beoogde en bestuurde, maar niet de officiëele werktuigen, die het bezigt om ze ten uitvoer te brengen.”

„Het bewind!”

„Ja,” hernam de onstuimige Hooglander, „het troonoverweldigend huis van Hannover, dat uw grootvader evenmin zou gediend hebben, als dat hij gloeiend goud tot loon en dank van den Satan zelven zou hebben aangenomen.”

„Maar sedert den tijd van mijn grootvader hebben twee geslachten van deze dynastie den troon bekleed.”

„Juist, – en omdat wij hun zoo lang lijdelijk gelegenheid gegeven hebben, om hun aangeboren aard te toonen, – omdat gij zoo wel als ik in stille onderwerping hebben geleefd, en ons zelf zoo naar den tijd geschikt hebben, dat wij officiersaanstellingen van hen aannamen, en hen dus in staat stelden ons in het openbaar te krenken, door ze terug te nemen, mogen wij daarom geen beleedigingen wreken, die onze vaderen slechts voorzien, maar die wij werkelijk ondergaan hebben? Of is de zaak van de ongelukkige familie Stuart minder rechtvaardig geworden, omdat haar recht is afgedaald op een erfgenaam, die men niet beschuldigen kan van een slecht Vorst te zijn, zooals vader? – Herinnert ge u de regels van uw lievelingsdichter niet?

Trad Richard ongedwongen van den troon, Geen vorst beschikt over iets in heel zijn teven, Dan over wat ’s Heeren gunst hem heeft gegeven; En had hem God begiftigd met een zoon, Het koningsrecht ware aan dien zoon verbleven.

Gij ziet, mijn waarde Waverley, dat ik zoowel dichters kan aanhalen, als Flora en gij. Maar kom, bedaar wat, en laat het aan mij over, u een eervollen weg aan te wijzen tot een spoedige en roemvolle wraak. Laat ons Flora opzoeken, die ons misschien meer nieuws te vertellen heeft van hetgeen er in onze afwezigheid is voorgevallen. Zij zal zich verheugen te hooren, dat gij van uwe slavernij ontslagen zijt. Maar voeg eerst een postscriptum bij uw brief, waarin gij den datum aangeeft, waarop gij de eerste oproeping van dezen Calvinistischen kolonel ontvangen hebt; en geef uw leedwezen te kennen, dat zijn overhaaste maatregelen u belet hebben ze te voorkomen, door het inzenden van uw vrijwillig ontslag. En laat hem dan blozen over zijn onrechtvaardigheid!”

Na dit alles werd de brief, die een dienststuk behelsde, waarin hij zijn ontslag vroeg, verzegeld; en Mac-Ivor verzond dien, met eenige brieven van hemzelven, door een bijzonderen bode, met last om ze op het naastbijgelegen postkantoor in de Laaglanden te bezorgen.

ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN OPHELDERING.

De wenk, door het Opperhoofd aangaande Flora gegeven, was niet zonder bedoeling. Hij had met groot genoegen Waverley’s ontkiemende genegenheid voor zijn zuster opgemerkt; ook zag hij geenerlei zwarigheid tegen hun vereeniging, behalve het ambt, door Eduards vader bij het Ministerie bekleed, en Eduards eigene positie bij het leger van George II. Deze beletselen waren thans weggeruimd, en op een wijze, waardoor oogenschijnlijk de weg werd gebaand, om ten minste den zoon aan een andere partij te verbinden. In elk ander opzicht was het huwelijk allerverkieslijkst. De veiligheid, het geluk en de eervolle verzorging van zijn zuster, die hij hartelijk lief had, scheen door de voorgestelde vereeniging verzekerd te zijn. En zijn hart zwol, wanneer hij bedacht, hoe de belangrijkheid van zijn eigen persoon zou toenemen in de oogen des verbannen Konings, dien hij zoo trouw diende, door eene verzwagering met een dier oude, machtige en rijke Engelsche geslachten van dezelfde staatkundige richting, en bij wie het van zooveel belang voor het huis der Stuarts was, de eenigszins voor hunne zaak verzwakte gehechtheid te verlevendigen. Fergus zag geen zwarigheid hoegenaamd in dit ontwerp. Blijkbaar had Waverley liefde voor freule Mac-Ivor opgevat, en daar hij een goed uiterlijk bezat, en zijn neigingen oogenschijnlijk met die van Flora overeenstemden, verwachtte hij geen tegenstand van haar kant. Inderdaad, vervuld met zijn denkbeelden van aartsvaderlijke macht, en die welke hij in Frankrijk had opgedaan, waar het de beschikking over meisjes tot het huwelijk gold, zou eenige tegenkanting van zijn zuster, hoe lief Flora hem ook wezen mocht, het laatste beletsel zijn geweest, waarop hij rekende, al ware hem ook de verbindtenis minder verkieslijk toegeschenen.

Met deze gevoelens bezield, bracht het Opperhoofd Waverley thans bij Flora, niet zonder eenige hoop, dat de oogenblikkelijke opgewondenheid van zijn gast hem de stoutmoedigheid verleenen zou, om, wat hij „den roman der vrijerij” noemde, maar kortweg af te doen. Zij vonden Flora met haar getrouwe gezellinnen, Una en Cathleen, bezig met het vervaardigen van hetgeen Waverley hield voor bruidsgeschenken. Terwijl hij de onrust die hem bezielde, zooveel mogelijk ontveinsde, vroeg hij, voor welke heugelijke gelegenheid freule Mac-Ivor zulke omslachtige toebereidselen maakte.

„Het is voor Fergus’ bruiloft,” zeide ze glimlachende.

„Zoo! – hij heeft zijn geheim goed bewaard. – Ik hoop dat hij mij veroorloven zal zijn bruidsjonker te zijn.”

„„Dat is de post eens mans, maar niet de uwe,” zooals Beatrix zegt,” [105] hernam Flora.

„En wie is de schoone dame, als het geoorloofd is te vragen, freule Mac-Ivor.”

„Heb ik u al niet lang geleden gezegd, dat Fergus geene andere bruid verlangt, dan de Eer?” was Flora’s antwoord.

„En zou ik dan onwaardig wezen om zijn bondgenoot en raadsman te zijn?” zeide onze held, sterk kleurende. „Sta ik zoo laag bij u aangeschreven?”

„Volstrekt niet, kapitein Waverley. Ik zou veel geven, indien het den Hemel behaagde, u tot de onzen te tellen! Als ik eene uitdrukking bezigde, die u mishaagt, het is

Omdat gij niet behoort tot onzen raad, Maar tegen ons als vijand over staat”

„Die tijd is voorbij, zuster, en ge moogt Eduard Waverley (niet langer Kapitein) geluk wenschen, dat hij bevrijd is van de slavernij eens overheerschers, waarvan deze zwarte en onheilspellende kokarde het zinnebeeld is.”

„Ja,” zeide Waverley, terwijl hij de kokarde van zijn hoed nam, „het heeft den Koning, die mij dit teeken schonk, behaagd het terug te nemen op een wijze, die mij niet veel reden geeft, om het verlies te betreuren.”

„God dank!” riep de schoone met geestdrift, „en o, mochten ze blind genoeg zijn, om iederen man van eer, die hen dient, op dezelfde onwaardige wijze te behandelen, opdat ik minder te betreuren moge hebben, als het oogenblik der worsteling gekomen is!”

„En nu, zuster, haast u zijn kokarde door een van veel levendiger kleur te vervangen. Mij dunkt, het behoorde tot het werk der dames van den ouden tijd, hun ridders te wapenen en tot groote daden uit te zenden.”

„Niet, voordat de dolende ridder de rechtvaardigheid en het gevaar der zaak wel overwogen had, Fergus. Mijnheer Waverley is op het oogenblik te zeer geschokt door nog versche aandoeningen, dan dat ik hem thans tot een besluit van groot gewicht zou willen opwekken.”

Waverley, in den aanvang iets verontrust door de gedachte, van de leus aan te nemen van diegenen, die door de meerderheid in het land voor oproerstokers gehouden werden, kon evenwel zijn gevoeligheid niet verbergen over de koelheid, waarmede Flora den wenk haars broeders van de hand wees. „Ik zie dat Freule Mac-Ivor den ridder haar aanmoediging en gunst onwaardig acht,” zeide hij, eenigszins bits.

„Dat niet, mijnheer Waverley ’’ hernam ze met veel zachtheid. „Waarom zoude ik mijns broeders hooggeschatten vriend een gunst weigeren, die ik wel aan den geheelen clan schenk? Van ganscher harte zou ik iederen man van eer voor de zaak werven, waaraan mijn broeder zich heeft toegewijd. Maar Fergus heeft zijn besluit met open oogen genomen. Zijn leven is van zijn wieg af aan deze zaak gewijd geweest; voor hem is de roeping heilig, al ware ze ook voor hem een roeping tot den dood. Maar hoe kan ik wenschen, dat gij, mijnheer Waverley, zoo onbekend met de wereld, zoo ver van iederen vriend, die u kan raden en u behoort te leiden, op een oogenblik daarenboven van verontwaardiging en toorn – hoe kan ik wenschen, dat gij u op eens in zulk een wanhopige onderneming zoudt storten?”

Fergus, die geen begrip van dergelijke kieschheid had, stapte door de kamer, terwijl hij zich op de lippen beet. Vervolgens voegde hij freule Mac-Ivor, met een gedwongen glimlach toe: „Nu, zuster, ik laat u uwe nieuwe rol van bemiddelares tusschen den Keurvorst van Hannover en de onderdanen van uw wettigen Souverein en weldoener alleen spelen,” waarop hij het vertrek verliet.

Er volgde een oogenblik van pijnlijke stilte, welke ten laatste door freule Mac-Ivor werd afgebroken. „Mijn broeder is onrechtvaardig,” zeide ze, „omdat hij niet dulden kan, dat men zijn getrouwen ijver zelfs schijnbaar tegenwerkt.”

„En deelt gij dan zijn vurige geestdrift niet?”

„Zou ik niet?” hernam Flora. – „God weet dat de mijne, zoo mogelijk, de zijne nog overtreft. Maar ik word niet, zoo als hij, door de drukte der krijgstoerusting, en de tallooze bijzonderheden welke de beraamde onderneming vereischt, verhinderd de groote beginselen, waarop ons ontwerp is gegrond in overweging te nemen, die zeker slechts door maatregelen kunnen bevorderd worden, welke in zich zelven waar en goed zijn. Maar het zou het een noch het ander zijn, wanneer ik van uwe tegenwoordige stemming gebruik maakte, mijnheer Waverley, om u tot een onherroepelijken stap te brengen, waarvan gij het gegronde noch gevaarlijke bedaard hebt kunnen wikken en wegen.”

„Onvergelijkelijke Flora!” riep Eduard, terwijl hij haar hand greep; „hoezeer heb ik zulk een raadgeefster noodig!”

„Eene veel betere,” zeide Flora, terwijl ze haar hand zachtkens terugtrok, „zal de heer Waverley altijd in zijn eigen hart vinden, zoo hij maar naar deze zachte stem wil luisteren.”

„Neen, freule Mac-Ivor, dat kan ik niet gelooven: duizend omstandigheden die er mij toe gebracht hebben, mij geheel aan mijn eigene denkbeelden over te geven, hebben mij meer aan de ingevingen der verbeelding, dan aan die der rede onderworpen. Indien ik slechts durfde hopen – als ik slechts denken kon – dat ge u verwaardigen wildet, een toegenegene, toegevende vriendin voor mij te zijn, die mij kracht zou geven om mijn fouten te herstellen, mijn volgend leven –”

„Bedaar, waarde heer! nu brengt u de vreugde, dat ge aan de handen van een Jacobietischen werver ontsnapt zijt, tot overdrevene dankbaarheid.”

„Liefste Flora, speel niet langer met mij! Gij kunt de taal van een hartstocht niet miskennen, welken ik, ook zonder het te willen, aan den dag heb gelegd; en nu ik het ijs heb gebroken, laat mijne stoutmoedigheid mij niet benadeelen. – Mag ik, met uw verlof, uw broeder zeggen –”

„Om alles ter wereld niet, mijnheer Waverley.”

„Wat moet ik daaruit opmaken?” zeide Eduard. „Bestaat er eenige noodlottige hinderpaal? – heeft een vroegere genegenheid –?”

„Neen, Mijnheer,” hernam Flora. „Ik ben het aan mij zelve verschuldigd te zeggen, dat ik nooit iemand ontmoet heb, die mij aanleiding gaf aan zoo iets als waarvan er thans sprake is, te denken.”

„Misschien is onze korte kennismaking; – als freule Mac-Ivor zich verwaardigen wilde mij tijd te geven –”

„Ik heb zelfs die verontschuldiging niet. Kapitein Waverley’s karakter is zoo open, – is, in het kort, van dien aard, dat men het niet miskennen kan, noch wat sterkte noch wat zwakheid betreft.”

„En om die zwakheid veracht ge mij?” zeide Eduard.

„Vergeef mij, mijnheer Waverley – en herinner u, dat het slechts een half uur geleden is, dat er nog een hinderpaal tusschen ons bestond van onoverkomelijken aard, daar ik aan een officier in dienst des Keurvorsten van Hannover slechts kon denken, als aan een onverschillige kennis. Veroorloof mij dus over zulk een onverwachte zaak, na te denken, en in minder dan een uur zal ik gereed zijn u zoodanige redenen van mijn besluit te geven, die afdoende zijn, al mogten ze ook niet aangenaam schijnen.” Hiermede ging Flora heen, terwijl ze Waverley achterliet om na te peinzen over de wijze, waarop zij zijn aanzoek had ontvangen.

Eer hij bij zichzelven kon nagaan of hij afgewezen was of niet, trad Fergus het vertrek weêr binnen. „Hoe! à la mort, Waverley?” riep hij, „kom met mij naar het voorplein, en ge zult een gezicht genieten, de fraaiste beschrijvingen in uwe romans waardig. Een honderdtal geweeren, vriend, en even zoo vele sabels, daar pas van goede vrienden gekomen, en twee of driehonderd stevige knapen bijna vechtende, wie ze zal bezitten. – Maar laat mij u van naderbij bezien. – Wel! een echte Hooglander zou zeggen, dat ge door een boos oog betooverd waart. – Of kan het zijn, dat dit dwaze meisje u uit het veld heeft geslagen? – Denk om haar niet, beste Eduard; de wijssten van haar geslacht zijn dwazen, waar het de ernstige belangen des levens geldt.”

„Inderdaad, waarde vriend,” antwoordde Waverley, „al wat ik tegen uwe zuster inbrengen kan, is, dat zij te knap, te verstandig is.”

„Als dat alles is, dan verwed ik er een louis d’or onder, dat deze bui overdrijven zal, eer wij vier en twintig uren verder zijn. Geen vrouw ter wereld is ooit zoo lang achtereen verstandig; en, zoo u dit genoegen doet, sta ik er voor in, dat Flora morgen zoo onredelijk zal zijn als iedere andere. Gij moet leeren, waarde Eduard, de vrouwen en mousquetaire te behandelen.” Dit zeggende, nam hij Waverley onder den arm, en sleepte hem voort, om zijne krijgstoerustingen te zien.

ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER HETZELFDE ONDERWERP.

Fergus Mac-Ivor bezat te veel tact en kiesch gevoel, om het gesprek, dat hij afgebroken had, weer op te vatten. Zijn hoofd was, of scheen zoo vervuld te zijn met geweeren, sabels, mutsen en dergelijke, dat Waverley, gedurende eenigen tijd, zijn oplettendheid tot niets anders bepalen kon.

„Zijt ge voornemens al zoo spoedig te veld te trekken, Fergus, dat ge al deze oorlogzuchtige toebereidselen maakt?”

„Als wij het eens geworden zijn, dat gij met mij gaat, zult gij alles weten; anders zou deze kennis u lichtelijk schaden.”

„Maar hebt gij ernstig voorgenomen, om met zulk een geringe macht, tegen een gevestigd bewind op te staan? Het is waarlijk razernij.”

„Laissez faire à Don Antoine.” – Ik zal voor mijzelven zorgen. Wij zullen ten minste de beleefdheid van Conan in praktijk brengen, die nooit een slag kreeg, of hij gaf er een terug. Ik zou echter niet graag willen,” vervolgde het Opperhoofd, „dat gij mij voor dwaas genoeg aanzaagt, om mij in beweging te zetten, vóór dat de gelegenheid gunstig is; ik zal mijn hond niet losmaken, voor dat het wild opgejaagd is. – Maar nog eens, als gij u bij ons voegen wilt, zult ge alles weten.”

„Hoe kan ik dat doen?” zeide Waverley, „ik, die nog zoo kort geleden den officiersrang bekleedde, waartoe de aanstelling thans op de terugreis is tot hen, die ze mij schonken. Door ze eenmaal aan te nemen, heb ik, onrechtstreeks mijne getrouwheid aan en mijne erkenning van de wettigheid des bewinds bezworen.”

„Een overhaaste belofte is geen stalen handboei; [106] zij kan afgeschud worden, vooral wanneer ze bedriegelijk uitgelokt en met beleediging vergolden werd. Maar als gij niet terstond tot een schitterende wraak kunt besluiten, keer dan naar Engeland terug, en eer gij de Tweed over zijt, zult ge tijdingen hooren, waarvan de wereld gewagen zal; en zoo Sir Everhard de moedige, oude Cavalier is, voor wien hem eenige onzer „eerlijke” [107] heeren van het jaar zeventien honderd vijftien houden, zal hij wel een betere compagnie ruiterij en een betere zaak voor u opsporen, dan die gij verloren hebt.”

„Maar uwe zuster, Fergus?”

„Scheer u weg, booze geest!” hernam het Opperhoofd lachend, „waarom kwelt gij dezen jongeling! – Spreekt ge van niets dan van de vrouwen?”

„Laat ons ernstig spreken, waarde vriend; ik voel dat het geluk van mijn volgend leven zal afhangen van het antwoord van freule Mac-Ivor, op hetgeen ik mij heden morgen verstoutte haar te zeggen.”

„En is u dit inderdaad volkomen ernst,” zeide Fergus, „of dwalen wij rond in het rijk der verdichting?”

„Volstrekt niet! Hoe kunt ge veronderstellen dat ik over zoo iets zou schertsen?”

„Dan ben ik, in goeden ernst, zeer verheugd dit te hooren: en ik heb zulk een hoog denkbeeld van Flora, dat ge de eenige man in Engeland zijt, wien ik dit zeggen zou. – Maar, alvorens ge mijn hand met zoo veel vuur drukt, valt er meer te overwegen. – Uwe familie –, zal ze goedkeuren dat ge u verbindt met de zuster van een hooggeboren Hooglandschen bedelaar?”

„De omstandigheden van mijn oom, zijn algemeene denkwijze, en zijn toegevendheid, vergunnen mij te zeggen, dat geboorte en persoonlijke begaafdheden alles zouden zijn, waarop hij bij zulk een verbindtenis zien zou. En waar kan ik beide in zulke hooge mate vereenigd vinden als bij uwe zuster?”

„o Nergens! – cela va sans dire! Maar uw vader zal aanspraak maken op het vaderlijk recht, van geraadpleegd te worden.”

„Zeker! Maar de breuk die onlangs plaats gehad heeft tusschen hem en de heerschende partij, verbant alle vrees voor tegenstand van zijn kant, te meer daar ik overtuigd ben, dat mijn oom met vuur mijn zaak bepleiten zal.”

„De godsdienst misschien – ofschoon wij niet fanatiek katholiek zijn.”

„Mijn moeder was van de Roomsche Kerk, en haar godsdienst gaf nooit eenigen aanstoot bij mijn familie. Denk niet om mijn familie, waarde Fergus! Laat mij liever, uw invloed inroepen, waar die wellicht noodiger zijn zal om zwarigheden uit den weg te ruimen – ik bedoel, bij uwe beminnelijke zuster.”

„Mijn beminnelijke zuster,” hernam, Fergus, „is, even als haar beminnende broeder, best in staat, om een vrij stelligen eigen wil te hebben, waarnaar gij u, in dit geval, moet schikken; maar het zal aan mijne deelneming en mijn raad niet ontbreken. En, in de eerste plaats, wil ik u éen wenk geven. – Getrouwheid aan het huis der Stuarts is haar heerschende hartstocht. Van het oogenblik af dat zij een Engelsch boek lezen kon, is ze verliefd geweest op de nagedachtenis van den dapperen kapitein Wogan, die den dienst van den overheerscher Cromwell vaarwel zeide, om zich onder den standaard van Karel II te scharen; met een handvol ruiterij van Londen naar de Hooglanden trok, om zich bij Middleton te voegen, die destijds voor den Koning streed, en ten laatste roemrijk sneuvelde voor de koninklijke zaak. Verzoek haar u de verzen te laten zien, door haar op deze geschiedenis vervaardigd; ze hebben, ik verzeker het u, niet weinig bewondering ingeoogst. Het voornaamste daarna is – mij dunkt, ik heb Flora, een poos geleden, naar den waterval zien opwandelen – volg haar na! man, volg haar! – laat het garnizoen geen tijd, om in het opgevatte voornemen van tegenstand bevestigd te worden – Alerte à la muraille! Ga Flora opzoeken, en verneem haar besluit zoo spoedig mogelijk. Moge Cupido met u zijn; terwijl ik ga, om sabelriemen en patroontasschen na te zien.”