Chapter 15 of 50 · 3961 words · ~20 min read

Part 15

De liefde tot haar clan, die ze als een erfdeel in haar hart koesterde, had even als hare trouw aan het koninklijke huis, een zuiverder beginsel dan die van haar broeder. Fergus was een te degelijk staatsman, en beschouwde zijn aartsvaderlijk gezag te zeer als een middel om zijn eigene grootheid te bevorderen, dan dat wij hem het voorbeeld van een Hooglandsch Opperhoofd noemen zouden. Flora ijverde insgelijks, om hunne patriarchale heerschappij aan te kweeken en uit te breiden; maar het was met de grootmoedige bedoeling, om diegenen voor armoede, of ten minste voor gebrek en vreemde onderdrukking te bewaren, over wie haar broeder, volgens de begrippen van dien tijd, door zijn geboorte geroepen was te heerschen. Wat ze van haar inkomen besparen kon, want ze trok een gering jaargeld van de prinses Sobieski [85], werd besteed, niet om de geriefelijkheden des levens voor den boerenstand te vermeerderen – want dat was een woord, hetwelk ze verstonden noch waarschijnlijk wenschten te verstaan, – maar om in hunne volstrekte behoeften, bij ziekte of ouderdom te gemoet te komen. Op iederen anderen tijd sloofden deze lieden zich veeleer af, om iets te winnen, dat ze met den Hoofdman zouden kunnen deelen, als een bewijs van hunne gehechtheid, dan dat ze van hem op eenigen anderen bijstand rekenden boven hetgeen de eenvoudige gastvrijheid van zijn kasteel, en de algemeene verdeeling en onderverdeeling zijner landgoederen onder hen opleverden. Ze waren zoo zeer aan Flora gehecht, dat, toen Mac-Murrough een lied had vervaardigd, waarin hij al de bijzondere schoonheden van het district opsomde, hij eindigde met haar den voorrang boven alles toe te kennen, en wel door het beeld, „dat de schoonste appel aan den hoogsten tak hing.” Hij ontving daarvoor, in geschenken van enkele leden des clans, meer zaaigerst, dan voldoende was om zijn Hooglandschen Parnassus, dien men gewoon was den Bardentuin te noemen, tienmalen te bezaaien.

Zoowel door omstandigheden, als uit verkiezing, was de omgang van Freule Mac-Ivor zeer beperkt. Haar vertrouwdste vriendin was Rose Bradwardine geweest, aan wie ze zeer gehecht was; en bij elkander zouden zij den kunstenaar twee uitstekend fraaie modellen van de vroolijke en droefgeestige zanggodin hebben opgeleverd. Inderdaad werd Rose zoo teeder door haar vader bemind, en was de kring harer wenschen zoo beperkt, dat er nooit een bij haar opkwam waaraan hij niet geneigd was te voldoen en zelden was er een, welks vervulling niet binnen het bereik zijner macht viel. Met Flora was het geheel anders. Toen ze nog een kind was, had ze allerlei lot-wisselingen ondergaan; uit een staat van glans en luister was ze tot volslagen eenzaamheid en betrekkelijke armoede vervallen; en de denkbeelden en wenschen, die ze hoofdzakelijk koesterde, hadden betrekking op groote nationale gebeurtenissen en omwentelingen, die niet zonder gevaar en bloedstorting tot stand te brengen waren, en waaraan inderdaad niet dan met hoogen ernst gedacht kon worden. Hare houding was bijgevolg hoog ernstig, ofschoon ze hare talenten gaarne aanwendde tot vervroolijking van het gezelschap, en ze zeer hoog stond aangeschreven in de achting van den ouden Baron, die gewoon was met haar de Fransche duetten van Lindor en Chloris enz. te zingen, die omstreeks het einde der regeering van „Louis le Grand” in de mode waren.

Men geloofde algemeen, hoewel niemand den baron van Bradwardine hiervan iets had durven laten blijken, dat Flora’s beden geen gering aandeel hadden aan het bedwingen van Fergus’ gramschap, bij gelegenheid van hun twist. Ze vatte haar broeder van de zwakke zijde aan, door eerst stil te staan bij den ouderdom van den Baron, en door vervolgens het nadeel aan te wijzen, dat de groote zaak lijden kon, zoo ook bij den smet voor zijn goeden naam te duchten, waar er sprake was van wijze gematigdheid, zoo noodig voor een staatkundig agent, indien hij voornemens bleef den twist tot het uiterste te laten komen. Zonder deze bedenkingen zou het waarschijnlijk op een tweegevecht zijn uitgeloopen, zoowel omdat de Baron, bij een vroegere gelegenheid, het bloed van den clan gestort had, hoewel de zaak in der tijd geschikt was – als op grond van den grooten roem, dien den grijsaard in het voeren van den degen had verworven, en dien Fergus niet nalaten kon te benijden. Om die reden had ze te meer op hunne verzoening aangedrongen, waarin het Opperhoofd te gereeder toestemde, daar ze eenige door hem uitgedachte plannen begunstigde.

Aan deze jonge dame, die thans over het vrouwengebied van de theetafel heerschte, stelde Fergus kapitein Waverley voor, en zij ontving hem met de gewone door de wellevendheid voorgeschreven vormen.

TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HOOGLANDSCHE DICHTKUNST.

Toen de eerste groeten gewisseld waren, zeide Fergus tot zijn zuster: „Mijn lieve Flora, alvorens ik tot de barbaarsche plechtigheden onzer voorvaderen terugkeer, moet ik u zeggen, dat kapitein Waverley een bewonderaar is van de Celtische Muze, en misschien wel het meest, omdat hij geen woord van de taal verstaat. Ik heb hem gezegd, dat gij een buitengewoon talent in het vertalen van Hooglandsche poëzij bezit, en dat Mac-Murrough uwe overzettingen zijner gezangen op denzelfden grond bewondert, als kapitein Waverley het oorspronkelijke, – omdat hij ze niet verstaat. Wilt gij de goedheid hebben, onzen gast in het Engelsch dien wonderlijken ris van namen, dien Mac-Murrough in het Gaelsch heeft aaneengeregen, voor te lezen of voor te dragen? Ik verwed mijn leven tegen een haneveder, dat gij een vertaling bezit; want ik weet, dat ge in al de beraadslagingen van den bard deelt, en ge al zijn zangen kent, lang voor dat hij ze ons in de zaal laat hooren.”

„Hoe kunt ge zoo spreken, Fergus! Ge weet toch wel, hoe onmogelijk het is dat deze verzen, een Engelschen vreemdeling belang kunnen inboezemen, al kon ik ze ook, zoo als ge voorgeeft, vertalen.”

„Ze zullen hem niet minder dan mij belang inboezemen, schoone dame! Vandaag heeft mij uw vereenigde arbeid – want ik houd vol, dat ge voor de helft deel aan het werk van den bard hebt – den laatsten zilveren beker, die er op het kasteel is, gekost, en ik denk dat binnen kort, als ik cour plénière houd, het mij nog meer zal kosten, als de zanggodin haren invloed op Mac-Murrough laat gelden; want ge kent ons spreekwoord: als de hand van het Opperhoofd ophoudt met te geven, bevriest de adem van den bard bij de voordracht. – Wel, ik zou graag zien, dat het spoedig gebeurde: er zijn drie dingen, die nutteloos zijn voor een hedendaagschen Hooglander, – een zwaard, dat hij niet mag trekken, – een bard om daden te bezingen, die hij niet durft navolgen, – een ruime geitenvellen beurs, zonder een gouden Louis om er in te steken.”

„Wel, broeder, daar ge mijn geheimen verraadt, kunt ge niet verwachten, dat ik de uwe bewaren zal. – Ik verzeker u, kapitein Waverley, dat Fergus te trotsch is, om zijn zwaard te verruilen tegen een maarschalksstaf; dat hij Mac-Murrough voor een veel grooter dichter houdt dan Homerus, en dat hij zijn geitenvellen beurs niet zou geven voor al de Louis d’or die ze bevatten kon.”

„Goed geantwoord, Flora; slag om slag, zooals Conan [86] tegen den duivel zeide. Maar ik laat u beide over barden en poëzij, zoo al niet over beurzen en klingen praten, terwijl ik terug ga, om de laatste eer te bewijzen aan de oudsten van den stam van Ivor.” En met deze woorden, verliet hij de kamer.

Het gesprek werd tusschen Flora en Waverley voortgezet; want twee wel gekleede jonge meisjes, die zoo wat het midden hielden tusschen makkertjes en afhangelingen, namen er geen deel aan. Ze zagen er beide zeer goed uit, maar dienden slechts om de bevalligheid en schoonheid harer meesteres nog te verhoogen. Het onderhoud volgde den loop, door het Opperhoofd daaraan gegeven, en Waverley werd evenzeer verrast als onderhouden door hetgeen de dame hem mededeelde aangaande de Celtische poëzij.

„Het opzeggen,” zeide Flora, „van gedichten, die de daden der helden, de klachten der minnaars en de oorlogen van strijdvoerende stammen verheerlijken, is in de Hooglanden het voornaamste winteravondvermaak bij het hoekje van den haard. Men zegt, dat sommige dezer gedichten zeer oud zijn; en zoo ze ooit in een der talen van het beschaafde Europa worden overgebracht, zullen ze ongetwijfeld een diepen en algemeenen indruk maken. Andere zijn van jonger dagteekening; ze zijn het werk dier famieliebarden, welke de edelste en machtigste Opperhoofden, als de dichters en geschiedschrijvers van hunnen stam er op nahouden. Hunne werken bezitten natuurlijk zeer ongelijke verdiensten; maar de heerlijke geest daarvan moet bij een vertaling, verloren gaan voor hen, die in de vurige gevoelens van den dichter niet deelen.”

„En wordt uw bard, wiens uitstortingen heden zulk een uitwerking schenen te hebben op het gezelschap, onder de lievelingsdichters der bergbewoners gerekend?”

„Dat is een moeielijke vraag. Hij staat zeer hoog onder zijn landslieden aangeschreven, en gij moet niet verwachten, dat ik zijn roem verkleinen zal.” [87]

„Maar het lied, Freule Mac-Ivor, scheen al deze krijgers jong en oud, in vervoering te brengen.”

„Het lied is, zoo te zeggen, niet veel meer dan een catalogus van namen der Hooglandsche clans, met de bijzonderheden waardoor zij zich onderscheiden, en een tot hen gerichte vermaning, om de daden hunner voorvaderen in herinnering te houden en na te volgen.”

„En dwaal ik ten aanzien van de gissing, hoe vreemd zij ook schijne, dat er eenige toespeling op mij in de verzen voorkwam, die hij zong?”

„Gij zijt een vlugge opmerker, kapitein Waverley, en hebt u hierin niet bedrogen. De Gaelsche taal, zoo ongemeen rijk in klinkletters, eigent zich bijzonder voor vlug vervaardigde en voor de vuist gedichte poëzij; en het gelukt een bard meestal de uitwerking van een vooraf bedacht lied te verhoogen door er eenige coupletten in te lasschen, die, gedurende het zingen, door de omstandigheden aan de hand worden gegeven.”

„Ik zou mijn beste paard er voor willen missen, om te weten wat de Hooglandsche bard te zeggen had van zulk een onbekenden bewoner van het Zuiden, als ik ben.” [88]

„Het zal u zelfs geen lok van zijn manen kosten. – Una, mijn lieve!” (zij sprak eenige woorden tot een der aanwezige jonge meisjes, die terstond een buiging maakte en zich verwijderde). – „Ik heb Una gezonden, om aan den bard eenige uitdrukkingen te gaan vragen, waarvan hij zich bediend heeft, en gij moogt vrij over mijn weinige bekwaamheid als tolk beschikken.”

Una kwam na verloop van eenige minuten terug, en herhaalde voor hare meesteres eenige regels in het Gaelsch. Flora scheen zich een oogenblik te bedenken, en vervolgens een weinig blozende, wendde ze zich tot Waverley. – „Het is onmogelijk, kapitein Waverley, uwe nieuwsgierigheid te voldoen, zonder een vermetel waagstuk. Indien gij mij echter eenige oogenblikken tot overdenking wilt toestaan, zal ik mijn best doen, den zin dezer regels in eene door mij ondernomen Engelsche vertaling van een gedeelte des oorspronkelijken lieds, te geven. Het schijnt dat de theetafel mijne tegenwoordigheid niet meer eischt, en daar de avond schoon is, zal Una u den weg wijzen naar een mijner lievelingsplekjes, en Cathleen en ik zullen u daarheen volgen.”

Nadat Una in haar moedertaal de bevelen harer meesteres ontvangen had, geleidde ze Waverley door een anderen uitgang, dan dien waardoor hij het vertrek was binnengekomen. Op eenigen afstand hoorde hij nog de groote zaal weergalmen van het geluid der doedelzakken en van de luide toejuichingen der gasten. Toen Una en Eduard door een achterdeur in de open lucht gekomen waren, wandelden ze de woeste, donkere en nauwe vallei, waarin het huis gelegen was, een eind op, en volgden den loop van een riviertje, dat door het dal heenkronkelde. Op een plek, omstreeks een kwartier van het kasteel, vereenigden zich twee beken. De breedste der twee vloeide in het lange, barre dal af, dat zich, schijnbaar zonder eenige verandering of verheffing uitstrekte, zoo ver de heuvels, waardoor het begrensd werd, het oog lieten reiken. Maar de andere, die haar oorsprong nam tusschen de bergen ter linker zijde van den doorgang, scheen uit een zeer nauwe en donkere opening van zware rotsen voort te komen. Beide stroomen leverden dan ook een geheel verschillend gezicht op. De breedste was bedaard en zelfs traag in zijn loop, terwijl hij zich in diepe draaikolken verloor, of in donkerblauwe poelen wegdommelde; maar de andere bewoog zich met een geweldige vaart, en sprong van tusschen de steilten, even als een zinnelooze uit zijn gevangenis te voorschijn, en was geheel schuim en oproer.

Langs dezen stroom werd Waverley nu, als een ridder in een roman, door de schoone Hooglandsche juffer, zijn zwijgende geleidster, heengevoerd. Een smal paadje, dat op vele plaatsen ten gevalle van Flora verbeterd was, bracht hem te midden van tooneelen van een geheel anderen aard, dan die welke hij zoo even verlaten had. Rondom het kasteel was alles kaal, bar en woest, ofschoon er toch iets rustigs in deze woestheid lag; maar dit op zulk een kleinen afstand gelegen nauwe dal, scheen den toegang te openen tot een of ander toovergebied. De rotsen namen duizenderlei zonderlinge en afwisselende vormen aan. Op een plaats verhief een geweldige en vooruitschietende rots haar reusachtige gedaante, alsof ze den voorbijganger allen verderen toegang met geweld wilde betwisten; en eerst toen Waverley tot aan den voet genaderd was, bemerkte hij de onverwachte en scherpe wending van het voetpad, dat rondom deze schrikverwekkenden hinderpaal zijn kronkeling voortzette. Op een andere plek waren de rotsen, die aan wederzijde van deze kloof voorover hingen, elkander zoo dicht genaderd, dat twee over elkander gelegde en met zoden bedekte pijnboomstammen, een ruwe brug vormden, op een hoogte van ten minste honderd en vijftig voet. Zij was zonder leuning en nauwelijks drie voet breed.

Deze gevaarlijke brug scheen niets dan een zwarte lijn, aan het blauw des hemels over de smalle strook getrokken, welke door de aan weerszijde overhellende rotsen zichtbaar gelaten was. Terwijl Waverley hier naar keek, zag hij met een gevoel van ontzetting, Flora en haar gezellin verschijnen, die, aan bovenaardsche wezens gelijk, als het ware, hoog in de lucht op deze slingerende brug zweefden. Toen zij hem beneden ontdekten, hield ze stil, en wuifde hem met een bevallige ongedwongenheid, die hem een huivering door de leden joeg, met haar zakdoek toe. Door het gevoel van duizeligheid bij hem opgewekt, was hij buiten staat den groet te beantwoorden, en nooit gevoelde hij zich meer verlicht, dan toen de schoone gedaante de gevaarlijke, door haar met zoo veel gerustheid overgetrokken brug verlaten had, en aan de andere zijde verdwenen was.

Eenige schreden verder onder de brug, waarvan het gezicht hem zoo veel schrik had veroorzaakt, liep het pad, naarmate het zich meer van den stroom verwijderde, steiler naar boven, en verbreedde zich het dal tot een boschrijke kom, bezet met berken, jonge eiken en hazelaren, waartusschen zich hier en daar een taxisboom verhief. De rotsen weken thans naar achteren, ofschoon ze nog voortdurend haar grijze en ruige toppen hier en daar zichtbaar lieten tusschen het kreupelhout. Nog hooger op ontwaarde men andere rotsen, wier spitsen, gedeeltelijk kaal, gedeeltelijk met boschaadjes bekleed waren, terwijl sommigen rond en purperkleurig met de bloeiende heiplanten en andere gespleten, verbrokkeld en verdeeld zich aan het oog voordeden. Na een korte wending bracht het pad dat nu eenigen tijd buiten het gezicht van den stroom had voortgeloopen, Waverley op eens vlak voor een schoonen waterval. Deze was minder opmerkelijk om de hoogte, vanwaar hij nederstortte en zijn groote waterstraal, dan om de bijkomende schoonheden, die de plek versierden. Na een gebroken val van omtrent twintig voet, werd de stroom opgevangen in een ruime, door de natuur gevormde kom, tot aan den rand met water gevuld, hetwelk, waar het schuim van den val ophield, zoo bij uitstek helder was, dat, in weerwil van de geweldige diepte, het oog elk steentje op den bodem kon onderscheiden. In deze soort van ketel ronddraaiende, vond de stroom een uitgang over een soort van gebroken rotsrand, en vormde een tweeden val, die in den afgrond zelven stortte: waarna hij vantusschen de zwarte rotsen stroomende, die door de eeuwen gepolijst en glad gemaakt waren, kabbelende in de vallei wegdreef en de beek vormde, langs welker oevers Waverley zoo even gewandeld had. [89] Alles wat deze schilderachtige kom omringde was even schoon; maar het was een schoonheid die iets statigs en stouts bijna iets groots had. De met mos begroeide oeverzoomen werden afgewisseld door geweldige rotsbrokken, en versierd met boomen en heesters, waarvan sommigen onder Flora’s leiding geplant waren, maar met zooveel overleg, dat ze het bevallige van het landschap bevorderden, zonder de schilderachtige trotschheid er van in het minst te benadeelen.

Hier trof Waverley Flora aan, terwijl ze in den waterval staarde, gelijk een dier bevallige gestalten, waarmede de landschappen van Poussin zijn opgeluisterd. Twee schreden achter haar meesteres stond Cathleen, die een kleine schotsche harp droeg, welke Flora had leeren bespelen en wel van Rory Dall, een der laatste harpspelers der Westersche Hooglanden. De zon, die nu in het westen daalde, wierp een rijken afwisselenden glans over al de voorwerpen, welke Waverley omringden, en scheen een bovenaardschen luister bij te zetten aan de diepe uitdrukking van Flora’s zwart glinsterend oog, en de bevalligheid en de reinheid harer gelaatstrekken, waarbij nog hare heerlijke en betooverende gestalte, dien luister kwam verhoogen. Eduard zeide in zich zelven, dat hij nooit, zelfs in zijn dolste droomen, zich een gedaante had voorgesteld die met deze in schoonheid en beminnelijkheid te vergelijken was. De woeste pracht van de afgezonderde plek, die zich als door een tooverslag aan hem voordeed, verhoogde de gemengde gewaarwordingen van geluk en eerbied, waarmede hij haar naderde, alsof ze een toovernimf van Boyardo of Ariosto ware, op wier wenk plotseling een Eden in de wildernis scheen ontstaan te zijn.

Flora kende, even als iedere schoone vrouw, de macht harer bekoorlijkheden, en met groot genoegen bespeurde ze de uitwerking daarvan in de eerbiedige, beschroomde toespraak van den jeugdigen krijgsman. Maar, daar ze een uitnemend goed verstand bezat, schreef ze aan het romaneske van het tooneel en aan andere toevallige omstandigheden, een goed deel toe van de ontroering, waaraan Waverley blijkbaar ten prooi scheen te wezen. Daar ze noch zijn levendige verbeelding, noch zijn ligt ontvlambaar karakter kende, zag ze in zijn hulde niets dan de voorbijgaande bewondering, welke zelfs een vrouw van veel mindere bekoorlijkheden, onder zulke omstandigheden, zou hebben mogen verwachten. Ze sloeg dus zeer bedaard den weg in naar een plek, op zulk een afstand van den waterval, dat het geruisch van den nederstortenden stroom eer haar stem en de begeleiding ter hulpe moest komen dan nadeelig zijn, en, terwijl ze zich op een met mos begroeiden rotsblok nederzette, nam ze de harp uit Cathleen’s handen.

„Ik heb u de moeite gegeven, kapitein Waverley,” zeide ze, „naar deze plek te komen, zoo wel omdat ik meende dat het landschap zelf u belang zou inboezemen, als omdat een Hooglandsch gezang nog meer door mijn onvolkomene overzetting zou lijden, als niets van het woeste en daarmede overeenstemmende er bij kwam. Om mij van de dichterlijke uitdrukking van mijn land te bedienen: de Celtische Muze woont in de nevelen van een verborgen, eenzamen heuvel, en haar stem is het gemurmel van den bergstroom. Hij die haar zoeken wil, moet aan de barre rots boven de vruchtbare vallei, en aan de eenzame woestijn boven de vroolijke feestzaal de voorkeur geven.”

Bezwaarlijk kon iemand het schoone meisje deze verklaring met een bezielde stem hooren doen, zonder uit te roepen, dat de door haar vereerde Muze nooit een bevoegder plaatsvervangster kon vinden. Maar ofschoon deze gedachte zich aan zijn ziel opdrong, had Waverley den moed niet om ze uit te spreken. Inderdaad, het overweldigende genot, waarmede hij de eerste tonen door haar uit de harp gelokt hoorde, werd hem bijna pijnlijk. Om al de schatten der wereld zou hij zijn plaats aan hare zijde niet verlaten hebben; en toch verlangde hij naar de eenzaamheid, om rustig en ongestoord de verschillende gewaarwordingen te ontleden en te onderzoeken, waardoor zijn hart bestormd werd.

Flora had het eentonig en afgemeten recitatief van den bard vervangen door de muziek van een aloud Hooglandsch krijgslied, dat wegsleepend en verheven van aard was. Op eenige weinige onregelmatige akkoorden volgde een præludium, woest en zonderling, maar in volkomen overeenstemming met het gemurmel van den verwijderden waterval en het zuchten van het avondkoeltje, dat in de bladeren van een espenboom ritselde, welke boven de zitplaats der harpspeelster zijn takken uitbreidde. De volgende verzen zullen slechts een gering denkbeeld geven van den indruk, dien ze, aldus voorgedragen en begeleid, op Waverley maakten:

Zie de mist kleurt het dal en den heuveltop vaal, Maar de slaap is nog zwaarder des zoons van den Gael; De overheerscher gebiedt: – in zijn juk zucht het land, Ieders hart is verstijfd, en verlamd ieders hand.

Als begraven in ’t stof, ligt het schild en het zwaard, Waar het oog slechts het rood van den roestvlek ontwaart; En al draagt men een roer door ’t gebergt met zich meê, Och, ’t is enkel noodlottig voor veldhoen of ree.

Brengt de roem van de vaadren de barden in gloed, Door een blos of een slag zij hun lied dan begroet! Tedre luitsnaar word’ stom, en gesust iedre toon, Die herinnert aan glorie, sinds lang al ontvloôn.

Maar de nacht is geweken, de slaap is voorbij, In het eind maakt de morgen de bergen weêr blij, En Glenadala’s spitsen weêrkaatsen zijn glans, En het lachend Glenfinnan [90] gaat golvend ten dans!

Onverschrokkene Moray! [91] gij balling zoo dier, O verhef bij ’t ontwaken des dags uw banier! Dat ze statiglijk wappere op d’ adem van ’t noord, Zooals ’t zonlicht een wijl door de stormvlagen gloort.

Moet, o teelt van den sterke, als die morgen genaakt, U de harpe des grijsaards herinren: ontwaakt! Op der voorvaadren oog straalde nimmer zijn rood, Of hij wekte iedren hoofdman ter zege of ten dood.

O gij nakroost der vorsten uit Islay’s gebied, Trotsche heerschers van Ranald, Glengary en Sleat, Vereent u als drie stroomen, een sneeuwberg ontsnelt, En stort los op den vijand, en uwer zij ’t veld!

Trouwe zoon van Sir Evan Lochiel, zoo vermaard, Hang uw schild aan den schouder, en wet er uw zwaard! Vul de klank van uw hoorn, woeste Keppoch, het dal, En het ver Corryarick weerkaats zijn geschal.

Koene zoon van Lord Kenneth, gij hoofd van Kintail! Dat het hert in uw standaard in ’t windgefluit speel! Dat de stam van Glenkillan zoo vrij als getrouw, Ons Glenlivat herinner, Dundee, of Harlaw!

Dat het nakroost van Fingon, die clan zoo vermaard, Om zijn mart’laars bij God, en zijn helden op aard, Saam vereend met den stam van ’t beroemd Rorrimore, Thans de vaartuigen sture in het glorievol spoor!

Van geneugt juicht Mac-Shimei, op ’t zien van ’t helmet, Door zijn clanhoofd op sneeuwwitte kruin zich gezet, En de stam van Alpine en Glencoe plast verwoed, Door de wrake gespoord in der vijanden bloed.

O, gij zonen diens Dermids, die streedt met den beer, O, Mac-neil van het eiland, en Moy van het meer, Voor de wrake, voor de eer en de vrijheid ontwaakt! En Mac Cullum Mores naam u thans waardig gemaakt!

Op dit oogenblik kwam een groote jachthond, die door het dal vloog, tegen Flora opspringen, en haar muziek door zijn lastige liefkozingen storen. Op een in de verte klinkend gefluit keerde hij zich om, en snelde het pad weder met de vlugheid van een pijl af. „Dit is de trouwe medgezel van Fergus, kapitein Waverley, en dat was zijn signaal,” merkte het meisje op. „Hij houdt van geen poëzij, tenzij van het luimige genre, en komt juist van pas, om den langen catalogus af te breken van stammen, welke een uwer ondeugende Engelsche dichters omschreven heeft als:

„Een ongeschoeide troep van hooggeboren bedelaren, Hoogmoedig op het mac dat ze met hun namen paren.” [92]

Waverley betuigde zijn leedwezen over deze stoornis.