Part 20
De eenvoudigheid van Rose’s taal, waarin zoo veel genegenheid en bezorgdheid voor zijn veiligheid doorstraalde, zoo wel als het denkbeeld dat ze zich zonder beschermer bevond, en niet slechts aan angst, maar aan wezenlijk gevaar kon zijn blootgesteld, maakte een diepen indruk op hem, en hij schreef oogenblikkelijk, om haar in de vriendelijkste bewoordingen dank te zeggen voor haar bezorgdheid te zijnen aanzien, vergezeld van zijn hartelijke wenschen voor het welzijn van haar en haar familie, en van verzekeringen die haar omtrent zijn eigene veiligheid konden geruststellen. Spoedig weken echter de hier door opgewekte gevoelens weder voor de gedachte aan de noodzakelijkheid, die thans voor hem bestond, om Flora Mac-Ivor, misschien voor altijd, vaarwel te zeggen. De beklemdheid, welke deze gedachte bij hem opwekte, laat zich niet beschrijven; want Flora’s hooggestemd karakter, haar zelfopoffering voor de zaak die ze omhelsd had, gevoegd hij haar nauwgezette eerlijkheid, wat de middelen om ze te dienen betreft, dat alles rechtvaardigde in Eduards oogen de keuze van zijn hart. Maar de tijd drong; de laster had zijn naam aangevallen; en ieder uur uitstel versterkte het vergif. Hij moest onmiddellijk vertrekken.
Na dit besluit genomen te hebben, zocht hij Fergus op, deelde hem den inhoud van Rose’s brief mede, zijn voornemen om zich oogenblikkelijk naar Edinburgh te begeven, en den een of ander dier lieden van gewicht op te zoeken, voor wie hij brieven van zijn vader had, en in hunne handen de bewijzen te leggen, waardoor hij iedere tegen hem ingebrachte beschuldiging zou kunnen ontzenuwen.
„Gij loopt met uw hoofd in den muil van den leeuw,” antwoordde Mac-Ivor. „Gij hebt geen denkbeeld van de gestrengheid eener regeering, die door welgegronde vrees, en tevens door de bewustheid harer onwettigheid en onveiligheid verontrust wordt. Ik zal u nog moeten komen verlossen uit de een of andere ellendige gevangenis op het kasteel van Stirling of Edinburgh.”
„Mijn onschuld, mijn rang, mijns vaders vriendschapsbetrekking met lord M –, met den generaal G –, enz. zullen een toereikende bescherming zijn.”
„Gij zult het tegendeel ondervinden; deze heeren zullen genoeg met hunne eigene zaken te doen hebben. Nog eens, wilt ge den plaid aannemen, en mij eenigen tijd ter zijde staan, tusschen de mist en de kraaien [111] in de loffelijkste zaak, waarvoor ooit een zwaard ontbloot werd?”
„Om verscheidene redenen, waarde Fergus, moet ge mij daarvan verschoonen.”
„Nu dan, ik zal u zeker aantreffen, bezig met uw dichterlijk talent te oefenen in klaagzangen op een gevangenis, of uwe oudheidkundige bekwaamheden in het verklaren der Oggamsche [112] letters of eenig Punisch beeldschrift, op de hardsteenen van een oud gewelf; of wat zegt ge van un petit pendement bien joli. En ik zou niet borg willen staan dat u dat niet overkomt, als ge een corps gewapende Westlandsche Whigs ontmoet.”
„En waarom?”
„Om honderd goede redenen. Vooreerst, zijt ge een Engelschman; ten tweede, een fatsoenlijk man; ten derde, een aanhanger van de Bisschoppelijke kerk; en ten vierde, hebben ze in langen tijd geen gelegenheid gehad, om hunne krachten op zoo iemand te beproeven. Maar, laat u niet ter neêrslaan, geliefde; alles zal geschieden in de vreeze des Heeren!”
„Welnu, ik zal het wagen.”
„Gij zijt dus besloten?”
„Zeer zeker.”
„Dat is koppigheid!” zeide Fergus. „Maar ge kunt niet te voet gaan, en ik zal geen paard noodig hebben, daar ik te voet optrekken moet aan het hoofd der kinderen van Ivor: ge moet dus mijn ros Dermid nemen.”
„Zoo ge hem verkoopen wilt, zal ik me zeker zeer verplicht achten.”
„Zoo uw trotsch Engelsch hart niet besluiten kan om een gift of leening aan te nemen, zal ik, bij het begin van een veldtocht, geen geld weigeren; de prijs is twintig guinjes. (Herinner u lezer, dat het zestig jaar geleden is). En wanneer zijt ge voornemens te vertrekken?”
„Hoe eer hoe liever.”
„Daar hebt ge gelijk in, nu ge toch gaan moet, of liever, gaan wilt, Ik zal Flora’s hit nemen, en u tot Bally-Brough begeleiden. – Callum Beg! maak onze paarden gereed, benevens een hit voor u, om mijnheer Waverley te vergezellen en op zijn bagaadje te passen, tot – (hier noemde hij een kleine stad), waar hij een paard en gids kan krijgen tot Edinburgh. Trek een Laaglandsche kleeding aan, en pas wel op dat ge den mond houdt, zoo ge niet wilt dat ik dien nog wat wijder open snijd; mijnheer Waverley zal Dermid rijden.” Vervolgens zich tot Eduard keerende, „Wilt ge afscheid van mijn zuster nemen.”
„Ongetwijfeld – dat wil zeggen, als freule Mac-Ivor me de eer wil gunnen.”
„Cathleen, laat mijn zuster weten, dat de heer Waverley afscheid van haar wenscht te nemen, alvorens hij ons verlaat. – Maar Rose Bradwardine – men moet aan haar toestand denken – ik wenschte dat ze hier ware, – En waarom zou ze niet? – Er zijn maar vier roodrokken op Tully-Veolan, en hunne geweren zouden ons zeer goed te pas komen.”
Op deze afgebroken woorden antwoordde Waverley niet; hij hoorde ze wel, maar zijn ziel was geheel vervuld met de verwachte binnenkomst van Flora. – De deur ging open. – Het was slechts Cathleen, die de verontschuldiging van hare meesteres overbracht, alsmede haar beste wenschen voor mijnheer Waverley’s welvaart en geluk.
NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
WAVERLEY’S ONTVANGST IN DE LAAGLANDEN, NA ZIJNE HOOGLANDSCHE REIS.
Het was middag, toen de beide vrienden op den top van Bally-Brough stonden. „Ik moet niet verder gaan,” zeide Fergus Mac-Ivor, die gedurende de reis te vergeefs gepoogd had den moed van zijn vriend op te beuren. „Als mijn ondeugende zuster eenig deel aan uwe neêrslachtigheid heeft, koestert ze toch, geloof dat vrij, hooge gedachten van u, ofschoon haar tegenwoordige bezorgdheid voor openbare zaken haar belet zich met een ander onderwerp bezig te houden. Vertrouw me uwe belangen toe; ik zal ze niet verraden; mits ge die ellendige kokarde niet weer opzet.”
„Vrees daarvoor niet, na de wijze waarop ze mij ontnomen is. Vaarwel, Fergus, laat uwe zuster mij niet vergeten!”
„Nu vaarwel, Waverley! ge zult wellicht spoedig van haar onder een hoogeren titel hooren gewagen. Ga naar huis, schrijf brieven, win vrienden zoo vele en zoo spoedig ge maar kunt; er zullen weldra onverwachte gasten op de kust van Suffolk zijn, of mijn tijdingen uit Frankrijk hebben mij bedrogen [113].”
Dus scheidden de beide vrienden; Fergus keerde naar zijn kasteel terug, terwijl Eduard, gevolgd door Callum Beg, die in een Laaglandschen rijknecht herschapen scheen, voorttrokken naar het landstadje **.
Eduard reisde voort met het pijnlijke en toch niet geheel hopelooze gevoel, hetwelk scheiding en onzekerheid gewoonlijk in de ziel van een jeugdigen minnaar opwekken. Ik weet niet of de dames het volle gewicht van den invloed der afwezigheid inzien; ook acht ik het niet verstandig haar dit te leeren, opdat, evenals de Clelias en Mandanes van oudtijds, de lust haar niet weer bekruipe om haar minnaars in ballingschap te zenden. Het is waar, dat de verwijdering denkbeeldig dezelfde uitwerking te weeg brengt, als met wezenlijke zichtbare dingen geschiedt. Zij verzacht en rondt de voorwerpen af, en maakt ze dubbel bevallig; al de harde en meer dagelijksche punten van het karakter ontsnappen aan het oog; en die welke men zich herinnert, zijn de meer treffende trekken, die van verhevenheid, bevalligheid of schoonheid getuigen. Er zijn zoo wel nevels in den geestelijken, als in den natuurlijken dampkring, om al hetgeen minder behagelijk is te omsluieren; en ook gelukkige lichtstralen, met vollen glans vallende op die partijen, welke bij een schitterende verlichting kunnen winnen.
Waverley vergat Flora’s vooroordeelen bij de gedachte aan haar grootmoedigheid, en vergaf haar bijna hare onverschilligheid voor zijn liefde, als hij zich het verhevene doel voor den geest riep, dat geheel haar ziel scheen te vervullen. Indien haar gevoel van plicht haar zoo sterk hechtte aan de zaak van een weldoener, waartoe zou ze dan niet in staat zijn, wat zou haar liefde niet opofferen voor den gelukkigen sterveling, wien het gelukken mocht die te winnen? Daarop volgde de moeielijke vraag, of hij die gelukkige kon zijn? – een vraag, welke de inbeelding bevestigend poogde te beantwoorden, door altijd op te roepen, wat ze tot zijn lof had gesproken; terwijl er nog veel vleiender uitlegging aan werd toegevoegd, dan de tekst zelf medebracht. Al wat een gewoon gezegde was, al wat tot de alledaagsche wereld behoorde, smolt weg en verdween in dezen droom der verbeelding, die slechts, op de voordeeligste wijze, de bevalligheden en grootsche hoedanigheden in herinnering bracht, welke Flora van de meeste harer kunne onderscheidden; niet de bijzonderheden welke ze met haar gemeen had. In het kort, Eduard was flink op weg, om een godin te maken van een hooggestemd, talentrijk en schoon meisje; en de tijd werd doorgebracht met het bouwen van luchtkasteelen, tot, bij het afdalen van een steilen heuvel, zijn oog getroffen werd door het aan den voet daarvan gelegen stadje, of marktvlek **.
De Hooglandsche beleefdheid van Callum Beg – in het voorbijgaan gezegd, zijn er weinige volkeren, die op zoo veel natuurlijke beleefdheid kunnen roemen, als de Hooglanders [114] – had hem niet vergund de mijmeringen van onzen held te storen. Maar, bemerkende dat hij bij het zien der huizen uit dit gepeins ontwaakte, reed Callum hem dichter op zijde, en zeide, dat hij hoopte „als ze beneden kwamen, mijnheer toch niets zeggen zou van Vich Ian Vohr, want het volk daar bestond uit bittere Whigs, de drommel hale hen!”
Waverley verzekerde zijn voorzichtigen gids, dat hij op zijn hoede wezen zou; en daar hij thans, niet het luiden van klokken, maar het slaan van iets als een hamer tegen den kant van een ouden, morsigen beschimmelden, omgekeerden soepketel hoorde, die in een open hut hing, van de grootte en gedaante eener papagaaiskooi, opgeslagen ter versiering van het oosteinde van een gebouw, hetwelk naar een oude schuur geleek, vroeg hij aan Callum Beg, of het Zondag was?
„’k Zou ’t niet zoo juist kunnen zeggen – de Zondag komt zelden over den pas van Bally-Brough.”
Doch toen ze het vlek binnenkwamen, en op de eerste herberg, die zich opdeed, en er redelijk goed uitzag, aanreden, zagen ze scharen van oude vrouwen met zwarte regenmantels en roode rokken, uit het gebouw te voorschijnkomen, die gezamenlijk onder het voortgaan, de verdiensten van den godzaligen jongeling Jabesh Rentowel, behandelden, alsmede die van het uitverkoren vat, meester Goukthrapple. Zoodra hij dit zag, meende Callum den meester, dien hij voor het oogenblik diende, te kunnen zeggen, dat het óf de groote Zondag zelf was, óf de kleine Bewinds-Zondag, dien ze den vastendag noemen.” [115]
Zij stapten aan den Zevenarmigen Gouden Kandelaar af, die, tot verdere stichting der gasten, voorzien was van een korte Hebreeuwsche zinspreuk, en werden ontvangen door den Kastelein, een lange, magere, puriteinsche gestalte, die scheen te aarzelen een onderkomen te verleenen aan lieden die op den feestdag reisden. Daar hij echter naar alle waarschijnlijkheid bedacht, dat, hij de macht bezat om hen voor zulk een ongeregeldheid een straf te doen betalen, welke ze gemakkelijk ontgaan konden, door bij Gregor Duncanson in de Hooglander en de Valkenier hun intrek te nemen, was Ebenezer Cruickshanks zoo toegevend van hen in zijn woning toe te laten.
Tot dezen vroomen man richtte Waverley zijn verzoek om hem een gids te bezorgen, met een paard, om zijn mantelzak naar Edinburgh te brengen.
„En van waar komt gij?” vroeg de kastelein uit de Kandelaar.
„Ik heb u gezegd, waarheen ik gaan wilde. Ik zie niet in dat de gids of zijn paard iets meer behoeven te weten.”
„Hm! Hm!” hernam de man uit de Kandelaar, een weinig van zijn stuk gebracht door deze afwijzing. „Het is de algemeene vastendag, mijnheer, en ik kan in geenerlei vleeschelijken handel treden op zulk een dag, wanneer het volk zich moet verootmoedigen en de afgedwaalden terug moeten keeren, zoo als de eerwaarde heer Goukthrapple zegt, en dit te meer, daar, gelijk de dierbare Jabesh Rentowel te recht aanmerkte, het land treurt over verbrande, geschondene en vernietigde kerkelijke privilegiën.”
„Mijn beste vriend, als ge mij geen paard en gids kunt bezorgen, zal mijn knecht die elders zoeken.”
„Ja wel! uw knecht? – En waarom gaat hij zelf niet verder met u?”
Waverley bezat slechts weinig van het ongeduld van een Kavalerie-Officier, – ik bedoel die soort van ongeduld, waaraan ik eens veel verplichting had, bij gelegenheid dat ik op een postwagen of diligence een militair ontmoette, die beleefdelijk de moeite op zich nam, om de knechts in herbergen in orde te houden en de rekeningen na te zien. Iets echter van deze nuttige gave had onze held in den dienst verkregen, en bij deze onbeschofte uittarting begon het voor den dag te komen. „Hoor eens, vriend, ik ben hier gekomen om te zoeken wat ik noodig heb, en niet om onbeschaamde vragen te beantwoorden. Zeg, of ge het mij kunt bezorgen of niet; ik zal in elk geval wel weten, wat mij te doen staat.”
Ebenezer Cruickshanks verliet de kamer, eenige onverstaanbare woorden tusschen de tanden mompelende; maar of ze weigerend of toestemmend waren, kon Eduard, niet juist onderscheiden. De Kasteleines, een vriendelijke, rustige, werkzame tobster, kwam zijn bevelen voor het middageten vernemen, maar onthield zich van eenig antwoord betrekkelijk paard en gids te geven; want de Salische wet, die de vrouwen van de regeering uitsluit, strekte zich, naar het schijnt, tot de stallen van den Gouden Kandelaar uit.
Uit een venster, dat op de donkere en nauwe plaats uitzicht had, waar Callum Beg de paarden verzorgde, hoorde Waverley het volgende gesprek tusschen den slimmen lijfknecht van Vich Ian Vohr en den Kastelein.
„Jij komt zeker uit het noorden, jonkman?” begon de laatste.
„Dat mag je wel zeggen,” antwoordde Callum.
„En je zult van daag mogelijk een heel end gereden zijn?”
„Zoo ver dat ik met pleizier een slokje zou willen nemen.”
„Vrouw, breng eens een borreltje.”
Hier volgden eenige beleefdheden door de gelegenheid vereischt, waarop de Kastelein uit den Gouden Kandelaar, na, zoo als hij dacht, het hart van zijn gast, door deze gulle behandeling gestolen te hebben, zijn onderzoek hervatte.
„Gij zult aan de overzijde van den Pas niet veel beteren drank vinden?”
„Ik ben niet van de overzijde van den Pas.”
„Gij zijt, naar uwe uitspraak, toch een Hooglander?”
„Neen, ik kom van den kant van Aberdeen.”
„En is uw meester met u van Aberdeen gekomen?”
„Wel– toen ik er zelf van daan ben gegaan, ging hij ook,” antwoordde de ondoordringbare Callum Beg met de meeste koelbloedigheid.
„En wat soort van heer is hij?”
„Ik geloof dat hij een van koning Georges staatsambtenaren is; althans hij wil naar het zuiden gaan, en hij heeft een boel geld, en knort, of dingt nooit om een kleinigheid.”
„Hij heeft een paard en gids van hier naar Edinburgh noodig?”
„Precies, en gij moet hem die terstond bezorgen.”
„Hm, Hm! Het zal lang niet goedkoop zijn.”
„Hij ziet op geen stuiver.”
„Ja wel! Duncan – Hebt ge mij niet gezegd dat ge Duncan of Donald heette?”
„Neen man – Jamie – Jamie Steenson – heb ik u al gezeid.”
Deze laatste meesterlijke zet ontwapende meester Cruickshanks, die, ofschoon verre van voldaan, hetzij over de achterhoudendheid des meesters, of over de wakkerheid van den bediende, zich tevreden hield met een belasting te leggen op de rekening en de huur van het paard, om zijn teleurgestelde nieuwsgierigheid te vergoeden. De omstandigheid dat het een vastendag was, werd niet vergeten, schoon de som het dubbele niet te boven ging van hetgeen ze naar billijkheid bedragen moest.
Callum Beg maakte kort hierop, in eigen persoon, de ratificatie van het verdrag bekend, terwijl hij er bijvoegde, „Die oude Duivel wil zelf met den Duinhé-wassel mederijden.”
„Dat zal niet heel aangenaam zijn, Callum, en heel veilig ook niet, want onze waard schijnt iemand te zijn die heel nieuwsgierig is; maar een reiziger moet zich aan zulke ongemakken onderwerpen. Intusschen, mijn jongen, hier is een kleinigheid voor u, om op Vich Ian Vohr’s gezondheid te drinken.”
Callums valkenoog straalde van genoegen op het zien van een gouden guinje, die de laatste woorden vergezelde. Hij haastte zich, met niet zonder een vloek op de bezwaren van een Saksischen broekzak, of „beurs,” zoo als hij het noemde, zijn schat op te steken, en vervolgens, alsof hij begreep dat deze goedheid eenige vergelding van zijn kant vorderde, kwam hij Eduard dicht op zijde, met een uitdrukking in het gelaat die bijzonder sprekend was, terwijl hij op een half gesmoorden toon er bijvoegde: „Zoo mijnheer denkt dat die oude helsche Whig van een kerel een beetje gevaarlijk is, kan men hem gemakkelijk bezorgen.”
„Op welke wijze?”
„Ik zou hem zelf,” hernam Callum, „een klein eindje wegs van het dorp kunnen opwachten, en hem de huid met den Skene-occle, kittelen.”
„Skene-occle! Wat is dat?”
Callum knoopte zijn rok los, ligtte den linkerarm op, en wees, met een nadrukkelijken knik, op het gevest van een kleinen dolk, behendig in de voering van zijn buis verborgen. Waverley dacht dat hij hem verkeerd begrepen had; hij zag hem stijf aan, en ontdekte in Callums waarlijk schoon, hoewel verbrand gelaat, juist die uitdrukking van schelmsche kwaadaardigheid, welke een knaap van dezelfde jaren in Engeland zou hebben vertoond, bij het plan om een boomgaard te bestelen.
„Goede Hemel! Callum, zoudt ge den man het leven willen benemen?”
„Zeker,” antwoordde de jonge woesteling, „en ik denk dat hij al lang genoeg geleefd heeft, als hij het er op toelegt om brave lieden te verraden, die in zijn herberg komen om hun geld te verteren.”
Eduard zag, dat er met redeneeren niets te doen viel, en hield zich dus tevreden met Callum te bevelen, alle plannen tegen den persoon van Ebenezer Cruickshanks te laten varen; welk bevel de knaap met groote onverschilligheid scheen aan te hooren.
„De Duinhé-wassel moet het zelf weten; de oude vent heeft Callum nooit kwaad gedaan. – Maar hier is een regeltje van het Opperhoofd, dat hij mij verzocht mijnheer te geven, eer ik terug kwam.”
De brief bevatte Flora’s dichtregels op het lot van kapitein Wogan, wiens ondernemend karakter door Clarendon zoo fiks beschreven is. Hij had zich oorspronkelijk in dienst begeven van het Parlement, maar had die partij verzaakt, bij het ter dood brengen van Karel I; en vernemende dat de koninklijke standaard door den graaf van Clencairn en den generaal Middleton was opgestoken in de Schotsche Hooglanden, nam hij afscheid van Karel II, die toen te Parijs was, stak over naar Engeland, verzamelde een corps ruiterij in de nabijheid van Londen, en trok dwars door het rijk, dat zoo lang onder de heerschappij van den overweldiger was geweest, en volbracht zijn marschen met zooveel kunde, moed en beleid, dat hij zijn handvol paardevolk behouden vereenigde met het corps Hooglanders, hetwelk zich toen onder de wapens bevond. Na verscheidene maanden, gedurende welke de krijg onbeslist bleef en waarin Wogans kunde en dapperheid hem den hoogsten roem verwierven, had hij het ongeluk om gevaarlijk gekwetst te worden, en daar er geene heelkundige hulp bij de hand was, eindigde op deze wijze zijn korte maar roemrijke loopbaan.
De reden lag voor de hand, waarom het sluwe Opperhoofd het voorbeeld van dezen jongen held onder het oog van Waverley wenschte te brengen, met wiens romanesken aard het zoo volkomen strookte. Maar zijn eigen brief kwam neêr op een beuzeling, die Waverley beloofd had voor hem in Engeland te volvoeren, en slechts aan het slot trof Eduard deze woorden aan: „Ik ben nog boos op Flora, omdat ze ons gisteren haar gezelschap heeft geweigerd, en daar ik u de moeite geef om deze regels te lezen, ten einde ge uwe beloften onthouden mocht, om mij het vischtuig en den handboog uit Londen te bezorgen, wil ik haar verzen op het graf van Wogan hierbij insluiten. Dit, weet ik, zal haar spijten; want, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat ze meer verliefd is op de nagedachtenis van dezen held, dan zij het waarschijnlijk ooit op eenig levend mensch zal worden, tenzij hij een soortgelijk pad bewandele. Maar de Engelsche heeren van onzen tijd bewaren hunne eiken om met het loof er van hunne hertenkampen te overschaduwen, of om hunne verliezen van éénen avond, bij de speeltafel er mede te herstellen, en roepen ze even zoo min te hulp, om hunne slapen te omkransen, als om hunne graven te overschaduwen. Laat mij op een schitterende uitzondering hopen in een dierbaren vriend, wien ik met, vreugd een dierbaarder naam zou geven.” „Het vers had tot opschrift;
AAN EEN EIKENBOOM.
OP HET KERKHOF TE **, IN DE HOOGLANDEN VAN SCHOTLAND, EN WAARDOOR MEN GELOOFT DAT HET GRAF WORDT AANGEWEZEN VAN KAPITEIN WOGAN, IN 1629 GESNEUVELD.
Spreid, zinbeeld van oud Britsche trouw, Op ’t graf van hem, wiens trouw zoo schittrend uit mocht blinken, En waar de dapperheid te vroeg in neêr moest zinken, Uw koele, zachte, milde schaaûw.
En gij, die op dit grafbed rust, Beklaag u niet, zoo hier, waar Noorderstormen gieren, De lucht verweigert om uw heldenterp te sieren Met bloemen van een milder kust.
De zoete Mei ontlokt ze aan de aard; Maar ach, ze kwijnen reeds bij feller zonnegloeien, En eer de winterstormen loeien; Maar is heur broosheid wel uw beeld, en uwer waard?
Neen, want te midden van des noodlots felle’ orkaan, Zwol des te hooger slechts uw niet te buigen harte, En, daar de wanhoop zich vermengde met de smarte, Vingt gij, al was ze kort, uw schoone loopbaan, aan.
Toen zocht ge, op Albijns heuveltop – Daar Englands zonen reeds den fellen kamp ontweken – Een ruwe krijgerschaar, tot heden onbezweken, Ter zwaaing van het wraakstaal op.
Uw dood ging niet gepaard met droef genokte klacht; Geen heilig klokgeluid klonk bij uw stervenssponde; De in plaid gedoschte Gael vergaarde er zich in ’t ronde, En slechts tot lijkzang werd hun pibroch u gebracht.
Maar wie, te midden van des voorspoeds zonnelicht, Zou aan uw morgen niet met vreugd de voorkeur geven, Ver boven een gerekter leven, Welks glorie reeds voor d’ avond zwicht?
Den boom, wien koû noch hitte deert, We wijden hem aan u; zijn dosch buigt tot u over; Oud Rome omvlocht het hoofd der helden met uw lover, Gelijk uws Wogans graf door Albijn wordt vereerd.
Wat ook de wezenlijke verdienste van Flora Mac-Ivor’s poëzij moge geweest zijn, de geestdrift die ze haar had ingeboezemd, was wel geschikt om diepen indruk op haar minnaar te maken. De verzen werden gelezen – andermaal gelezen – vervolgens in Waverley’s boezem geborgen – daarna er weder uitgehaald, en regel voor regel herlezen met een lage, gesmoorde stem, die het genot rekte, even als een Epicurist, door langzaam en droppelsgewijze den beker te ledigen, het genot van een heerlijken dronk verhoogt. Het binnenkomen van jufvrouw Cruickshanks, met de prozaïsche mondbehoeften van wijn en een maaltijd, stoorde ter nauwernood deze mijmering der verliefde verbeelding en geestvervoering.
Ten laatste vertoonde zich de lange, lompe gestalte en het onaangename gezicht van Ebenezer zelven. Ofschoon het jaargetijde zulk een voorzorg niet eischte, was hij geheel gewikkeld in een wijden jas, met een riem vastgehecht. Deze was van boven voorzien van een groote kap van dezelfde stof, die, over hoofd en hoed getrokken, beide volkomen overschaduwde, en beneden de kin toegeknoopt werd. In de hand had hij een zweep, met een koperen handvatsel. Zijn dunne beenen staken in een paar baggermanslaarzen, aan de zijden met roestige haken dichtgemaakt. Aldus toegerust, stapte hij tot midden in het vertrek door, en gaf toen met korte woorden te kennen: „Uw paarden zijn klaar,”
„Gij gaat dus zelf met mij, kastelein?”
„Ja, tot Perth, daar zult ge een gids naar Edinburgh vinden, als ge dien noodig mocht hebben.”