Chapter 6 of 50 · 3981 words · ~20 min read

Part 6

De eenzaamheid en stilte van het geheele tooneel hadden iets kloosterachtigs: en Waverley, die zijn paard aan zijn knecht bij het binnenkomen der eerste poort gegeven had, wandelde de rijlaan zachtkens af, terwijl hij de aangename en koele schaduw genoot, en zóo ingenomen was met de vreedzame denkbeelden van rust en afzondering, die dit stille tooneel opwekten, dat hij de ellende en de morsigheid van het pas verlaten dorp vergat. Het binnenste van het geplaveide binnenplein stemde met het overige van het tooneel overeen. Het huis, dat uit twee of drie smalle, hooge gebouwen, met steile regthoekig van elkander uitgaande daken, scheen te bestaan, maakte de eene zijde der binnenplaats uit. Het was gebouwd in een tijd, toen er geen kasteelen meer noodig waren, en de Schotsche architectuur de kunst nog niet verstond om een gezellig verblijf te ontwerpen. De vensters waren talloos, maar zeer klein: het dak was met rondloopende kanteelen voorzien en op elken hoek verhief zich een torentje, dat eer naar een peperbus dan naar een Gothischen wachttoren geleek. Nogtans getuigde het front geenszins eene volkomene gerustheid in tijden van gevaar. Er waren schietgaten voor geweren, en ijzeren traliën vóor de onderste ramen, waarschijnlijk om de zwervende benden van heidenen te verjagen, of weerstand te bieden aan een stroopend bezoek van de veedieven uit de naburige Hooglanden. Stallen en andere bergplaatsen besloegen de overzijde van het vierkant. De eerste waren lage gewelven, met nauwe spleten, in plaats van vensters, volgens eene opmerking van Eduard’s bediende, „eer gelijkende op een gevangenis voor moordenaren, dieven, en soortgelijke boosdoeners, dan op eene plaats voor Christenvee.” Boven deze kerkerachtige stallen waren korenzolders, en andere bewaarplaatsen, die men langs een buitentrap van lomp metselwerk bereiken kon. Twee muren met kanteelen, waarvan een aan den kant der oprijlaan, en de ander het binnenplein van den tuin scheidde, voltooiden de afsluiting.

Ook deze plaats had hare sieraden. In een hoek stond een lompe, ronde duiventil, in omvang en lompheid op het merkwaardige gesticht, Arthursoven geheeten, gelijkende, dat de hoofden van alle oudheidkenners in Engeland in de war zou hebben gebracht, zoo niet de waardige eigenaar er van het gedenkteeken tot herstelling van een bijgelegen dijk, had afgebroken. Deze duiventil, of columbarium, zoo als de eigenaar ze noemde, had geene geringe waarde voor een Schotschen land-edelman van dezen tijd, wiens schamele inkomsten vermeerderd werden door de heffingen, welke deze vlugge fourageurs op de boerderijen legden, en door de conscriptie onder hen ten behoeve van zijn tafel geheven.

In een anderen hoek was eene fontein, waar een verbazend groote beer, in steen uitgehouwen, voor een ontzaglijke steenen kom stond, waarin hij het water door zijn muil ontlastte. Dit kunststuk wekte de bewondering der landstreek, tien mijlen in het rond op. Ik moet niet vergeten, dat allerlei soort van beeren, klein en groot, half of geheel, uitgehouwen waren boven de ramen, op de gevels aan het uiteinde der goten en de torentjes ondersteunende, met het oude familiemotto, „Wacht u voor den beer,” dat onder elk dezer dieren te lezen stond. De plaats was ruim, wèl bestraat en zindelijk, daar er waarschijnlijk nog een ingang achter de stallen was, om de mest weg te ruimen. Alles in het rond had iets verlatens en zou, zonder het aanhoudende plassen der fontein, dood stil zijn geweest, terwijl het gansche tooneel wel geschikt scheen om aan Waverley’s verbeelding het denkbeeld van een klooster op te dringen. – Doch hier vragen wij verlof tot het sluiten van een hoofdstuk, waarin niets dan stil leven geschilderd werd. [30]

NEGENDE HOOFDSTUK.

NOG IETS OVER HET HEEREN-HUIS EN DE OMSTREKEN.

Nadat Waverley zijn nieuwsgierigheid bevredigd had, door eenige oogenblikken rond gekeken te hebben, greep hij den massieven klopper der slotdeur, wier architraaf het jaargetal 1594 te lezen gaf. Maar antwoord volgde er op zijn geklop niet, ofschoon het geluid door een aantal kamers klonk, door de muren der binnenplaats van buiten herhaald werd; en het de duiven van de grijze rotunda waar ze verblijf hielden, opjoeg en op nieuw de verwijderde dorprekels in rep en roer bracht, waarvan ieder zich op zijn mesthoop had te slapen gelegd. Vermoeid door het verwekte rumoer, en de tergende antwoorden, die hij daarop ontving, begon Waverley te denken, dat hij op het kasteel van Orgoglio was aangekomen, zoo als dit door den overwinnenden prins Arthur werd betreden.

Hij ving nu aan met kracht te roepen in het huis; Maar niemand was er wie zijn kreten mochten wekken. Er ademde overal slechts stilte en dof Gesuis; Geen stem weêrklonk, geen mensch liet ergens zich ontdekken.

Daar hij niets anders verwachtte dan „een oud, oud man te zien, met een baard zoo wit als sneeuw,” dien hij zou kunnen ondervragen over het verlatene woonhuis, keerde onze held zich naar een klein eiken zijdeurtje, rijkelijk met ijzeren spijkers beslagen, en dat in den muur van het plein aan den hoek van het huis werd aangetroffen. Dit deurtje was, in weerwil van het versterkte voorkomen, slechts op de klink, en bracht Eduard, nadat het geopend was, in den tuin, die een aangenaam gezicht opleverde. [31] De zuidzijde van het huis, met vruchtboomen, en hier en daar met hoog langs de muren groeiende klimplanten bewassen, strekte den onregelmatigen en grijzen voorgevel langs een, deels bestraat deels met zand bestrooid, deels met bloemen en uitgezochte heesters omzoomd, terras uit. Dit terras leidde langs drie verschillende trappen, waarvan een in het midden was, en twee aan de beide einden geplaatst waren, naar den tuin, en was omgeven door een steenen borstwering met eene zware ballustrade, van afstand tot afstand versierd met logge, groteske figuren van dieren, op de hurken gezeten, waaronder de geliefkoosde beer herhaaldelijk voorkwam. Midden op het terras, tusschen een vleugeldeur in het huis en den middelsten trap, droeg een dezer dieren op zijn kop en voorpooten een zonnewijzer van grooten omvang, met meer meetkundige figuren bezet, dan Eduard in staat was te ontcijferen.

De tuin, die met de grootste zorg scheen onderhouden te zijn, en een overvloed van vruchtboomen bevatte, leverde een groote hoeveelheid bloemen, en palmstruiken in allerlei zonderlinge figuren geschoren op. De aanleg bestond in verschillende terrassen, die trapsgewijze van den westelijken muur naar een breeden vliet afdaalde, die zich stil en effen vertoonde, in zoo verre hij den tuin tot grens diende; maar dicht aan het einde liep hij bruisend over een sterken dam, de oorzaak van zijn schijnbare kalmte, en terwijl hij daar een waterval vormde, was er aan den oever een achthoekig koepeltje, met een vergulden beer, bij wijze van weerhaan op den top. Achter dit kunstwerk verloor men de beek uit het oog, terwijl ze haar natuurlijk, snel en stout karakter hernam, en een diepe en met boschjes bezette vallei instroomde, uit wier midden een zware, maar vervallen toren, de voormalige woning der barons van Bradwardine, zich verhief. Langs den oever van de beek, aan de andere zijde, strekte zich een smalle weide of uiterwaard uit; ze was tot een klein bleekveld ingericht, terwijl de hoogte daarachter met oude boomen bedekt was.

Hoe bevallig dit tooneel ook was, kon het evenwel met met de tuinen van Alcina vergeleken worden; ondertusschen ontbraken er de „due donzelette garrule” [32] van dat betooverd paradijs niet; want op het genoemde bleekveld volbrachten twee meisjes, die ieder in eene groote tobbe stonden, met hare ontbloote voeten de taak van eene patent-wasch-machine. Ze bleven echter niet, gelijk de nimfen van Armida staan, om den naderenden gast met haar welkomstgroet te verheugen; maar, verschrikt door de verschijning van een knappen vreemdeling aan de overzijde, lieten ze hare kleederen (om geheel juist te spreken, zou ik kleed moeten zeggen) over die ledematen neervallen, welke ze om den wille van hare bezigheid een weinig te veel ontbloot hadden; en onder den uitroep van een schel: „Heere mijn tijd!” geuit op een toon die het midden hield tusschen zedigheid en coquetterie, sprongen ze als herten in verschillende richtingen weg.

Waverley begon reeds te wanhopen, dat hij toegang tot dit eenzaam en schijnbaar betooverd verblijf zou verkrijgen, toen hij een man zag naderen langs een der lanen van den tuin, waar hij was blijven toeven. In de meening dat dit een tuinman, of een andere tot het huis behoorende bediende, wezen zou, liep Eduard eenige trappen van het terras af, om hem te ontmoeten; maar, toen de gedaante naderde, en lang voor dat hij de gelaatstrekken onderscheiden kon, stond hij versteld over het zonderlinge voorkomen en de gebaren van den man. Nu eens hield dit wonderlijke wezen de handen boven het hoofd ineengeslagen, gelijk een Indiaansche Jogue die boete doet; dan weder zwaaiden ze heen en weer als de slinger van een uurwerk; waarna hij ze snel en bij herhaling kruiselings over zijn borst sloeg, gelijk een huurkoetsier, om het gemis van het gebruik der zweep te vergoeden, als hij, op een kouden winterdag met zijn beesten op de gewone standplaats staat te wachten. Zijn gang was niet minder vreemd dan zijne gebaren, want eene poos lang hinkte hij, met groote volharding op den rechter voet, waarna hij dezen steun verwisselde, om op dezelfde wijze op den linker voort te gaan, en ze vervolgens weder dicht aan elkander sluitende, sprong hij op beide te gelijk voort. Zijn kleeding was ouderwetsch en buitengewoon. Ze bestond uit een soort van grijs wambuis, met scharlaken roode opslagen, en halfopen mouwen, waaronder een voering van gelijke kleur zichtbaar werd; de andere deelen zijner kleeding kwamen hiermede wat de kleur betreft, volkomen overeen; een paar roode kousen en een scharlaken muts niet tevergeten, sierlijk opgeschikt met de veer van een kalkoen. Eduard, dien hij niet scheen op te merken, bespeurde nu dat de trekken van zijn gelaat bevestigden, wat zijne bewegingen reeds hadden doen vermoeden. Naar het scheen, was het noch onnoozelheid noch zinneloosheid, welke die woeste, gejaagde steeds verwonderlijke uitdrukking aan zijn van natuur niet leelijk gelaat gaf, maar veeleer iets dat eene vereeniging van beide was, daar het stompe der onnoozelheid met de buitensporigheid eener gekrenkte verbeelding, vermengd was. Hij zong met grooten ernst, en niet zonder eenigen smaak, een stuk uit een oud Schotsch lied:

Valsch lief, en speelt ge mij deez’ trek, Bij ’t lachend zomergroen? ’k Betaal hem u met woeker weêr In ’s winters bar saizoen; Zoo gij u niet bekeert, mijn lief, Bekeert, uw ontrouw moê: Als gij met andere meisjes stoeit, Lach ’k andere mannen toe.

Zoodra hij de oogen van den grond ophief, waarop ze waren gevestigd geweest om te zien hoe zijne voeten de maat bij het gezang hielden, ontwaarde hij Waverley, en nam terstond zijne muts af met vele wonderlijke blijken van verrassing, eerbied en beleefdheid. Schoon hij weinig hoop koesterde eenig antwoord op zijne vraag te ontvangen, verzocht Eduard te mogen weten, of mijnheer Bradwardine te huis was, of waar hij iemand van de bedienden kon vinden. De ondervraagde gaf antwoord, en, even als de tooveres van Thalaba, „was zijn spraak steeds gezang.”

„De ridder toog heen naar ’t gebergte, Daar schalt er zijn jachthoren luid; Daar ginds in het veld kiest de dame, Gebloemt’ voor een bruidkrans zich uit. Schoon-Ellens priëel is in ’t ronde Met mos en gebladert bedekt, Opdat niet de tred van lord Willem Den argwaan van luisteraars wekt.”

Dit maakte Eduard niet wijzer, en toen hij zijn vraag herhaalde, ontving hij een schielijk antwoord waarin, door de haastige en eigenaardige uitspraak, het woord: „keldermeester” alleen verstaanbaar was. Waverley verzocht dus den keldermeester te mogen zien, waarop de man, met een blik, die te kennen gaf, dat hij hem verstond en een toestemmend knikje, Eduard een teeken gaf hem te volgen, terwijl hij begon te dansen en allerlei kapriolen te maken in de laan, waardoor hij gekomen was. „Een vreemde leidsman,” dacht Eduard, „hij heeft iets van een van Shakespeares hofnarren. Het is misschien voorzichtig hem tot gids te nemen, maar wijzer lieden dan ik worden wel eens door gekken geleid!” Intusschen kwamen ze aan het einde van de laan; en daar, op eens den hoek omslaande, bereikten ze een klein bloemperk, tegen den oosten- en noordenwind door eene dichte heg van palmhout beschut. Eduard vond daar een oud man in zijn hemd aan het werk. Zijn voorkomen hield het midden tusschen dat van een eersten bediende en een tuinman. „Zijn roode neus en geplooid hemd behoorden tot iemand die het eerste beroep bekleedde; zijn gezond en door de zon verbrand gelaat, en zijn groene voorschoot daarentegen, schenen aan te duiden:

Des ouden Adams beeld, verplicht deez’ akker te bebouwen.

De major-domo, want dit was hij, en onbetwistbaar de tweede ambtenaar van staat in de baronie, (ja, als eerste minister van het inwendig bestuur, in zijn eigen departement van keuken en kelder, stond hij zelfs boven baljuw Mackwheeble) – de major-domo legde zijn spade neer, schoot spoedig den rok aan, en, met een toornigen blik op Eduards leidsman, waarschijnlijk omdat deze een vreemdeling bij hem had gebracht, terwijl hij bezig was met deze zware, en, zoo als hij zich wellicht verbeeldde, vernederende taak, verzocht hij mijnheers bevelen te mogen vernemen. Nadat Waverley hem zijn naam genoemd en hem te kennen gegeven had, dat hij een bezoek bij zijn meester wenschte af te leggen, vertoonde het gelaat van den ouden man een uitdrukking van eerbiedige belangstelling. „Hij kon op zijn woord verzekeren, dat het mijnheer den Baron groot genoegen zou doen hem te zien; wilde mijnheer Waverley na zijn reis niet iets gebruiken? De Baron was bij het volk, dat op de plaats bezig was met een zwarten heg omver te halen; en de beide tuinknechts (met nadruk op het woord beide) hadden order gekregen hem te volgen: en hij zelf was zich intusschen gaan vermaken met freule Rose’s bloemperken in orde te brengen, om bij de hand te zijn de bevelen van mijnheer te ontvangen, – hij hield zeer veel van tuinieren, maar had weinig tijd voor zulke uitspanning.”

„Hij kan in geen geval er meer dan twee dagen in de week aan werken,” zeide Eduards dwaze geleider.

Een grimmige blik van den keldermeester tuchtigde deze onbescheidenheid, en terwijl hij hem met den naam van David Gellatley aansprak, gebood hij hem tevens op een toon die geene tegenspraak duldde, den Baron op te gaan zoeken, en hem te zeggen dat er een heer uit het zuiden van het land op de plaats was aangekomen.

„Kan deze arme knaap een brief overbrengen?” vroeg Eduard.

„Met alle mogelijke trouw, mijnheer, aan iedereen, voor wien hij eerbied heeft. Een lange mondelinge boodschap zou ik hem bezwaarlijk toevertrouwen, schoon hij eer ondeugend, dan gek is.”

Waverley gaf zijn geloofsbrieven aan den heer Gellatley over, die des keldermeesters laatste aanmerking scheen te bevestigen, door, terwijl deze naar een anderen kant zag, gezichten achter zijn rug te trekken, die naar de grimassen op den kop van een Duitsche tabakspijp geleken; waarop hij, na een wonderlijke buiging voor Waverley gemaakt te hebben, wegdanste om zijn last te volbrengen.

„Het is een onnoozele, mijnheer,” zei de keldermeester: „men vindt er een bijna in iedere stad van het land; maar de onze is ver van hier gekomen. Hij placht den geheelen dag vrij wel te werken; maar hij redde freule Rose, toen ze vervolgd werd door den heer van Killancureits nieuwen Engelschen stier, en sedert dien tijd noemen wij hem Davie Doe luttel; waarlijk, wij mochten hem wel Davie Doe niets noemen, want sedert hij die kluchtige kleeding kreeg, tot vermaak van den Baron en van mijne jonge meesteres – want groote lui hebben hunne grillen, – heeft hij niets gedaan, dan der tuin op en neer dansen, zonder een hand uit te steken, dan om mijnheers vischnetten in orde te brengen of zijne vliegen aan den hengel te slaan, of nu en dan eens een schotel forellen te vangen Maar daar komt freule Rose, die, ik durf er voor instaan, bijzonder in haar schik zal zijn, iemand van den huize Waverley op haars vaders plaats van Tully-Veolan te zien.”

Maar, Rose Bradwardine verdient iets beters van haar onwaardigen geschiedschrijver, dan op het einde van een hoofdstuk ten tooneele gevoerd te worden.

Inmiddels moeten wij hier aanteekenen, dat Waverley uit deze samenspraak twee dingen leerde: dat in Schotland een op zich zelf staand huis een stad en een geboren gek een onnoozele heet. [33]

TIENDE HOOFDSTUK.

ROSE BRADWARDINE EN HAAR VADER.

Rose Bradwardine was slechts zeventien jaar oud; en toch zeide, bij de laatste harddraverij in de hoofdstad van het graafschap, toen hare gezondheid met die van een aantal schoonen ingesteld werd, de heer van Bumperquaigh, permanent ceremoniemeester, enz. van de Bautherwhillery-club, niet alleen: Meer! terwijl hij dien toast met een beker vol Bordeaux-wijn bevestigde, maar noemde ook, eer hij de plenging volbracht, de godin, aan wie deze dronk gewijd was, de „Roos van Tully-Veolan.” Bij deze feestelijke handeling brachten al de leden van dit eerwaardig gezelschap, wier keel de wijn tot zulk eene inspanning nog had in staat gelaten, drie luide hoera’s uit. Ja, ik ben er zeker van, dat de slapende deelgenooten van het gezelschap hunne goedkeuring daaraan snorkend te kennen gaven, en dat, ofschoon sterke teugen en zwakke hoofden er twee of drie tegen den vloer geworpen hadden, deze evenwel, gevallen als ze waren uit hun hoogen staat, en wentelende – ik wil de parodie niet verder uitwerken – verscheiden ongearticuleerde geluiden voortbrachten, om te doen verstaan hoe zeer ze met het voorstel instemden.

Zulk een algemeene toejuiching kon slechts het gevolg zijn van erkende verdienste; en Rose Bradwardine verdiende ze niet alleen, maar eveneens de goedkeuring van veel redelijker wezens, dan de Bautherwhillery-club had kunnen aanwijzen, zelfs vóór de eerste flesch geleegd was. Zij was inderdaad een zeer lief meisje, zoo als de Schotten de schoonheid begrijpen; dat is, met een overvloed van bleek goudgeel haar en een huid, die de sneeuw op de bergen in witheid evenaarde. Nogtans was haar gelaat bleek noch droefgeestig; hare trekken, zoo wel als hare geaardheid, waren levendig; hare kleur, zonder bepaald blozend te zijn, was zoo zuiver, dat ze bijna doorschijnend geleek, en de minste aandoening joeg op eens al haar bloed naar gelaat en hals. Hare gestalte, schoon beneden de gewone maat, was zeer sierlijk, en hare bewegingen vlug, gemakkelijk en zonder een zweem van stijfheid. Zij kwam van een ander gedeelte van den tuin, om kapitein Waverley te ontvangen, op eene wijze die het midden hield tusschen beschroomdheid en beleefdheid.

Na het wisselen van de eerste groeten vernam Eduard van haar, dat de zwarte heg, die hem een weinig in de war had gebracht, bij des keldermeesters verslag van de bezigheid zijns meesters, niets te doen had met een zwarte kat of bezemsteel, maar eenvoudig een stuk eiken kreupelhout was, dat dien dag moest geveld worden. Beleefd, maar met een zekere schroomvalligheid, bood ze aan den vreemdeling naar de plaats te brengen, die, zoo het scheen niet ver af was; doch ze werd voorgekomen door de verschijning van den baron van Bradwardine in persoon die, geroepen door Davie Gellatley, thans naderde, „geheel met gastvrije gedachten bezield,” en wel met zulke geweldige schreden, dat Waverley daardoor aan de zeven-mijls laarzen uit het kindersprookje herinnerd werd. Hij was rank, schraal, krachtig en grijs, ofschoon iedere spier door aanhoudende oefening, nog volkomen lenig en rekbaar was. Hij was met weinig zorg gekleed, en meer als een Franschman dan een Engelschman van dien tijd, terwijl hij, met zijn harde trekken en zijn stijve houding, eenigszins geleek op een Zwitserschen garde-officier, die eenigen tijd te Parijs gelegen had en wel de kleêrdracht, maar niet het gemakkelijke in de manieren van de inwoners dier wereldstad zich had eigen gemaakt. Om de waarheid te zeggen waren zijn taal en zijn gewoonten even zonderling als zijn geheele voorkomen.

Als een gevolg van zijn natuurlijken aanleg voor de studie, of misschien volgens eene zeer algemeene gewoonte in Schotland, om de jonge lieden van rang in de rechten te laten studeeren, had men hem voor de balie opgeleid. Maar daar de staatkundige denkwijze zijner familie de hoop voor hem afsneed om in deze loopbaan vooruit te komen, had de heer Bradwardine gedurende verscheidene jaren gereisd, en was in den krijgsdienst eener vreemde mogendheid getreden. Na in 1715 deel aan de staatkundige woelingen te hebben genomen, waar hij in moeielijkheden met de regeering geraakte, had hij in afzondering geleefd, en bijna geen omgang gehad, dan met lieden van zijn beginselen uit de buurt. De vereeniging van de pedanterie des rechtsgeleerden, met den militairen trots des krijgsmans, zou aan meer dan een ijverig lid der corpsen vrijwilligers van onze dagen den tijd voor den geest roepen, toen de toga onzer pleiters dikwijls over een schitterend uniform geworpen werd. Voeg hierbij de vooroordeelen eener aloude afkomst en eener Jacobietische staatkunde, niet weinig versterkt door de uitoefening van een onafhankelijk gezag, dat, ofschoon beperkt binnen de grenzen van zijne heerlijkheid en de daartoe behoorende halfbeschaafde bewoners, aldaar onbetwistbaar en onbetwist was. Want, zoo als hij gewoon was aan te merken, „de landen van Bradwardine, Tully-Veolan, en andere, waren tot eene vrije baronie verheven, door een Charter van David den Eerste, cum liberali potestate habendi curias et justicias, cum fossa et furca et saka et soka, et thol et theam et infang-thief et outfang-thief, sive hand-habend, sive bakbarand.” [34] De bijzondere meening van al deze Cabalistische woorden wist bijna niemand te verklaren; maar ze beteekenden over het geheel, dat de baron van Bradwardine zijne vazallen en meijers naar verkiezing mocht gevangen nemen, vonnissen en terechtstellen. Evenals Jacobus I, was de tegenwoordige bezitter van dit gezag echter eer geneigd om over zulk een voorrecht te spreken, dan er gebruik van te maken; en, behalve dat hij twee wilddieven in den kerker van den ouden toren van Tully-Veolan wierp waar ze geweldig verontrust werden door spoken, en bijna opgevreten door ratten, en dat hij een oude vrouw had laten vastzetten, omdat ze gezegd had, „dat er meer gekken in het huis van Laird waren dan David Gellatley,” geloof ik niet, dat hij beschuldigd werd ooit van zijn hooge macht misbruik gemaakt te hebben. Met dat al verleende het bewustzijn, dat hij die macht bezat, min of meer gewicht aan zijn taal en houding.

Uit de wijze, waarop hij Waverley ontving, scheen het, dat het innig genoegen, hetwelk hij smaakte in het zien van zijns vriends neef, de stijve en statige deftigheid van den baron van Bradwardine een weinig uit den plooi had gebracht; want de tranen stonden den ouden heer in de oogen, toen, na Eduard eerst, volgens Engelsche gewoonte, hartelijk de hand te hebben gedrukt, hij hem vervolgens à la mode Française omhelsde, en op beide wangen kuste, terwijl zijn stevige handdruk en de hoeveelheid Schotsche snuif door zijn accolade medegedeeld, wederkeerig de tranen in de oogen van zijn gast te voorschijn riepen.

„Bij de eer van een edelman,” zeide hij, „het maakt mij weêr jong u hier te zien, mijnheer Waverley! Een waardige spruit van den ouden stam van Waverley-Honour – spes altera, zoo als Virgilius zegt – en gij hebt precies het gelaat van de oude linie, kapitein Waverley; niet zoo lijvig nog als mijn oude vriend Sir Everard – mais cela viendra avec le temps, zooals een mijner Hollandsche kennissen, de baron van Kikkitbroeck zeide, van la sagesse de Madame son épouse. – En gij hebt dus de kokarde opgezet? Best, best! schoon ik de kleur anders zou gewenscht hebben, en dat, denk ik, zou Sir Everard ook. Maar daarover geen woord meer; ik ben oud en de tijden zijn veranderd. – En hoe vaart de waardige Baronet, en de schoone Freule Rachel? – Ha, gij lacht, Jonkman! maar ze was de schoone Freule Rachel in het jaar onzes Heeren zeventien honderd en zestien; maar de tijd gaat voort – et singula prædantur anni – dat is ontegenzeglijk waar. Maar nogmaals, van harte welkom op mijn armoedig huis van Tully-Veolan! Loop vlug naar huis, Rose, en zorg dat Alexander Saunderson den ouden Chateau-Margaux op tafel zet, dien ik in het jaar 1713 uit Bordeaux naar Dundee zond.”