Chapter 40 of 50 · 3999 words · ~20 min read

Part 40

„Ik verheug me zeer, dat ge er zoo over denkt, – maar, wat wilt ge dan in het noorden doen?”

„In de eerste plaats zijn er eenige zeehavens, aan de oostkust van Schotland, die nog in handen van de vrienden van den Prins zijn; als ik een van deze bereik, kan ik op mijn gemak scheep: gaan naar het vaste land.”

„Goed! En uw andere reden?”

„Wel, om u de rechte waarheid te zeggen, er is iemand in Schotland, van wie ik nu gevoel dat mijn geluk meer afhangt dan ik ooit gedacht had, en wier toestand mij niet weinig bekommering baart.”

„Dan had Emilia toch gelijk, en loopt er, bij slot van rekening, een liefdezaak onder? – En welke van de twee schoone Schotsche dames, die gij mij met geweld hebt willen doen bewonderen, is de uitverkorene?” Naar ik hoop is het niet Freule Glen– ?”

„Neen.”

„Nu, de andere laat ik gelden; eenvoudigheid kan verbeteren, maar hoogmoed en inbeelding nooit. Wel, ik wil u niet ontmoedigen; ik denk, dat uw plan naar sir Everhards zin zal zijn, te oordeelen naar hetgeen hij zeide, toen ik met hem over de zaak schertste; alleen hoop ik, dat die onuitstaanbare papa, met zijn dialect, en zijn snuif, zijn latijn, en zijn ondragelijk lange verhalen van den hertog van Berwick, verplicht zal zijn een vreemd land te gaan bewonen. Maar wat de dochter betreft, – ofschoon ik mij verbeeld dat gij licht zulk een goede partij in Engeland hadt kunnen vinden, zoo kan ik u zeggen, dat, indien uw hart inderdaad gesteld is op dezen Schotschen rozeknop, uw oom een hoog denkbeeld heeft van haar vader en zijn familie, en vurig wenscht u gehuwd en gevestigd te zien, zoowel om uwent wil, als, om dien der drie hermelijnen op uw wapen, die anders eens voor goed mochten wegloopen. Maar ik zal u, omdat gij voor het oogenblik geen briefwisseling met hem houden kunt, zijn gevoelen hieromtrent onverholen mededeelen: want ik denk niet dat gij lang vóór mij in Schotland wezen zult.”

„Inderdaad! En wat beweegt u er toe, om naar Schotland terug te keeren? Geen onweerstaanbaar verlangen naar het land van bergen en bergstroomen naar ik me verbeeld?”

„Neen, op mijn woord niet; maar Emilia’s gezondheid is nu, God dank, hersteld; en om u de waarheid te zeggen, ik durf mij niet vleien de zaak ten einde te brengen, die mij thans het meest aan het hart gaat, voor en aleer ik een persoonlijke ontmoeting heb gehad met Zijn Koninklijke Hoogheid, den Opperbevelhebber; want, gelijk Fluellen [173] zegt: „de hertog houdt van mij, en ik dank den Hemel dat ik het eenigszins aan hem heb verdiend!” Ik ga nu, een uur of wat uit, om de noodige schikkingen te maken voor uw vertrek. Uw vrijheid strekt zich uit tot het aangrenzende vertrek, Lady Emilia’s spreekkamer. Gij zult er haar vinden, als gij lust hebt in muziek, lectuur of conversatie. Wij hebben maatregelen genomen, om alle bedienden daarbuiten te houden, behalve Spontoon, die geheel te vertrouwen is.”

Na verloop van ongeveer twee uren keerde kolonel Talbot terug, en vond zijn jongen vriend in gesprek met zijn vrouw. Zij was ingenomen met zijn manieren en zijn kunde, en hij overgelukkig, – al was het slechts voor een oogenblik, – om het gezelschap te genieten van iemand van gelijken rang, waarvan hij zoo langen tijd was verstoken geweest.

„En nu,” zei de kolonel, „luister welke beschikkingen ik genomen heb; want er is maar weinig tijd te verliezen. Deze jonkman, Eduard Waverley, of Williams, of kapitein Butler, moet nu blijven doorgaan onder zijn vierden bijnaam van Francis Stanley, mijn neef; hij zal zich morgen op reis begeven naar het noorden, en mijn rijtuig zal hem de twee eerste stations ver brengen. Spontoon zal hem tot oppasser dienen; en zij zullen met postpaarden tot Huntingdon gaan; en de tegenwoordigheid van Spontoon, die overal onderweg als mijn bediende bekend is, zal allen lust tot navraag en onderzoek voorkomen. Te Huntingdon zult gij den wezenlijken Frans Stanley ontmoeten. Hij studeert te Cambridge; maar, een korte poos geleden, in de onzekerheid of Emilia’s gezondheid mij veroorloven zou naar het noorden te gaan, bezorgde ik hem een paspoort van den Secretaris van Staat, om mijn plaats te vervangen. Daar hij hoofdzakelijk ging, om onderzoek naar u te doen, is zijn reis nu geheel onnoodig. Hij kent uw geschiedenis; gij zult te zamen te Huntingdon eten; en wellicht zullen uw wijze hoofden een of ander plan weten te bedenken, om het gevaar van uw verderen tocht noordwaarts uit den weg te ruimen of te verminderen. En nu,” voegde hij er bij, terwijl hij een marokijnen brieventasch opende, „laat mij u fondsen verschaffen tot den veldtocht.”

„Ik ben verlegen, waarde Kolonel –”

„O, gij zoudt ten allen tijde over mijn beurs kunnen beschikken; maar dit geld is uw eigen. Uw vader, op de mogelijkheid bedacht, dat men u in handen zou krijgen, stelde mij als zijn zaakwaarnemer voor u aan. Gij zijt eigenaar van ruim vijftien duizend pond, behalve van Brerewood-Lodge – dus een geheel onafhankelijk jong mensch, naar ik meen. Hier hebt gij twee honderd pond aan bankbiljetten; en gij kunt zoo veel meer als gij verlangt, of krediet buiten ’s lands verkrijgen, zoodra uwe belangen dit vorderen.”

Het eerste gebruik, dat Waverley van zijn pas verkregen rijkdom maakte, bestond in het zenden van een zilveren schenkkan aan den eerzamen landbouwer Jopson, die hij hem verzocht aan te nemen van wege zijn vriend Williams, die den nacht van den achttienden December niet had vergeten. Hij verzocht hem te gelijker tijd, zorgvuldig voor hem zijn Hooglandsche kleedij en uitrusting te bewaren, en vooral de wapens, die op zichzelven reeds van belang waren, doch waaraan de vriendschap der gevers een nog hoogere waarde bijzette. Lady Emilia nam op zich, om een gepast herinneringsgeschenk te bedenken, dat tegelijk de ijdelheid van vrouw Williams streelen en haar smaak voldoen zou, en de Kolonel, die zich ook met den landbouw bemoeide, beloofde den Ulswaters aartsvader een uitnemend span paarden te zenden voor vrachtkar en ploeg.

Waverley bracht een gelukkigen dag in Londen door; en, op de voorgestelde manier reizende, ontmoette hij Frans Stanley te Huttingdon. De kennis tusschen de beide jonge lieden was weldra gemaakt.

„Het kost weinig moeite het raadsel van mijn oom te raden,” zeide Stanley, „de voorzichtige veteraan vond het niet goed mij te beduiden, dat ik u de paspoort zou overhandigen, welke ik zelf niet noodig heb; en wat, als het naderhand uitkwam, slechts voor een grap van een student zou doorgaan: cela ne tire à rien. Gij zult derhalve Francis Stanley zijn, met deze paspoort.” Deze voorslag scheen inderdaad de grootste der moeielijkheden, die Eduard anders, ieder oogenblik, had kunnen ontmoeten, uit den weg te ruimen, en bij gevolg maakte hij geen bezwaar zich er van te voorzien; te meer nog, daar hij alle staatkundige voornemens bij het aanvaarden van zijn tegenwoordigen tocht had laten varen, en niet kon beschuldigd worden, van, terwijl hij met de paspoort door den Secretaris van Staat afgegeven reisde, aan de een of andere onderneming tegen het Bewind bevorderlijk te zijn.

De dag ging allervroolijkst voorbij. De jonge geleerde had vrij wat te vragen omtrent Waverleys veldtochten en de zeden der Hooglanders; en Eduard was verplicht zijn nieuwsgierigheid te voldoen door een pibroch op de doedelzak te spelen, een Strathspey te dansen en een Hooglandsch lied te zingen. Den volgenden morgen vergezelde Stanley zijn nieuwen vriend tot aan het volgende station, noordwaarts, en scheidde met grooten weerzin van hem, op aandrang van Spontoon, die, zelf gewoon zich aan de tucht te onderwerpen, even streng was waar het op de handhaving daarvan bij anderen aankwam.

NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VERWOESTING.

Waverley met postpaarden reizende, volgens de gewoonte van dien tijd, ondervond geen ander bezwaar, dan een paar navragen, die de talisman van zijn paspoort voldoend beantwoordde, en bereikte op deze wijze de grenzen van Schotland. Hier ontving hij bericht van den beslissenden slag van Culloden. [174] Het was niets anders, dan hetgeen hij lang had verwacht, ofschoon de voorspoed te Falkirk een laatsten straal op de wapenen des Prinsen geworpen had. Met dat al trof het hem als een schok, waardoor hij tijdelijk geheel uit het veld was geslagen. De edelmoedige, de hoffelijke, de hooghartige avonturier was dus nu slechts een vluchteling, op wiens hoofd men een prijs had gesteld. Zijn, zoo dappere, zoo hooggestemde, zoo getrouwe aanhangers, waren dood, gevangen of in ballingschap. Waar was nu de geestdrijvende en fijn gevoelige Fergus, indien hij inderdaad den nacht te Clifton had overleefd? Waar de rechtschapene baron van Bradwardine met zijn onvergelijkelijke eenvoudigheid, wiens zwakheden, zijn belangeloosheid, zijn goedhartigheid en zijn onwrikbaren moed slechts te meer deden uitkomen? En zij, die geen anderen steun hadden dan deze twee mannen, Rose en Flora, waar moest men haar zoeken, en in welke bittere ellende moest het verlies harer natuurlijke beschermers haar niet gedompeld hebben! Aan Flora dacht Waverley met de achting eens broeders voor een zuster; aan Rose met een nog levendiger en teederder gevoel. Misschien zou het nog zijn lot worden, het gemis der natuurlijke beschermers, die zij verloren hadden, te vergoeden. Door deze gedachte aangespoord, zette hij zijn reis met te meer spoed voort.

Toen hij te Edinburgh kwam, waar hij zijn nasporingen onvermijdelijk moest aanvangen, gevoelde hij al het moeielijke van zijn toestand. Een aantal inwoners dier stad hadden hem gezien en gekend als Eduard Waverley; hoe kon hij dan gebruik maken van een paspoort als Francis Stanley? Hij besloot derhalve alle gezelschap te vermijden, en zoo spoedig mogelijk hooger op te trekken. Hij was echter verplicht een dag of wat te vertoeven, in afwachting van een brief van kolonel Talbot, en insgelijks om zijn adres, onder zijn aangenomen naam, op een afgesproken plaats achter te laten. Met dit laatste voornemen sloop hij, in de schemering, door de welbekende straten, terwijl hij alle mogelijke zorg aanwendde om niet opgemerkt te worden doch te vergeefs. Een der eerste personen, die hij ontmoette, herkende hem op het eerste gezicht. Het was vrouw Flockhart, Fergus Mac-Ivors vroolijke huiswaardin.

„Heere zegene ons, mijnheer Waverley, zijt gij het? Nu, gij behoeft niet bang voor mij te wezen. Ik zou geen mensch in uw omstandigheden willen verraden! – Wel, wel! dat is me hier een verandering, hoe vroolijk placht kolonel Mac-Ivor en gij in ons huis te wezen!” En de goedhartige weduwe stortte eenige ongeveinsde tranen. Daar het onmogelijk was hare aanspraak op herkenning te loochenen, liet Waverley die van ganscher harte gelden, en beleed onverholen het gevaar waarin hij zich bevond. „Wilt ge, daar het bijna donker is, mijnheer, even bij mij binnenkomen, en een kopje thee gebruiken? en ik verzeker u, dat, zoo gij in het kamertje zoudt willen slapen, ik wel zorgen zou, dat ge niet gestoord wierdt, en niemand zou u herkennen; want Kate en Matty, zijn met twee van O’Hawleys dragonders weggeloopen, en ik heb twee nieuwe meiden in haar plaats.”

Waverley nam haar uitnoodiging aan, en besprak de slaapplaats voor een paar nachten, overtuigd dat hij veiliger zijn zou in het huis van dit goedhartig schepsel, dan ergens elders. Toen hij het spreekvertrek binnen trad, klopte zijn hart op het zien van Fergus’ muts, met de witte kokarde, die naast den kleinen spiegel hing.

„Ach!” zeide vrouw Flockhart met een zucht, toen zij zag waarheen zijn oogen zich richtten, „de arme Kolonel kocht een nieuwe, juist den dag voor dat gij op marsch gingt, en ik heb niet gewild dat men deze hier zou wegnemen, maar stof ze elken dag zelve af, en als ik er naar kijk, is het of ik den Kolonel aan Callum hoor roepen hem zijn muts te brengen, zoo als zijn gewoonte was, als hij uitging. Het is kinderachtig misschien. De buren noemen mij een Jacobiet, maar ze mogen zeggen wat ze willen. Ik weet wel, dat het daarom niet is, maar hij was een vriendelijk heer, als er ooit een bestond, en zulk een schoon man ook! Och, weet ge, mijnheer, wanneer hij terechtgesteld zal worden?”

„Terechtgesteld? Goede Hemel! Hoe, waar is hij?”

„Wat, in ’s Hemels naam! weet gij het niet? Die arme Hooglandsche hals, Dugald Mahony, kwam hier een poos geleden, met den eenen arm afgeslagen en een vreeselijken houw over het hoofd. – Gij zult u Dugald wel herinneren; hij droeg een bijl op schouder. – Welnu, hij kwam hier eigenlijk bedelen, mag ik wel zeggen, om wat eten. Nu dan, hij verhaalde ons, dat het Opperhoofd, zoo als zij hem noemden (maar ik noem hem altijd Kolonel), en vaandrig Maccombich, dien gij u wel herinnert, ergens op de Engelsche grenzen gevangen genomen waren, toen het zoo donker was, dat zijn volk hem eerst heel laat miste, en die menschen werden als razend! En hij zeide, dat die kleine Callum Beg, (hij was een stoute, ondeugende, fiere knaap), en gij dien eigen nacht gedood waart, even als een aantal andere brave kerels. Maar hij zwoer, als hij van den Kolonel sprak, dat hij nooit zijns gelijke had gezien. En nu loopt het praatje, dat de Kolonel zal gevonnisd en ter dood gebracht worden met degenen die te Carlisle gevangen genomen werden.”

„En zijn zuster?”

„O! zij die lady Flora genoemd werd? – wel, ze is weg, naar Carlisle, en woont daar bij een zekere groote Roomsche dame van haar kennis, om dicht bij hem te zijn.”

„En,” vervolgde Eduard, „de andere jonge dame?”

„Welke andere? Ik ken maar éene zuster van den kolonel.”

„Ik bedoel Freule Bradwardine,” zeide Eduard.

„O, ja, de dochter van den Baron, het arme ding! Ze was een lief meisje, maar veel bedaarder dan lady Flora.”

„Waar is ze, om Gods wil?”

„O, wie weet waar iemand van die familie is? De arme meisjes, ze zijn wat gehavend, om hare witte kokardes en witte rozen; maar ze is noordwaarts getrokken, naar haar vader, in Perthshire, toen de troepen van het Bewind weer in Edinburgh kwamen. – Daar waren eenige knappe mannen onder, en een zekere majoor Whacker werd bij ons ingekwartierd, een zeer beleefd heer, – maar, o, mijnheer Waverley, hij zag er op verre na zoo goed niet uit als de arme Kolonel.”

„Weet gij, wat er van Freule Bradwardine’s vader geworden is?”

„Van den ouden heer? neen, niemand weet dat; maar men zegt, dat hij heel dapper in dien bloedigen slag te Inverness [175] gevochten heeft en Deacon Clank, de slotenmaker, beweert dat het Bewindsvolk woedend op hem is, omdat hij tweemaal uitgetrokken is; en waarlijk, hij had zich wel mogen laten waarschuwen; maar er is geen erger gek dan een oude gek. – De arme Kolonel is maar eenmaal uitgetrokken.”

In dit gesprek lag alles opgesloten wat de goedhartige weduwe wist mede te deelen omtrent het lot der kennissen en der gasten, die zij onlangs onder haar dak had gehuisvest; maar het was genoeg, om Eduard te doen besluiten, wat het ook kostte, terstond de reis naar Tully-Veolan voort te zetten, waar hij hoopte Rose te zullen zien of ten minste iets van haar te hooren. Hij liet dus een brief voor kolonel Talbot op de afgesproken plaats achter, geteekend met zijn aangenomen naam, en gaf hem op het naaste poststation zijn adres, in de nabijheid van het verblijf des Barons.

Van Edinburgh tot Perth nam hij postpaarden, met het plan om het overige van de reis te voet af te leggen; een wijze van reizen, waaraan hij de voorkeur gaf, en die het voordeel aanbood van een tijdlang van den grooten weg af te kunnen gaan, wanneer zich afdeelingen krijgsvolk op een afstand vertoonden. De veldtocht had zijn gestel aanmerkelijk versterkt, en hem aan vermoeienis gewend. Zijn bagage zond hij vooruit, al naar de gelegenheid zich daartoe voordeed.

Hoe meer hij het noorden naderde, des te meer werden de sporen van den oorlog zichtbaar. Gebroken rijtuigen, doode paarden, van dak beroofde hutten, boomen tot palissaden afgehakt en afgebroken, of slechts gedeeltelijk herstelde bruggen; alles duidde den doortocht der vijandelijke legers aan. In die plaatsen, waar de voornaamste bewoners aanhangers waren van de zaak der Stuarts, schenen de huizen vernield of verlaten; de gewone gang van den tuinbouw, was ten eenemale afgebroken, en men zag de inwoners over het veld sluipen, terwijl vrees, verdriet en neerslachtigheid op hun gelaat geteekend waren.

Het was avond, toen hij de omstreken van Tully-Veolan naderde. Hoe geheel verschilden zijn gewaarwordingen van die, welke hem hadden overmeesterd toen hij hier voor het eerst binnentrad! Toen was het leven zoo nieuw voor hem, dat een eentoonige of onaangename dag een van de grootste rampen was, die hij zich behoefde voor te stellen, en het scheen hem toe, dat zijn tijd slechts aan beschavende oefeningen of vermakelijkheden gewijd, en met gezellige of jeugdige vroolijkheid moest gesleten worden. Thans, welk een omkeer! hoe neêrgedrukt en toch hoe versterkt was zijn karakter geworden in den loop van slechts zeer weinige maanden! Gevaar en ongeluk zijn strenge leermeesters, die ons wel spoedig onderwijzen. Droefgeestiger maar wijzer, gevoelde hij, in zelfvertrouwen en standvastigheid een vergoeding voor de schitterende droomen, die de ondervinding zoo spoedig had doen verdwijnen.

Toen hij het dorp naderde, zag hij met verbazing en angst dat een troep soldaten daar post had gevat, en wat erger was, er ingelegerd scheen te wezen. Hij maakte dit op uit eenige tenten, die hij zag opgeslagen op hetgeen men de gemeente-weide noemde. Om aan het gevaar te ontsnappen van aangehouden en ondervraagd te worden op een plaats waar hij zoo ligt herkend kon worden, nam hij een grooten omweg, vermeed het dorp geheel en naderde weder den ingang van de laan langs een hem welbekend zijpad. Een enkele blik was genoeg, om hem te doen zien, dat er groote veranderingen hadden plaats gegrepen. De eene deur van de poort, die van boven neergehaald en tot brandhout gehakt was, lag op hoopen, gereed om weggedragen te worden, de andere zwaaide nutteloos op de hengsels. Het kanteelwerk bovenop, was afgebroken en ter aarde geworpen, en de uitgehouwen beeren, van welke men verhaalde dat ze gedurende eeuwen den post van schildwacht hadden bekleed, lagen nu, van hun plaats geslingerd, onder het puin. De laan was vreeselijk geteisterd. Verscheidene groote boomen waren geveld, en lagen dwars over het pad zoo als ze omgestort waren, en het vee der dorpelingen, en de nog hardere hoeven der dragonderpaarden hadden het weelderige gras, dat zoo zeer Waverleys bewondering had opgewekt, in zwarten modder veranderd.

Zoodra hij het voorplein betrad, zag Eduard de vrees verwezenlijkt, die het ontwaren dezer eerste verwoestingen bij hem had doen ontstaan. Het huis was door ’s Konings troepen geplunderd, die zelfs, in schandelijken overmoed, gepoogd hadden het af te branden; en ofschoon de dikke muren grootendeels het vuur hadden weêrstand geboden, zoo waren toch de stallen en schuren geheel en al vernield. De torens en kanteelen van het hoofdgebouw waren geschroeid en geblakerd; het plaveisel der binnenplaats verwoest, de deuren neêrgerukt of hangende aan een enkel hengsel; de ramen ingeslagen en vernield, en de grond overdekt met allerhande gebroken huisraad. De kenmerken van aloude grootheid, waarvoor de Baron, in den trots van zijn hart, zoo veel eerbied had gekoesterd, waren met een bijzondere minachting behandeld. De fontein was vernield, en de bron die haar van water voorzag, stroomde nu over het voorplein heen. Het steenen bekken scheen bestemd te zijn tot een drinktrog voor het vee, naar de wijze te oordeelen, waarop het op den grond geplaatst was. De geheele stam der Beeren, groot en klein, had hetzelfde lot ondergaan als die den ingang van de laan bewaakten: en een stuk of wat der familie-portretten die den soldaten, als schijven schenen gediend te hebben, lagen in flarden op den grond. Gelijk men zich verbeelden kan, zag Eduard met een bloedend hart de verwoesting van zulk een eerwaardig gebouw aan. Maar zijn verlangen, om het lot der bewoners te leeren kennen, en zijn vrees om te vernemen, hoedanig dit lot wel zijn kon, namen met iedere schrede toe. Toen hij op het terras kwam, deden zich nieuwe tooneelen van verwoesting voor hem op. De balustrade was neêrgeworpen, de muren vernield, de paden met onkruid bewassen, en de vruchtboomen omgehakt of uitgegraven. In een hoek van den ouderwetschen tuin stonden twee ontzaglijk groote wilde kastanjeboomen, waarop de Baron bijzonder grootsch was: te lui misschien, om ze omver te hakken, hadden de plunderaars, met kwaadaardig overleg, ze ondermijnd, en wat buskruid in het gat aangebracht. De een was door de uitbarsting tot splinters geslagen, en de stukken lagen er rondom heen verstrooid, en overdekten den grond, dien de boom zoo lang had overschaduwd. De andere mijn had zulk een volkomene uitwerking niet gehad. Ongeveer een vierde van den boomstam was van het overige afgescheurd, die dus verminkt en geschonden aan de eene zijde, aan den anderen kant nog zijn zware en ongeschondene takken uitstrekte. [176]

Onder deze algemeene sporen van vernieling, waren sommige die het gevoel van Waverley meer bijzonder troffen. Toen hij den voorgevel van het gebouw op deze wijze verwoest en geschonden zag, zochten zijn oogen natuurlijk naar het kleine balkon, dat tot de vertrekken van Rose behoorde – de derde of liever vijfde verdieping. Het was spoedig gevonden, want daaronder lagen de bloempotten en heesters, waarmede Rose het zoo gaarne versierde, en die men van de fraaie balustrade had afgeworpen. Een aantal harer boeken lag te midden van gebroken bloempotten en andere prullen. Onder deze zag Waverley er een van de zijne, een uitgave van Ariosto, en ofschoon het door wind en regen gehavend was, raapte hij het als een heiligen schat op. Terwijl hij, in treurige overpeinzing verdiept, door het hem omringende tooneel, naar iemand rondzag, die hem het lot der bewoners zou kunnen mededeelen, klonk hem een stem uit het binnenste van het gebouw tegen; deze zong op een toon, dien hij zich zeer goed herinnerde, een oud Schotsch lied:

’k Werd overvallen in den nacht, Mijn tuin vernield, mijn heer geslacht; Geen knecht of hij ontweek den dood, En mij liet men in angst en nood. Mijn meester, aan mijn hart zoo waard, Versloegen zij; men stal zijn paard; [177] De zon of maan blink’ van omhoog, Toch dekt de doodslaap ’s meesters oog.

„Helaas!” dacht Eduard, „zijt gij het? Arm, hulpeloos schepsel! Zijt gij alleen achtergelaten, om te mijmeren en te zuchten, en met uw zonderlinge en onzamenhangende brokken van oude balladen in de zalen te spoken, die u bescherming boden?” Nu riep hij Davie, eerst: zacht, en daarna luider, „Davie, Davie Gellatley!”

De arme hals kwam uit de puinhoopen van een soort van tuinhuis te voorschijn, dat eenmaal aan het einde stond van hetgeen het terras geheeten werd; maar op het zien van een vreemdeling, trok hij zich, door schrik overmeesterd, terug. Waverley, die zich de gewoonte van dezen ongelukkige herinnerde, begon een lievelingsdeuntje te fluiten, waarnaar Davie meermalen met groot genoegen geluisterd, en op het gehoor van hem geleerd had. De zang van onzen held geleek even min op die van Blondel, als de arme David op Coeur-de-Lion; maar de melodie bracht dezelfde uitwerking te weeg, en werd de aanleiding tot de herkenning. Davie kroop weder, maar bedeesd, uit zijn schuilhoek, terwijl Waverley, uit vrees van hem schrik aan te jagen, de meest bemoedigende teekens gaf, die hij slechts bedenken kon. – „Het is zijn geest!” mompelde Davie; doch nader komende, scheen hij zijn levenden vriend te herkennen. De arme drommel zelf scheen een geest, vergeleken bij hetgeen hij geweest was. De bijzondere soort van kleeding, waarmede hij in betere dagen was uitgerust, liet slechts nog ellendige lompen van zijn grilligen opschik zichtbaar, waarvan het te kort komende erbarmelijk aangevuld was door brokken behangsel, venstergordijnen en reepen beschilderd doek, die hij gebezigd had om zijn tooi te herstellen. Ook zijn gelaat had niet meer dat opene en zorgelooze voorkomen van vroeger, en het arme schepsel zag er holoogig en mager, verhongerd en zenuwachtig uit. Na langdurige aarzeling, naderde hij Waverley eindelijk met eenig vertrouwen, zag hem treurig in het gezicht, en zeide: „Allemaal dood en weg – allemaal dood en weg.”