Part 26
Toen Waverley ontwaakte, was de dag reeds ver gevorderd, en begon hij te gevoelen dat hij verscheidene uren zonder voedsel had doorgebracht. Dit werd hem spoedig in den vorm van een overvloedig ontbijt verschaft; maar kolonel Stuart, alsof hij de vragen van zijn gast wilde vermijden, liet zich niet meer zien. Hij ontving echter diens groete, door middel van een bediende, die belast was met aan kapitein Waverley alles aan te bieden wat hij op zijn reis mocht noodig hebben, welke nog dien avond zou worden voortgezet, gelijk de Gouverneur hem liet berichten. Welke verdere navragen Waverley ook beproefde, de bediende stelde een ondoordringbaren muur van werkelijke of geveinsde onwetendheid en domheid daartegen over. Hij nam de tafel af, en Waverley was weder aan zijn eigen overdenkingen prijs gegeven.
Terwijl hij de nukken van zijn lot naging, dat er vermaak in scheen te scheppen om hem ter beschikking van anderen te stellen, zonder het vermogen om zijn eigene handelingen te regelen, viel Eduards oog eensklaps op zijn mantelzak, die gedurende zijn slaap in zijn vertrek was neergelegd. Hij herinnerde zich terstond Alice’s geheimzinnige verschijning in de hut in het dal, en hij stond op het punt om het pakje, dat zij tusschen zijn kleederen gestopt had, daaruit te nemen en te onderzoeken, toen de knecht van kolonel Stuart weder binnentrad, en den mantelzak op zijn schouders nam.
„Mag ik er geen schoon linnen uit nemen, vriend?”
„De edele heer zal een der fijnste overhemden van den Kolonel zelven hebben, maar dit moet in den pakwagen.”
En dit zeggende, nam hij koelbloedig den mantelzak weg, zonder verdere tegenspraak af te wachten; terwijl hij onzen held in een toestand achterliet, waarbij spijt en verontwaardiging om den voorrang streden. Na verloop van eenige minuten hoorde hij een kar de slecht bestrate plaats afrijden, en hij twijfelde niet of hij was thans, ten minste voor een tijd, en misschien voor altijd, van het bezit geroofd van de eenige stukken, die licht schenen te beloven omtrent de raadselachtige gebeurtenissen, welke sedert kort zoo veel invloed op zijn lot gehad hadden, Met zulke sombere gedachten vervuld moest hij vier of vijf eenzame uren slijten.
Toen deze tijd verstreken was, liet zich paardengetrappel op de plaats hooren, en kort daarna verscheen kolonel Stuart, om zijn gast te verzoeken, vóor zijn vertrek, nog eenige verversching te gebruiken. Dit werd aangenomen; en hoewel het ontbijt een weinig laat had plaats gegrepen, had het onzen held geenszins buiten staat gesteld om eer aan het middagmaal te doen, dat hem thans werd voorgezet. Het gesprek van zijn gastheer was dat van een eenvoudig land-edelman, gemengd met eenige krijgshaftige denkbeelden en uitdrukkingen. Hij vermeed met omzichtigheid alle toespeling op de krijgsondernemingen of de staatkunde van den dag, en antwoordde op Waverleys rechtstreeksche vragen aangaande sommige dezer punten even rechtstreeks, dat het hem niet geoorloofd was over dergelijke onderwerpen te spreken.
Toen de maaltijd afgeloopen was, stond de gouverneur op, en Eduard een goede reis wenschende, zeide hij hem, dat, daar zijn knecht hem berigt had, dat zijne bagaadje vooruit was gezonden, hij de vrijheid had genomen, om hem van zoo veel schoon linnen te voorzien, als hij noodig zou kunnen hebben, tot hij weder in bezit van het zijne wezen zou; met deze beleefdheid nam hij afscheid. Een bediende kondigde Waverley een oogenblik later aan, dat zijn paard gereed stond.
Op dezen wenk begaf hij zich naar het plein, en vond een ruiter, die een gezadeld paard vasthield; Waverley besteeg het, en reed de poort van het kasteel Doune uit, in gezelschap van omstreeks een twintig gewapende mannen te paard, die niet zoo zeer het voorkomen van geregelde krijgslieden hadden, als wel van bijzondere personen, die op eens de wapens hadden opgevat, uit hoofde van eenige dringende noodzakelijkheid of onverwachte gebeurtenis. Hunne uniform, eene stijve nabootsing van de Fransche chasseurs, was in een aantal opzichten onvolkomen, en zat hun, die ze droegen, tamelijk slecht. Waverley’s oog, dat gewoon was een goed gericht en wel bestuurd regiment te zien, ontdekte dadelijk, dat de bewegingen en manieren van zijn escorte niet die van geoefende soldaten waren, en dat zij, ofschoon genoegzaam geoefend in het rijden, wat hunne verdere bedrevenheid betrof, eer liefhebbers van de jacht, of stalknechts dan ruiters schenen. Hunne paarden waren niet gewoon aan den regelmatigen stap, zoo noodzakelijk om gelijkmatige en zamengestelde bewegingen ten uitvoer te brengen; evenmin als hunne berijders geoefend waren in het hanteeren van den sabel. De manschappen waren intusschen op het oog, stoute, geharde knapen, en zouden ligt, als ongeregelde kavalerie, man voor man, te duchten zijn. De bevelhebber van dezen kleinen troep zat op een uitmuntend jachtpaard, en in weerwil van zijn uniform, herkende Waverley terstond in hem, zijn oude kennis, den heer Falconer van Balmawhapple.
Hoewel de kennismaking van Eduard met dezen heer niet bijzonder vriendschappelijk was geweest, zou hij hun dwazen twist gaarne vergeten hebben, om het genoegen te smaken van een gezellig onderhoud en van vragen en antwoorden, waarvan hij zoolang verstoken was geweest. Maar het scheen dat de herinnering aan zijn nederlaag door den Baron van Bradwardine, waarvan Eduard de onschuldige oorzaak was geweest, nog onaangenaam werkte in de herinnering van den onbeschaafden, maar trotschen jonker. Hij vermeed zorgvuldig het minste teeken te geven waaruit blijken kon dat hij Waverley herkende, terwijl hij knorrig aan het hoofd zijner manschappen, voortreed, die, schoon nauwelijks in aantal gelijk staande met een wachtmeesters kommando, „het escadron” van kapitein Falconer genoemd werden. Ze werden voorafgegaan door een trompetter, die van tijd tot tijd op zijn instrument blies, alsmede door een standaard, door den kornet Falconer, des jonkers jongeren broeder, gedragen. De luitenant, een man op jaren, had geheel en al het voorkomen van een jachtliefhebber en drinkebroêr uit de mindere standen der maatschappij; een uitdrukking van droogen humor kenmerkte zijn overigens gemeene gelaatstrekken, die van doorgaande onmatigheid getuigden. Zijn driekante militaire hoed stond hem scheef op het hoofd, en, terwijl hij, opgewekt door een slokje brandewijn, een bekend airtje floot, scheen hij vroolijk voort te rijden, met een gelukkige onverschilligheid omtrent den toestand des lands, het gedrag zijner onderhoorigen, het doel der reis en alle andere ondermaansche zaken, van welken aard die ook wezen mochten.
Bij dezen klant hoopte Waverley, die tusschenbeide hem ter zijde reed, eenige inlichtingen te verkrijgen, of ten minste den weg al pratende te korten.
„Een heerlijke avond, mijnheer” was Eduards toespraak.
„O ja! mijnheer, een mooie nacht,” hernam de luitenant, in plat Schotsch van den algemeensten slag.
„En een heerlijke oogst waarschijnlijk ook,” ging Waverley voort, terwijl hij zijn aanval hervatte.
„Ja! het graan zal knap binnen komen; maar die duivelsche boeren en koornkoopers zullen het wel op den ouden prijs houden, en ons voor onze paarden goed laten betalen.”
„Gij bekleedt waarschijnlijk den rang van kwartiermeester, mijnheer?”
„Ja, kwartiermeester, ritmeester en luitenant. En, om de waarheid te zeggen, wie is geschikter om op de arme beesten te letten en er voor te zorgen dan ik, die ze allemaal koop en verkoop.”
„En, mijnheer, zoo het niet al te vrij is, mag ik verzoeken te weten, waar we thans heen gaan?”
„Een gekken tocht, vrees ik,” antwoordde dit openhartige personage.
„In dat geval,” hernam Waverley, die besloten was geene komplimenten te sparen, „zou ik gedacht hebben zoo iemand als gij zijt, niet op den weg te hebben gevonden.”
„Wel waar, wel waar, mijnheer! – Maar elk waarom heeft ook zijn daarom; ge moet weten, dat heer dáar kocht wat paarden van me, om zijn ruiters te voorzien, en wilde er gaarne voor betalen overeenkomstig de behoeften en de prijzen van het oogenblik. Maar nu had hij geen duit geld, en men heeft mij gezegd dat hij zoo in de schulden zat, dat zijn woord ook niets waard was. Toch moet ik tegen Sint Maarten met mijn kooplieden afrekenen, en daar hij mij nu zeer vriendelijk dezen post aanbood, en ik wist dat de vijftien ouden [122] mij nooit aan mijn geld zouden helpen, omdat ik paarden had geleverd voor den dienst tegen de regeering, zoo dacht ik, op mijn woord, mijnheer, dat ik de meeste kans zou hebben, om aan het een en ander te komen, als ik zelf mede ging [123], en ge begrijpt, mijnheer, dat, daar ik al mijn leven in halsters gedaan heb, ik er geen groot bezwaar in zie om zelf gevaar te loopen van een strop om den hals te krijgen.”
„Zijt gij dus geen krijgsman van beroep?” vroeg Waverley.
„Neen, neen, God dank!” antwoordde deze dappere partijganger, „ik ben niet opgevoed om zoo kort te worden gehouden, maar groot gebracht voor de hakselbank en den stal; ik werd tot paardenkooper opgeleid, mijnheer; en zoo ik het mocht beleven om u te Whitson-tryst of te Stagshaw-bank, of op Harwick’s wintermarkt te zien, en ge hadt een beest noodig, dat allen anderen op het jachtveld vooruit was, sta ik u borg dat ik u naar genoegen zou bedienen; want Jaapje Jinker was nooit de man om iemand te bedriegen. Gij zijt een fatsoenlijk man, mijnheer, en weet dus wel hoe een paard behoort te wezen; ge ziet dat vlugge ding, waar Balmawhapple op zit; ik heb het hem zelf verkocht. Het is een jong van „Lek-lepel”, die des konings prijs won te Coverton-Edge; zijn vader is „Witvoet”, toebehoorende aan den hertog van Hamilton, enz.”
Maar terwijl Jinker doordraafde over den geslachtsboom van Balmawhapples merrie, en reeds gekomen was aan den grootvader en de grootmoeder, en Waverley op eene gelegenheid wachtte, om meer belangrijke inlichtingen van hem te verkrijgen, hield de edele kapitein zijn paard in, totdat hij op eene lijn met hen kwam, en zeide daarop, zonder regtstreeks op Eduard acht te slaan, op gestrengen toon tegen den geslachtkundigen paardenkoopman.
„Ik meende, luitenant, strenge bevelen gegeven te hebben, dat niemand, wie ook, met den gevangene zou spreken?”
De omgeschapen paardenkoopman werd dus tot zwijgen gebracht, boog het hoofd, en zakte naar de achterhoede af, waar hij zich schadeloos stelde, door een hevigen twist aan te gaan over den prijs van het hooi, met een boer, die met tegenzin zijn heer naar het veld gevolgd was, om de boerderij niet te verliezen, waarvan de huurtijd juist om was. Waverley was dus andermaal tot zwijgen veroordeeld, daar hij voorzag, dat, indien hij verdere pogingen aanwendde tot het aanknoopen van een gesprek, bij den een of ander van den hoop, dit Balmawhapple slechts eene gewenschte gelegenheid zou geven om de waardigheid waarmede hij bekleed was te laten gelden, en den mokkenden spijt van een kleingeestig karakter aan den dag te leggen, die nog te sterker was aangewakkerd, door de gewoonte van zich steeds den wierook der slaafsche vleierij te laten welgevallen.
Na verloop van een paar uren bevond de afdeeling zich nabij het kasteel van Stirling, boven welks vestingwerken de vlag der Unie wapperde, en wier kleuren in de avondzon schitterden. Om zijne reis te bekorten, of misschien om al zijn gewicht te luchten en het Engelsche garnizoen te tergen, nam Balmawhapple, rechts afslaande, zijn weg door het koninklijke park, hetwelk zich uitstrekt tot, en heenloopt om de rots, waarop de vesting gelegen is.
Wanneer hij in eene bedaardere gemoedsgesteldheid verkeerd had, zou Waverley niet nagelaten hebben de afwisselende schilderachtige schoonheid te bewonderen, welke het landschap, dat hij thans doortrok, kenmerkte – dat veld, het tooneel der aloude tournooien – die rots, vanwaar de dames den kamp aanschouwden, terwijl zij geloften deden opdat de zegepraal ten deel mocht vallen aan hare begunstigde ridders – de torens der Gothische kerk, waar deze geloften konden worden gehouden – en, boven al, de vesting zelve, te gelijk kasteel en paleis, waar de dapperheid den prijs uit de handen des konings ontving, en ridder en edelvrouwen den avond besloten onder dans, zang en feestmaaltijden. Al deze voorwerpen waren wel geschikt om eene romaneske verbeelding op te wekken en te boeien.
Maar Waverley had geheel andere stof tot peinzen, en spoedig greep er iets plaats, dat aan alle overdenking een einde maakte. Balmawhapple beval, in de trotschheid van zijn hart, terwijl hij zijn klein korps kavalerie langs den voet van het kasteel voerde, aan zijn trompetter eene fanfare te blazen, en aan zijn standaarddrager het vaandel te ontrollen. Deze terging veroorzaakte blijkbaar eenige gevoeligheid; want, toen de ruiterdrom op zulk een afstand de zuiderbatterij genaderd was, dat men er een stuk geschut laag genoeg kon stellen om hen te bereiken, barstte er een vuurstraal uit een der schietgaten in de rots los; en eer het daarmede vergezeld gaande gebulder zich hooren liet, floot een kogel sissend over het hoofd van Balmawhapple, en begroef zich op eenigen afstand in den grond, waardoor hij met het opgeworpen stof bedekt werd. Het was niet noodig de afdeeling tot spoed te vermanen. Inderdaad, daar iedereen volgens den indruk van het oogenblik handelde, werden de rossen van den heer Jinker spoedig in de gelegenheid gesteld om hun wakkerheid aan den dag te leggen; en de kavaleristen, die met meer haast dan orde weken, kwamen niet weer in den gewonen draf, gelijk de luitenant later opmerkte, voor dat een tusschenbeide liggende hoogte hen beschut had tegen eene herhaling eener zoo weinig gewenschte plichtpleging van wege het kasteel van Stirling. Ik moet echter Balmawhapple het recht doen, van te zeggen, dat hij zich niet slechts in de achterhoede van zijn troep bevond, en al zijne pogingen inspande om eenige orde onder zijne manschappen te houden, maar zelfs in het vuur zijner dapperheid de losbarsting van het kasteel beantwoordde, dooreen zijner pistolen tegen de muren af te schieten; ofschoon ik, daar de de afstand bijna een groot kwartier beliep, nooit ben te weten kunnen komen, of deze krijgshaftige maatregel ook eenige bijzondere uitwerking teweeg heeft gebracht.
De reizigers staken nu het merkwaardige slagveld van Bannockburn over, en bereikten het Torwood, eene plaats roemrijk of verschrikkelijk in de herinnering van den Schotschen boer, al naar gelang de feesten van Wallace of de wreedheden van Wude Willie Grime het diepst in zijn geheugen geprent zijn. Te Falkirk, een stadje voorheen in de Schotsche geschiedenis vermaard, en dat spoedig weder belangstelling zou wekken, als het tooneel van gewichtige militaire gebeurtenissen, stelde Balmawhapple voor om halte, en des nachts rust te houden. Dit alles werd met zeer geringe inachtneming der krijgstucht volvoerd, daar de waardige kwartiermeester er slechts op bedacht was om te weten te komen, waar de beste brandewijn te verkrijgen was. Men achtte het onnoodig schildwachten uit te zetten, en de eenige wacht, die betrokken werd werd slechts gehouden door diegenen welke zich drank wisten te verschaffen. Eenige weinige welberadene mannen hadden het detachement gemakkelijk kunnen afsnijden; maar een deel der inwoners was de zaak der Stuarts toegedaan, een ander deel onverschillig, en de overigen overbluft. Dus gebeurde er niets merkwaardigs in den loop van den nacht, uitgezonderd dat Waverleys rust onaangenaam gestoord werd door de drinkebroêrs, die hunne Jacobietische liedjes zonder medelijden of verzachting van stem, uitbalkten.
Den volgenden ochtend zaten zij weder op, en waren zij op weg naar Edinburgh, ofschoon de bleeke gezichten van sommigen uit den hoop verrieden, hoe zij den nacht gesleten hadden. Zij hielden halte te Linlithgow, beroemd door zijn oud paleis, dat, zestig jaar geleden, geheel en al bewoonbaar was, maar welks eerwaardige overblijfselen, geen volle zestig jaar geleden, ter nauwernood het onwaardige lot ontgingen van in een barak voor Fransche krijgsgevangenen herschapen te worden. Vrede zij de asch van den vaderlandlievenden staatsman, die bij de laatste door hem aan Schotland bewezen diensten nog deze voegde, dat hij die ontheiliging door zijne tusschenkomst belette!
Naarmate de ruiters de hoofdstad van Schotland langs open en bebouwde velden meer en meer naderden, begon ook het oorlogsgerucht zich meer en meer te doen hooren. Het verwijderde, maar toch goed te onderscheiden, gebulder van het kanon, hetwelk van tijd tot tijd losbrandde, deed Waverley verstaan, dat het werk der verwoesting een aanvang genomen had. Zelfs Balmawhapple scheen geneigd eenige voorzorgen te gebruiken, door eene kleine afdeeling voorop te zenden, het hoofdcorps in tamelijke orde te houden en bedaard den tocht voort te zetten.
Dus voorttrekkende, bereikten zij spoedig eene hoogte, vanwaar Edinburgh zich aan hun oogen voordeed zoo als het zich uitstrekt langs den bergrug, die, oostwaarts van het kasteel af, schuins naar beneden loopt. Daar de stad in staat van beleg, of liever van blokkade was, door de noordelijke opstandelingen, die reeds voor twee dagen de stad bezet hadden, werd daaruit van tijd tot tijd op zoodanige troepjes Hooglanders gevuurd, als zich blootstelden, hetzij in de hoofdstraat der stad, of elders in den omtrek van het kasteel. Daar de morgen stil en schoon was, werd door dit herhaalde vuren het kasteel in rookwolken gehuld, die zachtjes boven in de lucht wegsmolten, terwijl het middelste gedeelte telkens weder in rookdamp gewikkeld werd door de uit de muren losgebarsten versche schoten. Het aldus gedeeltelijk vervallen kasteel erlangde daardoor iets groots en sombers in zijn voorkomen, hetwelk nog schrikbarender werd, toen Waverley de oorzaak van dit alles naging, en bedacht dat iedere uitbarsting licht den dood van den een of anderen dapperen man kon aankondigen.
Eer zij de stad genaderd waren, had deze kanonnade geheel opgehouden. Doch Balmawhapple, die zich de onvriendelijke begroeting herinnerde, welke zijn troep van de batterij van Stirling was te beurt gevallen, had waarschijnlijk geen lust om de lankmoedigheid der artillerie van het kasteel op de proef te stellen. Hij verliet dus den naasten weg, en aanmerkelijk ten zuiden afwijkende, zoodat hij buiten het bereik van het kanon was, naderde hij het oude paleis van Holyrood, zonder de stad te zijn binnen gereden. Nu schaarde hij zijne manschappen voor dit eerwaardig gebouw, en leverde Waverley aan eene wacht van Hooglanders over, wier officier hem naar het binnenste van het paleis voerde.
Eene lange, lage en slecht geëvenredigde gaanderij met schilderijen behangen, die men zeide de afbeeldingen van koningen voor te stellen, welke, zoo zij al ooit geleefd hadden, eenige honderd jaren voor de uitvinding van het schilderen in olieverf moeten hebben bestaan, diende als eene soort van wachtkamer, of voorzaal van de vertrekken, die de avontuurlijke Karel Eduard thans in het paleis zijner voorouders bewoonde. Officieren in Hooglandsch en Laaglandsch gewaad, liepen haastig heen en weêr, of slenterden in de voorkamers rond, alsof zij op bevelen wachtten. Geheimschrijvers waren bezig met het opmaken van passen, monsterrollen en antwoorden. Ieder scheen het geweldig druk te hebben en ernstig bezig te zijn met eene of andere zaak van belang; maar Waverley had vrijheid om in de diepte van een afgelegen raam, door ieder onopgemerkt, te blijven zitten, terwijl hij niet zonder angstige bezorgdheid nadacht over de beslissing van zijn lot, welke thans met rasse schreden scheen te naderen.
ZESDE HOOFDSTUK.
EEN OUDE EN EEN NIEUWE KENNIS.
Terwijl Waverley diep in zijn mijmering verzonken was, liet het ruischen van tartans zich achter hem hooren, een vriendelijke hand sloeg hem op den schouder, en eene vriendenstem voegde daarbij:
„Heeft de Hooglandsche profeet nu beuzelpraat verteld? En moeten alle voorspellingen in den wind geslagen worden?”
Waverley keerde zich om, en werd met warmte omhelsd door Fergus Mac-Ivor. „Duizendmaal welkom op Holyrood, wederom in het bezit van zijn wettigen souverein! Heb ik het u niet gezegd, dat wij voorspoed zouden hebben, en dat gij in de handen der Philistijnen zoudt vallen, als gij ons verliet?”
„Beste Fergus!” riep Waverley, terwijl hij den hartelijken groet met warmte trachtte te beantwoorden, „in hoe lang heb ik de stem van een vriend niet gehoord. Waar is Flora?”
„Welvarende, en een zegevierende toeschouwster van onzen voorspoed.”
„In dit paleis?”
„Wel in deze stad ten minste, en ge zult haar zien; maar eerst moet gij een vriend ontmoeten, aan wien ge weinig denkt, en die dikwijls naar u gevraagd heeft.”
Dit zeggende voerde hij Waverley bij den arm de wachtkamer uit, en eer hij wist waar men hem bracht, bevond Eduard zich in een audiëntiezaal, waaraan men gepoogd had eenig voorkomen van koninklijke pracht te geven.
Een jong man, die zijn eigen schoon blond haar droeg, kenbaar aan de waardigheid van zijn houding, en de edele uitdrukking van zijn welgevormde en regelmatige gelaatstrekken, trad uit een kring van officieren en Hooglandsche opperhoofden te voorschijn. Aan zijn ongedwongene en aangename manieren zou Waverley zijne hooge geboorte en rang gemakkelijk hebben kunnen ontdekken, al had de ster op zijn borst, en de geborduurde kouseband aan zijne knie, hem deze niet reeds op het eerste gezicht aangekondigd.
„Uwe Koninklijke Hoogheid vergunne mij,” zeide Fergus met een diepe buiging, „aan haar voor te stellen...”
„Den afstammeling van een der oudste en getrouwste huizen in Engetand,” zei de jonge Prins, hem in de rede vallende. „Ik vraag verschooning dat ik u in de rede gevallen ben, mijn beste Mac-Ivor; er is geen ceremoniemeester noodig, om een Waverley aan een Stuart voor te stellen.”
Dit zeggende reikte hij, met de grootste hoffelijkheid de hand aan Eduard, die, al had hij het ook gewild, niet nalaten kon hem de hulde te bewijzen, welke men aan zijn rang verschuldigd scheen, en waarop althans de geboorte van den Prins hem aanspraak gaf. „Het doet mij leed te hooren, mijnheer Waverley, dat gij, ten gevolge van omstandigheden, die nog maar zeer onvoldoende zijn opgehelderd, eenigen last hebt geleden van mijn aanhangers in het graafschap Perth, en op uw tocht herwaarts; maar wij bevinden ons in een toestand, dat wij ter nauwernood onze vrienden kennen, en ik ben zelfs op dit oogenblik onzeker, of ik het genoegen mag hebben mijnheer Waverley onder dezen te rekenen.” Hier hield hij een oogenblik op; maar eer Eduard een gepast antwoord bedenken kon, of zelfs zijn gedachten daartoe verzamelen, haalde hij een papier te voorschijn, en ging voort: – „Ik behoorde inderdaad geen twijfel hieromtrent te voeden, indien ik mij verlaten kon op deze proclamatie, door de vrienden van den Keurvorst van Hannover uitgevaardigd, en waar zij den heer Waverley rangschikken onder de edellieden, die met de straf van hoogverraad worden bedreigd – wegens getrouwheid aan hun wettigen souverein. Maar ik wensch geene aanhangers te winnen, dan uit genegenheid en overtuiging; en zoo de heer Waverley verkiest zijn reis naar het zuiden voort te zetten, of zich bij de krijgsmacht van den Keurvorst te voegen, zal hij van mij een paspoort en volkomen vrijheid erlangen, om dat te doen; alleen moet ik mijn leedwezen betuigen, dat ik hem niet zal kunnen waarborgen tegen de waarschijnlijke gevolgen van zulk een stap. – Maar,” vervolgde Karel Eduard, na nog een korte pauze, „zoo de heer Waverley, gelijk zijn voorvader, Sir Nigel, besluiten mocht een zaak te omhelzen, die niet veel anders heeft om haar aan te bevelen dan hare rechtvaardigheid, en een vorst wilde volgen, die zich verlaat op de genegenheid van zijn volk, ten einde den troon zijner voorvaderen te herwinnen, of in die poging te sneuvelen, dan kan ik alleen zeggen, dat hij onder deze edellieden en heeren waardige medestanders zal vinden in een loffelijke onderneming, en hij een meester zal volgen, die ongelukkig, maar, zoo als ik vertrouw, nooit ondankbaar wezen kan!”