Chapter 22 of 50 · 3873 words · ~19 min read

Part 22

Na den gevangene, – want zoo moet onze held thans beschouwd worden – zoo veel tijd tot nadenken te hebben verleend, als hij billijk oordeelde, hervatte majoor Melville zijn verhoor, terwijl hij aanving met te verklaren, dat daar de heer Waverley zwarigheid scheen te maken tegen algemeene vragen, hij het onderzoek zoo zeer tot bijzonderheden zou uitstrekken als de door hem ontvangen berichten slechts veroorloofden. Hij zette dus zijn verhoor voort, terwijl hij den inhoud der vragen en antwoorden, al gaandeweg, door den klerk liet opschrijven.

„Was mijnheer Waverley met zekeren Humphry Houghton, onderofficier bij Gardiner’s dragonders, bekend?”

„Zeker; hij was wachtmeester bij mijn eskadron, en de zoon van een der boeren van mijn oom.”

„Juist, – en bezat uw vertrouwen in hooge mate, benevens veel invloed op zijn kameraden?”

„Ik had nooit gelegenheid om vertrouwen te schenken aan iemand van zijn soort. Ik begunstigde Houghton als een knappen, ijverigen borst, en ik geloof dat zijn medesoldaten hem achting toedroegen.”

„Maar, gij waart gewoon door dezen man gemeenschap te houden met diegenen uwer manschappen, welke op Waverley-Honour geworven waren?”

„Ja! deze arme knapen, die in een regiment, hoofdzakelijk uit Schotten of Ieren bestaande, waren ingelijfd, hielden zich, bij al hunne kleine verdrietelijkheden, aan mij, en bezigden natuurlijk hun landsman en wachtmeester om bij zulke gelegenheden hunne belangen aan mij voor te dragen.”

„Zijn invloed strekte zich dus in het bijzonder uit over die soldaten, die u, van uws ooms landgoederen, naar het regiment volgden?”

„Zonder twijfel! Maar wat doet dit tot ons tegenwoordig oogmerk?”

„Daar ben ik juist aan toe, en verzoek uw ruiterlijk antwoord. Hebt gij, sedert ge uw regiment verlaten hebt, eenige briefwisseling, hetzij rechtstreeks of zijdelings, met dezen wachtmeester Houghton gehouden?”

„Ik! – ik briefwisseling houden met iemand van zijn rang en betrekking! – En waarom, vraag ik u, zou ik dat gedaan hebben?”

„Dat zult ge mij zoo aanstonds zelf verklaren. – Maar hebt ge, bij voorbeeld, niet aan hem om eenige boeken gezonden?”

„Gij herinnert mij aan een onbeduidenden last, hem door mij gegeven, omdat mijn knecht niet lezen kon. Ja, ik herinner mij dat ik hem, door een brief, verzocht heb, eenige boeken, waarvan ik hem een lijstje zond, uit de kast te nemen, en mij naar Tully-Veolan op te zenden.”

„Van welken aard waren die boeken?”

„Het waren bijna enkel boeken van smaak, en bestemd om door een dame gelezen te worden.”

„Waren er, mijnheer Waverley, geen verraderlijke verhandelingen en pamfletten onder?”

„Er waren eenige staatkundige verhandelingen bij, die ik nauwelijks inzag. Ze waren mij gezonden door een gedienstigen vriend, wiens hart meer achting verdient dan zijn voorzichtigheid, of politiek doorzicht; het schenen dwaze opstellen te zijn.”

„Die vriend was zekere heer Pembroke, een onbeëedigd geestelijke, de schrijver van twee verraderlijke werken, waarvan de afschriften onder uwe bagage gevonden werden.”

„Maar van welke ik op mijn eer als fatsoenlijk man, geen zes bladen las.”

„Ik ben uw rechter niet, mijnheer Waverley; uw verhoor zal naar elders opgezonden worden. En nu, om voort te gaan, kent gij een persoon die onder den naam gaat van Wily Will of Will Ruthven?”

„Tot op dit oogenblik heb ik nooit zulk een naam gehoord.”

„Hieldt gij nooit, door zulken of eenigen anderen persoon, gemeenschap met den wachtmeester Humphry Houghton om hem aan te zetten, met zoo velen zijner kameraden, als hij verleiden kon hem te volgen – te deserteeren en zich te voegen bij de Hooglanders en andere rebellen, die thans onder de wapenen zijn onder het bevel van den jongen Pretendent?”

„Ik verzeker u niet alleen geheel onschuldig te zijn aan het verraad, dat gij mij daar te laste legt, maar het ook van ganscher harte te verfoeien; ja, inderdaad ik zou mij aan zulk een verraad niet willen schuldig maker, zelfs niet om een troon te winnen, voor mij zelven, of voor wien ook ter wereld.”

„Wanneer ik echter dezen omslag beschouw, die het handschrift van een dier misleide heeren is, welke thans tegen de regeering onder de wapens zijn, benevens de daarin besloten verzen, dan kan ik niet nalaten eenige overeenkomst te vinden tusschen het plan, waarvan ik gesproken heb, en de heldenfeiten van Wogan, welke de schrijver schijnt te verwachten dat gij navolgen zult.”

Waverley was getroffen door dit toeval, maar beweerde, dat de wenschen of verwachtingen van de briefschrijvers niet moesten beschouwd worden als bewijzen eener beschuldiging, die verder geen grond had.

„Maar, zoo ik wel onderricht ben, hebt ge uw tijd, gedurende uw afwezigheid van het regiment, gesleten, deels onder het dak van dit Hooglandsch Opperhoofd, deels onder dat van den heer Bradwardine van Bradwardine, die voor deze ongelukkige zaak ook de wapens opgenomen heeft.”

„Ik zal dit niet ontveinzen; maar ten stelligste ontken ik, dat ik zelfs in de verste verte bekend was met iets van hunne oogmerken tegen het Bewind.”

„Gij zult echter, naar ik veronderstel, niet willen ontkennen, dat ge uw gastheer Glennaquoich vergezeld hebt bij een rendez-vous, waar, onder voorwendsel van een algemeene jachtpartij, de meeste medeplichtigen aan het verraad vergaderd waren, om maatregelen te beramen voor den opstand?”

„Ik beken dat ik zulk een bijeenkomst heb bijgewoond; maar ik hoorde of zag er nooit iets, dat daaraan de bedoeling kon geven, door u opgenoemd.”

„Van daar hebt ge u, met Glennaquoich en een gedeelte van zijn clan, bij het leger van den jongen Pretendent gevoegd, en kwaamt, na uwe hulde aan hem betoond te hebben, terug, om de overigen te oefenen en te wapenen, en ze met zijn benden te vereenigen, op hun weg naar het zuiden.”

„Ik heb nooit met Glennaquoich zulk een tocht gedaan. Ik heb zelfs nooit gehoord, dat de persoon, van wien gij spreekt, in het land was.”

Thans verhaalde hij de geschiedenis van zijn ongeluk op de jachtpartij, en voegde er bij, dat hij, bij zijn terugkomst, zich op eens ontzet zag van zijn officiersrang; dat hij niet wilde ontkennen, toen, voor het eerst, verschijnselen te hebben waargenomen, welke eene neiging bij de Hooglanders verrieden, om de wapens op te vatten. „Maar,” zeide hij, „daar ik geen lust had, mij bij hen te voegen, noch eenige reden om langer in Schotland te blijven, was ik nu op de terugreis naar mijn vaderland, werwaarts ik opgeroepen word door diegenen, welke recht hebben om mijn gangen te besturen, zoo als majoor Melville zien kan uit de op tafel liggende brieven.”

Majoor Melville doorlas nu de brieven van Richard Waverley, van Sir Everhard en Tante Rachel; maar de gevolgen, die hij daaruit afleidde, verschilden van hetgeen Waverley verwachtte. Zij waren in een ontevredene stemming over het Bewind opgesteld, en behelsden alles behalve onduidelijke wenken van wraakzucht; en die van de arme Tante Rachel, welke de rechtvaardigheid van de zaak der Stuarts ronduit beweerde, werd beschouwd als een onbewimpelde bekentenis van dat waarop de anderen het slechts waagden een toespeling te maken.

„Veroorloof mij nog éene vraag, mijnheer Waverley! ontvingt ge niet, bij herhaling, brieven van uw Overste, waarin hij u waarschuwde en beval op uw post terug te keeren, en u tevens bekend maakte, dat men uw naam bezigde, om ontevredenheid onder de krijgslieden te verspreiden?”

„Nooit, majoor Melville. Eén brief, het is waar, ontving ik van hem, die in beleefde uitdrukkingen zijn wensch bevatte, dat ik mijn verloftijd anders zou besteden, dan in een aanhoudend verblijf op Bradwardine, waaromtrent ik beken van oordeel geweest te zijn, dat dit zijne zaken niet waren; en eindelijk heb ik nog, op denzelfden dag dat ik mijn ontslag in de courant las, een brief van kolonel Gardiner ontvangen, waarin hij mij gelastte mij bij het regiment te voegen; een bevel hetwelk ik, uithoofde van mijne, reeds vermelde en verklaarde afwezigheid, te laat ontving om er gevolg aan te kunnen geven. Zoo er tusschenbeide nog eenige brieven zijn geweest, en, op grond van kolonel Gardiner’s edel karakter, houd ik dit voor waarschijnlijk, zijn ze mij nooit ter hand gekomen.”

„Ik heb vergeten te vragen, mijnheer Waverley, naar een onderwerp van minder belang, maar waarvan in het openbaar, tot uw nadeel gesproken is. Men heeft gezegd, dat, toen er bij zekere gelegenheid een verraderlijke toast was ingesteld, ten aanhoore en in tegenwoordigheid van u, officier in dienst van Zijn Majesteit, gij zijne bestraffing aan iemand anders uit het gezelschap overliet. Dit, Mijnheer, kan geen bezwaar tegen u worden bij een Hof van Justitie; maar, indien, gelijk men mij gezegd heeft, de Officieren van uw regiment een opheldering van zulk een gerucht vorderden, kan ik, als man van eer en als soldaat, niet nalaten verbaasd te staan, dat ge hun die niet gegeven hebt.”

Dit was te veel. Van alle zijden aangevallen en in ’t nauw gebracht door beschuldigingen, waarin de grofste onwaarheden vermengd waren met eenige feiten, die daaraan ingang verschaften, – alléen, zonder vriend en in een vreemd land, gaf Waverley zijn leven en eer zoo goed als prijs, en het hoofd op zijn hand latende zakken, weigerde hij ronduit op eenige vraag meer te antwoorden, daar het eerlijk en oprecht verslag, dat hij reeds gegeven had, slechts diende om wapenen tegen hem in handen te geven.

Zonder eenige verwondering of ongenoegen te laten blijken, bij het veranderen van Waverley’s houding, ging majoor Melville bedaard voort met nog een aantal andere vragen tot hem te richten. „Wat baat het mij u te antwoorden?” zeide Eduard kortaf. „Gij schijnt overtuigd van mijn schuld, en bezigt ieder door mij gegeven antwoord tot een steun voor het gevoelen door u opgevat. Verheug u dan daarmede, en martel mij niet langer. Zoo ik in staat ben tot de lafheid en het verraad, waarvan ge mij beschuldigt, ben ik niet waardig geloofd te worden, welk antwoord ik ook geven moge. Verdien ik daarentegen uw verdenking niet – en God en mijn geweten getuigen, dat dit het geval is – dan zie ik niet, waarom ik, door mijn oprechtheid, mijn beschuldigers wapens tegen mij in handen zou geven. Er bestaat geen reden voor mij, om een enkel woord meer te antwoorden.” En hij bleef op nieuw vertoornd en onverzettelijk zwijgen.

„Sta mij toe,” zeide de Majoor, „u aan éene reden te herinneren, die u misschien het nut zal doen opmerken eener oprechte en openhartige bekentenis. De onervarenheid der jeugd, mijnheer Waverley, stelt haar bloot aan strikken van meer ondernemende en listige lieden; en éen uwer vrienden ten minste – ik bedoel Mac-Ivor van Glennaquoich – staat aangeschreven als tot de laatste soort van lieden te behooren; even als ik, wegens uw blijkbare openhartigheid, jeugd en onbekendheid met de zeden der Hooglanders, geneigd ben u onder die van de eerste te rangschikken. In zulk een geval kan een verkeerde stap of misslag, gelijk de uwe, die ik mij gelukkig zal rekenen als onwillekeurig te mogen beschouwen, vergiffenis verkrijgen, en gaarne zou ik daarbij als bemiddelaar optreden. Maar daar ge noodwendig bekend moet zijn met de sterkte dergenen in het land, die de wapens hebben opgevat, met hunne middelen en hunne ontwerpen, kan ik niet anders dan verwachten, dat gij deze voorspraak van mijn zijde wel zult willen verdienen, door een eerlijke en volledige opgaaf van alles, wat hieromtrent ter uwer kennis gekomen is. In dit geval meen ik te kunnen beloven, dat een zeer kortstondige beperking uwer persoonlijke vrijheid het eenige kwade gevolg zal zijn, dat uit uwe deelname in die ongelukkige zaak ontstaan kan.”

Waverley luisterde met groote bedaardheid tot op het einde dezer aanspraak, waarna hij, opspringende van zijn stoel, antwoordde met eene kracht, waarvan hij tot nog toe geen blijk had gegeven: „majoor Melville, daar dit uw naam is, tot hiertoe heb ik uwe vragen met oprechtheid beantwoord, of met gematigdheid afgewezen, want ze betroffen mij alleen; maar, daar ge u vermeet mij laag genoeg te achten, om een aanbrenger van anderen te worden, die mij – wat ook hun staatkundig wanbedrijf moge wezen – ontvingen als gast en als vriend, zoo verklaar ik u, dat ik uwe vragen beschouw als een hoon, oneindig meer beleedigend dan uwe lasterlijke verdenkingen, en dat, daar mijn ongeluk mij slechts woorden vergunt om u mijn gevoeligheid te openbaren, gij mij eer het hart uit de borst zult rukken, dan een enkel woord over zaken, waarmede ik niet bekend kon worden, tenzij ze in het volle vertrouwen der argelooze gastvrijheid mij medegedeeld werden.

De heer Morton en de Majoor keken elkander aan, en de eerste, die onder den loop van het onderzoek bij herhaling gekweld was geweest, door een aandoening van verkoudheid, nam de toevlucht tot zijn snuifdoos en zakdoek.

„Mijnheer Waverley,” zei de Majoor, „mijn tegenwoordige betrekking verbiedt mij zoowel te beleedigen als mij beleedigd te achten, en ik wil geen woordenwisseling voortzetten, die op een van beide zou uitloopen. Het spijt mij een bevelschrift te moeten teekenen, om u in bewaring te houden; maar dit huis zal, voor het tegenwoordige, uwe gevangenis zijn. Ik vrees u niet te zullen kunnen overhalen, om deel aan onzen avondmaaltijd te nemen? – Eduard schudde het hoofd; – maar ik zal ververschingen in uw kamer doen bezorgen.”

Onze held boog en begaf zich, onder bewaring van de dienaars der justitie, naar een fraai, schoon klein vertrek, waar hij alle ververschingen afwijzende, zich te bed wierp; en, versuft onder de kwellingen en vermoeienissen van dezen jammerlijken dag, in een diepen en zwaren slaap zonk. Dit was meer dan hij had kunnen verwachten; maar men verhaalt immers van de Noord-Amerikaansche Indianen, dat zij aan den martelpaal wel eens in slaap vallen, als voor een oogenblik de folteringen gestaakt worden, tot het vuur weder wordt aangestookt om hen wakker te houden.

TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN GESPREK EN DE GEVOLGEN DAARVAN.

Majoor Melville had den heer Morton, bij zijn verhoor van Waverley, doen blijven, zoowel omdat hij begreep dat zijn geoefend verstand, gevoegd bij zijn erkende Koningsgezindheid, hem van dienst zou kunnen zijn, als omdat het aangenaam was, een getuige, wiens eerlijkheid en waarheidsliefde boven alle verdenking verheven waren, te hebben bij een zaak waarmede de eer en veiligheid van een jong Engelschman van hoogen rang en familie, den aanstaanden erfgenaam van een groot fortuin op het spel stonden. Hij wist dat men iederen stap streng zou nagaan, en het was zijn voornaamste streven de rechtvaardigheid en vlekkeloosheid van zijn eigen gedrag buiten alle mogelijke verdenking te houden.

Toen Waverley zich verwijderd had, zetten de Majoor en de Predikant van Cairnvreckan zich zwijgend aan hun avondmaaltijd neder. Zoolang de knechts hen bedienden, wilde geen van beide een woord zeggen over de zaak, waarmede zij geheel vervuld waren, hoewel zij het evenmin gemakkelijk vonden, over iets anders te praten.

Waverley’s jeugd en blijkbare openhartigheid staken zeer af bij de verdenking die op hem rustte; en hij bezat een soort van naïveteit en vrijmoedigheid, welke eigen scheen aan iemand die met de doolhoven der staatkundige kuiperijen nog geheel onbekend was, – wat niet weinig ten zijnen voordeele pleitte.

Beide dachten over de bijzonderheden van het verhoor na, en beschouwden ze in het licht van hun eigene meeningen. Beide waren mannen van een vlugge en scherpzinnige bevatting, en beide even goed in staat, om verschillende argumenten aan te halen en daaruit de noodzakelijke gevolgen af te leiden. Maar het groote verschil dat er bestond in den aard hunner bezigheden en in de wijze waarop zij opgevoed waren, bracht dikwijls een niet minder groote verscheidenheid te weeg, wanneer zij hunne gevolgtrekkingen op aangenomen veronderstellingen grondden.

Majoor Melville had een gedeelte van zijn leven bij het leger en in vestingen doorgebracht; was ambtshalve waakzaam en door de ondervinding voorzichtig geworden; had veel kwaads in de wereld gezien en was dus, schoon zelf een eerlijk magistraat en een braaf man, in zijn oordeel over anderen dikwijls maar al te streng. De heer Morton, daarentegen, had de letterkundige studiën op de hoogeschool, waar hij bij al zijn medeleerlingen en leermeesters geacht was, vaarwel gezegd voor zijn rustig en kalm beroep, waar hij slechts weinig gelegenheid had om kwaad op te merken, terwijl hij er nooit bij stil stond, dan om tot berouw en verbetering aan te sporen. Zijn gemeenteleden beantwoordden den liefderijken ijver dien hij te hunnen behoeve aan den dag legde met liefde en eerbied, gelijk zij steeds voor hem trachtten te bedekken, wat ze wisten dat hem het grootste verdriet zou veroorzaken: het verzaken van de plichten, die het zijne roeping was aan te kweeken. Daarom was het een algemeen zeggen in de nabuurschap, dat de Majoor in zijn dorp alleen het kwade, en de Predikant, schoon men van beide mannen evenveel hield, alleen het goede kende.

Ook onderscheidde zich de predikant van Cairnvreckan door liefde tot de letteren, ofschoon hij deze beneden zijn kerkelijke studiën en plichten stelde, en dit had aan zijn geest, in vroeger dagen, een tintje van het romaneske gegeven, hetwelk ten gevolge van latere gebeurtenissen in het dagelijksch leven niet geheel was verloren gegaan. Het vroegtijdig verlies eener beminnelijke jonge vrouw, die hij uit liefde gehuwd had, en die spoedig in het graf gevolgd werd door een eenig kind, strekte, zelfs in den loop der jaren, om zijn aangeboren zachten en nadenkenden aard in het een en ander nog meer te bevestigen. Het is dus niet te verwonderen dat zijn gewaarwordingen, bij de tegenwoordige gelegenheid, aanmerkelijk verschilden van die van den strengen tuchtmeester, den nauwgezetten ambtenaar en den man die weinig vertrouwen in de menschen stelde.

Toen de bedienden zich verwijderd hadden, duurde het zwijgen van beide zijden voort; totdat majoor Melville, terwijl hij zijn glas vulde, en den heer Morton de flesch toeschoof, aldus het gesprek begon:

„Een jammerlijke zaak, mijnheer Morton; ik vrees dat dit jonge mensch zich een strop om den hals heeft geworpen.”

„God geve van neen!” antwoordde de geestelijke.

„Van harte, amen!” hernam de Majoor, „maar ik verbeeld me, dat zelfs uw barmhartige logica de conclusie bezwaarlijk ontkennen zal.”

„Zeker, majoor, na al wat wij heden avond gehoord hebben, zie ik niet in waarom we niet zouden hopen dat dit ongeluk voorkomen moge worden.”

„Waarlijk? – Maar, mijn goede dominé, gij zijt een van diegenen, die op iederen misdadiger het benefictum clericorum wel zoudt willen toepassen [118].”

„Zonder eenigen twijfel zou ik dat: genade en lankmoedigheid zijn de gronden der leer, die ik geroepen ben te verkondigen.”

„Uit een godsdienstig oogpunt, behelst deze leer waarheid; maar het verleenen van genade aan een misdadiger kan een groote onrechtvaardigheid jegens de maatschappij zijn. Ik spreek niet van dezen jongen man in het bijzonder. Ik hoop van harte dat hij zich zal kunnen zuiveren, want zijn zedigheid bevalt me, zoowel als zijn gevoel van eigen waarde, Maar ik vrees, dat hij in den strik geloopen is.”

„En waarom? Honderden misleide edellieden zijn thans tegen het Bewind onder de wapens; velen, ongetwijfeld, ten gevolge van beginselen, door opvoeding en vroeg ingezogen vooroordeel met den naam van vaderlandsliefde en heldendeugd verguld; – de Justitie, als ze hare slachtoffers uit zulk een menigte kiest, (want gewis zullen niet allen worden uitgeroeid) moet op het zedelijk beginsel zien; – laat hij, wien eerzucht, of hoop op persoonlijk voordeel ertoe gebracht heeft, om de rust van een welgeordend Bewind te verstoren, als een slachtoffer der wet vallen; maar voorzeker mag deze jonge man door de dolzinnige droomen van riddereer en ingebeelde trouw misleid, aanspraak op genade maken.”

„Wanneer die droomen van riddereer en ingebeelde trouw in de termen van hoogverraad vallen, ken ik geen rechtbank ter wereld, beste mijnheer Morton, voor welke ze zich zouden kunnen vrijpleiten.”

„Maar ik kan in het geheel niet zien, dat de schuld van dezen jongeling genoegzaam bewezen is.”

„Omdat uw goed hart uw gezond verstand benevelt. Let wel. Deze jonkman – afstammende van een geslacht van erfelijke Jacobieten; zijn oom, het hoofd der Torys in het graafschap **; zijn vader, een weggejaagde en ontevreden hoveling; zijn leermeester, een onbeëedigd geestelijke en de schrijver van twee verraderlijke werken – deze jonkman, zeg ik, treedt in dienst bij de dragonders van Gardiner, terwijl hij met zich een corps jonge lieden van zijns ooms landgoederen brengt, die geene zwarigheid gemaakt hebben, om in hunne twisten met hunne kameraden, op hunne wijze uit te komen voor de beginselen, door hen op Waverley-Honour ingezogen. Voor deze jonge lieden heeft Waverley de meeste oplettendheid; ze worden van geld voorzien, boven hetgeen een soldaat noodig heeft en met de krijgstucht bestaanbaar is, en zijn onder het bestuur van een begunstigden wachtmeester, door wien ze een ongewoon nauwe gemeenschap met hun kapitein onderhouden, en zich gedragen, als waren ze onafhankelijk van de overige officieren en verheven boven hunne kameraden.”

„Dit alles, waarde Majoor, is het natuurlijk gevolg van hunne gehechtheid aan hun jongen landheer, en omdat ze zich bij een regiment bevinden, hoofdzakelijk in het noorden van Ierland en in het westen van Schotland geworven, en bij gevolg onder kameraden, geneigd om met hen te kibbelen, niet slechts als Engelschen maar ook als leden van de Engelsche Kerk.”

„Voortreffelijk gesproken, dominé! – Ik wenschte wel dat sommige leden van uwe Synode u hoorden. – Maar laat mij voortgaan. De jonkman verkrijgt verlof, gaat naar Tully-Veolan – de beginselen van den baron van Bradwardine zijn tamelijk wel bekend; om er niet van te gewagen, dat de oom van dezen jongen hem in het jaar vijftien uit den nood redde; – daar geraakt hij in een twist, waarbij men verhaalt dat hij de uniform die hij droeg, geschandvlekt heeft. – Kolonel Gardiner schrijft hem, eerst zacht, daarna scherp; (ik geloof wel, dat gij niet twijfelen zult dat hij het gedaan heeft, daar hij het zelf zegt) – de officieren van zijn regiment verzoeken hem hun een opheldering te geven omtrent den twist, waarin hij betrokken is geweest – hij antwoordt noch zijn overste, noch zijn kameraden. Intusschen worden zijn manschappen oproerig en verzetten zich tegen de krijgswet, en eindelijk, toen het gerucht van dien ongelukkigen opstand algemeen wordt, ontdekt men dat zijn begunstigde wachtmeester Houghton en nog een andere knaap in briefwisseling zijn met een Franschen zendeling, zooals hij zegt, gevolmachtigd door kapitein Waverley, die, volgens de bekentenis van den man zelven, hen aanspoort met den troep te deserteeren en zich bij hun kapitein te voegen, die Prins Karel vergezelt. Intusschen houdt deze kapitein, dit voorbeeld van eerlijkheid, zich, zoo als hij zelf verklaard heeft, te Glennaquoich, bij den werkzaamsten, geslepensten en meest volslagen Jacobiet in geheel Schotland op; hij vergezelt hem ten minste op hun berucht jacht-rendez-vous, en ik vrees nog een weinig verder. In den tusschentijd worden hem nog twee brieven gezonden; in den éen wordt hem kennis gegeven van den oproerigen geest van zijn troep, terwijl de ander het stellige bevel behelst naar zijn regiment terug te keeren, hetgeen toch het gezond verstand hem reeds moest hebben voorgeschreven, zoodra hij het oproer rondom zich het hoofd zag opsteken. Hij antwoordt met eene bepaalde weigering, en zendt zijn ontslag uit den dienst in.”

„Hij was reeds uit den dienst ontslagen,” merkte de heer Morton op.

„Maar hij komt er in dien brief voor uit, hoe het hem spijt, dat men hem reeds was voorgekomen,” hernam Melville. „Zijn bagage wordt, in zijn garnizoen en op Tully-Veolan, in beslag genomen, en men vindt er een verzameling van venijnige Jacobietische pamfletten in, genoegzaam om een geheel land te vergiftigen, behalve nog de ongedrukte pennevruchten van zijn waardigen vriend en leermeester, den heer Pembroke.”

„Hij zegt dat hij ze nooit gelezen heeft,” antwoordde de Predikant.