Chapter 8 of 50 · 3918 words · ~20 min read

Part 8

Met den bijstand van Saunder Saunderson, geleidde onze held den baron van Bradwardine naar zijn woning, maar kon niet van hem verkrijgen naar bed te gaan, voor en aleer hij een lange en geleerde redevoering had gehouden over hetgeen dien avond was voorgevallen, waarvan echter niets verstaanbaar was, behalve iets over de Centauren en de Lapithen.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

BEROUW EN VERZOENING.

Waverley was niet gewoon, dan met de grootste matigheid wijn te drinken. Hij sliep dus tot laat in den volgenden morgen, en ontwaakte toen met een pijnlijke herinnering aan het tooneel van den vorigen avond. Hij had een persoonlijke beleediging ondergaan, – hij, een man van eer, een krijgsman en een Waverley. Het was waar, hij die ze hem had aangedaan, was, op dat oogenblik, geen meester over het zeer geringe verstand, hetwelk de natuur hem geschonken had; het was evenzoo waar, dat, wanneer hij voor deze beleediging wraak nam, hij zoowel de wetten des hemels, als die van zijn land overtreden zou; het was eindelijk waar, dat hij, door dit te doen, wellicht het leven zou benemen aan een jonkman, die zich misschien behoorlijk van zijn maatschappelijke plichten kweet, en hij zou dus zijn familie ongelukkig maken; of hij zelf kon zijn eigen leven verliezen, – geen aangename kans zelfs voor den moedigste, wanneer men alles kalm en bedaard overlegt.

Al deze gedachten drukten hem zwaar op het hart; en toch keerde de eerste opvatting telkens met onweêrstaanbare kracht terug. Hij had een beleediging ondergaan; hij was van den huize Waverley, en tegelijk Officier. Er was geen keus; en hij begaf zich naar de ontbijtkamer met het voornemen, om afscheid van de familie te nemen en aan een zijner wapenbroeders te schrijven, om bij hem te komen in de herberg, halfweg Tully-Veolan en de stad, om zoodanige boodschap aan den Heer van Balmawhapple te zenden, als de omstandigheden schenen te vorderen. Hij vond Freule Bradwardine aan de ontbijttafel, die met warm, zoowel tarwe- als gerstengebak, in de gedaante van brooden, koeken, beschuit en wat dies meer zij, beladen was, evenzoo met eieren, rendiersham, lams- en ossenvleesch, gerookte zalm, gekonfijte kweeën en al de overige lekkernijen, welke zelfs Johnson overhaalde, om de weelde van een Schotsch ontbijt boven dat van alle andere landen te verheffen. Een schotel havermeelpap tegenover een zilveren kan, die een mengsel van room en karnemelk bevatte, stond voor den baron gereed; maar Rose verhaalde, dat hij vroeg in den morgen uitgegaan was, na bevel te hebben gegeven dat men zijn gast niet storen zou.

Waverley nam, bijna zonder een woord te spreken plaats, en met zulk een verstrooid en afgetrokken voorkomen, dat Freule Bradwardine geen gunstig denkbeeld kon opvatten van zijn gezellige gaven. Hij antwoordde slechts met een enkel woord op een paar aanmerkingen, welke ze zich veroorloofde omtrent algemeene onderwerpen; zoodat ze, zich bijna teruggestooten gevoelende in hare pogingen om hem bezig te houden, en zich heimelijk verwonderende, dat onder een rooden rok geen betere opvoeding schuilde, hem aan zijn eigene overdenkingen overliet, welke bestonden in het verwenschen van doctor Doubleits geliefd gesternte van den Grooten Beer, als de oorzaak van al het onheil, dat reeds had plaats gehad en waarschijnlijk nog volgen zou. Op eens echter schrikte en kleurde hij geweldig, daar hij, de oogen naar buiten slaande, den baron en den jongen Balmawbapple arm in arm en schijnbaar in druk gesprek voorbij zag gaan. „Heeft mijnheer Falconer hier van nacht geslapen?” vroeg hij driftig. Rose, die niet zeer ingenomen was met de weinige korte woorden, welke de jonge vreemdeling tot haar richtte, antwoordde droog weg „neen,” en het gesprek was wederom ten einde.

Op dit oogenblik verscheen de heer Saunderson met een verzoek van zijn meester, om den Kapitein Waverley in een ander vertrek te mogen spreken. Met een hart, dat iets sneller dan gewoonlijk sloeg, niet uit vrees, maar uit onzekerheid en onrust, verliet Eduard de ontbijtzaal. Hij vond de beide heeren bij elkander staan; op het gelaat des Barons lag eene zelfvoldane waardigheid, terwijl iets, dat naar gemelijkheid of schaamte, zoo niet naar beide zweemde, het blozend gelaat van Balmawhapple benevelde. De eerste stak den arm onder dien van den laatste, en terwijl hij dus met hem scheen te wandelen, hoewel hij hem in waarheid geleidde, traden ze op Waverley toe, en nadat ze midden in het vertrek waren blijven staan, hield de Baron met groote deftigheid de volgende redevoering: „kapitein Waverley – mijn jonge en achtenswaardige vriend, mijnheer Falconer van Balmawhapple, die mijne jaren en ondervinding, als niet geheel onbedreven in alles wat de wetten van het tweegevecht of de monomachia betreft, geheel en al vertrouwt, heeft mij verzocht zijn tolk bij u te zijn, om u het leedwezen te betuigen, waarmede hij zich zekere uitdrukkingen op ons symposion van gisteravond herinnert, welke u, die voor het oogenblik het thans bestaande bewind dient, niet anders dan hoogst onaangenaam konden zijn. Hij bidt u, mijnheer, om de herinnering aan deze vergrijpen tegen de wetten der wellevendheid, als iets wat zijn meer onbeneveld verstand afkeurt, in vergetelheid te begraven, en de hand te ontvangen, welke hij u als een pand van vriendschap aanbiedt; en ik heb niet noodig u te verzekeren, dat niets minder dan het gevoel van dans son tort te zijn, gelijk een moedig Fransch ridder, monsieur le Bretailleur mij eens bij eene dergelijke gelegenheid toevoegde, alsmede de hooge dunk van uwe verdiensten zulk eene bekentenis van hem konden uitlokken; want hij en geheel zijn geslacht zijn, en daarenboven sedert onheugelijke tijden, mavortia pectora geweest, zooals Buchanan zegt, een stoute en oorlogzuchtige stam.”

Onmiddellijk, en met ongedwongen beleefdheid, nam Eduard de hand aan, welke Balmawhapple, of liever de Baron, in zijn karakter van bemiddelaar, hem toestak. „Het was hem onmogelijk,” zeide hij, „zich iets te herinneren, wat een fatsoenlijk man wenschte niet gezegd te hebben, en hij schreef het gebeurde gaarne toe aan de overdadige feestelijkheid van den vorigen dag.”

„Dat is zeer hupsch gesproken,” antwoordde de Baron; „want het lijdt geen twijfel dat, als iemand ebrius of dronken is, iets dat bij zulke plechtige en feestelijke gelegenheden kan en somtijds zal gebeuren in den loop van het leven van een man van eer, en dat, indien dezelfde man, wanneer hij weder frisch en nuchteren is, de beleedigende woorden herroept, door hem in zijn opgewondenheid gesproken, men er het voor houden moet vinum locutus est, dat de woorden ophouden de zijne te zijn. Ondertusschen zou ik meenen dat deze verontschuldiging niet geldt, in het geval van iemand die ebriosus, of een dronkaard uit gewoonte is; omdat, indien zulk een persoon het grootste gedeelte van zijn tijd in een staat van beschonkenheid verkiest door te brengen, hij geen recht heeft om zich vrij te maken van de plichten door het wetboek der beschaving opgelegd, maar behoort te leeren zich vreedzaam en hoffelijk te gedragen, wanneer hij onder den invloed van den geestrijken prikkel is. En laat ons thans aan het ontbijt gaan, en niet meer aan deze afgedane zaak denken.”

Hoe men ook er over denke moet ik toch bekennen, dat Eduard, na zulk eene voldoende verklaring, grooter eer aan de lekkernijen van freule Bradwardine’s ontbijttafel bewees, dan in den beginne. Balmawhapple, integendeel, scheen verlegen en neergedrukt; en Waverley merkte nu voor het eerst op, dat zijn arm in een band hing, hetgeen de linkschheid en verlegenheid verklaarde, waarmede hij zijn hand had aangeboden. Op eene vraag van freule Bradwardine, mompelde hij dat zijn paard gevallen was; en daar hij scheen te verlangen om zoowel dit onderwerp als het gezelschap te ontwijken, stond hij op zoodra het ontbijt afgeloopen was, maakte eene buiging voor het gezelschap, en na de uitnoodiging, van den Baron om te blijven eten van de hand gewezen te hebben, besteeg hij zijn paard en keerde naar huis terug.

Thans gaf Waverley zijn voornemen te kennen om Tully-Veolan te verlaten, tijdig genoeg om na afloop van het middagmaal de pleisterplaats te bereiken, waar hij nachtverblijf dacht te houden; maar het ongekunstelde en diepe leedwezen, waarmede de goedhartige en vriendelijke oude heer dit besluit aanhoorde, benam hem den moed, om bij zijn voornemen te volharden. Zoodra dan ook Waverley beloofd had nog eenige dagen te blijven deed hij zijn best om de redenen te ontzenuwen, waarom hij zich verbeeldde, dat zijn gast vroeger had willen vertrekken. „Ik zou u niet gaarne in den waan laten, kapitein Waverley, dat ik door gewoonte of voorbeeld een voorstander ben van dronkenschap, ofschoon het zijn kan dat, bij ons feest van gisteren avond, sommige onzer vrienden, zoo misschien niet geheel ebrii, of dronken, om een zacht woord te gebruiken, ebrioli waren, waarmede de ouden bedoelden, wat wij noemen „iets aangeschoten.” Meen echter niet dat ik dit van u denk Waverley, gij hebt u eerder, als een voorzichtig jongmensch van overmaat onthouden; ook kan het in waarheid niet van mij gezegd worden, die, ofschoon ik aan de tafel van menig grooten generaal en maarschalk, bij hunne plechtige feesten tegenwoordig ben geweest, de gave bezit, om mijn wijn in mate te gebruiken, en gedurende den geheelen avond, zooals gij ongetwijfeld moet hebben opgemerkt, de grenzen van een gematigde vroolijkheid niet te buiten ging.”

Het was niet doenlijk eene stelling te bestrijden, op zulk positieven toon opgeworpen door hem, die zeker de meestbevoegde rechter in de zaak was, hoewel, wanneer Eduard zijn oordeel uit zijn eigene herinneringen had geput, hij de meening zou hebben uitgesproken, dat de Baron niet alleen ebriolus was, maar zelfs bijna ebrius, of, plat gezegd, de meest beschonkene van allen, uitgezonderd misschien zijne tegenpartij, de heer van Balmawhapple. Evenwel ging de Baron, nadat hij het verwachte, of liever gevorderde compliment over zijne matigheid had ontvangen, voort: „Neen, mijnheer, schoon ik zelf van een sterk gestel ben, heb ik een afschuw van de dronkenschap, en verfoei hen die den wijn gulæ causa, dat is om de keel te streelen naar binnen zwelgen; hoewel ik de wet van Pittacus van Mitylene niet goedkeur, die een misdaad, onder den invloed van Liber Pater [45] gepleegd, dubbel strafte, en ik mij zelfs niet in alle opzichten kan vereenigen met het harde oordeel van den jongeren Plinius, in het veertiende boek van zijn Historia Naturalis. Neen, mijnheer, ik maak opderscheid, ik weet onderscheid te maken, en keur den wijn alleen in zoo verre goed, dat hij opgeruimd maakt, of in de taal van Flaccus, recepto amico.”

Dus eindigde de verantwoording, die de baron van Bradwardine noodig achtte voor het overdadige van zijn feestelijk onthaal; en men zal ligt gelooven, dat Eduard hem niet tegensprak of iets, dat hij zeide in twijfel trok.

Vervolgens noodigde hij zijn gast tot een morgenrid uit, en beval dat David Gellatley hen op het jachtpad, met de beide honden Ban en Buscar, zou wachten. „Want, eer het saizoen begint, zou ik u gaarne iets van ons jachtveld laten zien, en zoo God wil, zullen we alligt een ree ontmoeten. De ree, kapitein Waverley, mag in alle jaargetijden gejaagd worden; want, daar het dier nooit op zijn vet behoeft te roemen, is het ook nooit onsmakelijk, ofschoon het waar is, dat zijn vleesch niet gelijk staat met dat van het hert [46]. Maar ge zult zien, hoe mijne honden loopen; en daarom zullen ze met David Gellatley ons vergezellen.”

Waverley gaf zijn verwondering te kennen, dat zijn vriend David in staat was zoo iets waar te nemen; maar de Baron gaf hem te verstaan, dat deze arme hals niet gek, nec naturaliter idiota was, zoo als men in rechten zeide; maar eenvoudig een in de hersenen gekrenkte guit, die zeer wel in staat was iederen arbeid te volbrengen, die met zijn luimen strookte, en zijn gekheid tot een voorwendsel maakte om al ’t overige te vermijden. „Wij zijn aan hem gehecht,” ging de Baron voort, „doordien hij Rose, met gevaar van zijn leven, uit een dreigenden nood heeft gered, en de ondeugende lummel moet daarom eten van ons brood, en drinken uit onzen beker, en doen wat hij kan, of wat hij wil: hetgeen, zoo de vermoedens van Saunderson en den rentmeester gegrond zijn, in dit geval wel zoowat uitdrukkingen van dezelfde beteekenis zijn.”

Freule Bradwardine verhaalde vervolgens aan Waverley dat deze arme hals machtig verzot was op muziek; dat hij door droefgeestige melodieën diep getroffen, en tot buitensporige blijdschap vervoerd werd door vroolijke en levendige liederen. Hij was in dit opzicht met een verbazend geheugen begiftigd, en kende een groot aantal stukken en brokken van allerlei wijzen en liedjes, die hij soms met verwonderlijke slimheid te pas bracht, als middelen van betoog, verklaring of satire. David was zeer gehecht aan de weinigen, die hem vriendschap betoonden – en even gevoelig voor elke verachtelijke of kwade behandeling, die hij ondervond, terwijl hij volkomen in staat was, als hij maar gelegenheid er toe vond, zich te wreken. Het gemeene volk, dat doorgaans even hard over elkander als over hunne meerderen oordeelt, hoewel het vrij wat medelijden voor den armen „stumpert” betuigde, zoo lang men hem in vodden langs het dorp liet loopen, zag hem niet zoodra behoorlijk gekleed, verzorgd en zelfs eenigermate als gunsteling behandeld, of het haalde al de voorbeelden van gevatheid en doorzicht aan, zoowel in zijn handelingen als in zijn antwoorden welke de dorps-jaarboeken opleverden, en grondde daarop de veronderstelling, dat David Gellatley niet verder mal was, dan noodig scheen om hem voor zwaren arbeid te vrijwaren. Dit gevoelen was nogthans even juist als dat der negers, die uit de slimme en ondeugende kuren der apen opmaken, dat zij de gave der spraak bezitten, en dit vermogen opzettelijk onderdrukken, uit vrees dat men hen tot werken zal dwingen. David Gellatley was in goeden ernst de halfgekrenkte hals, die hij scheen, en buiten staat tot eenige aanhoudende en gestadige inspanning. Hij bezat juist oordeel genoeg om hem voor zinneloosheid te bewaren; zooveel natuurlijk verstand als hem tegen volslagen onnoozelheid vrijwaarde; eenige behendigheid in zaken die op de jacht betrekking hadden, (waarin wij even groote dwazen hebben zien uitmunten); uitnemende zachtheid en menschelijkheid in het behandelen van aan hem toevertrouwde dieren, een warm hart, een verbazend geheugen, en een oor voor de muziek.

Weldra vernam men nu paardengetrappel op het voorplein, alsmede Davie’s stem, die, zich tot de groote jachthonden keerende, zong:

Spoedt u! jaagt langs veld en weide, Stuift den vliet door die ginds plast! Vliegt langs heuvelzoom en heide, En waar ’t boschje ’t lachendst wast; Waar de stroomen ’t helderst vloeien, Waar de varen ’t weligst groeien, Waar de dauw het langste glanst, Waar dien ’t korhoen liefst gaat drinken, Waar de Fee het laatst bij ’t blinken Van het maanlicht heeft gedanst. Op naar legers, die men zelden Slechts zoo koel en eenzaam zag! Op langs weiden, heuvlen, velden, Bij ’t ontwaken van den dag!

„Behooren de verzen, die hij daar zingt, tot de oude Schotsche poëzie, freule Bradwardine?”

„Ik geloof het niet,” hernam zij „Dit arme schepsel heeft een broeder gehad, en de Hemel, alsof hij der familie het ongeluk van den armen David wilde vergoeden, had hem talenten geschonken, die men in het dorp voor iets buitengewoons hield. Een oom poogde hem op te leiden voor de Schotsche kerk, maar hij kon niet de minste bevordering vinden, omdat hij slechts een boerenzoon was. Hij keerde hopeloos, en met een gebroken hart van de Akademie terug, en kreeg de tering. Mijn vader ondersteunde hem tot zijn dood, die voorviel eer hij zijn negentiende jaar bereikt had. Hij speelde op de fluit, en werd algemeen voor iemand gehouden die een bijzonderen aanleg voor de poëzie had. Hij legde veel liefde en medelijden voor zijn broeder aan den dag, die hem volgde als zijn schaduw, en wij houden het er voor dat David van hem een menigte liederen verzamelde, die weinig op die uit deze streek gelijken. Maar als wij hem vragen, waar hij zulk een brok, als hij daar zingt, opgedaan heeft, antwoordt: hij òf met een geweldigen lachbui, òf wel door in tranen en jammerklachten uit te barsten, maar nooit vernam men eene andere verklaring, of heeft men hem zijns broeders naam na diens dood hooren noemen.”

„Zeker,” zeide Eduard, die altijd belang stelde in elk verhaal dat eenigszins romantisch klonk, „zeker zou men meer van hem vernemen, als men er meer bijzonder op aandrong.”

„Misschien wel,” antwoordde Rose; „maar mijn vader wil niemand veroorloven zijne gevoeligheid op dit punt te krenken.”

Gedurende dezen tijd had de Baron, met behulp van Saunderson, een paar geweldig groote jachtlaarzen aangetrokken, en noodigde thans onzen held uit hem te volgen, terwijl hij met zware stappen den breeden trap afging, in het voorbijgaan, telkens op de hooge ballustrade met den knop van zijn zware karwats sloeg, en zich het air gevende van een jager van Louis XIV bromde:

„Pour la chasse ordonnée, il faut préparer tout, Ho la ho! Vite! vite debout!”

DERTIENDE HOOFDSTUK.

EEN VERSTANDIGER DAG DAN DE VORIGE.

De baron van Bradwardine, op een levendig en goed gedresseerd paard gezeten, met een demi-piquè zadel en een donker schabrak, in overeenstemming met zijn liverei, was geen slecht vertegenwoordiger van de oude school. Zijn lichtkleurige, geborduurde rok en prachtig gegaloneerd vest, zijn krulpruik, waarop een punthoed met een smal gouden boordsel stond, voltooide zijn costuum; terwijl hij werd gevolgd door twee wel bereden knechts te paard, met pistolen in de holsters gewapend.

Aldus uitgedost reed hij over berg en dal zachtjes voort, terwijl hij de bewondering van elke boerderij, welke zij voorbij kwamen, opwekte, totdat ze, in een groene vallei, David Gellatley vonden, die twee buitengewoon groote hazewind-honden vasthield, een half dozijn andere kleinere honden bij zich had, en omtrent even zoo vele jongens met bloote voeten en bloote hoofden, die, om de uitgelezene onderscheiding te genieten van bij de jacht tegenwoordig te zijn, niet nagelaten hadden zijn ooren te kittelen met den streelenden titel van „Mijnheer Gellatley,” ofschoon er waarschijnlijk niemand onder hen was, die niet bij vorige gelegenheden hem uitgejouwd en voor „mallen David” uitgescholden had. Maar dit is geen ongewone soort van vleijerij jegens lieden, in zekere betrekkingen geplaatst, en geenszins bepaald tot de barrevoetsche dorpelingen van Tully-Veolan; ze was zestig jaar geleden in zwang, is het thans nog, en zal het over zeshonderd jaar nog zijn, zoo dat wonderlijke mengsel van dwaasheid en schurkerij, dat men „de wereld” heet, dan nog bestaat.

Deze kleine barrevoeters waren bestemd om het kreupelhout te kloppen, hetgeen ze met zulk goed gevolg deden, dat na een half uur jagens een ree opgejaagd, vervolgd en gedood werd. De baron volgde de honden op zijn schimmel, gelijk graaf Percy in de oude ballade, doodde het dier grootmoediglijk met zijn adellijk couteau de chasse, vilde het en haalde het uit, hetgeen, zooals hij aanmerkte, de Fransche chasseurs „faire la curée” heeten. Na deze plechtigheid geleidde hij zijn gast naar huis, langs een prettigen omweg, die een zeer ruim uitzicht schonk op verscheidene dorpen en huizen, van welke de heer Bradwardine de een of andere geschied- of geslachtkundige anecdote verhaalde. Zijn mededeelingen waren in een taal, ontsierd door veroordeel en pedanterie, maar dikwijls eerbiedwekkend om het gezond verstand en de edele gevoelens, waardoor zijn verhaal zich kenmerkte, en bijna altijd wetenswaardig, zoo niet belangrijk, om het onderricht dat daarin lag opgesloten.

De waarheid is, dat de rid beide heeren vermaakte, omdat ze genoegen vonden in elkanders omgang, ofschoon hunne karakters en wijze van denken in vele opzichten geheel uit elkaâr liepen. Eduard bezat, gelijk wij den lezer hebben te kennen gegeven, een levendige verbeelding, en was vreemd en romanesk in zijn denkbeelden en in zijn smaak voor lectuur, en had een bijzonder sterke neiging voor de poëzij. De heer Bradwardine was het tegenovergestelde van dit alles, en verhief er zich op, dat hij met dezelfde strakke, stijve, stoïsche deftigheid door het leven stapte, waardoor zijn avondwandeling op het terras van Tully-Veolan zich kenmerkte, waar hij, uren achtereen, – het ware evenbeeld van den ouden Knoet –

Statig heentoog naar het oost, Statig naar het westen.

Wat de letterkunde betreft, hij had de klassieke dichters, het Epithalamium van Georgius Buchanan, en Arthur Johnston’s Zondagspsalmen, benevens de Diliciæ Poetarum Scotorum, en sir David Lindsay’s werken en Barbours Bruce en des blinden Harry’s Wallace en De edele Schaapherder van Ramsay, zoowel als de Kersenboom en de wilde Pruimboom gelezen. Maar in weerwil van dit aan de muzen gebrachte offer, zou hij, als wij de waarheid moeten zeggen, zich veel beter vermaakt hebben, indien de vrome of wijze spreuken, zoowel als de historische verhalen, welke deze onderscheidene werken bevatten, hem waren aangeboden in den vorm van eenvoudig proza. En hij kon soms niet nalaten zijne verachting uit te drukken voor de „ijdele en nuttelooze kunst van verzen maken,” waarin, zoo als hij zeide, „Allan Ramsay de pruikenmaker [47] de eenige was, die in zijn tijd had uitgemunt.”

Maar hoewel Eduard en hij te dezen aanzien toto cælo verschilden, zoo als de Baron zou gezegd hebben, ontmoetten zij echter elkander op geschiedkundig gebied, als op een onzijdig terrein, waarin beide belang stelden. De Baron, het is waar, belaadde enkel zijn geheugen met feiten, de koude, drooge, harde omtrekken, die de geschiedenis schetst. Eduard, integendeel, hield er van de schets aan te vullen en te ronden met het penseel eener levendige en bezielde verbeelding, welke licht en levendige kleuren verspreidt over de handelende en sprekende personen, die op het tooneel der vervlogene eeuwen waren opgetreden. In weerwil van zulke tegenstrijdige neigingen, droegen ze van weerskanten veel bij tot elkaars genoegen. Des heeren Bradwardine’s tot in de kleinste bijzonderheden afdalende verhaaltrant en sterk geheugen boden Waverley nieuwe voorwerpen, waarop zijn verbeelding gaarne werkte, terwijl hem eene nieuwe mijn van gebeurtenissen en karakters geopend werd. En hij van zijn kant betaalde het hem aldus geschonken genot met die ernstige oplettendheid, waarop alle verhalers zulk een hoogen prijs stellen, maar de Baron nog meer in het bijzonder, daar hij zijn eigenliefde, gestreeld vond, of ook wel soms wederkeerige mededeelingen ontving die hem belang inboezemden, omdat ze zijne eigene anecdoten bevestigden of ophelderden. Bovendien sprak de heer Bradwardine gaarne over zijne jeugd, in den oorlog in vreemde landen gesleten, en wist menige belangwekkende bijzonderheid te vertellen van de generaals, onder wie hij gediend en van de veldslagen die hij had bijgewoond.

De beide heeren keerden naar Tully-Veolan terug, ten hoogste over elkander voldaan. Waverley verlangde meer nauwkeurig na te gaan, wat hem een eigenaardig en belangrijk karakter toescheen, begaafd met een geheugen dat een wetenswaardig register van oude en hedendaagsche anecdoten bevatte; terwijl Bradwardine geneigd was Eduard te beschouwen als puer (of liever juvenes) bonæ spei et magnæ indolis, een jongeling, vrij van die dartele lichtzinnigheid, welke den omgang of den raad van meer bejaarden vervelend vindt of veracht, en van wien hij groote verwachtingen in de verre toekomst koesterde. – Er was geen andere gast in huis dan de heer Rubrick, wiens kennis als geestelijke en geleerde in al zijne gesprekken doorblonk, en zeer wèl met die van den Baron en zijnen vriend strookte.

Kort na afloop van den maaltijd, als om te toonen dat zijne matigheid niet geheel en al theoretisch was, stelde de Baron een bezoek op Rose’s kamer of, zoo als hij het noemde, haar troisième étage voor. Waverley werd dus door een paar dier lange, leelijke gangen gevoerd, waarmede de oude bouwmeesters de bewoners der door hen ontworpen huizen in de war poogden te brengen, en aan het einde van welke de heer Bradwardine, met twee trappen tegelijk een zeer steilen, nauwen wenteltrap begon op te klimmen, terwijl hij den heer Rubrick en Waverley meer op hun gemak liet volgen, om zijne dochter hunne komst aan te kondigen.