Chapter 35 of 50 · 3938 words · ~20 min read

Part 35

„Ik ben bepaald tot speelbal mijner grillen,” zeide Waverley tot zichzelven, toen hij de deur zijner kamer sloot, en met groote stappen op en neder liep. – „Wat raakt het mij of Fergus Mac-Ivor Rose Bradwardine wenscht te huwen? – Ik bemin haar niet – ik zou misschien door haar bemind zijn geworden – maar ik wees haar eenvoudige, natuurlijke en hartelijke genegenheid af, in plaats van ze door een vriendelijk gedrag in teederheid te doen veranderen, en wijdde mij aan een vrouw toe, die nooit een sterveling zal beminnen, als Warwick, „de Koningmaker” niet weder uit de dooden opstaat. Ook de Baron – ik zou mij om zijn goederen niet bekommerd hebben, en dus zou de naam geen struikelblok zijn geweest. De drommel had de woeste moerassen kunnen halen en de Koninklijke caligæ uitgetrokken hebben, zonder dat ik er mij tegen verzet zou hebben. Maar geschapen als zij is voor de teedere aandoeningen van huiselijke gehechtheid en liefde, om al die vriendelijke en aangename zorgen te besteden en te ontvangen, welke het leven verzoeten van degenen, die het met elkander slijten, wordt ze gezocht door Fergus Mac-Ivor. Hij zal haar zeker niet slecht behandelen – daartoe is hij niet in staat – maar hij zal haar, na de eerste maand, verwaarloozen; hij zal er te veel aan denken, om dit of dat mededingend Opperhoofd ten onder te brengen, om dezen of genen gunsteling aan het hof te doen vallen, om hier of daar een schrale heide of een waterplas bij zijn bezittingen te voegen, of zijn benden met eenige nieuwe spitsboeven te vermeerderen – en zich niet bekreunen om al wat zij doet, en hoe zij den tijd doorbrengt.”

„En dan zal hartzeers kanker ook haar bloem Doorknagen, en het weergalooze schoon Verbannen van haar rozeroode kaak; Holoogig ziet ze dan, gelijk een geest, En bleek en mager als door koorts verteerd, Totdat zij sterft.”

„En dit droevige lot van het bevalligste schepseltje op Gods aardbodem zou te voorkomen zijn geweest, indien de heer Eduard Waverley uit zijn oogen had gekeken! – Op mijn woord, ik kan niet begrijpen, hoe ik Flora zoo veel, dat is, zoo heel veel mooier vond dan Rose. Zij is ranker, dat is waar, en haar houding is deftiger; maar velen houden Freule Bradwardine voor natuurlijker; en zij is zeker veel jonger. Ik zou denken, dat Flora een paar jaar ouder is dan ik – ik zal haar beiden van avond eens nauwkeurig gadeslaan.”

En met dit besluit, ging Waverley thee drinken (gelijk dit zestig jaar geleden het gebruik was) bij een dame van rang, die de zaak van den Prins was toegedaan, en waar hij, gelijk hij verwacht had, beide dames aantrof. Een ieder stond op toen hij binnenkwam, maar Flora hernam oogenblikkelijk haar plaats, en vatte het begonnen gesprek weder op. Rose, daarentegen, maakte bijna onmerkbaar plaats, opdat hij een stoel zou kunnen zetten in den dichten kring die haar omgaf.

„Hare wijze van doen is, over het geheel, zeer innemend,” zeide Waverley bij zichzelven.

De vraag werd geopperd, of de Gaelsche dan wel de Italiaansche taal de zachtste, vloeiendste en meest geschikte voor de poëzij was. De zaak der Gaelsche, die waarschijnlijk elders geen voorstanders zou gevonden hebben, werd hier met vuur verdedigd door zeven Hooglandsche dames, die haar longen in het geheel niet ontzagen, en het geheele gezelschap doof gilden met voorbeelden van de welluidendheid der Celtische taal. Flora, wie het in het oog viel dat de Laaglandsche dames om de vergelijking meesmuilden, bracht eenige redenen bij, ten bewijze dat ze niet zoo geheel dwaas was; maar toen men Rose naar haar gevoelen gevraagd had, liet zij zich met warmte ten voordeele der Italiaansche uit, die zij met behulp van Waverley beoefend had. „Zij heeft een juister gehoor dan Flora, ofschoon zij minder ervaren is in de muziek,” dacht Waverley bij zichzelf. „Ik veronderstel dat Freule Mac-Ivor spoedig Mac Murrough nan Fonn bij Ariosto zal vergelijken.”

Eindelijk gebeurde het dat het gezelschap het niet eens was, of men Fergus zou verzoeken op de fluit te spelen, waarin hij uitmuntte, dan wel of Waverley zou uitgenoodigd worden, een stuk van Shakespeare te lezen. De vrouw des huizes belastte zich goedwillig met het opnemen der stemmen van het gezelschap, die zich voor poëzij of muziek verklaarden; onder voorwaarde, dat de heer, wiens talenten dien avond niet in aanspraak genomen werden, ze wel zou verleenen om den volgenden op te luisteren. Het kwam zoo uit, dat Rose de beslissende stem had. Nu had Flora, die het zich tot een wet scheen gemaakt te hebben nooit een voorstel te ondersteunen, waardoor Waverley ook maar het geringste aangemoedigd kon worden voor de muziek gestemd, mits de Baron zijn viool nam, om Fergus te accompagneeren. „Ik wensch u geluk met uw smaak, Freule Mac-Ivor,” dacht Waverley, terwijl men naar zijn boek zocht. „Ik hield dien, toen wij op Glennaquoich waren, voor beter; maar zeker is de Baron geen groot speler, en Shakespeare verdient wel dat men naar hem luistere!”

„Romeo en Julia” werd gekozen, en Eduard las met smaak, gevoel en warmte, eenige tooneelen uit dat treurspel voor. Het geheele gezelschap juichte met handgeklap, en verscheidenen met tranen toe. Flora, die het stuk zeer goed kende, behoorde onder de eerstgenoemden. Rose, voor wie het zoo goed als nieuw was, behoorde tot de laatste klasse van bewonderaars. „Zij heeft ook meer gevoel,” zeide Waverley in zichzelven.

Toen het gesprek over de handeling van het stuk en over de karakters, begon te loopen, verklaarde Fergus, dat de eenige, die verdient als man van fatsoen en geest en moed genoemd te worden, Mercutio was. „Ik kon,” zeide hij, „al zijn ouderwetsch vernuft niet volkomen volgen, maar hij moet, naar de denkbeelden van zijn tijd, een zeer beminnelijk mensch zijn geweest.”

„En het was schande,” zei vaandrig Maccombich, die doorgaans in alles zijn kolonel volgde, „van dien Tibbert of Taggart, of hoe hij ook heette, hem van onder den arm van dien anderen Heer overhoop te steken, terwijl hij den twist zocht bij te leggen.”

De dames verklaarden zich natuurlijk luide voor Romeo, maar dit gevoelen bleef niet zonder tegenspraak. De vrouw des huizes en verscheidene andere dames berispten tamelijk streng de lichtvaardigheid, waarmede de held zijn genegenheid van Rosalinde op Julia overbracht. Flora bewaarde het stilzwijgen tot men haar gevoelen herhaalde malen gevraagd had, en antwoordde toen, dat deze wispelturigheid, waaraan men zich ergerde, door haar niet slechts zeer overeenkomstig met de natuur gehouden werd, maar dat ze ten hoogste voor de kunst van den dichter getuigde. „Shakespeare schildert Romeo als een jonkman die bijzonder vatbaar is voor de zachtere aandoeningen; het eerste voorwerp zijner liefde is een meisje, dat ze niet kon beantwoorden; dit zegt hij u bij herhaling.”

„De zwakke kinderpijl der liefde treft haar niet”

en wederom,

„De liefde zwoer zij af”

Daar het nu onmogelijk was, dat Romeo’s liefde – aangenomen dat hij een verstandig mensch was – zonder hoop kon voortduren, nam de dichter met de grootste bekwaamheid, het oogenblik te baat, waarin de held zich werkelijk tot wanhoop gebracht ziet, om hem een meisje te gemoet te voeren, dat volmaakter is dan zij, door wie hij was afgewezen, en tevens geneigd om aan zijn liefde te beantwoorden. Ik kan mij bezwaarlijk een toestand voorstellen, die meer geschikt is om Romeo’s liefde voor Julia aan te wakkeren, dan de omstandigheid dat hij door haar, op eens, uit den staat van kwijnende neerslachtigheid, waarin hij eerst ten tooneele verschijnt, wordt opgewekt en weggerukt en waarvan hij zoo geheel verwijderd is, als hij uitroept:

„Wat droefheid mij voortaan ook treffen mag, Zij weegt toch geenszins hier ’t genoegen op, Dat slechts een oogwenk mij haar bijzijn schenkt.”

„Hoe nu, Freule Mac-Ivor,” zeide een jonge dame van rang, „wilt gij ons van ons schoonste voorrecht berooven? Wilt gij ons overtuigen, dat liefde zonder hoop niet kan bestaan, of dat de minnaar onbestendig moet worden, wanneer zijn dame wreed is? Wel foei! zulk een besluit, dat zoo weinig sentimenteel is, had ik niet verwacht.”

„Een minnaar, waarde lady Betty, mag, naar mijn oordeel, onder zeer ontmoedigende omstandigheden in zijn liefde volharden. De liefde kan (soms) iederen storm, hoe zwaar die ook zij, weerstand bieden, maar onmogelijk de langdurige Siberische koude der onverschilligheid. Neem, zelfs met uwe aantrekkelijkheden, deze proef op geen minnaar, wiens trouw gij op prijs stelt! Ja, de liefde kan met verbazend weinig hoop zich voeden, maar geheel zonder deze leven, kan zij niet.”

„Het zal er juist zoo mede gelegen zijn, als met Duncan Mac-Girdie’s merrie, met uw welnemen,” zeide Evan, „hij wilde haar namelijk langzamerhand gewennen om zonder voêr te leven, en juist toen hij haar op één stroohalmpje daags gebracht had, stierf het arme beest!”

Evans vergelijking bracht het gezelschap aan het lachen, en het gesprek nam een andere wending. Kort daarna scheidde men, en Eduard keerde naar huis terug, in gedachten verzonken over hetgeen Flora gezegd had. „Ik wil mijn Rosalinde niet langer beminnen,” zeide hij; „zij heeft mij, daartoe een genoegzaam duidelijken wenk gegeven; en ik zal met haar broeder spreken en mijn aanzoek opgeven. Maar wat Julia betreft – zou het edelmoedig zijn Fergus’ bemoeiingen in den weg te staan? Maar het is onmogelijk dat hij ooit slaagt! En als hij niet slaagt, wat dan? – Wel dan, alors comme alors.” En met dit wijze besluit, om zich door de omstandigheden te laten leiden, begaf onze held zich ter rust.

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN BRAAF MAN IN NOOD.

Indien mijn schoone lezeressen van gevoelen wezen mochten, dat de lichtvaardigheid van mijn held in de liefde volstrekt onvergefelijk is, moet ik haar herinneren, dat al zijn grieven en bezwaren geenszins uit die sentimenteele bron ontsprongen. Zelfs de lierdichter, die zoo aandoenlijk over de smart der liefde klaagt, kon te gelijker tijd niet vergeten, „dat hij in schulden stak en aan den drank was,” hetgeen buiten tegenspraak zijn ongeluk slechts kon verzwaren. Er verliepen inderdaad geheele dagen, waarop Waverley noch aan Flora noch aan Rose Bradwardine dacht, maar die besteed werden aan treurige gissingen over den waarschijnlijken staat der zaken op Waverley-Honour, en den twijfelachtigen uitslag van den burgertwist, waarin hij betrokken was. Kolonel Talbot wikkelde hem dikwijls in een gesprek over de onrechtvaardigheid der zaak, waaraan hij zich gewijd had, „Niet,” zeide hij, „dat het u mogelijk is ze op dit oogenblik te verzaken, want, wat er van kome, gij moet uwe overhaaste verbintenis gestand doen. Maar ik wensch u te doen beseffen, dat het recht niet aan uwe zijde is, dat gij strijdt tegen de ware belangen van uw land, en dat gij, als Engelschman en als vaderlander, de de eerste gelegenheid de beste moet aangrijpen, om dezen ongelukkigen tocht op te geven, eer de sneeuwbal smelt.”

Bij dergelijke staatkundige woordenwisselingen voerde Waverley gemeenlijk, van zijn zijde, de gewone argumenten aan, waarmede het niet noodig is den lezer lastig te vallen. Maar hij had weinig te zeggen, wanneer de Kolonel hem drong, om de strijdkrachten, waarmede ze ondernomen hadden het Bewind omver te werpen, met die te vergelijken, welke thans in allerijl bijeengebracht werden, om het staande te houden. Hierop had Waverley slechts éen antwoord: „Zoo de zaak, die ik mede omhelsd heb, gevaarlijk is, zou het te schandelijker zijn, mij er aan te onttrekken.” En op zijn beurt bracht hij doorgaans den Kolonel tot zwijgen, terwijl hij er in slaagde om het gesprek een andere wending te geven.

Op zekeren avond, dat de vrienden, na lang met elkander te hebben geredetwist, afscheid van elkaâr hadden genomen, en onze held zich te bed had begeven, werd hij omstreeks middernacht door een onderdrukten zucht gewekt. Hij richtte zich spoedig op en luisterde; het geluid kwam uit de kamer van kolonel Talbot, die van de zijne door een houten beschot gescheiden was, terwijl de gemeenschap door een deur werd onderhouden. Waverley trad op deze deur toe, en hoorde duidelijk herhaaldelijk een diep zuchten. Wat was er te doen? De Kolonel had hem oogenschijnlijk in zijn gewonen gemoedstoestand verlaten. Hij moest, plotseling niet wél geworden zijn. Met deze gedachte, opende hij zeer zachtjes de deur, en zag hij den Kolonel, in zijn nachtgewaad, aan een tafel zitten, waarop een brief en een portret lagen. Hij hief haastig het hoofd op, terwijl Eduard nog besluiteloos stond, of hij naderen dan wel terug zou treden, en Waverley zag de sporen van tranen op zijn gelaat.

Alsof hij zich schaamde verrast te worden in zulk een gemoedsaandoening, stond de Kolonel blijkbaar vertoornd op. „Ik dacht, mijnheer Waverley, dat mijn eigene kamer, zoo wel als dit uur, zelfs een gevangene zouden bewaard hebben voor –”

„Zeg niet voor indringing, kolonel Talbot; ik hoorde u zwaar zuchten, en vreesde dat ge niet wél waart; alleen om die reden waagde ik het hier binnen te treden.”

„Ik ben wél,” zei de Kolonel, „volmaakt wel.”

„Maar u drukt een of ander leed,” zeide Eduard, „kan er ook iets gedaan worden om het te verzachten?”

„Niets, mijnheer Waverley; ik dacht slechts aan huis en aan eenige onaangename voorvallen aldaar.”

„O God, mijn oom!” riep Waverley uit.

„Neen, het is een verdriet, dat alleen mijzelven betreft; ik schaam mij dat gij getuige waart hoe het mij ter nedersloeg; maar het moet nu en dan zijn loop hebben, om verder dragelijk te zijn. Ik had het voor u geheim willen houden; want ik vrees dat het u bedroeven zal, en toch kunt ge nu geen troost aanbrengen. Maar ge hebt mij verrast – ik zie, dat ge zelf verrast zijt, en ik ben een vijand van geheimen: lees dezen brief,”

De brief was van des Kolonels zuster, en luidde dus:

„Ik ontving den uwen, beste broeder, door Hodges. Sir E. W. en de heer R. zijn nog op vrije voeten, maar mogen Londen niet verlaten. Ik wenschte hartelijk, dat ik u even gunstige tijding omtrent de zaken te huis kon mededeelen. Maar het nieuws van het ongelukkige gevecht te Preston kwam tot ons met het vreeselijk bericht er bij, dat gij onder de gesneuvelden waart. Gij weet hoe zwak de gezondheid van Lady Emilia was, toen uwe vriendschap voor Sir E. u bewoog haar te verlaten. Zij was geweldig verontrust toen zij de treurige berichten ontving dat de opstand in Schotland was uitgebarsten; maar zij hield zich moedig, gelijk, zeide zij, uw vrouw betaamde, om den toekomstigen erfgenaam voor u in het leven te bewaren, waarop zoo lang en te vergeefs is gehoopt. Helaas, waarde broeder, die uitzichten zijn nu verdwenen! In weerwil van al mijn voorzorgen, kwam deze ongelukkige tijding haar, zonder dat zij er op was voorbereid, ter oore. Zij werd terstond ongesteld, en het arme kind overleefde ter nauwernood zijn geboorte. Gave God, dat dit alles was! Maar schoon de wederlegging van het ijselijk gerucht, door uw eigen brief, haar krachten naar lichaam en geest in hooge mate heeft doen opleven, zoo is Dr. *, het smart mij dit te moeten zeggen, toch nog voor ernstige en zelfs gevaarlijke gevolgen beducht, voornamelijk wegens de onzekerheid, waarin Emilia noodzakelijk eenigen tijd moet verkeeren, en welke nog verzwaard wordt door de denkbeelden die zij zich gevormd heeft omtrent de wreedheid van den vijand, door wien gij gevangen gehouden wordt.”

„Wend dus alles wat in uwe macht is aan, waarde broeder, en tracht zoodra gij dezen ontvangt, uw vrijheid te erlangen, hetzij op uw woord, tegen losgeld, of langs elken maar mogelijken weg. Ik overdrijf den staat van Emilia’s gezondheid niet, maar ik mag, – ik durf de waarheid niet verzwijgen. Voor altijd, waarde Filips, uw u hartelijk toegenegen zuster,

Lucie Talbot.”

Eduard verstomde van smart, toen hij dezen brief gelezen had; want de gevolgtrekking liet zich niet wegcijferen, dat de door den Kolonel ondernomen reis, om hem te zoeken, hem deze zware ramp had berokkend. Dit ongeluk was, zelfs wat het onherstelbare gedeelte daarvan betrof, nog erg genoeg; want kolonel Talbot en Lady Emilia, die lang zonder kinderen gebleven waren, hadden zich niet weinig verheugd in het vooruitzicht, dat nu geheel vervlogen was. Maar deze teleurstelling was niets bij de uitgebreidheid van de dreigende ramp; en Eduard liep een rilling door de leden, daar hij zich als de oorzaak van beide beschouwde. Eer hij zijn gedachten tot spreken verzamelen kon, had de Kolonel reeds weder zijn gewone uiterlijke bedaardheid herwonnen, ofschoon zijn onrustige blik den inwendigen strijd maar al te zeer verried.

„Zij is een vrouw, mijn jonge vriend, over wie een krijgsman zich niet behoeft te schamen een traan te storten.” Hij reikte hem het portretje over, waarop gelaatstrekken te zien waren, welke zijn lofspraak ten volle billijkten; „en echter weet God, dat hetgeen gij daar van haar ziet, het minste is van de bekoorlijkheden, die zij bezit – bezat, moest ik misschien zeggen – maar Gods wil geschiede!”

„Gij moet vliegen – gij moet oogenblikkelijk vliegen, om haar op te beuren. Het is niet – het zal niet te laat zijn.”

„Vliegen? Hoe is dat mogelijk? Ik ben krijgsgevangen, – door mijn woord van eer gebonden.”

„Ik ben het, die u gevangen houd – ik geef u uw woord terug – Ik ben voor u verantwoordelijk.”

„Dit kunt ge niet aanraden, zonder uw plicht te schenden; ook kan ik mijn vrijheid niet van u aannemen, zonder mijn eigene eer te schenden – gij zoudt er voor verantwoordelijk worden gesteld.”

„Ik zal het met mijn hoofd verantwoorden, als het noodig is. Ik ben de ongelukkige oorzaak geweest van het verlies van uw kind; maak mij niet tot den moordenaar uwer vrouw.”

„Neen, beste Eduard,” zeide Talbot, terwijl hij hem vriendelijk bij de hand vatte, „gij zijt in geenen deele te beschuldigen; en zoo ik deze huiselijke ramp twee dagen voor u verborgen hield, was het alleen opdat uw teergevoeligheid ze niet in dat licht zou beschouwen. Gij kondt aan mij niet denken, ja nauwelijks kennis van mijn bestaan dragen, toen ik Engeland verliet om u te zoeken. Het is een verantwoordelijkheid, de Hemel weet het, zwaar genoeg voor arme stervelingen, dat wij rekenschap moeten geven van het vooruitgeziene en rechtstreeksche gevolg onzer daden; voor de middelijke en zijdelingsche uitwerkselen er van heeft het groote en algoede Wezen, dat alleen het onderling verband der menschelijke zaken kan doorzien, zijn brooze schepselen niet aansprakelijk gesteld.”

„Maar dat ge Lady Emilia, in den belangwekkendsten toestand voor een echtgenoot, hebt verlaten, om te zoeken naar een –”

„Ik deed slechts mijn plicht, voel geen berouw, en mag het ook niet gevoelen. Indien het pad van dankbaarheid en eer altijd effen en gemakkelijk was, zou er weinig verdienste in bestaan het te volgen, maar het ligt dikwijls in een richting, die geheel met ons belang en onze neigingen en ook soms met onze edeler aandoeningen in strijd is. Deze zijn de beproevingen des levens, en de tegenwoordige, schoon niet de minst drukkende,” (de tranen kwamen ongeroepen in zijn oog) „is de eerste niet, welke het mijn lot was te ondergaan. – Maar morgen zullen wij hierover spreken,” terwijl hij Waverleys hand drukte, „goeden nacht – tracht dit alles eenige weinige uren te vergeten – het zal, denk ik, te zes ure dag zijn, en het is nu over tweeën – goeden nacht!”

Eduard ging heen, zonder de kracht te hebben hem te antwoorden.

TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

INSPANNING.

Toen kolonel Talbot den volgenden morgen aan het ontbijt kwam, vernam hij van Waverleys bediende, dat onze held al vroeg uitgegaan en nog niet terug gekomen was. Het was reeds tamelijk laat in den voormiddag, toen hij eindelijk geheel buiten adem, maar met zulk een verheugd gelaat kwam opdagen, dat de Kolonel er verbaasd over stond.

„Ziedaar,” zeide hij, terwijl hij een papier op de tafel wierp, „ziedaar mijn morgenwerk. Alick! pak de kleederen van den Kolonel in. Haast u, haast u!”

De Kolonel bezag het papier met de grootste verbazing. Het was een pas van den Prins voor kolonel Talbot naar Leith, of elke andere haven door de troepen van Zijn Koninklijke Hoogheid bezet, om zich daar scheep te begeven naar Engeland of elders, waarheen het hem goed zou dunken, mits hij alleen zijn woord van eer gaf, om, gedurende een tijdverloop van twaalf maanden, de wapens niet te voeren tegen het Huis van Stuart.

„In ’s Hemels naam,” zei de kolonel, terwijl zijn oogen van nieuwsgierigheid glinsterden, „hoe hebt gij dit verkregen?”

„Ik was bij den Prins, op het uur dat hij gewoonlijk opstaat. Hij was naar het kamp van Duddingston gegaan. Ik volgde hem derwaarts; – verzocht en verkreeg een afzonderlijk gehoor – maar ik zeg u geen woord meer, als ik u geen begin zie maken met pakken.”

„Voor dat ik weet, of ik van dezen pas gebruik kan maken, en hoe die verkregen is?”

„O, gij kunt immers uw goed weder uit uw valies nemen? – Ha! nu ik u aan het werk zie, zal ik voortgaan. Toen ik eerst uw naam noemde, schitterden zijn oogen bijna, even sterk als de uwe twee minuten geleden. „Heeft de Kolonel,” vroeg hij met drift, „eenige gunstige gevoelens voor onze zaak getoond?” – „In het minst niet,” antwoordde ik, en voegde er bij, dat er volstrekt geen hoop bestond, dat gij dit doen zoudt. Zijn gelaat betrok. Ik verzocht om uw ontslag. „Onmogelijk,” zeide hij; „mijn verzoek was volmaakt onzinnig, met het oog op het gewicht van den Kolonel, als een vriend en vertrouwde van zekere personen. Ik verhaalde hem mijn geschiedenis en de uwe; en verzocht hem volgens zijn gevoel te oordeelen, hoe het mijne wezen moest. Gij moogt zeggen wat gij wilt, kolonel Talbot, maar de Prins heeft een hart, en en een goed hart ook. Hij nam een vel papier, en schreef de pas met eigene hand. „Ik wil deze zaak niet aan de beslissing van mijn raad onderwerpen” zeide hij, „men zou mij op allerhande gronden willen afbrengen van hetgeen recht en billijk is. Ik kan niet dulden, dat zulk een gewaardeerde vriend, als gij, gebukt zou gaan onder de smartelijke overwegingen, die u, in geval van verdere rampen in de familie van kolonel Talbot, zouden moeten treffen; ook wil ik een braven vijand, onder dergelijke omstandigheden, niet gevangen houden. Daarenboven,” zeide hij, „denk ik mijzelven te kunnen rechtvaardigen bij mijn voorzichtige raadslieden, door op de goede uitwerking te wijzen, welke zulk een toegefelijkheid te weeg zal brengen in de gemoederen der aanzienlijke Engelsche geslachten, waarmede kolonel Talbot vermaagschapt is.”

„Daar kwam de staatsman uit de mouw,” zei de kolonel.

„Goed, maar hij heeft een besluit genomen als een Konings zoon; – „Neem den pas,” dus sprak hij, „ik heb er éene voorwaarde bijgevoegd, voor den vorm; maar zoo de Kolonel iets daar tegen heeft, laat hem dan vertrekken, zonder eenige belofte, hoegenaamd, te doen. Ik kom hier om den oorlog te voeren tegen mannen, maar niet om vrouwen in droefheid of gevaar te brengen.””

„Ik had nooit gedacht zoo veel verplichting te zullen hebben aan den Pretend....”

„Aan den Prins,” zei Waverley, glimlachende.

„Aan den „Ridder,”” hernam de Kolonel, „het is een goede middelterm, dien wij beiden vrij mogen gebruiken. Heeft hij u nog iets gezegd?”

„Hij vroeg mij slechts, of er iets anders was, waarmede hij mij kon verplichten, en toen ik hierop ontkennend antwoordde, drukte hij mij de hand, en wenschte dat al zijn aanhangers zoo bescheiden mochten zijn, „daar sommige zijner vrienden,” liet hij er op volgen, „niet slechts alles vroegen wat hij te begeven had, maar zelfs een aantal zaken, die geheel buiten zijn macht, zoo wel als buiten die van den grootsten Souverein op aarde, waren. Inderdaad,” dus besloot hij, „scheen geen vorst in de oogen zijner onderdanen, zoo zeer een Godheid als hij, ten minste naar de buitensporige verzoeken te oordeelen, welke zij hem dagelijks voorlegden.””