Chapter 50 of 50 · 3927 words · ~20 min read

Part 50

[14] Helaas! die kleeding, in 1805 of daaromstreeks, achtenswaardig en voor een gentleman passend, is evenzeer verouderd als de schrijver van Waverley zelf sedert dien tijd. De lezer uit de groote wereld zij zoo goed het kostuum aan te vullen met een geborduurd vest van purper fluweel of zijde en een gekleurden rok, zoo als hij zelf verkiest. Noot van den Schr.

[15] In het Hollandsch Waverleys-eer, naam van het kasteel der Waverleys.

[16] Waar de Ridder Saint George, of, zoo als hij genoemd werd, de Oude Pretendent, als balling zijn hof hield, al naar de omstandigheden hem noodzaakten van residentie te veranderen.

[17] Lang het orakel van den tot de Torypartij behoorenden landadel. Het oude nieuwsblad verscheen in handschrift, en werd door klerken overgeschreven, die de afschriften er van aan de inteekenaren verzonden. De staatkundige, door wien het werd opgesteld, verzamelde de stof er voor in de koffiehuizen, en deed meenigmaal een beroep op de beurs zijner inteekenaren, omdat hij genoodzaakt was extrauitgaven te doen, door het bezoeken van dergelijke door de aanzienlijkste lieden bezochte plaatsen.

[18] Eene zinspeling op de aristocratische denkbeelden der kindermeiden uit deze beide landen.

[19] De blauwe mantel behoort bij het costuum der ridders van den Kouseband.

[20] Zie Aanteekening A. De terugkomst der kruisvaarders.

[21] Zie Hoppner’s vertelling van de „zeven minnaars.” W. S.

[22] Duizend en éen nacht.

[23] Deze inleidende hoofdstukken heeft men als vervelend en noodeloos afgekeurd. Echter bevatten ze eenige bijzonderheden, die de schrijver gemeend heeft niet te mogen weglaten of veranderen. W. S.

[24] Zie Aanteekening B. Titus Livius.

[25] Het Schotsche pond was niet meer dan een shilling, zestig cents van onze munt.

[26] Sancroft, aartsbisschop van Canterbury, in 1677.

[27] Zie Aanteekening C, Nicolaas Amhurst.

[28] Zie Aanteekening D. Kolonel Gardiner.

[29] Zie Aanteekening E. Schotsche herbergen.

[30] Zie Aanteekening F. Huis van Tully-Veolan.

[31] Zie Aanteekening G. De tuin van Tully-Veolan.

[32] Ariosto: de twee snapsters.

[33] Innocent, Zie Aanteekening H. Familie gekken.

[34] Hoog en laag recht, van kerker en van kaak.

[35] Epulæ (feestmaal) is voor den Senaat; prandium (maaltijd) is voor het volk.

[36] De vaas zal lang den geur bewaren.

[37] Zwarte wacht. Vier-en-twintig jaren lang is dit corps bekend geweest onder den titel van het 42ste regiment. Maar bij de oprichting haalde dit 42ste en het Gaelsch freicudan dhu, en black-watch, „zwarte wacht” in het Engelsch, een naam, die zijn ontstaan verschuldigd was aan de donkere kleur der uniform (zwart, groen en blauw) die erg afstak bij het scharlakenrood der linietroepen. De onafhankelijke compagniën van de „black-watch,” waren samengesteld uit personen die in andere regimenten een hoogeren rang bekleedden; over het algemeen waren het allen jonge edellieden of edellieden zonder fortuin; men had er zelfs onder die er bedienden op nahielden om hunne wapenen te dragen.

[38] Zie Aanteekening I. Episcopale kerk van Schotland.

[39] Wheedle. To wheedle, verleiden, met mooie woorden fleemen. Quibble, haarklooverij, woordenspel. De baron vermaakte zich door dit woordenspel, met zijn baljuw en de advocaten bijeen te nemen.

[40] Verwisselen wij van schild en trekken wij der Grieken wapenrusting aan.

[41] Oude wijvepraatjes.

[42] Zie Aanteekening K. De afscheidsdronk.

[43] Suum cuique. Dit fragment eener ballade werd gedicht door Andreas MacDonald, den geestigen en ongelukkigen auteur van Vimonda. W. S.

[44] John o’ Groat’s. Het noordelijke punt van Schotland, in het graafschap Caithness.

[45] Bacchus.

[46] De in keukenzaken ervarenen zijn niet van baron Bradwardine’s gevoelen, en houden het er voor dat dit wild droog en slecht is, behalve in de soep en als Schotsche karbonnaden gebruikt. W. S.

[47] De Baron had hier in herinnering moeten brengen, dat de vroolijke Allan in regte lijn afstamde uit het huis van den edelen graaf, dien hij aldus beschrijft:

Dalhousie van een oud geslacht, Mijn trots, mijn lust, mijn grootste pracht. W. S.

[48] Dryden.

[49] Zie aanteekeening L. Tooverij.

[50] Sprekende wapens.

[51] Zie Aanteekening M. Sprekende wapens. W. S.

[52] Danaïden, dochters van Belus.

[53] Zijne oogen zijn hem uit het hoofd gescheurd; het bloed vloot hem ten gorgel uit.

[54] De bergbewoners zijn in stammen of clans verdeeld, die wederom verschillende onderdeelen hebben. Iedere clan heeft zijn hoofd, iedere onderafdeling haar „chieftain,” aanvoerder.

[55] Zinspeling op de parkementen van den adel.

[56] De Edinburgsche stedelijke politie was nog niet zeer lang geleden aldus gewapend. Aan het einde van den bijl had men een haak, waarvan de oude Hooglanders zich plachten te bedienen bij het beklimmen der wallen, door den haak er in vast te slaan, en zich langs den steel op te werken. Men veronderstelt, dat de bijl, die ook veel door de vroegste bewoners van Ierland gebezigd werd, in beide landen uit Scandinavië is overgebracht. W. S.

[57] De hanchman of henchman is een soort van geheimschrijver, die zijn chef als zijn schaduw volgt, en zich aan tafel aan zijn zijde bevindt, gereed om al zijn bevelen ten uitvoer te leggen. Deze betrekking is soms het deel van den zoogbroeder. Deze naam werd ook aan den vertrouwden page of aan den bevelhebber der wacht van een edele gegeven.

[58] De bard is de geschiedschrijver der familie, soms de onderwijzer van den jongen edele, terwijl hem is opgedragen de liederen op te stellen ter eere van den stam; in éen woord de dichter van den clan.

[59] Het woord bladier stamt waarschijnlijk van bladarie, een Schotsch woord, af, hetwelk „snoeverij” beteekent, omdat dezen ambtenaar was opgedragen de daden en de grootheid van zijn meester aan den volke te verkondigen.

[60] Het woord gilly beteekent page, knecht, en more groot. Dit bijvoegelijk naamwoord veredelt het geheele woord gilly-more. De andere beambten worden genoegzaam in den tekst omschreven.

[61] De pijper, die zich voor een edelman uitgaf, droeg zelf zijn instrument niet, en ontdeed er zich van zoodra hij gespeeld had; hij had derhalve een page, een gilly, om zijn doedelzak (bagpipe) te dragen.

[62] Pibroch. Een soort van liedje aan de muziek der Hooglanders eigen, en dat, naar het zeggen der Schotten, al de gewaarwordingen der ziel uitdrukt. Deze benaming wordt bij voorkeur aan krijgszangen gegeven.

[63] Hiermede werd een Engelsch soldaat of officier, naar zijn uniform aangeduid, in tegenstelling met die van black watch, zwarte regimenten, zooals de ongeregelde troepen der Hooglanders genoemd werden.

[64] Het is niet de treurberk, een soort die het meest in de Hooglanden voorkomt, maar de wollige, bladerige berk der Laaglanden, welke deze geur verspreidt. W. S.

[65] De roem dezer beide helden berust op de overleveringen en volksballaden; in de geschiedenis komen ze slechte als een paar vogelvrij verklaarden voor.

[66] Zie Aanteekening O. Rob Roy.

[67] Dit was het gerecht, hetwelk Rob Roy den Laird van Tullibody aanbood. W. S.

[68] Iemand met een tweede gezicht begaafd.

[69] Zie Aanteekening P. Vroolijke galg van Crieff. W. S.

[70] Zie Aanteekening Q. Caterans. W. S.

[71] De Schotten zijn buitengewoon mild, wanneer ze hun land en drank berekenen. De Schotsche pint komt zoowat met vier Engelsche overeen; wat hun geld betreft, iedereen kent het tweeregelig versje:

Zijn op den naam van leeperts die rekels nog gesteld? Hun pond is twintig stuivers, berekend naar ons geld. W. S.

[72] Met dezen pluim tooiden zich slechts de hoofden van den hoogsten rang.

[73] Een burlesk personage uit Shakespeare’s Veel leven om niets.

[74] Zie Aanteekening R. Wederinkoop van Schotsche verbeurd verklaarde goederen. W. S.

[75] Een der makkers van Falstaff (in Shakespeare’s Hendrik IV).

[76] Zie Aanteekening S, Hooglandsche Staatkunde. W. S.

[77] Stowe behoort aan den markies van Buckingham. Deze in Engeland beroemde tuinen zijn voor een groot gedeelte het schoone, waardoor zij zich onderscheiden, verplicht aan hetgeen lord Cobham er aan ten koste legde. – Blenheim is het kasteel van den hertog van Marlborough, te Woodstock in het graafschap Oxford, opgetrokken op het terrein van het koninklijk buiten van Woodstock, anders gezegd van de „Schoone Rosamunde.”

[78] Zie Aanteekening T. Hooglandsche krijgstucht. W. S.

[79] In het Schotsch is een wadsetter iemand die den eigendom van een ander bezit, onder verplichting van dien na een bepaalden termijn terug te geven, even als een wadset, in den rechterlijken stijl, een acte beteekent, waardoor de schuldenaar zijn goed aan zijn schuldeischer afstaat, opdat deze zich met de inkomsten er van betale. Onder tacksman verstaat men een pachter van den eersten rang.

De Clan Cinnidh, of opperste, was de eigenaar van het geheele district, dat door den clan bewoond werd; hij behield er voor zich een gedeelte van, waarop de lieden van zijn gevolg leefden. Die gedeelten, welke de hoofdman zelf niet onmiddellijk bestuurde, werden door hem afgestaan aan de oudste en voornaamste leden van den clan, bloedverwanten van den hoofdman, die een weinig meer „heeren” waren dan de anderen; deze waren de tacksmen. Deze verdeelden hun grond weder in kleine boerderijen, die zij aan een familie van landgebruikers (tenants) afstonden, en op de landgebruikers volgden de kleine landgebruikers, die een eenvoudige hut bewoonden, en weder voor gene arbeidden. Zoodanig was de hierarchie der eigenaren en erfelijke pachters van den clan, die, behalve dat ze eenige schattingen in geld, of in voortbrengselen van den grond moesten opbrengen, verplicht waren den hoofdman in persoon te dienen. Maar de hoofdman bezat ook, als de vader van het groote gezin, wederkeerig verplichtingen; en de gastvrijheid jegens alle leden van zijn clan behoorde onder het aantal der op hem rustende verplichtingen.

[80] Zie Aanteekening U. Afkeer der Schotten van varkensvleesch.

[81] Zie Aanteekening X. Een Schotsche tafel. W. S.

[82] De rok die tot het nationale costuum behoort.

[83] Shakespeare’s Viola, die de kleederen van haar broeder aantrekt en zich voor hem laat doorgaan.

[84] Hier wordt niet de beroemde treurspelspeelster mevrouw Henry Siddons, te Edinburgh, bedoeld.

[85] De kleindochter van den grooten Sobieski. Haar vader Jacobus Sobieski, haalde zich de ongenade van Oostenrijk op den hals, door zijn toestemming tot haar huwelijk met den Pretendent te geven.

[86] Zie Aanteekening Y. Conan de Hofnar. W. S.

[87] De Hooglandsche dichter was bijna altijd een improvisator. Kapitein Burt ontmoette een hunner aan Lovat’s tafel. W. S.

[88] Een Engelschman is voor een Schot a Southern, iemand uit het zuiden.

[89] Zie Aanteekening Z. Waterval.

[90] De jeugdige en stoutmoedige Karel Eduard landde te Glenaladale (Moidart) en plantte zijn standaard in de vallei van Glenfinnan, terwijl hij de Macdonalds, de Camerons en andere minder talrijke clans rondom zich verzamelde. In deze vallei treft men een monument aan met een door docter Gregory in het Latijn vervaardigd opschrift. W. S.

[91] De oudste broeder van den markies van Tullibardine, die na een geruimen tijd als balling te hebben rondgezworven, in 1745 met Karel Eduard in Schotland terugkeerde.

[92] Mac-Lean, Mac-Kenzie, Mac-Gregor. Het Gaelsche woord mac, beteekent zoon van.

[93] Ik stoor mij weinig aan den Helicon. Drink water al wie wil; ik gun hem graag de bron.

[94] Dit oude Gaelsche lied is nog heden ten dage algemeen, zoo wel in de Hooglanden als in Ierland, bekend. Het is in het Engelsch vertaald, en als ik mij niet bedrieg, onder het toezicht van den pseudoniem Tom d’ Urfey, uitgegeven onder den titel van Coley, my cow.

[95] Sir Robert Lindsay van Pitscottie, van wien Sir Walter Scott de volgende aanhaling ontleent, leefde in de vijftiende eeuw; hij is de schrijver van een geschiedenis, of liever van een kroniek van Schotland, die men ook aan Sir David Lindsay, zijn tijdgenoot, toeschrijft. De jacht, waarvan hier sprake is, was een der groote jachtpartijen van Jacobus V, in 1528.

[96] John Taylor, bijgenaamd de waterpoëet, omdat hij leerjongen bij een schuitvoerder op de Theems was. Taylor diende ook op de vloot van den graaf van Essex, bij het beleg van Cadix (1596).

[97] De wonden, door de hoorns van een hert toegebracht, werden over het algemeen voor veel gevaarlijker gehouden dan die door de slagtanden van een wild zwijn veroorzaakt:

Zijt gij door hoorn of hert gewond, het brengt u op de baar; Maar trof een wilde zwijns-tand u, dan dreigt u geen gevaar.

[98] Dit gewaad, dat veel op dat vaak door kinderen in Schotland gedragene, geleek, en potonie (dat wil zeggen polonaise) geheeten werd, is een vrij oude wijziging aan de Hooglandsche kleeding.

[99] De oude Hooglanders maken nog den deasil rondom lieden in wie ze belangstellen. Om iemand in een tegenovergestelde richting, of met swither sins, (in het Duitsch wider-sins) heengaan, is een soort van betoovering, die ongeluk aanbrengt. W. S.

[100] Deze metrische bezweering, of iets dat daar veel mede overeenkomt, is door Reginald Scott, in zijn werk over Tooverij aan de vergetelheid ontrukt. W. S.

[101] ’s Morgens vlochten zij hun draagbaar Beide uit berk en hazelaar. Chery Chase.

W. S.

[102] Zie Aanteekening AA. Hooglandsche jacht. W. S.

[103] Overeenkomende met het Laaglandsche gezegde: Menigeen vraagt naar de poort, die hij maar al te goed kent. W. S.

[104] Uit het eerste boek der avonturen van Don Quichot.

[105] In „Veel leven om niets” van Shakespeare.

[106] Een Schotsch spreekwoord.

[107] Dit woord duidde den naam aan waaronder de tories of Stuartsgezinden bekend waren.

[108] De stem van Selma, dat wil zeggen de muziek van het paleis van Fingal. Selma was de zaal waar de barden bijeenkwamen.

[109] Deze verzen maken het referein uit eener oude ballade, waaraan Burns nieuwe verzen heeft toegevoegd. W. S.

[110] Ook deze regels behooren tot een oud lied. W. S.

[111] In een Hooglandsch rijm met betrekking tot Glencairn’s expeditie vindt men:

Wij blijven in ’t midden der koolzwarte kraaien, Wij spannen den boog en wij trekken het zwaard. W. S.

[112] De Oggam is een type van het oude Iersche karakter. De overeenkomst tusschen het Keltisch en het Punische dialect, op een tooneel bij Plautus gegrond, werd niet opgemerkt voordat de generaal Valencey zijn meening hierover, lang na Fergus Mac-Ivor, had geopenbaard. W. S.

[113] De opgewonden Jacobieten hielden gedurende de aan gebeurtenissen zoo rijke jaren 1745–46 de gemoederen hunner partij in spanning door geruchten omtrent landingen uit Frankrijk, ten behoeve van den ridder van St. George. W. S.

[114] De Hooglander, van vroeger dagen, bezat altijd een hoogen dunk van zijn beleefdheid, en was er gestadig op uit dengene met wien hij omging, daarvan te overtuigen. Zijne gesprekken vloeiden altijd over van beleefdheden en complimenten, en de gewoonte om wapenen te dragen, zoomede de omgang met hen, die dat eveneens deden, maakten het allerwenschelijkst dat ze in hun onderling verkeer de hoogst mogelijke beleefdheid in acht namen. W. S.

[115] De Presbyterianen vieren den sabbath, dien ze den Zondag noemen, met joodsche gestrengheid; maar ze hebben van de Roomsch-Katholieke plechtigheden er rog een overgehouden. Dit feest is het sacrament van het Heilig Avondmaal, dat slechts eens in het jaar plaats heeft, en dikwijls in de open lucht, ter herinnering aan het martelaarschap der eerste proselieten van John Knox. De Donderdag en de Zaterdag die den grooten Zondag voorafgaan; zijn heilige dagen, waarop men ten minste eene predikatie bijwoont. De Donderdag vooral wordt als een soort van Zondag gevierd, en vasten- en biddag genoemd. De plechtigheid van het Avondmaal wordt in Schotland een „gelegenheid” geheeten, en volgens Burns, wiens satyren tegen de Schotsche kerk bekend zijn, wel eens een gelegenheid ook tot uitspanning, in plaats van een tot vasten en boetedoening.

[116] Partridge is een der koddigste personages uit Fieldings onovertreffelijk werk: Tom Jones.

[117] De eerwaarde John Erskine, doctor in de godgeleerdheid, een uitstekend Schotsch geestelijke zoowel door zijn godsdienstige kennis als zijn bijzondere deugden, was het hoofd der Evangelische partij in de kerk van Schotland, op het tijdstip waarin de beroemde doctor Robertson, de geschiedschrijver, aan het hoofd der gematigde partij stond. Deze beide voortreffelijke mannen waren ambtgenooten te Edinburgh, en, in weerwil van hunne theologische verschillen, leefden zij in de volmaaktste overeenstemming als vrienden en als predikanten, die dezelfde kerkdienst waarnamen. W. S.

[118] Het benificium clericorum dagteekent van de vroegste tijden. De leden der geestelijkheid, welke misdaad ze ook bedreven hadden, waren van de doodstraf bevrijd. In het vervolg werd dit privilegie uitgestrekt tot al wie lezen kon. Maar later bleek de noodzakelijkheid om dit te beperken en werd het voorrecht alleen in zekere door de Engelsche wetten aangeduide gevallen erkend.

[119] Drumclog, waar de dragonders van Claverhouse de nederlaag leden.

[120] Zie Aanteekening BB. Mac Farlane’s lantaarn. W. S.

[121] Zie Aanteekening CC. Kasteel van Doune.

[122] Nog heden noemt het landvolk, bij wijze van spreken, de rechters van het hoogste „De vijftien”, naar hun aantal.

[123] Zie Aanteekening DD. W. S.

[124] Zie Aanteekening EE. W. S.

[125] Karel Eduard scheepte zich den 20sten Juni naar Schotland in, landde den 24sten Juli te Loch Sunar en werd in het huis van Macdonald van Kinloch Moidart, in het graafschap Argyle, opgenomen. Hij was vergezeld door den hertog van Athole, meer algemeen de markies van Tullibardine genoemd, die sedert 1715 gebannen en van zijn titel vervallen verklaard was; door Macdonald, een Ier; door Kelly een Ier, die geheimschrijver van den bisschop van Rochester geweest was; door Sullivan en Sheridan, Ieren; door Macdonald, een Schot; door Striklen een Ier, of volgens Hume een Engelschman, en door Michel, een Italiaan, zijn kamerdienaar. Spoedig voegde Cameron Lochiel met zijn clan Camerons zich bij hem, alsmede Macdonald van den clan Ronald, enz.

[126] Zie Aanteekening FF. W. S.

[127] De nail is een maat van omstreeks 6 duim.

[128] Geruimen tijd lang hebben de arbeiders in de kolenmijnen van Schotland in wezenlijke slavernij verkeerd. De Schotten van 1745 geloofden dat dit in Engeland eveneens het geval was; want, toen de maarschalk Wade zich niet uit New-Castle durfde verwijderen, tegen den Pretendent, dacht men in het leger van dezen dat hij bevreesd was geweest, dat de twintigduizend kolenwerkers de gelegenheid te baat zouden hebben genomen om zich te bevrijden.

[129] Een oude wijk van de oude stad.

[130] High-Street. Deze straat is de voornaamste van de oude stad te Edinburgh.

[131] Een held uit de Ossiansche overlevering.

[132] Een soort van kapsel, aan weerszijden met bandjes, van de slapen, waar ze zijn vastgehecht, tot aan het middel af hangende.

[133] De Doutelle was een schip dat, ten behoeve der insurgenten, geld en wapenen uit Frankrijk aanbracht, zegt Walter Scott, maar het was eigenlijk meer. De Doutelle was het fregat waarop Karel Eduard zich had ingescheept.

[134] Oude vrouwen, belast met het zingen der klaagzangen voor de afgestorvenen, wat men in Ierland onder keening verstaat. W. S.

[135] Officier van justitie van lageren rang, min of meer gelijk agent van politie, vulgo „diender.”

[136] Ik heb deze verzen, of daarmede overeenkomende, in een der Magazines van dien tijd gevonden. W. S.

[137] De hoofdkerk van St. Giles, te Edinburgh, is in vier afdeelingen gescheiden, waarvan de eene den naam voert van het hol van Haddo, omdat men vooronderstelt, dat de kelder, waarop ze gebouwd is, eertijds aan een zekeren Lord Haddo tot kerker verstrekte.

[138] Deze regels komen voor in het roerende vers van mejufvrouw Steward, hetwelk aldus aanvangt:

O stormige rotsen van Lanow, vaartwel! W. S.

[139] Het is, of was eertijds, het oude liedje: „Good night, and joy be wi’ you a’!” (Goeden nacht en zij de vreugde met u allen!) W. S.

[140] Het hoofdkorps van de Hooglandsche armee was gelegerd of liever gebivakkeerd in dat gedeelte van het Konings Park, hetwelk zich naar den kant van het dorp Duddingston uitstrekt.

[141] Het was den 20sten September.

[142] Eindelijk zegevierend.

[143] Zie Aanteekening GG. Veldstuk van het Hooglandsche leger. W. S.

[144] Duivels! honderd duizend zwakke zielen!

[145] Volgens een aantal mededeelingen komt aan lord Murray al de eer van dezen veldtocht toe.

[146] De haggis is een soort van Schotsche pudding, die men, hetzij met vleesch, hetzij met gerstenmeel en andere bestanddeelen gereed maakt, en een lievelingsgerecht is in Schotland. Burns heeft er een ode op vervaardigd, waarin hij haar beschrijft als:

„Het edele hoofd van ’t puddingvolk.”

[147] Hendrik IV, van Shakespeare.

[148] Zie Aanteekening HH. Anderson van Whitburgh. W. S.

[149] Hylax (klassieke naam van een hond) huilt op den drempel van de deur.

[150] Het tweede regiment Engelsche dragonders, dat bij den slag van Prestonpans streed, werd door den kolonel Hamilton aangevoerd. Zie Aanteekening II. Dood van kolonel Gardiner. W. S.

[151] Sheriff-Muir nabij Stirling, is een vlakte, beroemd door den daar in 1715 geleverden slag, tusschen de troepen van den graaf van Mar voor de partij der Stuarts, en die van den hertog van Argyle voor het huis van Hannover.

[152] Zie Aanteekening, KK. Laird van Balmawhapple.

[153] Assythment, een geijkte rechtsterm van de Schotsche balie, en die wettige vergoeding beteekent, compensatie. Brieven van slains of doodsbrieven noemde men die brieven, welke door hem, wiens bloedverwant verslagen was, geschreven werden aan den moordenaar, om hem te verklaren, dat hij voldaan was, alsmede de brieven, waarin de moordenaar een vergoeding aanbood.

[154] Sir Thomas Craig, een uitstekend rechtsgeleerde van de zestiende eeuw. Zijn verhandeling over het Jus feodale wordt nog altijd in waarde gehouden.

[155] De dienst om den koning na den slag de laarzen uit te trekken.

[156] Een ander ik, een andere koning.

[157] Trews, Schotsche pantalons, en brogues voetzolen van kalfsleer.

[158] Omdat hij in zijn jeugd, bij het leger van zijn vader Germanicus, ligte sandalen droeg.

[159] Over de kleeding.

[160] Een klein uur afstands van Prestonpans.

[161] Whittington is een van de helden der Engelsche nijverheid. Van eenvoudig leerling klom hij op tot hoogen stand en groote rijkdommen, onder de regeering van Hendrik V. Nadat hij zonder geld en hulpmiddelen van zijn meester te Londen was weggeloopen, hoorde hij, of meende hij duidelijk de kerkklok te hooren luiden:

„Keer terug Whittington, keer terug, Driemaal lord-mayor van Londen.”

[162] Het zinnebeeld van de partij der Stuarts.

[163] Zie Aanteekening LL, Andrea de Ferrara. W. S.

[164] De vlakte van Gladsmuir was inderdaad het eigenlijke tooneel van den slag.

[165] De naam van dezen prediker was Mac-Vicar. Beschermd door het geschut van het kasteel, predikte hij iederen zondag in de Westerkerk, terwijl Edinburgh in de handen der Hooglanders was; en het was in tegenwoordigheid van een aantal Jacobieten, dat hij het gebed voor Prins Karel deed, waarvan wij hier de woorden in den tekst hebben aangehaald. W. S.

[166] Zie Aanteekening MM.

[167] Parietaria officinalis. Glaskruid, een zeer broos plantje.

[168] „Men moet zich vermommen, mijnheer.”

[169] Zie Aanteekening NN. Prins Karel Eduard. W. S.

[170] Berg en meer van Westmoreland.

[171] Zie Aanteekening OO. Schermutseling te Clifton. W. S.

[172] Zie Aanteekening PP. Eed op den dolk. W. S.

[173] Een der karakters door Shakespeare in zijn Hendrik V geschetst.

[174] Op den 16den April 1746 maakte de slag te Culloden, een einde aan den inval van den Pretendent.

[175] De vlakte van Culloden is niet ver van Inverness.

[176] Er bevonden zich op Invergarry-Castle, het verblijf van Mac-Donald van Glengary, twee verwoeste kastanjeboomen, de een geheel, de ander gedeeltelijk, door een dergelijke boosaardige en kinderachtige wraakzucht vernield. W. S.

[177] De zes eerste regels zijn ontleend aan een oude ballade, Klacht der weduwe op de grenzen getiteld. W. S.

[178] Hij is vertrokken, hij is ontsnapt, hij heeft zich gered, hij is gevlucht.

[179] Wij hebben geleden, wat in den loop der menschelijke dingen ligt.

[180] Dit vers is een soort van referein in Wordsworths ballade The idiot boy getiteld.

[181] Het is met ons gedaan Trojanen.

[182] Laatste woning – graf.

[183] Hij sterft, en stervend lispelt hij den zoeten naam van Argos nog.

Virgilius.

[184] Ook van een ijdelen plicht zal ik mij kwijten.

Virgilius.

[185] Walter Scott doelt hier op den dichter Crabbe.

[186] Touchstone is een der oorspronkelijkste hofnarren van Shakespeare.